"Tot nader order" is
natuurlijk relatief. Hoe lang is dat nog "tot nader order"?
Tot nu.
De ambitie is immers nooit een
ambitie om de ambitie, de ambitie heeft altijd betrekking op.
Zo is het de ambitie van de vrouw
om een goede vrouw te zijn.
Het is de ambitie van de vrouw is om
een goede partner te zijn, het is de ambitie van de vrouw om een goede dochter te
zijn, het is de ambitie van de vrouw om een goede moeder te zijn.
Begrijp me niet verkeerd, dat
is een statistische stelling!
Deze stelling gaat niet op voor
alle vrouwen, maar voor vrouwen in het algemeen. Een statistische uitspraak
zegt niets over individuen. Uiteraard zijn er carrièrevrouwen, vrouwen voor wie
alles moet wijken om de hoogste top te kunnen bereiken. Ik spreek ook geen
moreel oordeel uit over die vrouwen. Hun ambitie is hun gegund, net zoals de
ambitie van hun 'soort'genoten. Hun ambitie is misschien niet gelijk, maar wel
gelijkwaardig.
Om een goede partner te zijn
zal de vrouw al eens vlugger besluiten vier vijfde te gaan werken ten einde
haar tien vijfde dagtaak rond te krijgen. Om een goede dochter te zijn zal de
vrouw misschien eerder dan de man zorgverlof overwegen. Om een goede moeder te
zijn zal de vrouw geneigd zijn een snipperdag op te offeren om haar zieke kind
wat extra te verwennen.
Let wel, dat is andermaal een
statistische stelling. God verhoede het me om de vrouw te veroordelen die haar
zieke kind bij de oma dropt vooraleer ze zich naar het werk rept. Het gaat hier
om de gemiddelde vrouw.
Met andere woorden, de
gemiddelde vrouw brandt van ambitie. De ambitie van de vrouw is een vuur met de
allures van een bosbrand in Portugal waarbij de ambitie van de man gereduceerd
wordt tot het vlammetje van een lucifer waarmee men een stuk krantenpapier in
de fik steekt.
Oh ja, Charles Darwin.
"I have always thought that Darwin was wrong: his theory does not
account for all the variety of species."
Ludwig Wittgenstein. @joël Even de betekenis van "ambitie" veranderd. Moet kunnen.
Nu de vakantie nadert, de
koffers worden gepakt, de reizen gepland of geboekt, kunnen we nog heel
even de tijd nemen om terug te blikken op het meest ondergewaardeerde debat van het voorbije jaar.
Is onze levenswijze superieur?
Gwendolyn Rutten (Open Vld)
lanceerde dat thema. Vele landgenoten vinden van wel. Honderdduizenden
West-Afrikanen vinden hun levenswijze dan weer helemaal niet superieur.
Zij zetten hun leven op het spel om Europa te bereiken. Verschillende
landen betalen inmiddels communicatiespecialisten om in Afrika luidkeels
te verkondigen dat onze levenswijze absoluut niet superieur is, dat
iedereen daar beter ter plaatse blijft en zich de dure, gevaarlijke reis
bespaart. Mijn eerste reactie was dan ook een paniekerig 'Shhhttttt
mevrouw Rutten, stil, stil houden'. Maar het flapte er al uit: “Onze
levenswijze is superieur." De staatssecretaris voor Asiel kan mevrouw
Rutten, terecht, omschrijven als een aanzuigeffect.
Terwijl ik hoopte dat de mare van
haar stelling de Sahel niet zou bereiken, barstte hier de controverse
los. Mensen verklaarden zich heftig voor, maar ook tegen. Voorspelbaar
waren er de katholieke fundi's die, met koppeltekens in de uitverkoop,
onze 'levens-wijze zin-loos' achtten. Daarnaast de occidentalisten – de
haters van het Westen – die spraken van “vermeende
superioriteit” en “schijnvrijheid”. Meteen naar Afrika met al die
mensen. Daar vertellen dat we hier onder het juk van oude, blanke mannen
zwichten.
Het debat ging niet liggen. In
het vragenrondje van lezingen staken mensen de vinger op: professor,
gelooft u ook dat onze levenswijze superieur is? Ik kreeg er zowaar
spijt van te hebben gelachen met de uitspraak van Rutten (sorry,
mevrouw). Zelden debatteerden zoveel landgenoten tegelijk over een
belangrijke kwestie. Ik herinner me één gesprek waarin iemand, volkomen
correct overigens, opmerkte dat de mensen het gelukkigst zijn in ons
samenlevingsmodel, in Noordwest-Europa. Dat leek iedereen een sluitend
bewijs voor de superioriteit van dat model. Ik vond het vervelend
spelbreker te zijn, maar bracht toch in dat dit een hedonistische
zienswijze is. Niet alle culturen hechten evenveel belang aan geluk.
Zelfs niet alle mensen met wie wij moeten samenleven doen dat, spijtig
genoeg. Veel instemmend geknik in de zaal. Neem nu psychiater Dirk
'niet-alle-dagen-feest' De Wachter. Zo iemand hebben ze daar in Afrika
nodig. De diepere zin van pijn en miserie.
Vinden we rijke samenlevingen echt zo aantrekkelijk?
Hoe breed het debat ook werd
gevoerd, twee dingen miste ik. (1) Wat houdt ons samenlevingsmodel dan
precies in? (2) Hoe oordeelt men over superioriteit?
Is het gewoon onze rijkdom, ons
bruto nationaal product per capita dat het doet? In dat geval zijn
Qatar, Macau, Singapore, Brunei, Koeweit, de Verenigde Arabische
Emiraten, Saudi-Arabië, Oman en Bahrein, om er maar een paar te noemen,
flink superieur aan België. Hoeveel one way tickets?
Persoonlijk denk ik dat een
vijftal instellingen onze samenlevingsvorm typeren en van andere
onderscheiden: democratie, rechtsstaat, verzorgingsstaat, seculiere
staat en wetenschap als grondslag van geldig geachte kennis. De
samenlevingen waarin die instellingen het mooist tot ontwikkeling
kwamen, zijn de Noordwest-Europese, samen met Canada en Nieuw-Zeeland.
Uiteraard is er ook een cultuur, een geheel van houdingen, opvattingen
en waarden nodig om die instellingen te dragen en te laten functioneren.
Die instellingen worden immers voortdurend uitgedaagd. De graaicultuur
die in Brussel aan het licht komt, verettert de crisis van de
democratie, het terrorisme is een uitdaging voor de rechtsstaat,
globalisering bedreigt de verzorgingsstaat, de aanwezigheid van een
traditionalistische islam daagt de seculiere samenleving uit, het
gewicht van commerciële belangen is een probleem voor de wetenschap. Die
instellingen moeten voortdurend aangepast en bijgestuurd worden. Dat
lukt omdat zij steunen op idealen die breed gedragen zijn.
Oordelen als goden
Is dat samenlevingsmodel
superieur? Voor mij wel. Ik ben erin opgegroeid en kan me in alle
eerlijkheid geen goede samenleving, geen goed leven voorstellen zonder
die instellingen. Buiten die instellingen ligt voor mij dwaasheid,
onwetendheid, onverdraagzaamheid, willekeur, onrechtvaardigheid en
onderdrukking. Maar – dat is zo omdat ik mijn oordeel vel op basis van
die instellingen – vanuit de eis dat uitspraken over de wereld gegrond
zijn in wetenschap, dat het samenleven met mensen met andere
overtuigingen mogelijk moet zijn, dat sociale onrechtvaardigheid en
willekeur onaanvaardbaar zijn, dat waardigheid ook zeggenschap
impliceert. Mijn oordeel is met andere woorden subjectief,
eurocentrisch, geveld op basis van de denkkaders, waarden en normen die
ons samenlevingsmodel mij aanreikt. Ik zie trouwens niet in vanuit welk
standpunt, alsof zij een soort boven de menselijke diversiteit zwevende
goden zijn, sommige mensen met stelligheid kunnen beweren dat ons
samenlevingsmodel wel superieur of niet superieur is. Hubris. Ik hou het
liever bij: ik vind het persoonlijk superieur en ben bereid het met
hand en tand te verdedigen.
Hoe doen we dat, het verdedigen?
Niet door te roepen dat het superieur is. Wel door er grenzen omheen te
trekken en die goed te bewaken. Te controleren wie binnenkomt. Erop toe
te zien dat zij geen bedreiging vormen voor dat samenlevingsmodel. Door
nieuwkomers en onze kinderen dat model beter te leren kennen en
waarderen. Het is nu net een voordeel van die samenlevingsvorm dat het
mensen van heel veel, niet alle, maar van heel veel verschillende
overtuigingen kan opnemen in een samenleving waarvan ook zij gaan
houden.
Het is altijd pijnlijk als degene
die gekookt heeft als eerste zegt: "Lekker hé." Beter is het in zo’n
geval naar het oordeel van anderen te luisteren. Vanuit westerse landen
hebben democratie, rechtsstaat, verzorgingsstaat, seculiere staat en
wetenschap zich met wisselend succes over grote delen van de wereld
verspreid. Men noemt dat modernisering, maar spreekt ook van
verwesterlijking omdat die instellingen in het Westen tot bloei kwamen
en zich van daaruit verspreidden, ook al werden ze elders vaak op eigen,
gelijkaardige ontwikkelingen geënt. Blijkbaar zijn we dus niet de
enigen die deze instellingen aantrekkelijk, zo niet superieur achten,
tenzij men zoals de occidentalisten veronderstelt dat hun verspreiding
louter een kwestie van koloniale onderdrukking en machtsvertoon is
geweest.
Die stelling horen we nu,
ironisch genoeg, eveneens over de nakende 'veroosterlijking' van de
wereld. Die zou het gevolg zijn van de snelle economische groei en
toenemende militaire uitgaven van China. Dat wijst op grote onzekerheid
en zelftwijfel. Twintig jaar geleden zouden we in diezelfde
ontwikkelingen net een teken van de verwesterlijking van China hebben
gelezen. Is ons samenlevingsmodel een toevallig samenraapsel van
instellingen die zich over de wereld hebben verspreid omdat westerse
landen baasje speelden? Of hebben die instellingen iets dat mensen doet
beseffen dat zij, eens er wat economische ademruimte is, goed leven en
samenleven mogelijk maken? Overal ter wereld zijn er mensen die
overtuigd zijn van dat laatste; bereid ook voor die overtuiging te
vechten: hun land te veranderen, eerder dan van land te veranderen.
Mark
Elchardus laat zijn licht schijnen op het meest ondergewaardeerde debat van het
voorbije jaar.
Is onze
levenswijze superieur?
Zelf ga
ik daar niet aan meedoen.
Als ik
dat wel zou doen, dan zou ik de aandacht vestigen op de merkwaardige stelling
dat Mark Elchardus zijn oordeel gebaseerd is op de wetenschap, dat zijn oordeel
met andere woorden subjectief is. Als u het niet erg vindt, dan laat ik deze
kelk aan mij voorbijgaan.
Liever
zou ik hier graag even Mark Elchardus zijn legendarische hekel aan de wortel in
herinnering brengen.
Dat begon
al van in de baarmoeder. De eerste keer dat de mama van Mark de hand van zijn
papa op haar buik legde en fluisterde "Voel, hij beweegt" had de mama
van Mark net worteltjesstoemp gegeten. Het eerste bewegen van haar kind had ze
toen nog niet begrepen als een koleirig stampen.
Van zodra
Mark potjes vaste voeding tot zich nam zette hij het steevast op een brallerig
huilen van zodra hij ook maar een spoor van wortel proefde. Maar niemand die
ooit de link legde tussen het huilen en de wortel. Dat kwam pas toen Mark zijn
eerste woordjes brabbelde. Het zal u niet verbazen dat de eerste woordjes van
Mark Elchardus "wortel is vies" waren.
Het moet
gezegd, de papa van Mark Elchardus heeft lange tijd pogingen ondernomen om zijn
zoon zijn aangeboren hekel aan de wortel te helpen overwinnen.
"Ik
vind wortel vies", corrigeerde papa Elchardus telkens kleine Mark zijn
mantra "wortel is vies" herhaalde.
Tot de
puberteit. Net zoals elke puber had Mark weleens last van gezagsondermijnend
gedrag.
"Wortel
is vies", zei Mark toen zijn mama op een broeierig hete dag in juni
rauwkost serveerde en Mark de geraspte oranje groente in zijn bord ontwaarde.
"Je
vindt wortel vies", antwoordde zijn vader zonder zijn blik af te wenden
van de column die hij aan het lezen was in de krant.
"Daar
gaan we weer", rolde de mama van Mark met haar ogen.
"En
ik vind dat dat een inferieur onderscheid is", keilde Mark zijn bord de
tuin in.
" in werkelijkheid is de waarheid doodgewoon. Een ware bewering is er een die overeenstemt met de werkelijkheid. "
"In werkelijkheid is de waarheid datgene wat overeenstemt met de werkelijkheid", zou men kunnen zeggen.
Dat maakt uiteraard dat deze stelling waar is.
Nu is er in de filosofie echter wel een probleem met stellingen.
Althans als we kunnen voortgaan op een filosoof als Bertrand Russell
"Moore and Russell came to reject the identity theory of truth in favor
of a correspondence theory, sometime around 1910 (as we see in Moore,
1953, which reports lectures he gave in 1910–1911, and Russell,
1910b). They do so because they came to reject the existence of
propositions. Why? Among reasons, they came to doubt that there could
be any such things as false propositions, and then concluded that
there are no such things as propositions at all."
Dit is wat me stoort aan de Verlichte geesten.
Hun opdringerigheid.
"A is superieur ten opzichte van B."
Dit is een abstracte vorm van de propositie.
Het gaat er niet om of deze abstracte propositie juist of fout is. Zolang er geen concrete invulling is van A en B is het nogal zinloos om er een uitspraak over te doen.
Het gaat er om of deze abstracte propositie geldig is of niet.
De Verlichte geest kan hier "neen" op antwoorden.
Om een willekeurig voorbeeld te geven, als A en B personen zijn, dan is deze abstracte propositie niet geldig.
Hitler is superieur ten opzichte van Gandhi.
De vraag of deze propositie juist of fout is komt niet aan de orde.
De propositie is immers niet geldig
Ideeën zijn superieur, mensen niet.
De Verlichte geest kan er ook "ja" op antwoorden.
Om een willekeurig voorbeeld te geven, als A en B ideeën, waardenstelsels, kennismethodes of samenlevingsvormen zijn, dan is de propositie geldig.
Het atheïsme is superieur ten opzichte van de islam.
Dat is een geldige propositie.
De vraag stelt zich dan of deze concrete propositie juist of fout is.
Ik weet het niet.
De Verlichte geest waarschijnlijk ook niet, maar hij heeft ongetwijfeld objectieve argumenten om zijn mening kracht bij te zetten.
We worden dus geconfronteerd met het feit dat de propositie "A is superieur ten opzichte van B" soms geldig is en soms niet. (Vergis u niet, dat is geen relativisme. Dat is een absolutisme)
De geldigheid blijkt uit de concrete invulling van A en B.
Net zoals de juistheid. De juistheid blijkt uit de concrete invulling van A en B.
Bij nader inzien is er dus blijkbaar geen verschil tussen de geldigheid en de juistheid.
Ik blijf het vreemd vinden dat niemand er een flauw benul van heeft hoe die concrete invulling van A en B er uitziet zolang ik de woorden Hitler, Gandhi, atheïsme en islam niet gebruikt heb terwijl iedereen er blijkbaar van uitgaat dat zijn concrete invulling van Hitler, Gandhi, atheïsme en islam volledig correspondeert met mijn concrete invulling van die begrippen.
Wat is superieur?
Wat is een Verlichte geest?
“When I use a word,” Humpty Dumpty said, in rather a scornful
tone, “it means just what I choose it to mean—neither more nor less.”
“The question is,” said Alice, “whether you can make words mean so many different things.” “The question is,” said Humpty Dumpty, “which is to be master—that’s all.”
‘De waarheid is belangrijker dan ooit.’
Of dat waar is, weet ik niet. Maar het is wel de reclameslogan waarmee The New York Times al een aantal maanden lezers probeert te verleiden tot een abonnement. En dat is ook niet zo vreemd.
Sinds de verkiezing van een pathologisch liegende Donald Trump als
president van de Verenigde Staten, en parallel daaraan, de vloedgolf van
nepnieuws die de sociale media overspoelt, staat het begrip ‘waarheid’
weer helemaal centraal in de journalistiek. Je kunt geen journalistieke
conferentie bezoeken of academische paper openslaan, of de beschouwingen
over post-truth society, fact free politics en fake news vliegen je om de oren.
Een breed gedeelde analyse van het probleem luidt in een notendop:
onze samenleving is voorbij de waarheid. En, misschien nog wel
belangrijker: machthebbers zijn de schaamte voorbij. Openlijk liegen en
verdraaien is het nieuwe normaal. Geholpen door nieuwe media, die
politiek gemotiveerde propaganda als nieuws verkopen, wordt de burger
overspoeld met ‘alternatieve feiten’ en ‘alternatieve realiteiten.’
Eerder schreef ik dit essay over hoe het verdienmodel van Google en Facebook het begrip waarheid hebben veranderd.
Waar is niet meer wat klopt. Waar is wat klikt.
Hierdoor is het onderscheid tussen nep en echt verdwenen. Niemand
weet meer wat werkelijk is en wat niet. Dat verdwenen onderscheid is een
gevaar voor de democratie. Als een bevolking geen realiteit meer deelt,
kan die immers ook niet samenleven - laat staan samen besturen. Zoals
het ook onmogelijk zou zijn samen naar een voetbalcompetitie te kijken,
als iedereen andere uitslagen in het nieuws zou zien en aan het einde
zijn eigen club tot kampioen zou kronen. Voor het spel genaamd politiek
geldt hetzelfde: je kunt niet van mening verschillen als je het niet
eerst eens bent over de feiten.
Ook traditionele kranten, zoals The New York Times en The Washington Post, hebben zich volledig gestort op het factchecken: er zijn inmiddels hele redacties gewijd aan
Factchecking Donald Trump: de kranten in Amerika hebben het er druk mee.
het controleren van de uitspraken
van president Trump. En ook Jimmy Wales, oprichter van Wikipedia, heeft
zich aan het factcheckingfront gemeld: hij kondigde onlangs Wikitribune
aan, een soort Wikipedia waar journalisten en burgers samen
Wikitribune is een nieuwssite waarbij journalisten en lezers nepnieuws tegengaan.
de feitelijkheid van nieuws gaan controleren.
Deze initiatieven vinden allemaal hun oorsprong in een bepaalde
filosofische opvatting van wat waarheid precies is - een opvatting die
haar grootste bloeiperiode kende in de zeventiende- en achttiende-eeuwse
Verlichtingsfilosofie van denkers als
René Descartes
en
Immanuel Kant
en die in de loop van de negentiende en twintigste eeuw tot het DNA van
de moderne journalistiek is gaan behoren. Het is een opvatting waar
journalisten hun obsessie met feiten aan te danken hebben en waar ze ook
hun streven naar objectiviteit op baseren.
Die opvatting werd door de Amerikaanse filosoof
Richard Rorty
in zijn boek Philosophy and the Mirror of Nature (1979) ooit
samengevat als de ‘spiegeltheorie’ van waarheid: het idee dat waarheid
‘een correcte weergave’ of ‘weerspiegeling’ is van de realiteit om ons
heen. Waarheid is, volgens deze filosofische school, ‘correspondence to reality’:
overeenstemming met de werkelijkheid. Wat een uitspraak, stelling of
theorie van de mens waar maakt, is de mate waarin deze de werkelijkheid
reflecteert.
Voor een leek, niet geschoold in de filosofische finesses van
waarheid, klinkt dit misschien als een open deur: natuurlijk is waarheid
een juiste weergave van de werkelijkheid. Vergelijk het met een
schilderij: dat noem je ‘realistisch’ als het gelijkenis toont met de
realiteit waar het een afbeelding van is.
Maar in de filosofie is deze opvatting van waarheid allesbehalve
onproblematisch. Er zijn hele stromingen gewijd aan de ontkrachting
ervan (en Rorty behoorde tot een belangrijke spil in één van deze
stromingen).
Mensen leven in verschillende realiteiten en het samenspel tussen die realiteiten noemen we ‘cultuur’
Die ontkrachtingen zijn zeer uiteenlopend, maar bevatten altijd wel
een mengeling van argumenten als deze: 1) Er is niet één werkelijkheid
waaraan je de uitspraken van de mens kunt toetsen; 2) Er is wel één
werkelijkheid, maar daar heeft de mens geen directe toegang toe, omdat de ervaring van
de werkelijkheid per definitie iets anders is dan de werkelijkheid
zelf; of 3) Uitspraken van mensen zijn altijd modellen van de
werkelijkheid en dus nooit ‘werkelijk’ (of zoals de Duitse filosoof
Friedrich Nietzsche
zei: ‘Er zijn geen feiten, enkel interpretaties.’)
De moraal van al deze argumenten is min of meer hetzelfde, namelijk:
er is niet zoiets als waarheid, want - voor zover er één realiteit is -
ervaart, interpreteert en beschrijft iedere mens die steeds weer anders.
De mens kan niet bepalen of zijn interpretatie ‘overeenstemt met de
werkelijkheid.’ Het hoogst haalbare is eerder: overeenstemming tussen
mensen onderling. In de woorden van Rorty: ‘We kunnen praten over hoe we
onze claims rechtvaardigen, maar we kunnen niet praten over
waarheid. Rechtvaardiging hangt af van een toehoorder en van een aantal
waarheidsopties. Waarheid hangt nergens van af. Juist omdat waarheid
nergens van afhangt, valt er
niks over te zeggen.’
Dat betekent: waarheid is een sociale constructie, waar mensen zich
als groepen omheen scharen. En omdat de werkelijkheid geen eenduidige
interpretaties of beschrijvingen opdringt, ontstaan er allemaal
verschillende sociale groepen die allemaal verschillende opvattingen
koesteren over wat nu precies die werkelijkheid is waar wij - mensen -
in leven.
Anders gezegd: mensen leven in verschillende realiteiten en het samenspel tussen die realiteiten noemen we ‘cultuur.’
Waarom het geen zin heeft factcheckers in te zetten in een cultuuroorlog
Deze (postmoderne) kritiek op de spiegeltheorie van waarheid zie je
tegenwoordig heel duidelijk terug in allerlei maatschappelijke
discussies. Denk maar aan het debat over dat we allemaal
Correspondent Lynn Berger schreef eerder een prachtig essay over de hedendaagse betekenis van het woord ‘bubbel.’
‘in onze eigen bubbel’
leven. In essentie gaat dat over het ontbreken van waarheid als een
verbindende factor tussen groepen mensen met ieder een eigen
werkelijkheidsbeleving.
En hoe sterker die realiteiten van elkaar verschillen, hoe sterker
het gebrek aan waarheid wordt ervaren: als de ene groep gelooft dat de
gehele samenleving wordt bedreigd door, bijvoorbeeld, ‘islamisering,’
terwijl de andere groep die ontwikkeling helemaal niet ervaart of ziet,
komen realiteiten zo ver uit elkaar te liggen dat samenleven steeds
moeilijker - of zelfs onmogelijk - wordt. Of, om het wederom in de
voetbalmetafoor uit te drukken: bedenk maar eens wat er gebeurt als
Feyenoord-fans straks op de Coolsingel vieren dat hun club kampioen is
geworden, terwijl op alle televisies in Amsterdam Teletekst zegt dat
Ajax bovenaan staat.
Precies, daar komen rellen van.
Geen wonder dus dat journalistieke organisaties als The New York Times
en sociale platforms als Facebook hun heil zoeken in meer feiten. Het
zijn immers feiten die ten grondslag liggen aan een gedeelde realiteit.
Maar, de kritiek op de spiegeltheorie van waarheid indachtig, wordt
onmiddellijk duidelijk waarom dat een heilloze weg is. Als waarheid niet
‘overeenstemming met de realiteit’ is, maar een sociale constructie
waarmee mensen aan groepsvorming doen, hebben meer feiten geen
zeggingskracht. Dat is immers precies waarmee de groepen zich van elkaar
onderscheiden: in een andere opvatting van wat feiten zijn.
Zoals Clay Shirky, een denker gespecialiseerd in de effecten van het internet op de samenleving, het treffend formuleerde: ‘We are bringing fact checkers to a culture war.’ Overeenstemming met de werkelijkheid leidt niet automatisch tot overeenstemming tussen mensen onderling.
Integendeel, hoe meer de journalistiek erop hamert dat zij ‘de feiten
presenteert’ en daarmee dus ‘de waarheid in pacht heeft,’ hoe sterker
ze wordt gewantrouwd door de groepen die niet deze feiten delen. Het
doel een gedeelde realiteit te creëren, gebaseerd op overeenstemming
over wat feit is en wat niet, heeft dan precies het omgekeerde effect:
het wantrouwen tussen journalistiek en publiek neemt toe in plaats van
af. Objectiviteit wordt dan ervaren als snobisme of opdringerigheid: alsof ‘jullie realiteit’ de ‘enige juiste’ is.
Hoe dan wel? Over waarheid als eerlijkheid en integriteit
Gelukkig is er ook een andere filosofische opvatting van waarheid die
hier iets aan kan doen. Die, in mijn ogen, beter in staat is de kloof
tussen de verschillende realiteiten waarin we leven te overbruggen en
die daarmee in potentie het wantrouwen tussen journalistiek en publiek -
en daarmee ook tussen mensen onderling - kan verkleinen.
Die opvatting zou je kunnen samenvatten als: waarheid als eerlijkheid en integriteit. In
plaats van waarheid te baseren op de veronderstelling dat er één
realiteit is die op een juiste manier kan worden weergegeven, gaat deze
opvatting ervan uit dat waarheid een sociale constructie is ten opzichte
waarvan je als mens een bepaalde houding kunt aannemen. Dat klinkt wellicht een beetje vaag, maar kan als volgt worden begrepen:
In plaats van te doen alsof ‘de feiten voor zich spreken,’ toon je de aannames waarop jij je oordelen over de wereld baseert.
In plaats van feiten te ‘controleren’ op overeenstemming met ‘de
werkelijkheid,’ toon je de inherente subjectiviteit van jouw
interpretaties en stel je je open voor andere ervaringen van de
werkelijkheid om je heen.
In plaats van je onderzoek te presenteren als conclusies en je te
distantiëren van de reacties van lezers, zie je je onderzoek als een
doorlopende dialoog die niet per se tot een eindpunt hoeft te worden
gebracht.
In plaats van te streven naar geveinsde ‘objectiviteit’ en
‘neutraliteit,’ ben je transparant over je morele opvattingen en de
doelen die daaruit voortvloeien.
In plaats van te doen alsof waarheid iets is wat ‘los van jou’
staat, beschouw je waarheid als een product van de menselijke geest en
interactie.
Het cruciale verschil tussen waarheid als overeenstemming met de
werkelijkheid en waarheid als eerlijkheid en integriteit is dat de
eerste ervan uitgaat dat waarheid iets is wat gevonden wordt, terwijl de laatste ervan uitgaat dat de waarheid iets is
Eerder schreef ik uitgebreid over het verschil tussen gevonden en
gemaakte waarheid in het essay ‘Hoe waarheid een product werd.’
wat gemaakt wordt.
Aanhangers van de eerste theorie streven er dan ook naar, in de
woorden van Richard Rorty, ‘om tijd te vervangen door oneindigheid en
het gesprek te vervangen door
zekerheid.’
Waarheid, eenmaal gevonden, is absoluut en universeel.
Aanhangers van de tweede theorie daarentegen koesteren die hoop niet.
Want die gaan ervan uit dat, wederom in de woorden van Rorty: ‘het
enige dat we als mens kunnen doen, is met elkaar delen wat we geloven en
willen. En voor zover we kunnen overzien, zal het leven er voor altijd
zo uit blijven zien.’
Uit deze twee verschillende opvattingen vloeit logischerwijs een heel
ander soort journalistiek voort. De gevonden waarheid schrijft voor dat
je als journalist uitzoekt hoe iets zit, de feiten op een rijtje zet en
deze presenteert aan het publiek.
Journalistiek als het constant bijstellen van aannames
Een tekst die ik cadeau kreeg van Rob Wijnberg.
Het is altijd een beetje tricky om een cadeau dat je gekregen hebt op je eigen beurt opnieuw cadeau te doen.
Daarom zal ik trachten er een meerwaarde aan te geven.
Om te beginnen: mooie vazen.
De reclameslogan van de Correspondent is " een dagelijks medicijn tegen de waan van de dag".
Ik vermoed dat ze daarmee bedoelen dat de teksten die gepresenteerd worden een langer leven dan het moment beschoren zijn.
Zelf ben ik zeer gewonnen voor het idee om teksten te voorzien van een vervaldatum.
GELDIG TOT ....
De "sluitertijd" van een tekst lijkt me een fijn nieuw label. CE !
Voor de tekst van Rob Wijberg zou het om een jaar gaan schat ik.
"Feynoord is kampioen", dat is immers een feit.
In het licht daarvan is de slogan van de New York Times de bescheidenheid zelve.
The truth is more important NOW than ever.
Enkel wie
de afgelopen maanden op een andere planeet leefde, kan het ontgaan zijn: thans
leven we in het post-truth tijdperk. Sinds de verkiezing van een
pathologische leugenaar in het Witte Huis gonst het van de geruchten dat de
waarheid haar beste tijd heeft gehad. De Oxford Dictionaries koos het
begrip post-truth uit tot woord van het jaar. Wie de grafiek van de term
bekijkt op Google Trends voor de afgelopen vijf jaar, ziet een soort
hockeystick: een nagenoeg platte dode lijn tot de week van 13 november 2016,
met dan een bijna verticale piek in de hoogte. Zelden gebeurt het dat een zo
abstract begrip als ‘waarheid’ de inzet is van het maatschappelijke debat. Maar
is de houdbaarheidsdatum van de waarheid echt verstreken? En wat bedoelen we
precies wanneer we zeggen dat we in het post-waarheidtijdperk leven?
Een van
de evolutionaire functies van ons brein is om kennis te vergaren over de wereld
rondom ons. Daarvoor doen we overtuigingen op, op basis van zintuiglijke
prikkels en denkvermogen. Een overtuiging is als een pijl die we afvuren op de
wereld. Treffen we de roos, dan noemen we die ‘waar’. Zitten we er helemaal
naast, dan noemen we die ‘onwaar’. Dan spreken we van een illusie, verzinsel of
waanbeeld. En wat daartussenin zit, noemen we ‘een beetje waar’ of ‘bij benadering
waar’, afhankelijk van de omstandigheden. Die spreekwoordelijke pijlen vuren we
voortdurend en onwillekeurig af, zonder dat we daar bewuste controle over
hebben. Als ik door het raam kijk en vallende regendruppels zie, dan doe ik
automatisch de overtuiging op: het regent. Dat kan ik niet tegenhouden, zelfs
niet al zou ik dat willen.
Nu kunnen
we het woord ‘waarheid’ in principe wegtoveren uit dit hele verhaal, als we dat
willen. ‘Geloven dat p waar is’ wil niets meer en niets minder zeggen dan ‘geloven
dat p’. De geneste constructie ‘het is waar dat’ is eigenlijk overbodig. Dat is
de grondstelling van het minimalisme over waarheid, een filosofische theorie
die Filip Buekens verdedigt in zijn recente boek De transparantie van
waarheid. Een minimalist wil het begrip ‘waarheid’ tot zijn – laten we
zeggen – ‘ware’ proporties terugbrengen. Filosofen hebben zich er te lang blind
op gestaard: als er ergens een woord voor bestaat, denken ze, dan moet er toch
een ding mee overeenstemmen? Wat heet waarheid dan? Waar vinden we die terug?
Wat is haar ontologische statuut? Voor je het weet, gebruik je de hoofdletter W
en raak je verstrikt in een metafysisch kluwen.
Taal kan
ons verstand beheksen, zo wist Ludwig Wittgenstein. Het verschil tussen waar en
onwaar – tussen opvattingen die met de wereld stroken en zij die ermee botsen –
is eigenlijk iets doodgewoons. Het is onlosmakelijk verweven met de structuur
van ons kenapparaat. In mijn laatste boek Illusies voor gevorderden
schrijf ik voortdurend over ‘waarheid’, en het woord prijkt zelfs in mijn
ondertitel, maar in principe zou ik het hele boek kunnen herschrijven zonder
het ooit te gebruiken. (Het zou alleen omslachtiger en onleesbaar worden.)
Wegtoveren
Precies
omdat het concept ‘waarheid’ zo gewoon en alledaags is, valt er heel moeilijk
aan te ontsnappen. We kunnen het woord zelf wel wegtoveren, zoals minimalisten
betogen, maar we kunnen de geest niet uitbannen. Dat ‘waarheid’
voorbijgestreefd zou zijn, zoals de term ‘post-truth’ aangeeft, is daarom nogal
twijfelachtig, althans in de meest fundamentele zin. Natuurlijk is het mogelijk
dat we thans in een wereld leven waarin de leugen regeert, waarin meer valse
nieuwsberichten de ronde doen dan vroeger, of waarin het vertrouwen in de
traditionele bronnen van ‘waarheid’ afkalft. In zo’n wereld wordt het weliswaar
moeilijker om te achterhalen wat waar is, maar het concept zelf blijft
ongehavend. Daarvoor is het te fundamenteel.
Neem de
dwaallichten die volhouden dat 9/11 een inside job was van Bush en
kompanen, of dat klimaatopwarming een fabeltje is van groene jongens, of dat
Obama in Afrika is geboren. De meeste lezers zullen het – hopelijk – met me
eens zijn dat deze uitspraken faliekant naast de roos schieten. Het zijn
illusies, loze geruchten, verzinsels.
In één zin
zijn deze dwaallichten dus van de waarheid losgezongen. Maar in een andere zin
zijn ze net zo verknocht aan het concept ‘waarheid’ als wij allemaal. Dat zij
al die dingen geloven, wil zeggen dat ze die voor waar houden. Dat ze de
waarheid voor onwaarheid houden en vice versa. In elk geval is het probleem
niet dat zij onverschillig zijn tegenover waarheid, of dat ze niet langer
begrijpen wat het concept betekent, of dat het voor hen voorbijgestreefd is.
Niet toevallig noemen 9/11-complotdenkers zichzelf ‘The Truth Movement’, met
hoofdletter ‘T’. In hun eigen parallelle universum zijn zij de echte
waarheidsvorsers, die de leugens van de machthebbers doorprikken. Dat zijn de
pijlen die zij afvuren op de wereld – alleen zitten ze er grandioos naast.
Bullshit
Maar wat
dan met Trump? De man kraamt voortdurend flagrante leugens uit, schijnbaar op
de meest achteloze en schaamteloze wijze. ‘We hebben een president die in staat
is om in de regen te staan en te zeggen dat het een zonnige dag is’, verbaasde
de komiek John Oliver zich na de inauguratie van Trump. Dat is nog wat anders
dan complotdenkers. We kunnen het een Trumpe l’oeil noemen: een
bedrieglijke voorstelling van aantoonbare en manifeste feiten. Is het mogelijk
Trump en zijn trawanten een totaal andere opvatting van ‘waarheid’ aanhangen,
en dat die stilaan ook onze geesten besmet?
In zijn
traktaat On Bullshit maakt de filosoof Harry Frankfurt een onderscheid
tussen een leugenaar en een bullshitter. Een leugenaar is iemand die
moedwillig onwaarheden verkondigt, of althans wat hij zelf voor onwaarheid
houdt. Om te kunnen liegen, moet je je eerst een idee vormen van de waarheid,
en die vervolgens loochenen. De bullshitter daarentegen is onverschillig
tegenover de waarheid. Hij kletst maar wat uit zijn nek, op basis van wat hem
goed uitkomt, zonder zich iets van de waarheid aan te trekken.
Toen
Trump beweerde dat Vladimir Poetin een persoonlijke vriend van hem is, was dat
een doelbewuste leugen, of geloofde hij dat echt zelf? En toen hij volhield dat
er meer volk was op zijn inhuldiging dan op die van Obama? En dat de zon
bovendien scheen? Misschien spreekt er eerder een soort onverschilligheid
tegenover de waarheid uit. De bullshitter trekt zich niets aan van de waarheid,
maar kraamt gewoon uit wat zijn publiek wil horen, of wat hem goed uitkomt.
Trump heeft een ego ter grootte van Kazachstan, en omdat hij zichzelf zo
belangrijk waant, flapt hij er vaak gewoon iets uit wat in de lijn ligt van dat
zelfbeeld: dat hij de Russische president persoonlijk kent, of dat hij de
grootste mensenmassa ooit op de been bracht.
Maar de
diagnose van Trump als bullshitter is niet helemaal toereikend. Een bullshitter
trekt zich niets aan van de waarheid, maar Trump wil juist heel hard zijn eigen
waarheid tot stand brengen. Denk aan al zijn knettergekke beloftes over hoe
geweldig zijn presidentschap zal zijn. Over de
economie pochte hij bijvoorbeeld: ‘I will be the greatest jobs producer that
God ever created.’ En wie
zal de belofte over de Mexicaanse muur vergeten? In een artikel in The
Guardian schrijft de Zweedse professor Carl Cederström dat Trump sterk is
beïnvloed door Norman Vincent Peale, een Amerikaanse dominee en succesgoeroe.
Die had een erg eigenzinnige opvatting van waarheid. In zijn oppepboek The
Power of Positive Thinking schrijft Peale dat je zelf je eigen waarheid
kunt maken, als je maar hard genoeg in jezelf gelooft. De waarheid is geen
voldongen gegeven, maar iets wat je zelf naar je hand kunt zetten. Peale
koppelde daar denkoefeningen aan, een soort mantra’s die je steeds moet
herhalen, tot je zelf je eigen waarheid sticht: prayerize, visualize,
actualize.
Dat doet
denken aan de figuur van Peter Pan, het geesteskind van de Britse schrijver
J.M. Barrie. In de boeken van Barrie kan Peter Pan vliegen, om een heel
eenvoudige reden: omdat hij rotsvast gelooft dat hij dat kan. Dat is het enige
verschil, in Barries universum, tussen Peter Pan en gewone stervelingen. Indien
wij maar net zo hard geloofden in onszelf, dan zouden wij ook kunnen vliegen.
Ook Trump lijkt te geloven dat hij zijn eigen waarheid kan stichten, door zijn
succesriedeltjes.
FEIT:
Taal kan ons verstand beheksen, zo wist Ludwig Wittgenstein
Is de
waarheidsopvatting van Trump die van Peale en Peter Pan? Denkt Trump echt dat
hij zelf zijn eigen waarheden kan wensen? Niet helemaal. Zelfs The Donald zou
niet zomaar van het dak van zijn eigen Trump Tower springen. Iemand die gelooft
dat hij kan vliegen, als hij maar hard genoeg in zichzelf gelooft, die is niet
goed snik. De wereld schikt zich niet zomaar naar onze wensen. Anderzijds is de
filosofie van Peale niet helemaal uit de lucht gegrepen. Geloof kan ons geen
letterlijke vleugels geven, zoals bij Peter Pan, maar soms wel figuurlijk. Een
voorspelling kan soms in vervulling komen door je eigen geloof erin. Neem een
wielrenner die rotsvast gelooft dat hij als eerste over de eindmeet zal komen.
Dat vertrouwen in zichzelf kan hem een zodanige boost geven dat hij
daadwerkelijk de wedstrijd wint. In die zin heeft zijn geloof de waarheid zelf
tot stand gebracht. Het is alsof we, door onze pijl af te vuren, de roos zelf
kunnen verschuiven.
Natuurlijk
zijn er grenzen aan zulke zelfvervullende waarheden: geloof kan je dat extra
duwtje in de rug geven, maar het zal geen wonderen verrichten. Als je te weinig
talent hebt of te weinig getraind hebt, zal je geloof een onzachte aanvaring
met de werkelijkheid meemaken. De neiging om te geloven dat je je eigen
toekomst naar je hand kunt zetten, staat in de psychologie bekend als de
‘illusie van controle’. We hebben er allemaal wat last van, maar sommigen meer
dan anderen. Mensen die succes kenden in het zakenleven zijn er bijzonder
vatbaar voor. Ze onderschatten de toevalsfactor in hun triomftocht en schrijven
alles op hun eigen conto, waardoor ze steeds overmoediger worden.
Overmoed
kan zelfs zelfweerleggend zijn: als je je te hard inprent dat jij toch de beste
bent, kun je roekeloos worden. Een wielrenner die blaakt van zelfvertrouwen,
doet misschien niet langer de moeite om nog te trainen, of demarreert al in de
eerste kilometer van de wedstrijd, met totale uitputting tot gevolg. Peter Pan
kon blijven vliegen zolang hij in zichzelf geloofde, maar in ons universum gaat
een figuur als Trump vroeg of laat op zijn bek. De overmoed en grootspraak
beginnen zich nu te wreken. De Amerikaanse rechters floten zijn immigration
ban al herhaalde malen terug, de beloofde afschaffing van Obamacare liep
met een gigantische sisser af, en hij moest snel inbinden na de stoere praatjes
over China.
FEIT: De
bullshitter is onverschillig tegenover de waarheid
Het
gevaar van Trump is niet zozeer dat hij een andere opvatting van waarheid aanhangt
dan u en ik. Het concept ‘waarheid’ is zo funda-menteel in ons denken dat zelfs
Trump er niet aan kan ontsnappen. Het probleem is eerder dat hij een
onvervalste bullshitter is, die zich onverschillig toont over waarheden die al
vastliggen (het verleden en heden). En als het over de waarheden gaat die nog
in het verschiet liggen (de toekomst), waant Donald Trump zich een soort Peter
Pan. Hij denkt dat hij ze zelf naar zijn hand kan zetten, omdat hij lijdt aan
een extreme vorm van de ‘illusie van controle’.
De
stelling dat we in het post-truth tijdperk leven, lijkt me nogal overdreven.
Leugens, bullshitting en zelfoverschatting zijn van alle tijden. Trump
overtroeft wat dat betreft ruimschoots al zijn voorgangers, maar hij wordt er
dan ook des te harder op afgerekend. En hij brengt zelfs zijn eigen verstokte
medestanders en woordvoerders in verlegenheid. Bovendien belooft de
werkelijkheid zoete weerwraak te nemen op zijn grootheidswaan. Dat toont dat we
van de waarheid niet zo snel af raken, ook Trump niet. Vroeg of laat neemt ze
ons te grazen.
MAARTEN
BOUDRY is
auteur en wetenschapsfilosoof aan UGent. Hij doorprikt illusies, maar stelt
tegelijk de vraag of dit wel altijd verstandig is.
Het minimalisme.
Paradoxaal genoeg is dat geen minimalistisch onderwerp.
Zelf ben ik in deze nogal een aanhanger van de redundancy theory.
De theorie van de overbodigheid.
Dat betekent dat in ontstellend veel teksten heel wat overbodigheid zit.
Meestal zelfs zoveel overbodigheid dat de auteur op het einde niet meer weet wat hij in het begin geschreven heeft.
Nu kunnen we het woord ‘waarheid’ in principe wegtoveren uit dit hele verhaal, als we dat willen. ‘Geloven dat p waar is’ wil niets meer en niets minder zeggen dan ‘geloven dat p’. De geneste constructie ‘het is waar dat’ is eigenlijk overbodig. Dat is de grondstelling van het minimalisme over waarheid, een filosofische theorie die Filip Buekens verdedigt in zijn recente boek De transparantie van waarheid. Een minimalist wil het begrip ‘waarheid’ tot zijn – laten we zeggen – ‘ware’ proporties terugbrengen. Filosofen hebben zich er te lang blind op gestaard: als er ergens een woord voor bestaat, denken ze, dan moet er toch een ding mee overeenstemmen? Wat heet waarheid dan? Waar vinden we die terug? Wat is haar ontologische statuut? Voor je het weet, gebruik je de hoofdletter W en raak je verstrikt in een metafysisch kluwen.
Dat is het uitgangspunt.
In essentie is dat een relativisme.
"Ik geloof dat p waar is en jij gelooft dat niet-p waar is."
Dat wil niets meer zeggen dan "ik geloof p en jij gelooft niet-p".
Er is geen ding dat daarmee overeen stemt.
Behalve dan de werkelijkheid.
De Werkelijkheid die weerwraak neemt op je grootheidswaan.
Het onthullen van fake news.
Het lijkt wel het nieuwe journalistieke mekka geworden.
Het spreekt voor zich dat wij daar graag onze bijdrage aan leveren.
Eén van de frappantste fake news items deze week was het verhaal van het nieuwe wereldrekord limbo skating.
De kern van fake news is de miskenning van het essentiële criterium.
In dit geval spreekt men van een nieuw wereldrekord omdat het zou gaan om 145 meter.
Het criterium om de spreidstand in actie te valoriseren is echter niet de afstand, maar de tijd.
In het geval van de jonge Tiluck Keisam spreken we hier over nog geen halve minuut.
Een spreidstand in actie van och God och Here een halve minuut.
Een halve minuut ! Dan zijn Joël De Ceulaer of Maarten Boudry nauwelijks opgewarmd.
Maak kennis met de ware wereldrecord houders van de spreidstand in actie.
Joël De Ceulaer schreef een essay: kies zelf wat superieur is.
"Voor de goede orde, om elke
mogelijke spraakverwarring te vermijden: de liberale democratie heeft op
zich niets te maken met de liberale partij, of met het kapitalisme. De
liberale democratie is simpelweg een synoniem voor de democratische
rechtsstaat – omdat die gebouwd is op de rechten van het individu. Dat
die democratische rechtsstaat superieur is, valt makkelijk aan te tonen.
Laten we beginnen met de
democratie: het volk bestuurt zichzelf. Een erg krakkemikkig systeem,
zoals Winston Churchill al wist, maar beter dan alle andere systemen die
tot dusver zijn uitgeprobeerd. In een plutocratie zijn alleen de rijken
aan de macht, in een aristocratie is de macht erfelijk, ook in een
oligarchie zit een elite aan de knoppen, in een dictatuur of tirannie
heeft één persoon alle macht naar zich toe getrokken. Is er iemand die
een van deze bestuursvormen, of eventueel nog een andere, superieur
vindt aan de democratie? Iemand? Eenmaal, andermaal? Verkocht! Lang leve
de democratie. Iedereen heeft een stem, en de meerderheid heeft het
voor het zeggen.
De rechtsstaat, dan. Die staat op
gespannen voet met de democratie, en dat is maar goed ook. Want als de
meerderheid het voor het zeggen heeft, loopt ieder individu en iedere
minderheid voortdurend gevaar. De meerderheid zou bijvoorbeeld kunnen
beslissen om alle mannen kleiner dan anderhalve meter te executeren, of
alle roodharige vrouwen op te sluiten, of alle moslims te verbannen.
Gelukkig maakt de rechtsstaat dat onmogelijk. In een rechtsstaat geldt
het heilige liberale principe dat ieder individu dezelfde rechten heeft,
en altijd tegen de overheid en de meerderheid moet worden beschermd.
Bon, is er iemand die een ander systeem kent dat beter is dan de
rechtsstaat? Iemand? Eenmaal, andermaal? Verkocht! Lang leve de
rechtsstaat.
En aangezien één plus één nog
altijd twee is, luidt de conclusie: de liberale democratie is superieur
aan alle andere systemen die tot dusver door de mens werden bedacht. Wat
moest worden bewezen."
De patiënt heeft een zelbeschikkingsrecht.
Dat betekent dat de patiënt het recht heeft om, in welbepaalde omstandigheden, zijn leven te beëindigen.
De arts heeft een zelfbeschikkingsrecht.
Dat betekent dat de arts niet door de patiënt verplicht kan worden om in te gaan op die vraag.
De instelling heeft geen zelfbeschikkingsrecht.
Dat betekent dat de instelling door de wet verplicht is in te gaan op de vraag van de patiënt.
De staat heeft beslist dat de instelling geen zelfbeschikkingsrecht heeft.
Ik zal het nog even gemakkelijker maken.
De staat, de staat als instelling, heeft beslist dat de instelling geen zelfbeschikkingsrecht heeft.
In die zin kan de staat vergeleken worden met een psychiatrische patiënt.
In hoeverre is die nog bij zinnen?
Gwendolyn Rutten heeft een nieuw boek geschreven.
"Nieuwe vrijheid."
"Oude vrijheid in nieuwe zakken" was misschien wel een betere titel geweest.
Open Vld-voorzitster Gwendolyn Rutten verdedigt 'onze manier van leven,
die zonder enige twijfel superieur is aan alle andere in de wereld'. Volgens Rutten is vrijheid nooit voorgoed verworven. Dingen die tot voor
kort vanzelfsprekend waren, worden weer in twijfel getrokken, stelt ze.
Een interview in de krant met Joke Hermsen naar aanleiding van haar essay "de kracht van melancholie".
We hebben thuis een slimme kat die luistert naar de naam Cava. Enfin, ze luistert niet echt. Wij luisteren naar haar. Zo staat ze elke ochtend aan de deur te miauwen om binnen gelaten te worden.
Ze geeft niet op alvorens iemand naar haar geluisterd heeft.
Nochtans, onze kat kan zelf deuren openmaken.
Het begon met de keukendeur naar de garage. Dat was een makkelijke. Ze sprong op het aanrecht en duwde dan met haar voorste poten de klink naar beneden terwijl haar achterste poten op het aanrecht bleven staan.
Een tijdje later werkte het echter ook in de omgekeerde richting. Dat was wel wat moeilijker omdat ze de deur naar zich toe moest trekken. Gelukkig stond er aan de kant van de garage een wasmachine. Op die manier kon ze zich de techniek zonder al te veel inspanning eigen maken.
Ondertussen lukt het haar om alle deuren open te maken. Er hoeft helemaal geen aanrecht of wasmachine meer naast de deur te staan. Ze springt vanop de grond naar de klink.
Ze opent elke deur, zolang het maar een binnendeur is.
Dat alles bedacht ik toen ik Joke Hermsen las.
"We zijn allemaal wezens in wording."
ZIJN !
Ik "word" er zowaar wat melancholisch van.
(slow TV, de actie begint pas na anderhalve minuut. Ik ben niet zo goed in het bewerken van die dingen. Maar ondertussen kan u rustig nadenken over de tekst)