zaterdag 3 december 2022

De lezer

Mijn boek  "Vluchtig als een steen" ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------->

"Uittreksels uit de verzamelde werken van Meneer Svoboda"
Een inleiding tot de nonsens.

Ich will keinen Autor mehr lesen, dem man anmerkt, er wollte ein Buch machen: sondern nur jene, deren Gedanken unversehens ein Buch wurden. Nietzsche.
(Ik wil geen schrijver meer lezen, waarbij men het aanvoelt dat hij een boek wilde maken, maar alleen een wiens gedachten onvoorzien tot een boek werden.) 

Overwint uwen schroom Gij se bloodaerd!

vrijdag 2 december 2022

E & S

De Koffietafel.

 

 

“Koffie mevrouw?”, vroeg ze.

Ze stond er zelf versteld van. Hoe lang was het geleden dat ze aan hem gedacht had? Drie jaar, vier jaar? Dat wil zeggen, ze stond er niet versteld van dat ze aan hem dacht, dat zou eerder verbazingwekkend zijn gelet op de gigantisch grote foto van zijn lachende aangezicht op het tafeltje aan haar rechterzijde, ze was verrast dat het echt al zo lang geleden was dat ze nog aan hem gedacht had.

“Graag”, zei de bejaarde vrouw. Ze schonk het kopje vol en schoof achter haar rug door naar de volgende stoel aan tafel.

“Eikel”, dacht ze toen ze in zijn lachende gelaat keek. Wat was het toch een verschrikkelijke eikel geweest. Ze voelde zijn hand tussen haar benen.

 “Neen”, zei ze vrij luid om zijn geest uit haar geest te verdrijven.
De man keek haar verbaasd aan.
“Sorry”, zei ze terwijl ze een haarlok achter haar oor schoof.
“Koffie meneer?”
Suze stond stevig in het leven. Dat moest wel, ze had twee belhamels groot te brengen. En een echtgenoot. Haar uiterlijk straalde haar levenshouding uit. Ze droeg haar bruinblonde haar in een nonchalante dot, langs alle kanten hingen er wel slierten los. Een paar keer per dag haalde ze het rekkertje uit de dot, schudde haar haren even los om ze dan weer op gelijkaardige wijze vast te binden. En huppakee, ze kon er weer tegenaan. Ze droeg zelden make-up. Op haar pols was een punt getatoeëerd. “Ik wou een punt maken”, antwoordde ze altijd schouderophalend als iemand haar daarnaar vroeg.
Suze werkte nu al vijf jaar in het uitvaartcentrum. Ze droeg een strakke zwarte jeans en een zwart hemd waarvan ze de mouwen twee keer had opgerold zodat haar onderarmen onbedekt waren. In haar ene oor droeg ze twee eenvoudige vrij grote oorringen, in het andere oor twee exemplaren van hetzelfde ontwerp, maar dan kleiner.

 Hij wuifde naar zijn mama die hen met de wagen inhaalde en toeterde toen ze na de korfbalwedstrijd weer naar huis fietsten.
“Voor mijn mama doe ik alles”, zei hij tegen haar zonder dat daar een aanleiding toe was. Behalve dan dat ze voorbijreed.
Hij sprak “mama” uit op zijn Italiaans, zoals in “la mamma”, terwijl er geen druppel Italiaans bloed in zijn aderen zat.
“Mijn mamma is mijn God”, prevelde hij om haar te overtuigen voor zover dat nog nodig was.
Anthony was enig kind, ook voor la mamma was Anthony haar God.

La mamma stond recht van haar stoel en het geroezemoes in de zaal verstomde. Suze en haar collega’s staakten hun activiteiten en bleven eerbiedig staan waar ze stonden.
“Lieve mensen”, nam la mamma het woord, “lieve, lieve mensen.”
La mamma nam haar servet van de tafel en veegde een traan weg.
“Lieve mensen, onze Anthony zou het moeten zien.”
Er was een onbehaaglijke stilte, niemand wist of la mamma het grappig bedoeld had of niet.
Haar arm ging even omhoog als om te zeggen “Ach, wat kunnen we eraan doen?”.
En weer bleef het stil.
“Die rozijnenkoeken, die rozijnenkoeken vond onze Anthony lekker”, zei ze terwijl ze afwezig naar de schaal met koffiekoeken keek.
Stilte.
De man die naast haar zat stond recht en nam haar hand.
“Kom Odette, ga zitten”, zei hij.
Toen hij haar met zijn ogen op haar stoel begeleid had, nam hij zijn glas bier en stak het in de lucht.”
“Op Anthony”, zei hij.
Hij nam een slok.
“Smakelijk mensen”, zei hij, “kom, tast toe.”
Hij ging weer zitten en fluisterde iets in het oor van Odette. Ze glimlachte.

 “Koffie meneer?”
“Neen dank u wel, maar ik zou wel graag een pintje krijgen.”
Suze ging naar de bar.
“Een pintje voor tafel drie Marc, de man met de paarse das.”
Anthony lachte naar haar.

Ze hadden een paar keer gekust. Het was een vreemde ervaring voor haar geweest. Niet het kussen, dat had ze wel eerder gedaan, het kussen met iemand waar ze niets voor voelde. Het had haar verrast toen hij zijn tong de eerste keer in haar mond stak, maar ze had hem laten begaan. Ze had niet geweten dat hij haar aantrekkelijk vond, ze voelde zich gevleid. Maar het was ook niet meer dan dat. Ze wist zelf niet waarom het niet bij die eerste keer was gebleven.
Of bij die tweede keer. Of bij die derde keer. Van haar kant was er niets van passie zoals ze die eerder wel eens gevoeld had. Ze huiverde.

 “Koffie?”
“Neen, voor mij liever thee.”
“Mijn collega aan de tafel hiernaast komt zo bij u langs met de theepot mevrouw.”
Anthony bleef schaapachtig lachen.
Even bleef ze hem aanstaren.
Er kwam een andere vrouw naast haar staan, ze rommelde wat in haar handtas, haalde er een pakje sigaretten uit en stak een sigaret tussen haar vingers zonder ze aan te steken.
“Voor mijn mamma doe ik alles”, zei ze.
Suze verstarde. Ze hoorde hem.

Hij trok zijn broek en T-shirt uit, hij vouwde ze netjes op en legde ze op de stoel naast zijn bed. Daar stond hij dan, in zijn onderbroek met zijn erectie duidelijk zichtbaar en zijn dikke wollen sokken aan. Ze lachte.
“Wat moet dat voorstellen?” zei ze terwijl ze naar zijn sokken wees.
“Echte Noorse wollen sokken”, antwoordde hij.
“Jaja, lach maar”, zei hij terwijl hij naast haar op het bed dook, “ik heb toch maar mooi nooit koude voeten”.
Ze voelde zijn hand tussen haar benen.
“Neen”, zei ze vrij luid.
Hij trok haar broek naar beneden.
“Neen”, riep ze terwijl ze haar broek probeerde op te trekken.
“Zwijg”, schreeuwde hij.
“Koffie?”, probeerde ze.
Hij duwde zijn onderbroek naar omlaag en greep haar beide polsen vast.
Hij kwam klaar voor hij in haar zat.

 “Oh sorry”, zei ze toen ze merkte dat ze gemorst had.
“Koffie mevrouw?”, vroeg ze toen ze weer een stoel was opgeschoven.
“Ik denk niet dat ik nog een tweede wil”, antwoordde de vrouw.
Suze keek haar in de ogen. Het was de vrouw die de griezelig perfecte imitatie van Anthony had gegeven.

 Eva had haar al van bij de aanvang in de gaten gehouden. Net zoals ze de reacties van alle vrouwelijke leeftijdsgenoten had gescand de afgelopen dagen. Ze was er zeker van dat de serveerster Anthony gekend had, dat bleek uit heel haar lichaamstaal telkens Anthony naar haar gelachen had. Ze was er alleen nog niet zeker van of ze Anthony op dezelfde manier had leren kennen als zij. Zij zou zeker niet als eerste de blik afwenden, maar blijkbaar had ze een waardige tegenstrever.
“Alles oké?”, vroeg haar vader naast haar.
Hij voelde haar onrust.
“Koffie meneer”, vroeg Suze aan de man die het welkomstwoord van la mamma had overgenomen.
Luc rook haar parfum toen ze haar arm met de koffiekan tussen hem en zijn dochter schoof. Het was onmiskenbaar dezelfde geur als deze die Eva ooit gebruikt had. Al zijn andere zintuigen waren matig of slecht ontwikkeld, maar zijn reukorgaan was fenomenaal. Herinneringen, plaatsen, mensen, voor Luc was alles met een specifieke geur verbonden.
Aanvankelijk had hij helemaal geen betekenis gegeven aan dit parfum, maar hij wist precies wanneer zijn neusvleugels deze geur voor het eerst en voor het laatst hadden opgevangen.

 Zijn stiefdochter en zijn petekind hadden in hun puberteit geen uitzonderlijke band gehad, het waren neef en nicht die mekaar op familiebijeenkomsten ontmoetten, maar daar was het bij gebleven. Dat veranderde toen beide na de humaniora besloten om rechten te gaan studeren en ze een studentenleven deelden. Tot de fuif bij het afstuderen. Aanvankelijk was het hem niet opgevallen, maar na verloop van tijd was het duidelijk dat zijn stiefdochter geen contact meer wilde met Anthony. Ze had hem in al die jaren geen enkele keer meer ontmoet. Noch Eva, noch Anthony had daar ooit een verklaring voor gegeven. Samen met zijn ongeruste zus had hij gereconstrueerd wanneer hun kinderen elkaar voor het laatst hadden ontmoet, op de fuif bij het afstuderen. De dag dat de ravissante verschijning van zijn dochter hem meer dan ooit tevoren duidelijk had gemaakt dat zijn meisje een vrouw was geworden. Als hij al ooit de naam van het parfum had geweten, dan had hij die in nog geen honderd jaar kunnen onthouden. Maar liet hem honderd parfums ruiken, en hij haalde deze er zonder aarzeling tussenuit.
Hij had haar ernaar gevraagd.

 Ze had haar vader, haar stiefvader, maar wat voor anderen haar stiefvader was, was voor haar haar vader, er nooit iets over verteld.
Angstig legde ze haar handen over haar oren. Of beeldde ze zich dat alleen maar in? Niets kon de stemmen in haar hoofd het zwijgen opleggen. Hoe oud was ze geweest? Twaalf, dertien? Luide stemmen.
“Nee Mia, nee”, riep haar stiefvader beslist.
“Nee Luc, blijft hier Luc. Luc, LUC”, schreeuwde haar moeder.
Voor Eva klonk het allemaal precies zoals jaren geleden, toen haar biologische vader haar verlaten had.
Ze duwde haar handen harder tegen haar oren. Of fantaseerde ze dat? Ze hoorde toch duidelijk de deur met een harde klap dichtgegooid worden?
En nu opnieuw, nu haar echte vader die haar verliet.
Ze huilde zich in slaap, een hazenslaapje. Ze werd weer wakker toen er gebeld werd. Stilletjes glipte ze uit haar bed en spioneerde boven aan de trap. Haar vader – haar vader was terug thuisgekomen! – kwam de deur open maken. Er stonden twee politieagenten op de stoep. Ze kon niet horen wat die zeiden.
“IK? Ik moet meekomen?”, ging de stem van haar vader met een paar decibels de hoogte in.
De agenten probeerden hem te bedaren.
“En hij dan, hij moet godverdomme met zijn vuile poten van mijn vrouw blijven.”
Haar moeder was op het rumoer afgekomen.
“Ja, ik heb hem een lap gegeven. En dan?”, vroeg haar vader uitdagend aan de politieagenten.
“Kalm Luc”, zei haar moeder terwijl ze haar hand op zijn schouder legde, “het komt allemaal wel goed Luc, het is voorbij nu”.
“Hij gaat zijn jas halen en dan komt hij wel mee meneer”, zei ze aan de agenten.
Toen haar moeder de deur achter haar vader had gesloten had ze haar opgemerkt en kwam ze de trap op.
“Maar lieverd toch, ik dacht dat jij lekker aan het slapen was. Heb jij dat allemaal gehoord?”, vroeg haar moeder.
Ze wachtte niet op bevestiging, ze ging op de bovenste traptrede zitten en nam haar op de schoot.
“Luister eens goed wat mama je gaat vertellen schat. Als twee mensen mekaar heel aardig vinden, dan kussen ze en knuffelen ze mekaar”, zei haar moeder, “maar soms vind je het ook niet leuk om geknuffeld te worden. En sommige mensen willen dan helemaal niet stoppen, ook al zeg je dat je het niet leuk vindt. Vandaag was er iemand bij mama op het werk die het toch maar bleef proberen. En toen ik het papa verteld had is hij heel boos geworden op die meneer en heeft hij die meneer pijn gedaan. Het komt allemaal wel goed Evaatje, straks is papa weer thuis en mama zal er wel voor zorgen dat hij nooit meer naar de politie moet, dat beloof ik.”, suste ze haar.
Ze had het haar vader nooit verteld. Haar moeder was er niet meer om hem te bedaren.

 “Koffie mevrouw?”, vroeg Suze aan la mamma.
De bedroefde vrouw bleef afwezig op haar gsm kijken.
Hij lag nog altijd boven op haar. De greep rond haar polsen was iets losser geworden.
Ze snikte hulpeloos.
“Laat me alstublieft los. Alstublieft”, smeekte ze.
Zijn handen draaiden weer dicht als een bankschroef.
Ze slaakte een gil.
“Ik zal er tegen niemand iets over zeggen, tegen niemand”, fluisterde ze in zijn oor, “dit is nooit gebeurd.”
En toen rolde hij van haar af.
Ze vluchtte zijn huis uit.

 In de sanitaire ruimte plensde ze water op haar gezicht.
Toen ze in de spiegel keek zag ze achter haar de vrouw die voortdurend oogcontact met haar had gezocht. Ze rookte een sigaret. Ze was elegant gekleed in een zwarte jurk. “Duur”, dacht Suze. Ze was niet overdreven gemaquilleerd, maar het was duidelijk dat deze vrouw ervan hield om zich op te maken. Haar blik bleef rusten op de open schoenen met hakken en de zwartgelakte teennagels.
Het kwam eruit voor ze er erg in had.
“Nooit koude voeten?”, vroeg ze aan de spiegel.

Eva opende moeizaam haar ogen.
Ze zag twee behaarde onderbenen in rode wollen sokken.
Een blinde paniek maakte zich van haar meester. Waar was ze? Wat was er gebeurt? Ze probeerde zich op te richten, maar haar lichaam wilde nog niet echt mee. Ze lag zijdelings op een bed, naakt. In een flits besefte ze het. Die klootzak had iets in haar laatste drankje gemengd. Hij had net iets te hard aangedrongen op die “one for the road”.
“Hey schat, eindelijk wakker?”, vroeg hij.
Haar kleren lagen netjes opgevouwen op de stoel naast het bed. Daar had ze alvast zekerheid over, dat was niet haar werk. Ze durfde hem niet aan te kijken, ze bleef staren naar de behaarde onderbenen in de rode wollen sokken. Beschaamd begon ze zich aan te kleden. Fuck, ze wist niets, helemaal niets. Was ze verkracht? Ze voelde niets, helemaal niets. Had hij haar gewassen of was er niets gebeurd? Ze zag niets, helemaal niets. Ze wilde niet dat hij haar gadesloeg terwijl ze haar beha aandeed. Ze kokhalsde.

 Ze huilde stilletjes in de haren van Suze.
“Ik moet wel zeggen, zijn dood maakt het er niet gemakkelijker op om te doen alsof hij er niet is.”, zei de serveerster terwijl ze haar hoofd streelde.
Eva begon te lachen.
Oh, wat had ze deze vrouw onmiddellijk in haar hart gesloten, wat had ze deze vrouw de afgelopen jaren gemist.
“Ach”, antwoordde ze, “er zijn ook voordelen. Zo zal mijn vader blij zijn als hij zo dadelijk merkt dat ik een potje heb zitten huilen. Eindelijk is ze begonnen met het verlies te verwerken, zal hij denken.”
Ook Suze begon te lachen.
“Ik ben Suze”, zei ze terwijl ze haar hand uitstak.
“Eva, aangename kennismaking”, antwoordde ze.
En weer lachten ze gelijktijdig om de “aangename” kennismaking.
“Mag ik je een koffie aanbieden?”, vroeg Eva.

“Heb je veel last gehad achteraf?”, vroeg Eva toen ze mekaar hun verhaal verteld hadden, “ik bedoel, heeft het een blijvende invloed op je leven gehad?”
“Mmm, neen”, zei Suze toen ze even had nagedacht, “al moet ik wel toegeven dat ik de eerstvolgende keer “neen” heb gezegd alhoewel ik toen zelf zin had in seks. Het was toen toch een beetje bang afwachten wat zijn reactie zou zijn.”
“En?”, vroeg Eva.
“Ok, no big deal, we hebben nog tachtig jaar de tijd heeft hij geantwoord”, zei Suze.
“Oh, hoe romantisch”
“Mmm”, zei Suze, “dat was Yannick, later ben ik getrouwd met Tom.”
“Jij?”, vroeg ze na een slok koffie.
“Als het feit dat ik lang heb nagedacht heb over die vraag mee in rekening gebracht moet worden zou ik ja moeten antwoorden”, zei Eva, “maar voor de rest zou ik gewoon ‘nee’ zeggen.”
“Ik ben trouwens advocate”, zei ze glimlachend.
Het gesprek viel stil.
Eva vond het een aangename stilte, een behaaglijke stilte. Bij mensen waar ze zich niet op haar gemak voelde ging haar brein vrijwel onmiddellijk koortsachtig op zoek naar een nieuw gespreksonderwerp.
Plots legde ze haar hand op de arm van Suze.
“Misschien zijn er nog andere vrouwen”, zei ze.
“Niet misschien, waarschijnlijk”, antwoordde Suze.
“Fuck”, zei Eva.
“We kunnen een advertentie in de krant plaatsen, bij de zoekertjes”, suggereerde Suze, “een jaarlijkse reünie organiseren op deze dag, dresscode wollen sokken.”
Eva lachte.
“Maar wie leest er nu nog de zoekertjes in de krant?”, vroeg Suze.
“Ik heb een beter idee”, zei Eva.
Ze haalde haar gsm uit haar handtas.
“In memoriam”, zei Eva.
“De website! Natuurlijk”, zei Suze, “dat ik daar zelf niet aan gedacht heb, ik werk hier nota bene!”
Suze ging naast Eva zitten zodat ze op het scherm kon volgen.
Eva tikte “in memoriam” in op de google balk. Het eerste zoekresultaat was in memoriam.be. Een enkele klik en ze waren waar ze moesten zijn. Gelukkig was la mamma mee met haar tijd. Ze had het zelfs op de rouwbrief laten zetten: “online condoleren kan via in memoriam.be”. Eva tikte “Anthony Schellekens” in op de zoekbalk en drukte op enter. En Anthony lachte hen toe van op zijn rouwbrief. Je kon condoleren, een bloem plaatsen of een kaarsje branden.
Ze lazen de geposte berichten.
“Voor altijd in onze gedachten”, las Suze lachend.
Eva drukte op het pijltje om een volgende reeks berichten te kunnen lezen.
“Hield altijd rekening met de mening van de anderen”, declameerde Eva plechtig.
Suze nam de telefoon van Eva, tikte een bericht en liet het Eva lezen.
“In warme herinnering aan Anthony, nooit meer koude voeten!”
“Top”, zei Eva, “welke naam zullen we gebruiken?”
“Ro Hypnol?”, vroeg Suze.
“Nee joh”, antwoordde Eva, “het is wel de bedoeling dat het bericht niet verwijderd wordt hé”.
“Doe maar onze initialen”, zei Suze, “dat wordt nog gedaan”.
“E & S”, tikte Eva bij de afzender en ze klikte op bevestigen.
Het bericht stond onmiddellijk bovenaan.

Eva’s vader genoot van zijn dochter. Hij observeerde aandachtig hoe ze intensief luisterde en enthousiast gesticulerend praatte met de serveerster.
“Wat denk jij nu toch dat er tussen Anthony en Eva is misgelopen”, vroeg hij aan zijn zus.
La mamma ontwaakte even uit haar lethargie en volgde met dezelfde warmte haar nicht.
“Koester haar Luc”, zei ze.
“Nee, serieus, wat denk jij?”, vroeg hij.
“Het maakt niet uit wat ik denk Luc. Maar we weten allebei dat er iets ernstigs is misgegaan en we weten allebei dat Anthony altijd mijn zoon zal zijn en dat Eva altijd jouw dochter zal zijn.”
Ze legde haar hand op zijn arm.
“Koester haar Luc”, zei ze.

  “Nooit getrouwd nee”, zei Eva, “wel een lange relatie achter de rug.”
“Ik weet niet waarom het misgelopen is, ik weet het echt niet. Het boeide me niet meer, maar dat is eigenlijk gewoon “om een of andere reden is het misgelopen” in andere woorden. Want waarom boeide het me niet meer? Ik weet alleen dat ik geen zin meer had om daar nog over na te denken, het feit alleen dat ik daarover nadacht maakte al dat het voorbij was, snap je?”
Ze zag het allemaal gebeuren, alsof ze een soort voorgevoel had van wat er te gebeuren stond. Ze had haar vader in het vizier. Odette toonde hem haar telefoon. Toen hij gelezen had wat er op het scherm stond, liep hij helemaal rood aan. Hij stond bruusk recht, greep zijn stoel vast en gooide die met al zijn kracht tegen de muur achter hem. Een van de poten versplinterde. Woedend liep hij de zaal uit.
Eva nam haar telefoon en logde opnieuw in op “in memoriam”.
“Ik heb hem vermoord.” had Roodsokje gepost.
Zonder iets te zeggen liet ze het bericht aan Suze lezen.

“Dat kan toch niet”, was de eerste reactie van Suze, “ik bedoel, het zou best kunnen dat hij vermoord is, maar dan zouden jullie dat toch weten. Hoe is hij gestorven?”
“Ze hebben hem gevonden in het park toen hij aan het joggen was. Enfin, hij was niet meer aan het joggen uiteraard, hij lag dood op de grond in joggingpak. Hartaanval hebben ze ons gezegd.”
“Doodsoorzaak bepalen”, tikte Suze in op de google balk en ze klikte op een link naar “lijkschouw”. Enkele pagina’s later was ze niet veel wijzer geworden.
“Blijkbaar is het toch allemaal niet zo evident. Het overlijden moet vastgesteld worden door een arts, maar als er geen vermoeden is van kwaad opzet is, dan is de zaak daarmee blijkbaar afgehandeld”, zei ze terwijl ze verder las.

Eva en haar vader zaten in hun eigen gedachten verzonken aan de keukentafel. Er was een eind gekomen aan het lijden van haar mama. Bijna een volledig jaar hadden ze haar langzame aftakeling onder ogen moeten zien. Eva snikte. Ze probeerde zich haar blije moeder van een jaar geleden voor de geest te halen maar het lukte haar niet, of toch niet lang. De beelden van de huilende moeder, van de uitgemergelde moeder, van de hulpeloze moeder waren alom overheersend. Ze wilde ze weg. Weg, weg, weg. Ze wilde de omhelzende moeder terug.
Er werd gebeld.
“Goedemorgen, oh, ik vind zo erg voor oe”, zei de vrouw toen ze Eva een hand gaf. Ze had een zwaar Oost Europees accent.
“Ik ben de dokter van wacht”, zei ze met tranen in haar ogen.
“Oh meneer, ik vind zo erg”, sprak ze haar vader aan toen ze in de keuken stond.
Als het overlijden van haar moeder haar onwezenlijk had geleken, dan ging deze ontmoeting daar zeker geen wijziging in aanbrengen. Eva was blij toen ze zag dat haar moeder op de achtergrond moeite deed om niet te beginnen met lachen. Ze was terug!
“Wij moeten papier invoellen”, zei ze toen ze ostentatief haar zwarte tas op de keukentafel zette.
“Oe vrouw was ziek?”, vroeg ze.
“Kanker, darmkanker”, antwoordde haar vader.
“Oh, ik vind zo erg”, zei de dokter van wacht toen ze een aantekening maakte.
“Spijtig, maar ik moet weer verder”, zei ze nadat ze haar papieren weer in haar zwarte tas had gestopt en opgestaan was.
“Ik vind zo erg”, zei ze terwijl ze even naar het dode lichaam in het sterfbed keek.
Ze maakte een kruisteken en verdween in de donkere ochtend, ze had de overledene niet een keer aangeraakt.

“Weet je in hoeveel gevallen er een autopsie wordt uitgevoerd?”, vroeg Suze.
“In België wordt slechts op één procent van de overledenen een autopsie uitgevoerd, tegenover vier procent in Frankrijk en acht procent in Duitsland”, las Suze voor, “dat is toch wel erg weinig vind je niet?”
Eva reikte haar hand om de telefoon over te nemen.
Ze surfte naar in memoriam.
“Shit”, zei ze.
“Hij liep in het park. Ik had een taser. Twee minuscule puntjes in zijn lijf en hij lag daar net zo hulpeloos als ik destijds. En dan een klein prikje tussen pink en ringvinger”, had Roodsokje toegevoegd.

Haar vader beende met grote passen naar hun tafeltje. Hij veinsde terug rustig te zijn maar slaagde daar niet goed in.
“Ik wil weten wat er tussen jullie gebeurd is”, zei hij met trillende stem.
Eva besefte dat de vulkaan elk ogenblik weer lava zou kunnen spuwen.
“Jij mag dat willen papa, jij mag dat willen”, zei ze rustig.
Het was een van de meest kenmerkende uitspraken van haar moeder geweest, ook een van de meest ontmijnende uitspraken die ze ooit gehoord had. De nauwelijks verholen weigering om te geven wat er gevraagd werd gepresenteerd als de verzoenende bevestiging dat het gevraagde heel terecht was. Meestal had haar moeder er nog een liefdevolle knuffel aan toegevoegd ook.
Haar antwoord had het gewenste resultaat op de gemoedstoestand van haar vader. Hij kalmeerde als was hij gehypnotiseerd en slaapwandelde weer naar buiten.

“Niet denken Suze, niet doen”, zei Eva.
“Wat bedoel je?”
“Jij denkt “wat als ik het jaren geleden had verteld?’. Ja toch?”
“Eigenlijk vroeg ik me af of mijn gebraad nog voldoende ontdooid zou geraken tegen vanavond als ik het straks uit de diepvries haal”, antwoordde Suze, “ik ben dat vanmorgen vergeten.”
Eva lachte.
“Ja, stom hé”, zei Suze. Waarop Eva nog harder begon te lachen.
“Jij?”, vroeg Suze, “wat als jij het jaren geleden had verteld?”
“Neen”, antwoordde Eva, “nu denk ik daar ook niet meer aan, maar ik heb er destijds toch wat meer en langer over nagedacht dan jij heb ik de indruk. Steekt het je niet als je naar aanleiding van een seksueel delict hoort hoe belangrijk het is van aangifte te doen, alsof je zelf verantwoordelijk zou zijn voor de volgende misdrijven.”
“God nee, zo heb ik het nog nooit, maar dan ook echt nog nooit bekeken”, antwoordde Suze oprecht verbaasd.
“Moet ik me dan een beetje schuldig voelen?”, vroeg ze een beetje uitdagend.
“Nee, nee, natuurlijk niet”, zei Eva haastig.
“Ik hoef mij niet schuldig te voelen omdat ik slachtoffer ben, dat is doorgaans de houding van de mensen, maar weet je hoe bevrijdend het is om je niet schuldig te voelen omdat je geen slachtoffer bent?”, zei Suze terwijl ze een sliert haar achter haar oor streek.

 Ze stond naast haar moeder in de kerk. Aan haar andere zijde stond de vrouw van de burgemeester die op haar beurt naast haar echtgenoot stond. Haar moeder had zich net zoals de vrouw van de burgemeester geëngageerd om catechese te geven. Haar moeder hield zich over het algemeen eerder afzijdig van sociale activiteiten, maar ze was toch gezwicht voor de nieuwe jeugdige en charismatische pastoor van de parochie. Die had juist verkondigd dat de wekelijkse omhaling bestemd zou zijn voor de minderbedeelden en hij had zijn parochianen opgeroepen zich van hun vrijgevigste kant te laten zien. Ze zag hoe haar moeder discreet een briefje van honderd uit haar handtas haalde. Ze vouwde het dubbel, en dan nog eens. Ze bleef het dubbel vouwen tot het biljet nog ongeveer de grootte van een muntstuk had. Toen de schaal langs de burgemeester kwam gooide hij er met veel misbaar een handvol muntstukken in. De hoeveelheid muntstukken in de schaal was in een klap verdubbeld. Inmiddels had haar moeder ook een muntstuk uit haar beursje gehaald en toen het haar beurt was legde ze het muntstuk voorzichtig in het schaaltje. Het briefje had ze onder het muntstuk gemoffeld en was voor niemand zichtbaar.
“Waarom deed je dat?”, fluisterde Eva in het oor van haar moeder.
Haar moeder streek een slier haar achter haar oor.
“Niemand wil de weg van het kwade nemen”, fezelde haar moeder, “maar men verliest doorgaans uit het oog dat de weg van het goede eigenlijk alleen maar dezelfde weg is in de andere richting.”

“Weet je Eva, al die bespiegelingen zijn niet echt aan mij besteed. Ik vind je gewoon aangenaam gezelschap. Dat we toevallig door dezelfde eikel belaagd zijn was misschien de aanleiding van ons gesprek, maar dat we hier al bijna een uur aan hetzelfde tafeltje zitten heeft absoluut niks meer met hem te maken.”

Suze begon zich op te winden.

“Het is helemaal niet zo dat jij en ik en Roodsokje en wie weet wie nog meer met elkaar verbonden zouden zijn omwille van hem of omwille van wat hij gedaan heeft Eva, dat het iets is wat ons zou bepalen.”
“Sorry”, zei Eva.
“Goed. En daarmee is de kous af”, zei Suze zonder te verpinken.
“Ik denk het niet”, zuchtte Eva.
Suze keek haar vragend aan.
“Ik denk niet dat je gebraad op tijd ontdooid zal geraken.”

 Eva liet aan Suze lezen wat er op het scherm stond. Er was een nieuw bericht van Roodsokje.
“Ik heb hem vermoord in mijn gedachten. Ik dacht dat het voldoende zou zijn, maar dat is het niet. Hij geraakt niet meer uit mijn hoofd.”
Suze tikte een antwoord en gaf de telefoon weer aan Eva.
Eva las het duwde op enter.

 E en S:
“Zullen we samen een koffie gaan drinken?”

 



woensdag 23 november 2022

Brice Parain

 


This is a quote I cherish.
"We are unable clearly to circumscribe the concepts we use; not because we don't know their real definition, but because there is no real definition to them."
Wittgenstein, the blue book page 44

In my mind there are a number of writers who share a similar quest.
Camus is one of them.
Imagine my surprise when I stumbled upon this quote:
"Mal nommer un objet, c'est ajouter au malheur de ce monde."
"To name things wrongly is to add to the misfortune of the world".
That seems rather the opposite of Wittgenstein's quote.
It's difficult to speak of a similar quest when one part is heading west and the other part is heading east.

The quote from Camus is extracted from the text "Sur une philosophie de l'expression", published for the first time in Poésie 44.
It is a review of the essays of his colleague and friend Brice Parain.
To my knowledge there is no English translation of this work (1). I'm not a translater, but I give it a shot for some parts - google translate combined with some Flemish headstrongness -  because it's important.

"II n'est pas sûr que notre époque ait manqué de dieux. On lui en a proposé beaucoup, et le plus souvent bêtes ou lâches. Il semble bien, au contraire, qu'elle manque d'un dictionnaire. C'est une chose, du moins, qui paraît évidente à ceux qui espèrent pour ce monde, où tous les mots sont prostitués, une justice claire et une liberté sans équivoque. Mais la question que vient de poser Brice Parain est juste­ment de savoir si un tel dictionnaire est possible et, surtout, s'il peut se concevoir en dehors d'un dieu qui lui donne ses significations. Les livres que vient de faire paraître Parain traitent du langage Mais c'est déjà l'incertitude du langage qui faisait le sujet de ses premiers essais Cette longue et scrupuleuse réflexion suffirait à lui valoir l'attention et l'estime. Mais pour bien d'autres raisons, que je dirai pour finir, ces livres importent pour notre époque dont, malgré l'apparente spécialité de leur sujet, ils ne se séparent pas un instant."

"It is not certain that our time has had a lack of gods.There have been proposed a lot, and most often stupid or cowardly. It seems, on the contrary, that it lacks a dictionary. It is something, at least, that seems obvious to those who wish for this world, where all words are prostitutes, a clear justice and an unequivocal freedom.
But the question that Brice Parain has just posed is precisely whether such a dictionary is possible and, above all, whether it can be conceived outside of a god who gives it its meanings. The books that Parain has just published deal with language. But it was already the uncertainty of language that was the subject of his first essays. This long and scrupulous reflection would suffice to give him attention and esteem. But for many other reasons, which I will say in conclusion, these books are important for our time from which, despite the apparent specialty of their subject, they don't stand out at any point."


The books from Parain don't stand out at any point, ils ne se séparent pas un instant.
It's the same story you can read everywhere.

"Il s'agit de savoir si notre langage est mensonge ou vérité: c'st la question que pose Parain."
"It's about knowing whether our language is true or false".

Camus resists!

"Mais la question n'est pas là. Il s'agit, au contraire, de savoir si notre langage n'est pas mensonge au moment même où nous croyons dire vrai, si les mots ont une chair ou s'ils ne sont que des coques vides, s'ils recouvrent une réalité plus profonde ou s'ils ne sont que poursuite du vent"

"But the question is not there.
It is, on the contrary, a question of knowing if our language is not a lie at the very moment when we believe that we are telling the truth, if the words have flesh or if they are only empty shells, if they cover a deeper reality or if they are just chasing the wind."

The state of mind where the words have flesh, where the words cover a deeper reality is called "l'être" by Camus. It's the state of mind of the part heading east.
The state of mind of the part heading west is the state of mind where words are only empty shells, where words are only chasing the wind is called "devenir".
A fellow westerner gives Camus a helping hand.
"La connaissance et le devenir s'excluent", dit Nietzsche. Il faut donc, si l'on veut vivre dans le devenir, abandonner tout espoir de connaissance."
"Knowledge and becoming exclude one another", says Nietzsche. Therefore, it is necessary, if one wants to live in becoming, to abandon all hope of knowledge."

In the next pages, Camus gives a little history of the l'être group.
Throughout history philosophers had to choose between going east or going west, between the miracle and the absurd, they all chose for "l' être", for the miracle.
This choice is the only important question in philosophy.
"Il faut choisir entre le miracle et l'absurde, il n'y a pas de moyen terme".
There is no middle ground.
And then he discusses the position of Brice Parain:
"Au terme de ses analyses, il entrevoit seulement qu'il y a dans le langage une puissance qui nous déborde."
"At the end of his analysis, he perceives that in the language there is a power that surpasses us."
And:
"On sent bien ici que, placé devant le choix pascalien, il incline au miracle, et, par lui, au langage traditionnel."
"
You can feel here that, faced with Pascal's choice (i.e. the choice between the miracle and the absurd), he inclines to the miracle, and, through it, to traditional language."
For Camus, it is obvious that Brice Parain is stuck in "l'être".
Ils ne se séparent pas un instant.

The quote "Mal nommer un objet, c'est ajouter au malheur de ce monde" can be found in te section where Camus investigates the position of Parain. He paraphrases Parain.
The idea of "mal nommer un objet" is an idea of Parain.
Camus noticed it earlier in his text.
"On ne peut pas, dit Parain, accuser notre langage d'être l'instrument du mensonge et de l'erreur sans accuser en même temps, et du même coup, le monde d'être mauvais, Dieu d'être méchant."
"
We cannot, says Parain, accuse our language of being the instrument of lies and error without accusing at the same time, and at the same time, the world of being bad, God of being wicked."
Camus has the merit of pouring it in a more catchy phrase.
However, it would be wrong to claim that Camus would'nt agree with it, he most certainly does.
He even admires Parain for it.
Camus agrees with the quote, but it is important to note that Camus doesn't feel addressed by the idea at all.
He is kind of inventor of the "like is no endorsement" clause.
Camus is playing another game. While Parain is playing basketball (you can't touch the ball with your foot), Camus is playing soccer (you can't touch the ball with your hand).
A soccer player understands the fault "running with the ball", but it's of no importance whatsoever to him.

Camus understands the consequence of the quote "mal nommer
un objet, c'est ajouter au malheur de ce monde"
"Cette philosophie de l'expression s'achève en effet sur une théorie de silence."
...
"C'est en vérité un chemin vers le silence, c'est un silence relatif, puisque le silence absolu est impossible."
"This philosophy of expression indeed ends in a theory of silence."
...
"It is in truth a path to silence, it is a relative silence, since absolute silence is impossible."
Or, to say it in the words of Parain:
"Le langage n'est qu'un moyen pour nous attirer vers son contraire qui est le silence et qui est Dieu".
"
Language is only a means to attract us towards its opposite, which is silence and which is God."
Later in his life, in the movie "vivre sa vie" of Jean-Luc Goddart, Parain would say "I'd like to live without talking."

 

 

Of course, having said that, there remains little to add.
"C'est ici la limite où le commentateur doit s'arrêter. L'essentiel aussi bien n'est pas encore de savoir ce qu'il faut élire du miracle ou de l'absurde. L'essentiel est de montrer qu'à eus deux ils forment le seul choix possible, et que le reste est sans importance"
This is the limit where the commentator must stop. What is also essential is not yet to know what to choose from the miracle or the absurd. The main thing is to show that together they are the only possible choice, and that the rest is unimportant.

Le reste est sans importance.
If you want to quote Camus, perhaps it's a good idea to choose this quote to honor him.
"L'essentiel est de montrer qu'à eus deux ils forment le seul choix possible, et que le reste est sans importance"
Or, in stead of quoting, trying to show that's the only possible choice.

Suppose you say "A is wrong".
Do you think you're adding wrong to the world at the moment you make that statement?
The only way to prevent yourself from adding wrong to the world is by answering: "Of course not, I"m not adding anything at all. I only describe what there already is in reality."

That is, excusez le mot, an exhibition of your choice.

(Here you can find the full text of "Sur une philosophie de l'expression).
(1) "
There’s an English translation of On The Philosophy of Expression by Bruce Parain in the Lyrical and Critical Essays edited by Philip Thody and translated by Ellen Conroy Kennedy"
Jamie Lombardi



zaterdag 19 november 2022

Magnus Carlsen

 

There must be freedom !



vrijdag 11 november 2022

Professor Wigner


 Onder professoren.

 


 

 

De "kunstmatige" semantiek.
Het onderscheid tussen vrijheid van uiting en uitingsvrijheid heeft de schijn tegen.

 


Dat wordt ook deemoedig toegegeven.



Een mens met een slecht karakter zou daar kritisch op kunnen reageren.
Een universiteit zou iemand die zijn mening niet goed kan uiten een lezing kunnen ontzeggen.
Maar ik ben geen slecht karakter.

Bestaat het onderscheid echt of bestaat het alleen in het hoofd van Patrick Loobuyck?



 


VvM
Vrijheid van Meningsuiting.
Het begrip "de mening" lijkt mij cruciaal.


Een mens met een slecht karakter zou daar kritisch op kunnen reageren.
"Doorgaans" wordt meestal gebruikt om het antwoord  op "wanneer" te ontwijken.
Wanneer is een mening een feit? Wanneer is het een leugen?
Maar ik ben geen slecht karakter.

Artificiële semantiek, ik ben er onvoorwaardelijke fan van.
Ontwijkingsdrang.
Dat bestaat niet. Ik heb het net verzonnen.
Niemand hoeft zich dus aangevallen te voelen.

Sophie Muller
"Brandt"
Foto Peter Willems

"Ontwijkingsdrang" is het nadenken onderbreken om het brein te ontzien.

Wat dat betreft vinden Rik Torfs en zijn acolieten hun gelijke in Patrick Loobuyck & co.

 
 

 

 

Een mens met een slecht karakter zou daar kritisch op kunnen reageren.
"Wanneer ontzeg jij persoon A een platform om zijn ideeën uiteen te zetten en persoon B niet?"
Maar ik ben geen slecht karakter.

Ik loop gewoon met mijn hoofd tegen de muur.



Paul Feyerabend, Against method.

Interesses veranderen, vandaar dat ik me nu vooral verdiep in de existentiële semantiek.
Existentiële semantiek, dat is mijn semantiek!
De betekenis van een woord verandert.
"Terughoudendheid" bijvoorbeeld is een woord dat bij me opkomt.
Toegegeven, dat is niet geheel toevallig.
Ik ben de trotse eigenaar van een papegaai, Ludwig heet hij.
In een vlaag van zinsverbijstering wilde ik checken of Ludwig het ook voorbij de barrière van het obligate "kusje", "nootje" of "hallo" zou redden.
"Terughoudendheid", herhaalde ik tot in den treure.
Dat komt nu als een boemerang keihard terug.
Ondertussen ben ik te weten gekomen dat Ludwig mij zonder problemen kan overleven.
Dus ben ik naarstig op zoek naar iemand die hem wil adopteren.
Iemand?



vrijdag 4 november 2022

Jo Tollebeek

 

 

Nogal wat heisa in Vlaanderenland over de canon die op stapel staat.
Uit het nationale nieuws had ik vernomen dat enkele historici daar ernstige bedenkingen bij hadden.
Daar moest ik het mijne van weten.

https://kvab.be/nl/standpunten/een-canon-van-vlaanderen

De Vlaamse regering kondigde in haar regeerakkoord van september 2019 aan een ‘Canon van Vlaanderen’ te willen opstellen: ‘een lijst van ankerpunten uit onze Vlaamse cultuur, geschiedenis en wetenschappen’. Deze Vlaamse canon moet datgene bevatten wat uit de geschiedenis van Vlaanderen in elk geval het onthouden waard lijkt, en wat uit zijn historische culturele rijkdom door iedereen zou moeten worden gekend. De lijst, die tegen het voorjaar van 2023 wordt verwacht, moet ‘richtinggevend’ worden in zowel het onderwijs als in de inburgeringstrajecten. Daardoor, zo luidt het, zal een gedeelde kennis ontstaan die niet alleen een grotere gehechtheid aan Vlaanderen, maar ook meer sociale cohesie garandeert.

In dit Standpunt wordt de politieke genese van de Vlaamse canon gereconstrueerd en worden de motieven van de initiatiefnemers en de pleitbezorgers geanalyseerd. Daarnaast wordt de historiek geschetst van de Canon van Nederland, die door de Vlaamse regering tot model is verheven, worden de eerste reacties op het regeringsplan voorgesteld en worden de flankerende initiatieven gepresenteerd waarmee de overheid de Canon in de markt wil zetten.

Centraal staat echter een uitgebreide argumentatie van de bezwaren die tegen deze canonieke omgang met de geschiedenis van Vlaanderen kunnen worden ingebracht. Een aantal zaken wordt daarbij van nabij onderzocht: de discussie over de selectie en de samenstelling van de lijst die de Canon moet vormen, de identitaire inzet van de operatie en het gevaar van politieke manipulatie, de nationalisering van de geschiedenis die zich daarbij voltrekt, het anachronistische en teleologische karakter van een dergelijke historische canon en de wijze waarop hij het geschiedenisonderwijs dreigt te verengen. De Canon van Vlaanderen, zo luidt de conclusie, houdt een verschraling in van zowel de historische als de maatschappelijke diversiteit.


Op het einde van de pagina viel mijn oog op een banner.


 

Ik moet eerlijk toegeven dat ik al luidop ben beginnen lachen nog voor ik het document had kunnen downloaden.

Zoals gebruikelijk mag u van mij geen doorwrochte beschouwing verwachten in deze.
Maar ik moet toch melding maken van een heuglijk "feit":
Nietzsche behoort nog tot de canon!
Jawel, hij wordt geciteerd door de heren historici.
Daar kunnen wij niet voor onderdoen natuurlijk.

Widerspricht der gute Historiker im Grunde nicht fortwährend?

"Zo moet worden vastgesteld dat de Canon de samenleving niet versterkt. Hij
aanvaardt en respecteert de maatschappelijke diversiteit niet, maar dreigt haar

veeleer te beknotten. Hij verbindt niet, maar scheidt en onderscheidt."


maandag 24 oktober 2022

De ballenjongen

Stel dat u zegt "A is klote".
Stel dat A een handeling is. In dat geval speelt u de bal.
Stel dat A een persoon is die de handeling uitvoert. In dat geval speelt u de man.
Uit "A" is niet duidelijk op te maken of het om een handeling gaat of om een persoon die de handeling uitvoert.

"A is een kloot", lijkt een duidelijk voorbeeld van de man spelen.
Tenzij u misschien bedoelt  dat A een dommekloot is omdat hij de klote handeling A uitvoert.
Persoon A is de personificatie van handeling A, niet meer en niet minder.

U maakt het onderscheid tussen de man spelen en de bal spelen.
"Ik maak dat onderscheid op basis van argumenten, op basis van feiten", zegt u, "het is een feit dat handeling A een klote handeling is."
Daar valt weinig tegen in te brengen.
(Dat de persoon in kwestie "ik ben geen dommekloot, het is gewoon een klote machine" kan antwoorden, laten we hier "for the sake of  argument" even buiten beschouwing.)
"Zie je wel", zegt u triomfantelijk, "ik speel altijd de bal".
Fair enough.
Op een dt-fout na.
Ik speelt altijd de bal.