zaterdag 12 december 2015

e.a.


U was weer geweldig deze week!
Wat vooraf ging ...

http://www.demorgen.be/opinie/schrap-euthanasie-op-basis-van-louter-psychisch-lijden-uit-de-wet-b277b650/




Schrap euthanasie op basis van louter psychisch lijden uit de wet

De dood als therapie?
Ariane Bazan (klinisch psychologe ULB), Gertrudis Van de Vijver (filosofe UGent) en Willem Lemmens (ethicus Universiteit Antwerpen) schrijven deze open brief in naam van 65 professoren, psychiaters en psychologen.



Voor het eerst sinds het in voege treden van de wet in 2002 werd een beslissing tot euthanasie - het geval De Moor/Van Hoey - door de evaluatiecommissie betwist en naar het gerecht doorgeleid. Van deze euthanasie en de gesprekken tussen patiënt en arts bestaat een documentaire van de Australische zender SBS. Ook over een 24-jarige jongedame uit Brugge, die in laatste instantie afzag van de uitvoering van de haar toegekende euthanasie omwille van psychisch lijden, werd recent een indringende videoreportage van The Economist uitgezonden (24 and Ready to Die).

In onze open brief in de Artsenkrant (september 2015) wezen wij al op de rechtsonzekerheid van de arts bij euthanasie op basis van louter psychisch lijden. Met dit opiniestuk brengen wij het specifieke problematische karakter ervan onder de aandacht, met name de onmogelijkheid om de uitzichtloosheid van psychisch lijden te objectiveren.
Men zou verwachten dat deze ongeneeslijkheid onderbouwd wordt met bijvoorbeeld aanwijzingen van een organisch letsel of van weefselschade, met andere woorden, met factoren onafhankelijk van wat er subjectief inzake de ziekte gevoeld en gedacht wordt. Dergelijke objectivering is bij psychisch lijden problematisch.

Laten we duidelijk zijn: psychisch lijden is reëel en kan minstens even zwaar zijn als lichamelijk lijden. Specifiek is evenwel dat je enkel kan steunen op het woord van degene die lijdt om het in te schatten. En maar goed ook, want hij of zij is de enige die weet hoeveel pijn het doet op het moment zelf. Op het moment zelf... want wanneer we psychisch lijden, zijn we er veelal van overtuigd dat er geen andere toekomst meer mogelijk is. Het is vaak precies deze gedachte die een mens de dieperik in duwt, want zolang er perspectief is, kan men meestal bijzonder veel aan.


Depressie is vandaag de meest voorkomende mentale aandoening: volgens schattingen van de Wereldgezondheidsorganisatie hebben 1 op 7 mensen ooit te maken met een ernstige depressie. Als we deze cijfers plaatsen naast het feit dat uitzichtloosheid één van de centrale kenmerken is van een depressieve fase, is het duidelijk dat het hopeloze gevoel op geen enkele wijze in verhouding staat tot het werkelijk hopeloos zijn van een situatie.

In tegenstelling tot ziektes die het gevolg zijn van weefselschade is mentaal lijden verbonden met een verandering in functioneren - en niet met een aantasting van weefsel. Dit verschil is essentieel omdat dergelijke dynamische veranderingen per definitie kunnen omslaan en wel soms vrij plots. Zo zien we dat sommigen die eerst ongeneeslijk ziek verklaard werden en op basis daarvan toestemming kregen voor euthanasie, er van afzien omdat er nieuwe - zij het kwetsbare - perspectieven zijn opgedaagd.

Op een paradoxale manier bewijst dit dat de ziekte niet ongeneeslijk kan genoemd worden. De subjectieve inschatting van het eigen perspectief bij psychisch lijden biedt daarom geen houvast om het verdict 'ongeneeslijk te vellen.

De conclusie is duidelijk: de huidige wet veronderstelt ten onrechte dat er bij psychisch lijden objectieve klinische criteria zouden bestaan die euthanasie kunnen rechtvaardigen. Het is om die reden dat euthanasie op grond van psychisch lijden alleen niet bij wet kan geregeld worden.

Sommigen verdedigen bovendien de stelling dat (pas) de dood als optie tot een positieve kentering kan leiden en ook daarom als een onderdeel van een goede zorg kan beschouwd worden. Volgens ons betekent dit echter automatisch het radicale failliet van de mentale zorgsector. Het hanteren van 'de dood als therapie', eventueel tot en met het daadwerkelijk uitvoeren van de euthanasie, impliceert het a priori verzaken aan wat therapie steeds kan en moet zijn: het onuitputtelijk openzetten van nieuwe perspectieven.

Als vertegenwoordigers van de verschillende rechtstreeks betrokken beroepsgroepen over de verschillende landsdelen en voorbij de klassieke ideologische breuklijnen, zijn wij gealarmeerd door een toenemende banalisering van euthanasie op grond van psychisch lijden alleen. Wij vinden dat deze situatie intrinsiek verbonden is met het gegeven van een wet die stoelt op subjectieve criteria. Daarom dringen wij erop aan om het toelaten van euthanasie op basis van louter psychisch lijden uit de huidige wetgeving te schrappen.



http://www.demorgen.be/opinie/banaliseer-psychisch-lijden-niet-bdb8ed05/





Banaliseer psychisch lijden niet

Johan Braeckman is hoogleraar wijsbegeerte aan de UGent, An Ravelingien ethicus bij Bioethics Institute Ghent en Maarten Boudry wetenschapsfilosoof aan de UGent.



In een open brief uitten tientallen academici en zorgverleners hun bezorgdheid over de wettelijke regeling rond euthanasie voor ondraaglijk psychisch lijden. Die bezorgdheid is ongetwijfeld goedbedoeld, maar niettemin misplaatst. De briefschrijvers eisen een "objectieve" aanwijzing van de onomkeerbaarheid van psychisch lijden, zoals een "organisch letsel of weefselschade". Zij verwachten "factoren die onafhankelijk zijn van wat er subjectief inzake de ziekte gevoeld en gedacht wordt". Euthanasie op basis van "louter psychisch lijden" willen ze uit de huidige wetgeving schrappen. Vooral het woordje "louter" is hier zeer betekenisvol.

Het is volgens ons een misvatting dat euthanasie enkel bij zogenaamd lichamelijk lijden "verantwoord" is. De eis om lijden (en pijn) "objectiveerbaar" te maken, is een vreemde vorm van positivisme of sciëntisme. Moeten we psychisch lijden waarvan mensen langdurig en helder getuigen, niet ernstig nemen zolang dat leed niet wetenschappelijk wordt hard gemaakt? Gaan we pas ingaan op de ultieme vraag om hulp als het leed onder een hersenscan is aangetoond? De briefschrijvers miskennen niet alleen de professionele competentie van de artsen en therapeuten die de diagnose stellen, maar willen de klok decennia terug draaien door de patiënt onmondig te verklaren over de aard en intensiteit van zijn of haar lijden.

Uitzichtloos lijden

Vanzelfsprekend is lijden subjectief. Wat anders? Als een persoon lijdt, dan is hij of zij evident de enige die deze ervaring redelijk kan inschatten. Het lijden behoort toe aan een subject. Deze subjectieve dimensie miskennen, verraadt een gebrek aan empathie. De opmerking van de briefschrijvers dat ze "gealarmeerd zijn door een toenemende banalisering van euthanasie op grond van psychisch lijden" is bijgevolg bedenkelijk.

In een gesprek met Bart Schols in De Afspraak (8/12) verwees Ariane Bazan, een van de initiatiefnemers van de brief, naar een artikel en het boek van psychiater Lieve Thienpont: "Libera me. Over euthanasie en psychisch lijden". Het werk van Lieve Thienpont maakte haar blijkbaar duidelijk dat euthanasie voor psychisch lijden opnieuw verboden moet worden. Dat is erg merkwaardig, omdat het boek van Lieve Thienpont net maar al te duidelijk maakt hoe uitzichtloos de situatie is van diegenen die omwille van psychisch lijden euthanasie aanvragen. Het gaat om mensen die men vaak reeds vele jaren tracht te helpen, met alle mogelijke middelen die de geneeskunde en de psychologische zorgverlening te bieden heeft. Sommige van die patiënten zijn zo wanhopig dat ze overgaan tot zelfdoding, met soms vreselijke en mensonterende gevolgen van dien.

Denken de briefschrijvers dat de wetgever, en de artsen die bereid zijn om aan sommige (!) hulpvragen tegemoet te komen, lichtzinnig omspringen met het verzoek om waardig afscheid van het leven te mogen nemen? Dat ze niet op de hoogte zijn van de mogelijkheden van diverse therapieën en van de strikte voorwaarden voor euthanasie bij psychisch lijden? Net omdat psychisch lijden moeilijker meetbaar is, en een specifieke groep patiënten niet terminaal is, heeft de wetgever voor deze patiënten al twee bijkomende zorgvuldigheidsvoorwaarden verbonden aan een euthanasieverzoek: een tweede advies van een psychiater en een minimumwachttermijn van één maand.

De briefschrijvers houden het bij een algemene beschouwing over het "hopeloze gevoel" dat mensen bij depressie ervaren, dat voor hen "op geen enkele wijze in verhouding staat tot het werkelijk hopeloos zijn van een situatie". Maar uiteraard komt niet iedereen met een depressie zonder verdere therapeutische interventie zomaar in aanmerking voor euthanasie. Dat is evident. In de praktijk gaat het jaarlijks in ons land over een vijftigtal personen, een uiterst kleine fractie van het aantal mensen dat een depressie doormaakt.

Dat de briefschrijvers het uitzichtloos lijden van deze kleine groep mensen wegwuiven als "louter subjectief", een gevoel dat nu eenmaal bij een depressie hoort, illustreert niet alleen een gebrek aan inlevingsvermogen maar bovendien is het een paternalistische reflex: 'Jij denkt dat je lijden uitzichtloos is, maar wij weten beter.' Overigens staat een acute depressie (bv. door een rouwproces) de wettelijke voorwaarde van vrijwilligheid meestal in de weg. Het gaat bij het merendeel van de euthanasie-aanvragen om andere mentale aandoeningen, soms in combinatie met langdurige, chronische en therapieresistente depressie.

Het valse onderscheid tussen fysiek en psychisch lijden

De briefschrijvers vrezen dat de opvatting dat het uitzicht op de dood onderdeel van goede zorg kan zijn, "het radicale failliet van de mentale zorgsector" betekent. Deze opmerkelijke uitspraak was enkele decennia geleden nog een vaak gehoorde bedenking in het euthanasiedebat, ook voor fysiek lijden: "De dood is de vijand van de geneeskunde, als een arts iemand uit zijn lijden verlost, betekent dat het falen van de medische zorg". Ondertussen weten we beter. Helaas is het lijden van sommige patiënten zo onpeilbaar diep, dat het inwilligen van hun verzoek om medisch geassisteerd en pijnloos te overlijden, vanaf een bepaald moment het beste is wat de zorgsector nog te bieden heeft. Ariane Bazan en haar co-auteurs zijn blijkbaar van mening dat psychiatrische patiënten nooit uitbehandeld kunnen zijn. Dat komt erop neer dat psychiatrische patiënten geen recht hebben om een behandeling te weigeren, wat geheel in strijd is met de wet op de patiëntenrechten.

De euthanasiewet steunt op enkele fundamentele filosofische principes over een waardig levenseinde, waarin empathie en zelfbeschikking centraal staan. Er is geen goede reden te bedenken waarom men patiënten die ondraaglijk psychisch lijden, zoals ondubbelzinnig erkend door bevoegde artsen en conform de wetgeving, minder ernstig moet nemen dan diegenen die zogenaamd "objectief lichamelijk" lijden. Overigens ervaren ook mensen met een ongeneeslijke fysieke aandoening psychisch leed. Als we de logica van de briefschrijvers volgen, kan men bijgevolg de "ondraaglijkheid" van elke euthanasie-aanvraag betwisten, wat een aantasting inhoudt van de autonomie, en bijgevolg de waardigheid, van om het even welke patiënt die om euthanasie verzoekt. Net zoals de overgrote meerderheid van zorgverleners vandaag de dag, is ook de wetgever in 2002 heus niet overhaast te werk gegaan.



Vooral het woordje "moeilijker" is hier zeer betekenisvol.
"Net omdat psychisch lijden moeilijker meetbaar is..."
Als "de eis" om lijden (en pijn) objectiveerbaar  te maken al een vreemde vorm van positivisme of sciëntisme zou zijn, dan lijkt mij (subjectief) het feit dat het lijden meetbaar is (objectiveerbaar) evenzeer een vreemde vorm van positivisme of sciëntisme.

De situatie is uitzichtloos.
Zo lijkt het toch.

P.S.
Niet het woord "louter" in de eerste tekst is zeer betekenisvol.
De zwakte in dat betoog zit in het woord "bestaan".
"De conclusie is duidelijk: de huidige wet veronderstelt ten onrechte dat er bij psychisch lijden objectieve klinische criteria zouden bestaan die euthanasie kunnen rechtvaardigen. "
Maar dat kan alleen maar begrepen worden in een moment.









zaterdag 5 december 2015

Bart Maddens


De definitie van radicalisme - Bart Maddens 


Je hoort wel eens beweren dat de Franstalige politici lakser zijn in de bestrijding van de radicalisering dan de Vlaamse. Als dat al zo is, dan geldt dat toch zeker niet voor Joëlle Milquet. Als Franstalig minister van onderwijs geeft ze blijk van een opmerkelijke daadkracht wat dat betreft.


Milquet laat momenteel een nieuw decreet goedkeuren dat alle personeelsleden van het Franstalige onderwijs een ‘loyauteitsplicht’ oplegt: zowel op school als daarbuiten mogen zij geen uitspraken doen of handelingen stellen die in strijd zijn met de democratische basiswaarden of die ernstig afbreuk kunnen doen aan het vertrouwen in het onderwijs van de Franse Gemeenschap. Aanleiding hiervoor was onder meer een incident met een kennelijk nogal radicale Moslimleraar aan het Atheneum Leonardo Da Vinci in Anderlecht. Op basis van het nieuwe decreet zal zo iemand nu gemakkelijk de laan kunnen worden uitgestuurd.

Misbruik

Applaus voor zoveel ijver in de strijd tegen de radicalisering! Want dat is toch echt wel een acuut probleem aan het worden in de Franstalige onderwijsinstellingen. Neem nu de Universiteit van Namen. Daar is er een hoogleraar grondwettelijk recht die aanstoot geeft met ronduit extremistische standpunten betreffende ons politiek systeem. Sterker nog, hij heeft al geruime tijd banden met een racistische en fascistoïde partij. En, o gruwel, inmiddels is die geradicaliseerde prof Kamerlid geworden voor die partij en zelfs fractieleider. Wat een geluk dat de immer waakzame Joëlle Milquet er nu voor zorgt dat die extremist stante pede kan worden ontslagen.
Het is Hendrik Vuye zelf die er op knack.be voor heeft gewaarschuwd dat de zeer verregaande bepalingen in Milquet’s decreet wel eens zouden kunnen worden misbruikt om hem aan de deur te zetten in Namen. De paragraaf hierboven klinkt in Vlaanderen natuurlijk als volledig van de pot gerukt, en dat is ze ook. Maar langs Franstalige kant wordt iemand die pleit voor confederalisme of separatisme al snel weggezet als een extremist. En verschillende gezaghebbende politici hebben de N-VA al afgeschilderd als een racistische en fascistoïde partij. Vanuit dat Franstalige perspectief is het niet zo vergezocht om Vuye als een ‘geradicaliseerd’ persoon te beschouwen.

Terrorisme

De kwestie illustreert mooi het potentieel perverse effect van de draconische maatregelen die nu worden voorgesteld om de Moslim-radicalisering te bestrijden. Dat geldt zeker ook voor het uiterst bedenkelijke wetsvoorstel van de MR-kopstukken Denis Ducarme en Olivier Chastel om de ‘verheerlijking van terrorisme’ te bestraffen. Dat definiëren zij zeer breed als ‘wetens en willens terroristische misdrijven in het openbaar goedkeuren, pogen te rechtvaardigen of schromelijk minimaliseren.
Stel dat ik hier schrijf dat er wel enig begrip kan worden opgebracht voor de gewapende strijd van de PKK tegen het repressieve regime van Erdogan, dan riskeer ik – als het van de liberalen (!) Ducarme en Chastel zou afhangen – een celstraf van twee tot vijf jaar (ervan uitgaande dat ook minderjarigen deredactie.be kunnen lezen en dat dus de zwaarste straf van toepassing is). Hetzelfde hangt me boven het hoofd als ik hier zou schrijven dat het ETA-geweld in Spanje enigszins begrijpelijk was in het licht van de anti-Baskische repressie tijdens de Franco-dictatuur en de GAL-staatsterreur nadien.
Ik geef met opzet die twee voorbeelden. Want in Vlaams-nationale kringen bestaat toch wel enige sympathie voor de Koerdische PKK. En zeker tot halfweg de jaren tachtig bestond ook de neiging om het ETA-geweld te vergoelijken of te relativeren. Maar als Ducarme en Chastel hun zin krijgen, dan mag daar zelfs niet meer over worden gediscussieerd.

Separatisten

Vlaams-nationalisten zullen voortaan dus op hun tellen moeten passen als het over de ETA of de PKK gaat. En al zeker als ze met elkaar telefoneren. Want nu de inlichtingendiensten meer bevoegdheden krijgen om ‘geradicaliseerden’ af te luisteren zullen misschien ook de anti-Belgische separatisten extra in de gaten worden gehouden. Ik hoor echter meteen een koor van proteststemmen opgaan. Wat voor paranoia is me dat, zeg! Wees er maar zeker van dat de veiligheidsdiensten vandaag andere katten te geselen hebben.
Dat kan zijn, maar waarom was dat dan niet zo in het recente verleden? Uit het nogal onthutsende onderzoek van Tijd-journalist Lars Bové bleek dat, tussen 2010 en 2013, bijna één derde van de verkozen politici opduikt in de dossiers van de staatsveiligheid. Opmerkelijk is ook dat de Vlaamse parlementsleden het vaakst voorkomen in die dossiers (Lars Bové, De geheimen van de staatsveiligheid, pp.100-101). Zou het toeval zijn dat er uitgerekend in die periode uitzonderlijk veel Vlaams-nationalisten rondliepen in het parlement?

Staatsveiligheid

Toen in 2006 het inmiddels welbekende Coördinatieorgaan voor de Dreigingsanalyse (OCAD) werd opgericht botste dit op het grootste argwaan bij Vlaams-nationalisten. Want in de memorie van toelichting van het wetsontwerp kondigde minister van Justitie Laurette Onkelinx aan dat het OCAD ook bedreigingen van “nationalistische aard” zou bestrijden. Het contrast met vandaag is groot. Van enige argwaan ten aanzien van de Belgische inlichtingendiensten is niets meer te bespeuren bij flaminganten. Sterker nog, die pleiten er nu zelf voor om de staatsveiligheid meer bevoegdheden te geven.
Misschien gaat men ervan uit dat de Vlaams-nationale greep naar de macht ertoe zal leiden dat de Belgische veiligheidsdiensten hun leven beteren. Jan Jambon zal er wel voor zorgen dat die zich nu met de échte veiligheidsprioriteiten bezig houden. Maar Lars Bové toonde ook aan hoe moeilijk het is voor de verantwoordelijke politici om vat te krijgen op de politieke machinaties van de staatsveiligheid. En we horen vandaag wel veel pleiten voor extra bevoegdheden en middelen voor de inlichtingendiensten, maar niet voor meer en strengere controle op hun schimmige activiteiten.
Zouden die echt hun belangstelling voor de Vlaams-nationale ‘extremisten’ verliezen nu de N-VA het voor het zeggen heeft in België? Enige scepsis lijkt op zijn plaats. Behoort het anti-separatisme niet gewoonweg tot de ‘bedrijfscultuur’ van de staatsveiligheid? Impliceert de veiligheid van de staat niet ook de territoriale integriteit ervan, zodat de separatisten even goed als de Moslim-extremisten een te bestrijden bedreiging vormen?
Wie weet zijn de Vlaams-nationalisten, meegesleurd als ze zijn door de securitaire obsessie, een monster aan het voeden waardoor ze ooit zelf zullen worden opgepeuzeld.

http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/opinieblog/opinie/1.2514388



Bart Maddens, een mens moet daar eerlijk in durven zijn, is nu niet onmiddellijk de auteur op wiens pennenvruchten ik ongeduldig zit te wachten. Zijn ironie is me iets te weinig subtiel, het is herkenbaar als ironie. Op zich is dat niet onwenselijk, maar wanneer men ironie herkent in combinatie met "ernst" is dat een dodelijke coctail. Ironie zou "per definitie" niet ernstig mogen zijn, maar dit geheel terzijde.

Met een titel als "de definitie van radicalisme" werd ik evenwel tot het artikel aangetrokken zoals een verheerlijker van het terrorisme aangetrokken wordt tot het verheerlijken van terroristische misdrijven.
Wat een afknapper was me dat zeg.
Nu had ik uiteraard niet gehoopt om "de" definitie van radicalisme te weten te komen, maar zonder de definitie van de schrijver zelve, zonder de betekenis die de auteur aan een essentieel woord vast knoopt, lijken al die columns over onder andere radicalisme en fundamentalisme mij nogal nietszeggend. Paradoxaal genoeg, hoe langer de teksten dan worden, hoe nietszeggender ze zijn. (Dus gaan we, om elk misverstand dienaangaande uit te sluiten, nog even door.)
Nu, bij nader inzien mag het niet verbazen dat Bart Maddens zelf geen definitie geeft van het begrip radicalisme.
Zelf koester ik de grootste schroom om het privé leven van de mensen te grabbel te gooien, maar wat moet moet. Indien dat privé leven relevant is kan het niet, mag het niet verzwegen worden.
Bart Maddens is een duivenmelker. Dat had u kunnen weten.
Quiévrain, wachten.
Clermont-Ferrand, wachten.
Dourdan, wachten.
Het heeft het denken van Bart Maddens diepgaand beïnvloed!

Denk maar aan de Maddens-doctrine. (Kan er als columnist iets hogers bereikt worden dan dat er een eigen leer naar je vernoemd wordt?)
Wachten.
Wachten, als de Maddens-doctrine in één woord samengevat kan worden, dan is het wel "wachten".
Quiévrain, wachten.
Om in de staatshervorming vooruit te geraken moeten de Vlamingen wachten (had ik het woord paradox in deze column al gebruikt?) tot de Franstaligen vragende partij zijn.

Quiévrain, wachten.
Wachten.
Wachten tot iemand anders een definitie naar voor schuift om er dan genadeloos mee af te rekenen.
Da lijkt me al te gemakkelijk.





donderdag 3 december 2015

Wilhelm Dilthey




Het onderscheid tussen Natuurwetenschappen en Geesteswetenschappen, het blijft me verbazen.
De term "Geesteswetenschappen" is te danken aan Wilhelm Dilthey.


Das Ganze der Wissenschaften, welche die geschichtlich-gesell-
schaftliche Wirklichkeit zu ihrem Gegenstande haben, wird in diesem
Werke unter dem Namen der Geisteswissenschaften zusammengefaßt.

(All the disciplines that have socio-historical reality as their subject matter are encompassed in this work under the name "human sciences.")



De socio-historische realiteit.
Niet te verwarren met de natuur.
De natuur is ook een realiteit, maar een andere realiteit.
De realiteit is immers niet zomaar de realiteit.

WAT ALS ...

Wat als pakweg fysica een geesteswetenschap zou zijn in plaats van een natuurwetenschap?
(De wetenschap is immers niet zomaar de wetenschap)
Zou Albert Einstein (de relativiteitstheorie) dan weggehoond worden als postmodernist?


vrijdag 20 november 2015

Fleur Jongepier


http://bijnaderinzien.org/2015/11/20/waarom-de-vluchtelingenkwestie-geen-goud-wit-zwart-blauw-jurkje-is/#more-1489


donderdag 19 november 2015

De fundamentist




http://maartenboudry.blogspot.be/2015/10/fundamentisme.html

 Fundamentisme


De antieke sceptici vonden dat we niets met zekerheid kunnen weten en dat we al onze oordelen moeten opschorten. De geliefkoosde strategie van filosofen om aan die universele scepsis te ontsnappen, is om te zoeken naar een of ander solide fundament voor onze kennis. Als die basis stevig is, kan je daarop verder bouwen. In de Angelsaksische literatuur staat die benadering bekend als “foundationalism”, in het Nederlands stel ik Filosofisch Fundamentisme voor (niet te verwarren met ‘fundamentalisme’, want doorgaans gaat het om vreedzame lieden).
Een Fundamentist vat menselijke kennis op als een soort omgekeerde piramide die steunt op enkele ultieme fundamenten, waarmee de hele constructie staat of valt. Daal naar beneden af en vind zo de ultieme grondslagen van onze kennis. Maar dat idee is even vruchteloos als achterhaald. Er bestaat geen onwankelbare sokkel waarop al onze kennis rust. Want waar staat die dan weer op? Of ze zweeft in het luchtledige, of ze steunt op een nog fundamenteler fundament. Dat lijkt op de oude Hindoe-kosmologie: onze aarde is plat en rust op de ruggen van vier enorme olifanten, die op hun beurt op een enorme schildpad staan. En waarop staat die schildpad dan? Op een nog grotere schildpad eronder natuurlijk. En zo gaat het voort, langs een toren van steeds grotere en sterkere schildpadden…

De drogreden van de Fundamentist is de gedachte dat, als je vertrekpunt niet volstrekt zeker is, de rest van de constructie in duigen valt. Alles of niets. Met mijn collega Michael Vlerick heb ik de filosoof en apologeet Alvin Plantinga betrapt op deze drogreden. Plantinga zoekt een volstrekt zekere basis voor de betrouwbaarheid van ons brein in de evolutietheorie. Uiteraard vindt hij die niet, waarna hij God inroept als kennisgarantie. Dat is natuurlijk een schijnoplossing, want hoe komt God aan die onfeilbare kennis? Krijgt hij die gratis en voor niets, krachtens de definities van theologen? 

Als er geen kennisfundamenten bestaat, hoe komen we dan iets te weten? Hebben de sceptici dan toch gelijk? Onze kennis is geen bouwwerk met fundamenten, maar een web waarvan de verschillende draden elkaar onderling versterken. De filosofe Susan Haack gebruikt het beeld van een kruiswoordraadsel. Hoe meer vakjes je invult, des te zekerder weet je dat je op de goede weg bent. Eerst in potlood, dan met inkt. Toch kan je geen enkel woord aanwijzen dat als ‘fundament’ dient van de puzzel, waarmee de hele puzzel staat of valt. Een kruiswoordpuzzel kan je in principe eender waar beginnen. Tenzij je een fundamentist bent natuurlijk.

(Column Filosofie Magazine - november 2015)


Sjonge jonge.
Maarten Boudry heeft een rubriekje in filosofiemagazine waarin hij drogredenen bespreekt.
Als ik hem niet beter kende zou ik zweren dat hij zich deze keer al te diep in de New Age boeken had verdiept. Of aan de paddo's had gezeten. Want hoewel u Maarten Boudry niet onmiddellijk associeert met een aan een toeter lurkende filosoof, het moet gezegd, een paddo bij tijd en wijle gaat er natuurlijk altijd wel in. Menselijk, al te menselijk.
"Onze kennis is een web waarvan de verschillende draden elkaar onderling versterken."
Sjonge jonge.
Stel je voor dat ik dat citaat aan enkele docenten filosofie zou voorleggen in de vorm van een meerkeuzevraag. Is dit citaat van
A. Elisabeth Sahtouris
B. Ken Wilber
C. Jacques Lacan
D. Maarten Boudry

Voorwaar, ik heb een stellig vermoeden dat zelfs Maarten Boudry hemzelve wel eens het verkeerde antwoord zou kunnen geven.
Om maar te zeggen, Maarten Boudry zou zich beter beperken tot voor de hand liggende drogredenen als "ad hominem".
Dat is een nogal gratuite bewering, dat geef ik toe. Het vraagt om een fundering.

De werkelijkheid bestaat.
Onze kennis is gebaseerd op de werkelijkheid.
"De werkelijkheid is de basis van onze kennis (de basist)" zou ik kunnen zeggen.
"De werkelijkheid is de grond van onze kennis (de grondist)" zou ik kunnen zeggen.
"De werkelijkheid is het web van onze kennis (de webbist)" zou ik zelfs kunnen zeggen mits ik enige paddo's tot mij zou genomen hebben.
Maar hé, dat vertik ik.
"De werkelijkheid is het fundament van onze kennis", zeg ik.
Ik ben een fundamentist en daar ben ik fier op.








zaterdag 14 november 2015

Simone van Saarloos



Simone van Saarloos schreef "het monogame drama".
Het pamflet verschijnt pas op 19 november, maar wat is er heerlijker dan te schrijven over iets wat nog niet is ?

Voor de liefhebbers (!), een voorpublicatie kan je wel al vinden op "de correspondent".
Zoals het een ware filosofe betaamt, inclusief "ad verecundiam" referenties naar een psycholoog (Robert Sternberg), een cultuurhistoricus (Johan Huizinga) en, godbetert, Plato !

Zelf heb ik geen enkele neiging om mij te mengen in deze discussie.
Maar in een interview met Simone in "De Morgen" was er wel een mooi citaat.

"Ik heb de totale ommekeer nodig om vrij te kunnen denken".

Een vrijheid die iets nodig heeft.
Een gebonden vrijheid, vastgeketend aan datgene wat ze nodig heeft.
Wel, wel.

"Het monogame drama" maakt deel uit van de Horzelreeks van De Bezige Bij, pamfletten die stof willen doen opwaaien.
Wel, wel.




(@Simone: Zullen we iets gaan drinken?)

dinsdag 10 november 2015

David Hand



De onontkoombaarheid van het toeval


Beetje moedeloos de laatste dagen.
Er was (alweer) een column van Johan Braeckman.
De titel in dikke vette letters:

De onontkoombaarheid van het toeval

Helemaal op het eind van de column was er een verwijzing naar "het onwaarschijnlijkheidsprincipe" van David Hand. 
Ik nam me voor om een stukje te schrijven met allemaal uitdrukkingen waarin het woord "hand" in voorkomt. 
(Van het genre "Braeckman heeft er een handje van weg om uit zijn nek te kletsen" ....)

Maar de moed ontbreekt me.

Het omgekeerde van het toeval lijkt mij de wetmatigheid.
Aan dergelijke wet kan je niet ontkomen. Anders zou het geen wet zijn.
Dat maakt dat het toeval echt wel ontkoombaar is.
Het toeval is immers toevallig.

Maar dat ligt (alweer) ongetwijfeld al te zeer voor de hand.

zaterdag 31 oktober 2015

Don Colacho



Don Colacho, a.k.a Nicolás Gómez Dávila, studeerde Deens om Kierkegaard in het origineel te kunnen lezen.
Voilà, een wist-je-datje. U hoeft daar verder niets achter te zoeken.

Ik wou het niet hebben over Kierkegaard, Kierkegaard spreekt voor zich, ik wou het hebben over het "aforisme"
En over de onvermijdelijke Wittgenstein.

"Rozijnen mogen het lekkerste aan een taart zijn; maar een zak rozijnen is niet lekkerder dan een taart; & wie in staat is ons een zak vol rozijnen te geven, kan daar nog geen taart mee bakken, laat staan iets lekkerders"
Ik denk aan Kraus & zijn aforismen, maar ook aan mezelf & Philosophische Bemerkungen. Een taart, dat is niet zoiets als verdunde rozijnen"

Het is merkwaardig te noemen dat dit op zijn beurt een aforisme is natuurlijk.

Maar dat neemt niet weg dat een mens blij kan zijn met een rozijn:

"De waarheid diende je lief te hebben: maar je hebt steeds andere dingen lief & de waarheid alleen terloops!"

Gómez Dávila



Wim van Rooy heeft een boek geschreven.
"Waarover men niet spreekt".
("Oké dan", zou een mooie boekbespreking zijn)
Dat zou volledig aan mijn aandacht ontsnappen ware het niet dat hij in zijn voorwoord de Colombiaanse filosoof Gómez Dávila aanhaalt.

"Het is dan ook niet zozeer een daad van eenvoudige rechtvaardigheid dat dit politiek héél incorrecte boek vandaag door Uitgeverij De Blauwe Tijger wordt uitgegeven, maar eerder een daad van reactionair non-conformisme (dat vandaag veel lucider is dan welk ander non-conformisme ook), van geloof in het Westen en vooral van veel gezond verstand en een dosis gotspe, die er te midden van een kakofonie van meningen in slaagt de moeite op te brengen alleen te zeggen wat belangrijk is, naar de geest van Nicolás Gómez Dávila."
http://www.waarovermennietspreekt.be/waarover-proloog.html

Naar de geest van Nicolás Gómez Dávila een boek van dik 600 bladzijden schrijven!
Nicolás Gómez Dávila is de man er voor koos om zijn schrijven te beperken tot een aforisme.
Maar soit, het zou al te gemakkelijk zijn om op basis van dit "feit" een oproep te doen aan Wim van Rooy.

Het gaat er tenslotte om zich te kunnen beperken tot datgene wat belangrijk is, is het niet?
Dat is immers datgene "waarover men spreekt".

"El que ignora que dos adjetivos contrarios califican simultáneamente todo objeto no debe hablar de nada."
(ESCOLIOS a un texto implícito I #95)
"Hij die er zich niet bewust van is dat twee tegengestelde adjectieven tegelijkertijd elk object kwalificeren zou over niets moeten spreken."

dinsdag 20 oktober 2015

Sinnerman

“Die Grenzen meiner Sprache bedeuten die Grenzen meiner Welt”, schreef de filosoof Ludwig Wittgenstein in zijn beroemde Tractatus logico-philosophicus, zijn enige boek dat verscheen terwijl hij leefde (1889-1951). Het is niet eenvoudig om te begrijpen wat Wittgenstein met die zin bedoelde.


De Tractatus is bijzonder compact geschreven. Eigenlijk is het niet eens een boek, maar een verzameling van stellingen die hij telkens in een soort van bijstellingen verduidelijkt. In essentie legt Wittgenstein uit dat enkel uitspraken die overeenkomen met de werkelijkheid zinvol zijn. Dat betekent meteen dat alles wat tot de ethiek of esthetiek behoort, zinloos of zinledig is. Onze uitspraken erover kunnen geen waarheidswaarde hebben, aangezien ze niet met iets feitelijks corresponderen.
Als ik bijvoorbeeld om ethische redenen de doodstraf afkeur, kan ik niet zeggen dat de doodstraf fout is zoals een feitelijke uitspraak fout kan zijn. “Londen is de hoofdstad van Frankrijk” is een feitelijke uitspraak. Zo’n uitspraak kan waar of onwaar zijn. In dit geval is ze onwaar, dus fout.
Maar zeggen dat de doodstraf ethisch onverantwoord is, leert ons niets over een feitelijke toestand. We kunnen volgens Wittgenstein niet nagaan of het waar of onwaar is dat de doodstraf onethisch is. In die zin is de uitspraak over de doodstraf zinledig. Mijn wereld is begrensd door mijn taal, stelt Wittgenstein, maar de wereld definieerde hij aan het begin van de Tractatus als “alles wat het geval is”.
Uitspraken over goed en kwaad, of schoonheid of metafysica, zijn niet “het geval”, want ze zijn niet herleidbaar tot objectieve aspecten van de werkelijkheid, noch tot relaties van die aspecten. De slotzin van de Tractatus is zeer bekend: “Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen”. Wittgenstein had het niet over het wijselijke van te zwijgen over datgene waarvan men geen verstand heeft, al is dat op zich geen slecht advies. Hij wou duidelijk maken dat filosofische vraagstukken die zich niet lenen tot zinvolle uitspraken, ultiem onoplosbaar zijn. Niet zozeer omdat wij niet in staat zijn om een oplossing te vinden, maar eerder omdat de begrippen waar en onwaar irrelevant zijn voor dergelijke vragen.
Zoals het geen zin heeft om naar de smaak van een regenboog te zoeken, zo is het ook onzinnig om naar feitelijke waarheden te zoeken in de ethica. Al het filosofisch geschrijf daarover is bijgevolg zinledig. Het helpt ons geen stap vooruit, we doen er dan ook beter het zwijgen toe. Die oproep tot zwijgen is geen moreel voorschrift, maar een expressie van de zinledigheid van de zoektocht.

Taalfilosofie en strandliteratuur

Dit alles wil niet zeggen dat Wittgenstein dacht dat pakweg ethiek en metafysica niet belangrijk zijn. Integendeel, de vragen die men daarin behandelt, behoren tot de allerbelangrijkste die de mens zich stelt. Hij kan ze evenwel nooit oplossen in de gangbare betekenis van het woord.
Wittgenstein dacht dat dit een inzicht was dat het einde van de filosofie betekende. Bijgevolg stopte hij met filosoferen. Later herzag hij evenwel zijn mening, waardoor hij opnieuw over filosofische kwesties ging nadenken. In de tussentijd had hij zich verlost van zijn geërfd fortuin en was hij werkzaam als tuinman en onderwijzer.
Taal stond steeds centraal in zijn filosofisch werk, en zowel de Tractatus als zijn latere geschriften hadden een enorme invloed op meerdere generaties filosofen en linguïsten. Het streven naar precisie en helderheid dat het werk van vele filosofen kenmerkt, is een onderdeel van die invloed.
Wittgensteins werk is weliswaar moeilijk toegankelijk, maar dat ligt niet aan het obscure of vage karakter ervan. Het is de intrinsieke moeilijkheid van de behandelde problemen die zijn teksten tot lastige lectuur maken. Wie niet veel afweet van pakweg moderne natuurkunde zal de boeken van Stephen Hawking ook niet meteen als strandliteratuur ervaren. Na Wittgenstein is er geen excuus meer voor een onachtzaam en slordig gebruik van onze meest karakteristieke eigenschap: taal.

http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/opinieblog/blog/JohanBraeckman/1.2471712







"23-5-9-19-19 9-19-20 1-21-3-8 5-9-14-5 1-18-20 19-3-8-23-1-18-26"
7-1 4'18 13-1-1-18 1-1-14-19-20-1-1-14 10-15-8-1-14!
5-5-14 3-9-10-6-5-18 9-19 5-5-14 12-5-20-20-5-18.
4-1-20 9-19 5-5-14 6-5-9-20.
4-1-20 23-5-5-20 21 15-15-11.
1-12-19 21 8-5-20 14-9-5-20 26-15-21 23-5-20-5-14 26-15-21 21 8-9-5-18 14-9-5-20 26-9-10-14.
5-14 20-15-3-8…
5-5-14 3-9-10-6-5-18 9-19 5-5-14 3-9-10-6-5-18 5-14 5-5-14 12-5-20-20-5-18 9-19 5-5-14 12-5-20-20-5-18.
13-5-9-12-9-10-11-5-18 4-1-14 4-1-20 8-15-5-6-20 8-5-20 14-9-5-20 20-5 23-15-18-4-5-14