zaterdag 31 oktober 2015
Don Colacho
Don Colacho, a.k.a Nicolás Gómez Dávila, studeerde Deens om Kierkegaard in het origineel te kunnen lezen.
Voilà, een wist-je-datje. U hoeft daar verder niets achter te zoeken.
Ik wou het niet hebben over Kierkegaard, Kierkegaard spreekt voor zich, ik wou het hebben over het "aforisme"
En over de onvermijdelijke Wittgenstein.
"Rozijnen mogen het lekkerste aan een taart zijn; maar een zak rozijnen is niet lekkerder dan een taart; & wie in staat is ons een zak vol rozijnen te geven, kan daar nog geen taart mee bakken, laat staan iets lekkerders"
Ik denk aan Kraus & zijn aforismen, maar ook aan mezelf & Philosophische Bemerkungen. Een taart, dat is niet zoiets als verdunde rozijnen"
Het is merkwaardig te noemen dat dit op zijn beurt een aforisme is natuurlijk.
Maar dat neemt niet weg dat een mens blij kan zijn met een rozijn:
"De waarheid diende je lief te hebben: maar je hebt steeds andere dingen lief & de waarheid alleen terloops!"
Gómez Dávila
Wim van Rooy heeft een boek geschreven.
"Waarover men niet spreekt".
("Oké dan", zou een mooie boekbespreking zijn)
Dat zou volledig aan mijn aandacht ontsnappen ware het niet dat hij in zijn voorwoord de Colombiaanse filosoof Gómez Dávila aanhaalt.
"Het is dan ook niet zozeer een daad van eenvoudige rechtvaardigheid dat dit politiek héél incorrecte boek vandaag door Uitgeverij De Blauwe Tijger wordt uitgegeven, maar eerder een daad van reactionair non-conformisme (dat vandaag veel lucider is dan welk ander non-conformisme ook), van geloof in het Westen en vooral van veel gezond verstand en een dosis gotspe, die er te midden van een kakofonie van meningen in slaagt de moeite op te brengen alleen te zeggen wat belangrijk is, naar de geest van Nicolás Gómez Dávila."
http://www.waarovermennietspreekt.be/waarover-proloog.html
Naar de geest van Nicolás Gómez Dávila een boek van dik 600 bladzijden schrijven!
Nicolás Gómez Dávila is de man er voor koos om zijn schrijven te beperken tot een aforisme.
Maar soit, het zou al te gemakkelijk zijn om op basis van dit "feit" een oproep te doen aan Wim van Rooy.
Het gaat er tenslotte om zich te kunnen beperken tot datgene wat belangrijk is, is het niet?
Dat is immers datgene "waarover men spreekt".
"El que ignora que dos adjetivos contrarios califican simultáneamente todo objeto no debe hablar de nada."
(ESCOLIOS a un texto implícito I #95)
"Hij die er zich niet bewust van is dat twee tegengestelde adjectieven tegelijkertijd elk object kwalificeren zou over niets moeten spreken."
dinsdag 20 oktober 2015
Sinnerman
“Die Grenzen meiner
Sprache bedeuten die Grenzen meiner Welt”, schreef de filosoof Ludwig
Wittgenstein in zijn beroemde Tractatus logico-philosophicus, zijn enige
boek dat verscheen terwijl hij leefde (1889-1951). Het is niet
eenvoudig om te begrijpen wat Wittgenstein met die zin bedoelde.
De Tractatus is bijzonder compact geschreven. Eigenlijk is
het niet eens een boek, maar een verzameling van stellingen die hij
telkens in een soort van bijstellingen verduidelijkt. In essentie legt
Wittgenstein uit dat enkel uitspraken die overeenkomen met de
werkelijkheid zinvol zijn. Dat betekent meteen dat alles wat tot de
ethiek of esthetiek behoort, zinloos of zinledig is. Onze uitspraken
erover kunnen geen waarheidswaarde hebben, aangezien ze niet met iets
feitelijks corresponderen.
Als ik bijvoorbeeld om ethische redenen de doodstraf afkeur, kan ik niet zeggen dat de doodstraf fout is zoals een feitelijke uitspraak fout kan zijn. “Londen is de hoofdstad van Frankrijk” is een feitelijke uitspraak. Zo’n uitspraak kan waar of onwaar zijn. In dit geval is ze onwaar, dus fout.
Maar zeggen dat de doodstraf ethisch onverantwoord is, leert ons niets over een feitelijke toestand. We kunnen volgens Wittgenstein niet nagaan of het waar of onwaar is dat de doodstraf onethisch is. In die zin is de uitspraak over de doodstraf zinledig. Mijn wereld is begrensd door mijn taal, stelt Wittgenstein, maar de wereld definieerde hij aan het begin van de Tractatus als “alles wat het geval is”.
Uitspraken over goed en kwaad, of schoonheid of metafysica, zijn niet “het geval”, want ze zijn niet herleidbaar tot objectieve aspecten van de werkelijkheid, noch tot relaties van die aspecten. De slotzin van de Tractatus is zeer bekend: “Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen”. Wittgenstein had het niet over het wijselijke van te zwijgen over datgene waarvan men geen verstand heeft, al is dat op zich geen slecht advies. Hij wou duidelijk maken dat filosofische vraagstukken die zich niet lenen tot zinvolle uitspraken, ultiem onoplosbaar zijn. Niet zozeer omdat wij niet in staat zijn om een oplossing te vinden, maar eerder omdat de begrippen waar en onwaar irrelevant zijn voor dergelijke vragen.
Zoals het geen zin heeft om naar de smaak van een regenboog te zoeken, zo is het ook onzinnig om naar feitelijke waarheden te zoeken in de ethica. Al het filosofisch geschrijf daarover is bijgevolg zinledig. Het helpt ons geen stap vooruit, we doen er dan ook beter het zwijgen toe. Die oproep tot zwijgen is geen moreel voorschrift, maar een expressie van de zinledigheid van de zoektocht.
Als ik bijvoorbeeld om ethische redenen de doodstraf afkeur, kan ik niet zeggen dat de doodstraf fout is zoals een feitelijke uitspraak fout kan zijn. “Londen is de hoofdstad van Frankrijk” is een feitelijke uitspraak. Zo’n uitspraak kan waar of onwaar zijn. In dit geval is ze onwaar, dus fout.
Maar zeggen dat de doodstraf ethisch onverantwoord is, leert ons niets over een feitelijke toestand. We kunnen volgens Wittgenstein niet nagaan of het waar of onwaar is dat de doodstraf onethisch is. In die zin is de uitspraak over de doodstraf zinledig. Mijn wereld is begrensd door mijn taal, stelt Wittgenstein, maar de wereld definieerde hij aan het begin van de Tractatus als “alles wat het geval is”.
Uitspraken over goed en kwaad, of schoonheid of metafysica, zijn niet “het geval”, want ze zijn niet herleidbaar tot objectieve aspecten van de werkelijkheid, noch tot relaties van die aspecten. De slotzin van de Tractatus is zeer bekend: “Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen”. Wittgenstein had het niet over het wijselijke van te zwijgen over datgene waarvan men geen verstand heeft, al is dat op zich geen slecht advies. Hij wou duidelijk maken dat filosofische vraagstukken die zich niet lenen tot zinvolle uitspraken, ultiem onoplosbaar zijn. Niet zozeer omdat wij niet in staat zijn om een oplossing te vinden, maar eerder omdat de begrippen waar en onwaar irrelevant zijn voor dergelijke vragen.
Zoals het geen zin heeft om naar de smaak van een regenboog te zoeken, zo is het ook onzinnig om naar feitelijke waarheden te zoeken in de ethica. Al het filosofisch geschrijf daarover is bijgevolg zinledig. Het helpt ons geen stap vooruit, we doen er dan ook beter het zwijgen toe. Die oproep tot zwijgen is geen moreel voorschrift, maar een expressie van de zinledigheid van de zoektocht.
Taalfilosofie en strandliteratuur
Dit alles wil niet zeggen dat Wittgenstein dacht dat pakweg ethiek en
metafysica niet belangrijk zijn. Integendeel, de vragen die men daarin
behandelt, behoren tot de allerbelangrijkste die de mens zich stelt. Hij
kan ze evenwel nooit oplossen in de gangbare betekenis van het woord.
Wittgenstein dacht dat dit een inzicht was dat het einde van de filosofie betekende. Bijgevolg stopte hij met filosoferen. Later herzag hij evenwel zijn mening, waardoor hij opnieuw over filosofische kwesties ging nadenken. In de tussentijd had hij zich verlost van zijn geërfd fortuin en was hij werkzaam als tuinman en onderwijzer.
Taal stond steeds centraal in zijn filosofisch werk, en zowel de Tractatus als zijn latere geschriften hadden een enorme invloed op meerdere generaties filosofen en linguïsten. Het streven naar precisie en helderheid dat het werk van vele filosofen kenmerkt, is een onderdeel van die invloed.
Wittgensteins werk is weliswaar moeilijk toegankelijk, maar dat ligt niet aan het obscure of vage karakter ervan. Het is de intrinsieke moeilijkheid van de behandelde problemen die zijn teksten tot lastige lectuur maken. Wie niet veel afweet van pakweg moderne natuurkunde zal de boeken van Stephen Hawking ook niet meteen als strandliteratuur ervaren. Na Wittgenstein is er geen excuus meer voor een onachtzaam en slordig gebruik van onze meest karakteristieke eigenschap: taal.
http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/opinieblog/blog/JohanBraeckman/1.2471712
"23-5-9-19-19 9-19-20 1-21-3-8 5-9-14-5 1-18-20 19-3-8-23-1-18-26"
7-1 4'18 13-1-1-18 1-1-14-19-20-1-1-14 10-15-8-1-14!
Wittgenstein dacht dat dit een inzicht was dat het einde van de filosofie betekende. Bijgevolg stopte hij met filosoferen. Later herzag hij evenwel zijn mening, waardoor hij opnieuw over filosofische kwesties ging nadenken. In de tussentijd had hij zich verlost van zijn geërfd fortuin en was hij werkzaam als tuinman en onderwijzer.
Taal stond steeds centraal in zijn filosofisch werk, en zowel de Tractatus als zijn latere geschriften hadden een enorme invloed op meerdere generaties filosofen en linguïsten. Het streven naar precisie en helderheid dat het werk van vele filosofen kenmerkt, is een onderdeel van die invloed.
Wittgensteins werk is weliswaar moeilijk toegankelijk, maar dat ligt niet aan het obscure of vage karakter ervan. Het is de intrinsieke moeilijkheid van de behandelde problemen die zijn teksten tot lastige lectuur maken. Wie niet veel afweet van pakweg moderne natuurkunde zal de boeken van Stephen Hawking ook niet meteen als strandliteratuur ervaren. Na Wittgenstein is er geen excuus meer voor een onachtzaam en slordig gebruik van onze meest karakteristieke eigenschap: taal.
http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/opinieblog/blog/JohanBraeckman/1.2471712
"23-5-9-19-19 9-19-20 1-21-3-8 5-9-14-5 1-18-20 19-3-8-23-1-18-26"
7-1 4'18 13-1-1-18 1-1-14-19-20-1-1-14 10-15-8-1-14!
5-5-14 3-9-10-6-5-18 9-19 5-5-14 12-5-20-20-5-18.
4-1-20 9-19 5-5-14 6-5-9-20.
4-1-20 23-5-5-20 21 15-15-11.
1-12-19 21 8-5-20 14-9-5-20 26-15-21 23-5-20-5-14
26-15-21 21 8-9-5-18 14-9-5-20 26-9-10-14.
5-14 20-15-3-8…
5-5-14 3-9-10-6-5-18 9-19 5-5-14 3-9-10-6-5-18 5-14
5-5-14 12-5-20-20-5-18 9-19 5-5-14 12-5-20-20-5-18.
13-5-9-12-9-10-11-5-18 4-1-14 4-1-20 8-15-5-6-20 8-5-20
14-9-5-20 20-5 23-15-18-4-5-14
zondag 18 oktober 2015
Francis Skinner
Waarde Russell,
Ongeveer twee jaar geleden beloofde ik u een manuscript van mijn hand op te sturen. Nu is het manuscript dat ik vandaag stuur, niet dat manuscript. Ik zit er nog aan te prutsen, en God mag weten of ik het ooit zal publiceren, of iets daaruit. Twee jaar geleden heb ik enkele colleges in Cambridge gegeven en mijn leerlingen enkele aantekeningen gedicteerd opdat ze iets in handen, zo niet in hun hersenen, zouden hebben om mee naar huis te nemen. En ik heb deze aantekeningen laten vermenigvuldigen. Ik heb juist tikfouten en andere fouten in een paar van de afschriften verbeterd, en toen kwam ik op het idee of u misschien niet een afschrift wilde ontvangen. Zo stuur ik er een. Ik wil niet de indruk wekken dat de de colleges moet lezen; maar mocht u niets beters te doen hebben en mocht u er enig onschuldig genot uit putten, dan zou me dat veel plezier doen. (Ik denk dat ze heel moeilijk te begrijpen zijn, omdat ze op zovele punten alleen wordt gezinspeeld. Ze zijn slechts bedoeld voor de mensen die de colleges hebben gevolgd.) Zoals ik zeg, het doet er helemaal niet toe als u ze niet leest.
Uw
Ludwig Wittgenstein.
Elephant Man
Hoe kunnen we iemand met een andere mening overtuigen van de onze?
Het zijn niet alleen complotdenkers die dat doen. Wij doen het allemaal. Ook als we geen rare dingen geloven, hebben we vooral oog voor informatie die in ons kraam past. Het is zelfs de denkfout waar we het vaakst last van hebben. Dat werd in 1979 aangetoond met een beroemd experiment aan de universiteit van het Amerikaanse Stanford.
De onderzoekers vroegen zich af welk effect onze mening heeft op de manier waarop we nieuwe informatie interpreteren. Bekijkt iedereen nieuwe gegevens op dezelfde manier, of hangt dat af van de mening die ze van tevoren al hadden? Ze deden een experiment met voor- en tegenstanders van de doodstraf, die ze allemaal twee fiches lieten zien.
Op de ene fiche: de resultaten van een onderzoek waaruit bleek dat de argumenten voor de doodstraf geen steek houden. Op de andere fiche: resultaten van een onderzoek met een totaal tegenovergestelde conclusie. Drie keer raden wat er gebeurde. De voorstanders van de doodstraf waren niet onder de indruk van de informatie die hun mening op losse schroeven zette. De tegenstanders vonden de informatie die niet met hún mening strookte zeer zwak. Iedereen had dezelfde informatie gezien, maar geloofde alleen wat in het eigen kraam paste. Met als gevolg dat iedereen na afloop nog sterker overtuigd was van het eigen gelijk.
Het besluit van de onderzoekers was duidelijk: 'Als onze studie iets aantoont, dan is het wel dat sociale wetenschappers niet mogen verwachten dat hun pogingen om objectieve gegevens te verzamelen over brandende sociale kwesties, zullen leiden tot rationaliteit, verlichting en consensus over het beleid. Als mensen met een tegenovergestelde visie in hetzelfde bewijsmateriaal al de bevestiging kunnen vinden voor hun eigen mening, dan hoeft het niemand te verwonderen dat de research in de sociale wetenschappen (...) de vlammen van het debat vaker zal aanwakkeren dan kalmeren.'
Voor mensen die daar nog aan twijfelden, werd Twitter uitgevonden. Neem een actueel onderwerp naar keuze. Zo eentje dat de geesten verdeelt, waarover weleens fors wordt gediscussieerd. De islam, bijvoorbeeld. Of de taxshift. Of de Europese Unie. Hou even in de gaten wat voor- en tegenstanders daarover allemaal tweeten en retweeten en u zult zien dat de meesten onder ons haast uitsluitend argumenten omarmen die onze opinie bevestigen, terwijl er misschien evenveel of meer argumenten circuleren die onze visie ontkrachten of uitdagen.
Dat is niet raar. Dat is verklaarbaar. Zo zit de menselijke geest nu eenmaal in elkaar. We zoeken eerder naar bevestiging van wat we al geloven dan naar informatie die ons wereldbeeld kan doen kantelen. In wetenschappelijk jargon: onze zwaarste denkfout is de zogenaamde confirmation bias, de bevestigingsvertekening. Ons beeld van de wereld is vertekend omdat we vooral oog hebben voor wat dat beeld bevestigt. En dat doen we zeker niet altijd opzettelijk. Meestal niet, zelfs. Het gebeurt automatisch, zonder dat we ons daarvan bewust zijn. Met alle gevolgen van dien.
'Mensen hebben de neiging om hun opinies te behouden, ook wanneer die in hun eigen nadeel spelen', schrijft de Gentse psycholoog Alain Van Hiel in zijn boek Sociale Psychologie. 'Waarnemers zijn geregeld het slachtoffer van de tendens om informatie te interpreteren, te zoeken en te vervormen in overeenstemming met hun bestaande opvattingen. Zo blijven beleggers investeren in aandelen die hun waarde verliezen, blijven managers slecht werkende plannen uitvoeren, en slagen juryleden er niet in hun opinie te herzien wanneer hen verteld wordt dat het bewijsmateriaal hoogst twijfelachtig is.'
Advocaat, geen wetenschapper
Hoe komt dat? Waarom zit er zo'n fabricatiefout in ons redeneervermogen? Op het eerste gezicht is dat bijzonder merkwaardig. Zou het niet veel nuttiger zijn als we vooral oog zouden hebben voor informatie die onze meningen ter discussie stelt? Evolutionair bekeken lijkt de confirmation bias immers te gek voor woorden: wie zijn wereldbeeld altijd maar bevestigt, zonder oog voor eventuele tegenargumenten, loopt in z'n ongeluk en overleeft niet lang op de savanne.Waarom heeft de natuur ons niet uitgerust met een innerlijke wetenschapper, die altijd de waarheid zoekt? Dat is tenslotte wat wetenschap kenmerkt: de zoektocht naar falsificatie in plaats van naar bevestiging. Wetenschappers moeten altijd bereid zijn om ongelijk te krijgen, experimenten moeten zo ontworpen zijn dat het resultaat de aanvankelijke hypothese kan ontkrachten. Aan wetenschap doen is eigenlijk: tegenargumenten zoeken. Waarom werkt ons brein zo niet?
'Ik denk dat er een misverstand bestaat over de functie van ons redeneervermogen', zegt de Canadese onderzoeker Hugo Mercier. 'We redeneren niet zozeer om te onderzoeken of onze overtuiging klopt, maar om argumenten voor die overtuiging te zoeken.'
Mercier studeerde filosofie, economie en politieke wetenschappen en doet nu al een tijdje research naar onze cognitieve vermogens. Ik heb via Skype met hem afgesproken omdat hij een nieuwe manier heeft om die rare confirmation bias van ons te verklaren.
'Ons redeneervermogen heeft een sociale functie', legt hij uit. 'Als we redeneren, zoeken we eigenlijk argumenten om anderen te overtuigen. En dan is het natuurlijk erg zinvol om vooral oog te hebben voor wat jouw visie ondersteunt en in jouw kraam past. Daarom redeneren we niet om aan zelfkritiek te doen, maar om bevestiging te zoeken. Als je op basis van je buikgevoel voor deze of gene partij hebt gestemd, zal je verstand je allerlei redenen geven waarom dat een goede keuze was. En je gevoel zal daardoor versterkt worden. Redeneren bevestigt je eigen wereldbeeld, dat is de confirmation bias.'
We hebben geen innerlijke wetenschapper, die al onze meningen voortdurend tegen het licht houdt om de tekortkomingen ervan te zien. We hebben een innerlijke advocaat, die voortdurend argumenten zoekt om onze meningen te versterken en te verdedigen. We zijn ons als het ware haast onafgebroken aan het voorbereiden op een debat.
Dat beeld van de advocaat tref ik aan in het boek Ons feilbare denken van de Israëlische psycholoog Daniel Kahneman. Hij verdeelt de menselijke geest in twee systemen: systeem 1 is het snelle, intuïtieve denken; systeem 2 het trage, rationele denken. Systeem 2 doet vaak aan zelfkritiek, schrijft Kahneman: ons verstand kan onze intuïtie corrigeren, dat is een van de belangrijke functies die het heeft. Maar voor onze beliefs, onze overtuigingen, speelt systeem 2 'apologeet', zeg maar: advocaat van de verdediging.
'De zoektocht naar argumenten en informatie wordt dan grotendeels beperkt tot informatie die consistent is met onze bestaande overtuigingen', schrijft Kahneman. 'Die zoektocht heeft dus niet de bedoeling onze overtuigingen kritisch te onderzoeken.'
We hebben niet alleen last van zo'n confirmation bias of bevestigingsvertekening. In zijn boek somt Kahneman een hele resem denkfouten op waaraan we voortdurend ten prooi vallen. Iets wat vertrouwd overkomt, bijvoorbeeld, omdat we het al vaak gehoord hebben, zullen we sneller geloven dan iets wat we nog nooit gehoord hebben. Van verschijnselen waar we vaak over lezen, echtscheidingen in Hollywood bijvoorbeeld, overschatten we de frequentie. Als we een vraag moeten beantwoorden die heel complex is - zoals: welke partij kan dit land het best door de crisis loodsen? - vervangen we die onbewust door een vraag die gemakkelijker is - zoals: welke politicus ziet er het bekwaamst uit?
We zullen niet graag toegeven dat het zo werkt. Omdat we nu eenmaal geen irrationele wezens willen zijn. Maar ook omdat we niet wéten dat het zo werkt. We hebben, toont Kahneman in zijn boek overtuigend aan, geen bewuste toegang tot de werking van onze geest. We weten veel minder over onszelf dan we geneigd zijn te denken. 'En het is geen optie om dat niet te geloven', schrijft hij uitdagend. 'Deze inzichten zijn waar. Sterker nog: ze zijn waar over u.'
De politieke supporter
Wij zijn allemaal olifanten in het diepst van onze gedachten. Dat lees ik in The Righteous Mind van de Amerikaanse psycholoog Jonathan Haidt, het boek dat me, samen met dat van Kahneman, echt verplichte lectuur lijkt voor iedereen die grondig wil begrijpen hoe onze meningen tot stand komen.Wat Kahneman nogal technisch 'systeem 1' en 'systeem 2' noemt, noemt Haidt met iets meer gevoel voor beklijvende beeldspraak 'de olifant' en 'de bestuurder'. Die olifant vertegenwoordigt ons buikgevoel, onze intuïtie - systeem 1. De berijder, dat is dan ons verstand - systeem 2. En terwijl de berijder denkt dat hij het voor het zeggen heeft, is het volgens Haidt net andersom: de olifant zet de koers uit, de berijder moet meestal volgen. 'Samen strompelen ze door het leven.'
© EPA
Ook Haidt gebruikt het beeld van de advocaat als hij over de ratio schrijft: in plaats van onze olifant voortdurend te bekritiseren en te corrigeren, neemt de berijder het meestal voor hem op. De berijder verzorgt als het ware de public relations van onze olifant. Ons verstand verkoopt de beslissingen van onze intuïtie en houdt zo onze reputatie in stand. Want die reputatie vinden we vaak belangrijker dan de waarheid. Eens te meer leer ik bij Haidt dat onze meningen vooral een sociale functie hebben.
'Ons morele denken lijkt meer op een politicus die stemmen wil halen dan op een wetenschapper die de waarheid zoekt', schrijft hij. We argumenteren met andere woorden niet om uit te leggen hoe we tot een oordeel zijn gekomen, maar om anderen ervan te overtuigen dat ze ons oordeel moeten volgen. Met de nadruk op ons, want - om eens een beroemde sigarettenslogan te parafraseren - een mening vorm je nooit alleen. Met onze meningen geven we namelijk aan tot welke groepen en coalities we behoren.
Denk daaraan als u op Twitter nog eens getuige bent van een hooglopende discussie tussen links en rechts, of als u op een familiefeest in een politiek debat verzeild raakt: we zijn daar geen rationele argumenten aan het uitwisselen, we zijn onze eigen morele gemeenschap aan het verdedigen. We zijn geen intellectueel betoog aan het houden, we zijn aan het supporteren voor onze club. Als was het een voetbalmatch. Al dat lawaai op Twitter, dat is de spionkop van links die tekeergaat tegen de spionkop van rechts.
'We verbinden ons in groepjes waarvan de leden een moreel verhaal met elkaar delen', schrijft Haidt. 'Zodra we ons dat morele verhaal eigen hebben gemaakt, worden we blind voor de tegenargumenten. Moraliteit verbindt en verblindt.' En dat geldt niet alleen voor politiek, maar bijvoorbeeld ook voor religie, aldus Haidt: 'Religie gaat over belonging, niet over believing' - religie gaat over ergens bijhoren, niet over iets geloven.
Dat verlangen om tot een groep te behoren is evolutionair sterk in ons verankerd. 'In het stenen tijdperk was dat een kwestie van leven of dood', vertelde de Deense onderzoeker Michael Bang Petersen me onlangs.
'Voor onze voorouders was het erg belangrijk dat ze duidelijk maakten tot welke groep ze behoorden. Je had die groep nodig om te overleven, om je te beschermen. De mens is een politiek dier dat coalities vormt. Ook vandaag nog. Die coalities kunnen verschillende vormen aannemen: je ras, je voetbalploeg, je religie of je politieke partij. Maar het biologische mechanisme is telkens hetzelfde.'
Aan dat inzicht hield Bang Petersen een rare afwijking over, bekende hij me nog: 'Omdat ik de evolutionaire achtergrond van opinievorming bestudeer, vind ik het steeds lastiger om moreel verontwaardigd te zijn. I lose my views, ik raak mijn opinies kwijt.'
Zou het? Is Bang Petersen werkelijk zo onthecht? Ik fronste mijn wenkbrauwen toen hij dat beweerde. Evolutionaire psychologen zijn namelijk zélf hopeloos verdeeld in twee rivaliserende kampen. Bang Petersen behoort, samen met bioloog Richard Dawkins en psycholoog Steven Pinker, tot het kamp dat niet gelooft in zogenaamde groepsselectie: zij denken dat natuurlijke selectie alleen werkt op het niveau van genen en individuen.
Maar een groeiende groep even vooraanstaande biologen denkt daar helemaal anders over: David Sloan Wilson en Edward Osborne Wilson, bijvoorbeeld, die overigens geen familie zijn van elkaar. Dat meningsverschil is een ongelofelijk complexe discussie die alleen met wetenschappelijke argumenten kan worden beslecht. In de praktijk is het een verbeten en emotioneel gevecht, waarbij bitse verwijten heen en weer vliegen. Richard Dawkins snauwt graag dat zijn collega's er niets van snappen, een van de Wilsons noemt Dawkins graag 'een journalist, geen wetenschapper' - wat qua belediging voor de Britse bioloog wel kan tellen.
Bang Petersen lacht als ik hem dat biologisch gebekvecht voor de voeten werp. 'Ja, dat zijn inderdaad twee verschillende stammen', lacht hij. 'En ik vind dat de leden van de andere stam ontzettende dommeriken zijn. Maar ernstig: wetenschappers zijn ook maar mensen. Wij worden gedreven door dezelfde emotionele fenomenen die overal aan het werk zijn: jaloezie, statuscompetitie, coalitievorming... Alleen beschikt de wetenschap over methodes en instellingen die leiden tot zorgvuldige waarheidsvinding. Uiteindelijk zal ook dit wetenschappelijke debat beslecht worden op een correcte manier.'
Het einde van de wereld
Helaas zijn exacte wetenschappen het enige domein met een onpersoonlijke, nuchtere en efficiënte procedure om uit te maken wie gelijk heeft. Finaal hebben de feiten altijd het laatste woord: wetenschappers moeten hun ideeën toetsen aan de werkelijkheid, via waarneming of experiment. De theorie volgt de feiten. En dat is niet wat er in de rest van de samenleving altijd gebeurt. Vaak doen we net het omgekeerde, zoals de Amerikaanse psycholoog Leon Festinger op 21 december 1954 verbijsterd vaststelde.Ik vind het een van de vermakelijkste verhalen uit de geschiedenis van de psychologie: de stunt die Festinger uithaalde met een sekte in Chicago die zich The Seekers noemde. Festinger en zijn medewerkers hadden het groepje, dat werd geleid door ene Dorothy Martin, geïnfiltreerd met het oog op die fameuze 21e december in 1954. Op die dag zou de wereld vergaan, zo had de sekteleidster vernomen van de buitenaardse wezens met wie zij een bevoorrecht contact onderhield. The Seekers zouden vlak voor die apocalyps evenwel worden geëvacueerd met vliegende schotels - sommigen onder hen hadden de ritssluiting veiligheidshalve uit hun broek gesneden, omdat ze vreesden dat het metaal de apparatuur aan boord van die ruimtetuigen zou ontregelen. Enfin, men was tot in de puntjes voorbereid. En Festinger en zijn team volgden alles op de voet.
Zoals wij ondertussen weten, ging 21 december 1954 voorbij zonder noemenswaardige apocalyps. Er waren van tevoren ook geen vliegende schotels geland om The Seekers te helpen ontsnappen naar een andere planeet. Toen duidelijk werd dat het einde van de wereld voor een andere keer zou zijn, maakte de sekteleidster haar volgelingen, onder wie vijf onderzoekers van Festinger, wijs dat het opperwezen de ramp had uitgesteld omdat zij met z'n allen zo gelovig waren geweest.
In Sociale Psychologie schrijft Alain Van Hiel over deze beroemde ontknoping: 'Hoe zouden de volgelingen reageren? Zouden ze mevrouw Martin ontmaskeren als een leugenaar, intrigant, komediant of hysterisch persoon? Nee, hoor. De volgelingen, die zich eigenlijk oneindig belachelijk hadden gemaakt, reageerden met opluchting en enthousiasme. In plaats van mevrouw Martin te vertellen waar het op stond, liepen ze vreugdevol de straat op, vervuld van het heilig vuur en met een ongebreidelde bekeringsijver. De moraal van dit verhaal is onthutsend. Mensen blijken in hun ijver om hun overtuigingen consistent te houden, bereid te zijn zich irrationeel te gedragen, ook wanneer de feitelijke basis voor deze overtuigingen verdwenen is.'
Mensen zijn in staat om de gekste dingen te geloven en daar dan geweldig aan gehecht te raken - desnoods vervormen ze de feiten om hun opinies te laten kloppen. Zoals The Seekers deden, dus. Festinger vond voor dat verschijnsel de term cognitieve dissonantie uit: als feit en mening niet meer samengaan, forceren we dat soms een beetje. Jonathan Haidt vergelijkt overtuigingen met kinderen: we spelen ze niet graag kwijt, het liefst zouden we hen altijd bij ons houden. En dat geldt voor ons allemaal - van links tot rechts, van religieus tot liberaal.
Haidt kreeg gaandeweg trouwens steeds meer begrip voor die kronkels in onze geest, voor dat wat onbeholpen gestommel van die olifant met die berijder op zijn rug. Zo schrijft hij dat hij vroeger, zoals de meesten van zijn collega's, dacht dat conservatieve mensen een beetje gek waren. Maar van dat idee is hij bevrijd. We hebben, weet hij ondertussen, allemaal de neiging om enorm veel belang te hechten aan ogenschijnlijk triviale dingen. Wij zijn allemaal geboren moralisten.
Maar we zijn dat over andere kwesties, omdat we lid zijn van verschillende morele clubjes. De ene hecht het meeste belang aan vrijheid, de andere wil te allen prijze tradities in stand houden. Haidt vergelijkt onze morele antennes met smaakpapillen: we proeven dezelfde werkelijkheid maar onze smaken verschillen van elkaar. Vandaar de soms onoplosbare, oeverloze meningsverschillen. En zelfs met identieke morele gevoeligheid komen we er vaak niet uit. Denk aan het recente debat over de boerkini. Zowel de argumenten voor als de argumenten tegen een verbod rusten op dezelfde morele prioriteit: vrijheid.
De vraag die overblijft, luidt: hoe veranderen we dan wel van mening? En hoe kunnen we iemand met een andere mening overtuigen van de onze? Volgens Haidt is dat simpel: 'Praat niet met de berijder, praat met de olifant.' Hij verwijst naar de legendarische Amerikaanse marketeer Dale Carnegie, die in 1936 het boek Hoe je vrienden maakt en mensen beïnvloedt publiceerde.
'Carnegie was een van de grootste olifantenfluisteraars aller tijden', schrijft Haidt. 'Hij drong er herhaaldelijk op aan om directe confrontaties te vermijden, om vriendelijk te beginnen, om te glimlachen, om goed te luisteren en om nooit tegen mensen te zeggen dat ze het mis hebben. Als je iemand wilt overtuigen, moet je warmte en openheid creëren alvorens je eigen opinie te verdedigen.'
Hugo Mercier weet hoe we onze eigen meningen kunnen bijsturen indien nodig. 'In je eentje zul je niet snel van mening veranderen', zegt hij. 'Het komt er dus op aan met andere mensen te praten. Niet op Twitter, en niet in een debat, want dan wil je alleen je eigen punt maken. Maar aan een tafel, waar verschillende meningen vertegenwoordigd zijn. Het punt is dat je de fouten in je eigen redenering niet ziet, maar in die van iemand anders wel. Daarom heb je anderen nodig om je eigen mening bij te sturen. Er zijn al heel wat experimenten gebeurd met deliberatieve democratie, die erg veelbelovend zijn.'
Ik noteer: hier zit stof in voor nog een heleboel andere verhalen.
Niet-roker zonder vermogen
Tot slot klop ik nog eens bij Alain Van Hiel aan met die merkwaardige bocht die ik de voorbije tien jaar heb gemaakt in mijn houding tegenover het rookverbod, de bocht die mij inspireerde om met deze serie te beginnen.Op het eerste gezicht is het een logische bocht: tien jaar geleden rookte ik zestig sigaretten per dag en was ik heftig gekant tegen elk verbod, ondertussen rook ik al tien jaar niet meer en ben ik voor een zo ruim mogelijk verbod. Is dat niet erg flauw en egoïstisch van mij? Heeft mijn gedrag mijn mening veranderd, zonder dat ik daar objectieve argumenten voor heb? Want die heb ik niet - het is te zeggen: ik ken geen nieuwe argumenten voor of tegen het rookverbod in vergelijking met tien jaar geleden.
Van Hiel glimlacht geamuseerd. 'Uw ervaring is niet zo verbazend. Onze attitudes hebben een invloed op ons gedrag, maar het omgekeerde is ook waar. Je kijkt altijd van je eigen perspectief naar de dingen, en dat perspectief kan veranderen. Volgens mij kun je dat zelfs toepassen op politieke overtuigingen.'
Van Hiel geeft een voorbeeld. 'Neem nu de kiezers die vroeger voor het Vlaams Belang stemden en ondertussen zijn verhuisd naar de N-VA. Die mensen stemmen vandaag dus voor een partij die gematigder standpunten heeft over migratie en integratie dan hun vroegere partij. Welnu, ik kan mij voorstellen dat ze onder invloed van dat nieuwe stemgedrag hun opinies en vooroordelen over die thema's enigszins hebben aangepast. Ook als ze niet om die reden van partij zijn veranderd, lijkt de kans mij groot dat zij vandaag minder negatief staan tegenover multicultureel samenleven dan vroeger, louter als gevolg van hun gewijzigde stemgedrag. Mij lijkt dat in elk geval een boeiende hypothese, die ik graag eens zou testen. Om de vergelijking door te trekken: die kiezers zijn als het ware gestopt met roken, en dat heeft hun mening over een aantal thema's beïnvloed.'
Maar hoever kan dat gaan? Vandaag ben ik voor een vermogenswinstbelasting, wat een niet zo dappere mening is, aangezien ik niet over een vermogen beschik. Als ik morgen, om welke reden dan ook, ineens vermogend word, zou ik dan een tegenstander zijn van zo'n belasting?
'Niet van de ene dag op de andere, natuurlijk', antwoordt Van Hiel. 'Maar ik kan mij voorstellen dat uw mening zou evolueren. In een eerste fase zou u misschien wat onverschilliger worden over het onderwerp, om gaandeweg lichtjes van mening te veranderen. Dat hoeft niet het geval te zijn, maar u mag het zeker niet uitsluiten. Het is niet altijd eenvoudig om afscheid te nemen van je meningen, maar dat dezelfde persoon in de loop van zijn leven eerst voor en daarna tegen iets kan zijn, spreekt vanzelf.'
http://www.knack.be/nieuws/wetenschap/hoe-kunnen-we-iemand-met-een-andere-mening-overtuigen-van-de-onze/article-longread-617885.html
"We hebben niet alleen last van zo'n confirmation bias of bevestigingsvertekening. In zijn boek somt Kahneman een hele resem denkfouten op waaraan we voortdurend ten prooi vallen."
Eén van die denkfouten is het u ongetwijfeld bekende "argumentum ad verecundiam".
Het beroep doen op een autoriteit.
U kent dat wel, op zoek gaan naar geleerde mensen die denken wat jij denkt.
Nu is er wel iets vreemds aan de hand met dat argument.
Soms is het namelijk een argument en soms een drogreden.
Laten we als voorbeeld het vrij neutrale "Stelling X is juist" nemen.
Dan stelt zich de vraag, "Waarom is stelling X juist?".
Men zou daar op kunnen antwoorden: "Omdat autoriteit Y zegt dat het juist is".
Dat antwoord kan een argument zijn of een drogreden.
Wat is het verschil?
Als autoriteit Y het bij het rechte eind heeft is het een argument.
Als autoriteit Y er volledig naast zit is het een drogreden.
In het eerste geval is er evenwel een klein probleem.
"Autoriteit Y zegt dat het juist is omdat stelling X juist is."
Immers: "Finaal hebben de feiten altijd het laatste woord."
Mij lijkt dat een kringredenering.
Effe het boek van "een hele resem denkfouten" Kahneman lezen voor meer informatie.
Of Joël bellen.
Maar die is nogal autoritair. Zegt men.
zaterdag 10 oktober 2015
Lucretius
AAAAAAAHHHHHHH!!!!!!!
WHAT THE FUCK!
Een einde "is" toch ook maar een einde en niets meer dan dat.
Vandaag zat ik in de bib en had ik de bijna onweerstaanbare drang om een bladzijde uit OF/OF van Kierkegaard te scheuren.
Uiteindelijk heb ik het gewoon even opgeschreven.
Om maar te zeggen, de dingen die ik graag lees vind ik bij zeer weinige auteurs terug.
Over het algemeen moet ik het stellen met literatuur die me tegen de haren instrijkt.
Johan Braeckman bijvoorbeeld.
Over de bugs in ons denken - Johan Braeckman
Reeds in de zeventiende eeuw ontcijferden Galilei, Kepler, Newton en
andere natuurkundigen hoe ons zonnestelsel in elkaar steekt, hoe de
hemellichamen bewegen en hoe een regenboog ontstaat.
In de negentiende eeuw kregen geologen zoals Charles Lyell vat op wat men de diepe tijd noemt: de miljarden jaren die reeds zijn vervlogen en die ons intuïtieve voorstellingsvermogen te boven gaan. Charles Darwin en andere biologen legden de mechanismen bloot die de ontwikkeling van soorten en van de wonderlijke eigenschappen van organismen bepalen.
In de eerste decennia van de twintigste eeuw ontwikkelde men de kwantumtheorie en de relativiteitstheorie, gevolgd door kosmologische inzichten die ons een steeds betrouwbaarder beeld bezorgen van de meest fundamentele eigenschappen en zelfs van het ontstaan van het universum.
Dankzij deze en vele andere wetenschappelijke verwezenlijkingen, beseffen we van de weeromstuit hoe radicaal fout onze opvattingen kunnen zijn. Ook de wetenschap zelf zit er soms volkomen naast. De wetenschapsgeschiedenis kent talloze voorbeelden van doodlopende onderzoeksporen, valse waarnemingen, foute interpretaties, gesneuvelde hypothesen en theorieën die al te lang stand hielden, maar wetenschap doet tenminste aan zelfcorrectie.
Als wiskundige inzichten en wetenschappelijke methodes ons denken niet bijstaan, loopt het zo goed als onvermijdelijk fout. Stel dat iemand nooit leerde hoe groot de aarde is, of wat de snelheid van het licht is, of hoe de mens is ontstaan. Er is nagenoeg geen enkele kans dat de opvattingen die men daarover spontaan ontwikkelt op het juiste spoor terecht komen. Integendeel, onze intuïtieve opvattingen hierover gaan spontaan richting mythologie en pseudowetenschappen.
In de negentiende eeuw kregen geologen zoals Charles Lyell vat op wat men de diepe tijd noemt: de miljarden jaren die reeds zijn vervlogen en die ons intuïtieve voorstellingsvermogen te boven gaan. Charles Darwin en andere biologen legden de mechanismen bloot die de ontwikkeling van soorten en van de wonderlijke eigenschappen van organismen bepalen.
In de eerste decennia van de twintigste eeuw ontwikkelde men de kwantumtheorie en de relativiteitstheorie, gevolgd door kosmologische inzichten die ons een steeds betrouwbaarder beeld bezorgen van de meest fundamentele eigenschappen en zelfs van het ontstaan van het universum.
Dankzij deze en vele andere wetenschappelijke verwezenlijkingen, beseffen we van de weeromstuit hoe radicaal fout onze opvattingen kunnen zijn. Ook de wetenschap zelf zit er soms volkomen naast. De wetenschapsgeschiedenis kent talloze voorbeelden van doodlopende onderzoeksporen, valse waarnemingen, foute interpretaties, gesneuvelde hypothesen en theorieën die al te lang stand hielden, maar wetenschap doet tenminste aan zelfcorrectie.
Als wiskundige inzichten en wetenschappelijke methodes ons denken niet bijstaan, loopt het zo goed als onvermijdelijk fout. Stel dat iemand nooit leerde hoe groot de aarde is, of wat de snelheid van het licht is, of hoe de mens is ontstaan. Er is nagenoeg geen enkele kans dat de opvattingen die men daarover spontaan ontwikkelt op het juiste spoor terecht komen. Integendeel, onze intuïtieve opvattingen hierover gaan spontaan richting mythologie en pseudowetenschappen.
Onzinnige opvattingen
Natuurlijk begrepen meerdere scherpzinnige denkers al lang geleden
dat ons denken verre van betrouwbaar is. De Romeinse filosoof Lucretius
hekelde reeds in de eerste eeuw voor Christus in zijn geweldige De Rerum Natura (Over de natuur der dingen) het vaak volkomen absurde bijgeloof van zijn tijdsgenoten.
De zeventiende-eeuwse Nederlandse theoloog Balthasar Bekker gaf in zijn boek De Betoverde Weereld aan dat spoken, duivels en heksen niet bestaan, wat toentertijd geheel tegen de tijdsgeest inging. In de negentiende eeuw besprak de Schotse auteur Charles Mackay een hele reeks voorbeelden van onzinnige opvattingen in zijn nog steeds bijzonder leesbare boek Extraordinary Popular Delusions and the Madness of Crowds, gaande van de kruistochten tot economische hypes die fataal aflopen en van alchemistische pogingen om oud ijzer in goud te veranderen tot de zogenaamde voorspellingen van Nostradamus.
Maar geen van deze auteurs kon uitleggen hoe het kan dat de mens, die zichzelf graag als een redelijk wezen omschrijft, zich zo makkelijk laat overtuigen van volstrekt onhoudbare opvattingen. Zelf wanneer een opvatting radicaal fout blijkt, blijft ze toch aanhangers hebben. Sterker nog, soms stijgt het aantal mensen dat er geloof aan hecht.
De psycholoog Leon Festinger beschrijft dat op onvergetelijke wijze in zijn boek When Prophecy Fails, uit 1956. Festinger en zijn medewerkers bestudeerden een groep die zichzelf ervan had overtuigd dat de wereld zou vergaan, meer bepaald op 21 december 1954. Toen die datum aanbrak en de wereld niet verging, kreeg de leidster van de groep een boodschap van de buitenaardse wezens waarmee ze reeds een tijdje contact had: God had beslist om de aarde nog een kans te geven. Dit zorgde ervoor dat meerdere groepsleden de totale mislukking van de voorspelling konden duiden en rationaliseren, wat hun geloof erin redde en zelfs versterkte.
De zeventiende-eeuwse Nederlandse theoloog Balthasar Bekker gaf in zijn boek De Betoverde Weereld aan dat spoken, duivels en heksen niet bestaan, wat toentertijd geheel tegen de tijdsgeest inging. In de negentiende eeuw besprak de Schotse auteur Charles Mackay een hele reeks voorbeelden van onzinnige opvattingen in zijn nog steeds bijzonder leesbare boek Extraordinary Popular Delusions and the Madness of Crowds, gaande van de kruistochten tot economische hypes die fataal aflopen en van alchemistische pogingen om oud ijzer in goud te veranderen tot de zogenaamde voorspellingen van Nostradamus.
Maar geen van deze auteurs kon uitleggen hoe het kan dat de mens, die zichzelf graag als een redelijk wezen omschrijft, zich zo makkelijk laat overtuigen van volstrekt onhoudbare opvattingen. Zelf wanneer een opvatting radicaal fout blijkt, blijft ze toch aanhangers hebben. Sterker nog, soms stijgt het aantal mensen dat er geloof aan hecht.
De psycholoog Leon Festinger beschrijft dat op onvergetelijke wijze in zijn boek When Prophecy Fails, uit 1956. Festinger en zijn medewerkers bestudeerden een groep die zichzelf ervan had overtuigd dat de wereld zou vergaan, meer bepaald op 21 december 1954. Toen die datum aanbrak en de wereld niet verging, kreeg de leidster van de groep een boodschap van de buitenaardse wezens waarmee ze reeds een tijdje contact had: God had beslist om de aarde nog een kans te geven. Dit zorgde ervoor dat meerdere groepsleden de totale mislukking van de voorspelling konden duiden en rationaliseren, wat hun geloof erin redde en zelfs versterkte.
Weerstand bieden aan cognitieve illusies
Festinger is een van de pioniers van de psychologen en cognitieve
wetenschappers die ontrafelen hoe ons denkvermogen functioneert, niet
alleen wanneer het tot betrouwbare opvattingen komt, maar ook wanneer
het volkomen de mist ingaat. Vele tientallen cognitieve illusies zijn
ondertussen blootgelegd, gaande van het gebruik van drogredenen tot
allerlei vooroordelen en onbetrouwbare intuïties die zich met grote
stelligheid opdringen aan ons bewustzijn.
Een klassieker in het genre is de confirmation bias of het bevestigingsvooroordeel, onze neiging om te onthouden wat aansluit bij de opvattingen die we reeds hebben en om datgene wat er niet mee strookt te ontkennen of te minimaliseren. Vrijwel niemand gaat spontaan op zoek naar informatie die de eigen opvattingen onderuit zou halen. Het internet is een zegen voor het bevestigingsvooroordeel: om het even waarin men gelooft, elke zoektocht levert ondersteunende anekdotes op. Zodra we aanvoelen dat een website informatie bevat die tegen onze opvatting ingaat, klikken we weg.
Waarom zouden we het onszelf lastig maken door datgene te lezen wat we onaangenaam vinden? Een paar klikken verder vinden we zo goed als zeker iets wat aansluit bij onze mening, wat een veel prettiger gevoel oplevert. Het is buitengewoon lastig, maar noodzakelijk voor wie kritisch en helder wil denken: lees en bestudeer ook datgene wat je tegen de haren instrijkt.
Bij deze alvast een bug in ons denken: "foute interpretaties".
Van zodra een interpretatie juist of fout zou zijn, zou het per definitie ook geen interpretatie (een persoonlijk oordeel) meer zijn maar een waarheid of een leugen. Een wetenschap of een pseudo-wetenschap, een feit of een fictie.
Meer literatuur:
http://gjerutten.blogspot.be/2015/09/object-zijn-en-bestaan-vier-mogelijke.html
Een klassieker in het genre is de confirmation bias of het bevestigingsvooroordeel, onze neiging om te onthouden wat aansluit bij de opvattingen die we reeds hebben en om datgene wat er niet mee strookt te ontkennen of te minimaliseren. Vrijwel niemand gaat spontaan op zoek naar informatie die de eigen opvattingen onderuit zou halen. Het internet is een zegen voor het bevestigingsvooroordeel: om het even waarin men gelooft, elke zoektocht levert ondersteunende anekdotes op. Zodra we aanvoelen dat een website informatie bevat die tegen onze opvatting ingaat, klikken we weg.
Waarom zouden we het onszelf lastig maken door datgene te lezen wat we onaangenaam vinden? Een paar klikken verder vinden we zo goed als zeker iets wat aansluit bij onze mening, wat een veel prettiger gevoel oplevert. Het is buitengewoon lastig, maar noodzakelijk voor wie kritisch en helder wil denken: lees en bestudeer ook datgene wat je tegen de haren instrijkt.
Bij deze alvast een bug in ons denken: "foute interpretaties".
Van zodra een interpretatie juist of fout zou zijn, zou het per definitie ook geen interpretatie (een persoonlijk oordeel) meer zijn maar een waarheid of een leugen. Een wetenschap of een pseudo-wetenschap, een feit of een fictie.
Meer literatuur:
http://gjerutten.blogspot.be/2015/09/object-zijn-en-bestaan-vier-mogelijke.html
zaterdag 4 juli 2015
zondag 7 juni 2015
Egon Friedell
Ik weet niet hoe het komt, maar als ik iets lees of iets bekijk heb ik de indruk een andere focus te hebben dan de meeste mensen.
Afgelopen week was het weer van dattum.
In de "koppen" uitzending werd een experiment van Jane Elliot overgedaan.
Het leidde tot een verdeelde klas.
http://www.een.be/programmas/koppen/de-verdeelde-klas
Vele reacties, vele invalshoeken.
Zelf werd ik echter afgeleid door de kledij van de betrokkene.
Het is uiteraard volstrekt naast de kwestie om te beginnen uitweiden over een kledingstuk.
Het "naast de kwestie" heeft echter als voordeel dat niemand er dieper op hoeft in te gaan, niemand hoeft de moeite te doen om me tegen te spreken.
Lieber Leser, wenn schon ich mir so oft widerspreche, dann ist es wirklich gänzlich überflüssig, daß auch du mir noch widersprichst
Egon Friedell
Mijn aandacht werd getrokken door het T-shirt van Jane Elliot.
"Prejudice is an emotional commitment to ignorance" prijkte er op haar borst.
Het vooroordeel.
Het "vooroordeel" is een mening die niet op feiten is gebaseerd.
Het "vooroordeel" is een oordeel dat niet op feiten is gebaseerd.
Het antoniem van "vooroordeel" is "kennis"
"Kennis" is een oordeel dat op feiten is gebaseerd.
(even tussen haakjes: als het vooroordeel - in casu "bruinogigen zijn de mindere - door de leraar aan de leerling wordt overgemaakt, waar moet de leerling dan de kennis vandaan halen?)
Het oordeel, de mening is hetzij een vooroordeel hetzij een kennis.
Dan blijft de vraag of deze stelling een vooroordeel dan wel een kennis betreft.
Daar zit je vast. Er is geen uitweg
Tenzij je de volgende vraag beantwoordt: blijft de vraag?
"Prejudice is an emotional commitment to ignorance"
Sjonge Sjonge.
Es gibt Menschen, die selbst für Vorurteile zu dumm sind.
Egon Friedell
Lijkt mij van toepassing op Jane Elliot.
Daar hoeft ze niet verontwaardigd over te zijn, het is immers niets meer dan een vooroordeel.
Nog een grotere troost: ik ben zelfs te dom voor kennis.
Sommige mensen houden van sudoku of kruiswoordraadsels als ze op de wc zitten.
Ik hou er van om tijdens die ijdele momenten omgekeerde zinnen te fabriceren.
"Knowledge is a rational commitment to awareness".
Lijkt me prima om op de billen van Jane Elliot te kleven.
Een kringredenering, wat langs achter naar binnen gaat komt er langs voor weer uit.
In lichtjes gewijzigde vorm weliswaar.
Het aforisme, het is een vak apart.
Velen voelen zich geroepen, weinigen zijn uitverkoren.
Nathan Rutstein al zeker niet.
Alle gute Philosophie ist im tiefsten Sinne Parodie, Selbstparodie.
Egon Friedell
Wir können nie von etwas anderem reden,
etwas anderes erkennen als uns selbst.
Egon Friedell
Das, was war, wirkt auf uns allemal tiefer als das, was ist.
Egon Friedell
Es gibt nun einmal keine ewigen Werte:
ewig ist die Sehnsucht nach ihnen.
Egon Friedell
Das schlimmste Vorurteil, das wir aus unserer Jugendzeit mitnehmen, ist die Idee vom Ernst des Lebens. Die Kinder haben den ganz richtigen Instinkt: sie wissen, dass das Leben nicht ernst ist, und behandeln es als Spiel
Egon Friedell
woensdag 20 mei 2015
Stefaan Blancke
Trends in Plant Science, Blancke et al.: "Fatal attraction: the intuitive appeal of GMO opposition"
Een team van Belgische filosofen en biotechnologen publiceerden een artikel dat moet verklaren waarom er onterecht weerstand wordt geboden aan de genetisch gemodificeerde organismen.
‘We zijn allemaal vanzelf tegen ggo’s’
Wetenschappers kennen het gevoel: wat moet ik nog meer doen? Nu heb
ik het met handen en voeten uitgelegd, met cijfers bewezen, nog eens
uitgelegd, en nóg blijven die activisten stormlopen tegen ggo’s. En
zelfs mensen die niet wakker liggen van groene thema’s zeggen me aan het
eind van mijn verhaal: ‘Tja, ik weet niet, voor mij toch liever niet.’
Zijn die nu echt allemaal van kwade wil?
‘Nee, het zijn gewoon mensen’, schrijft een groep filosofen en biotechnologen van de Universiteit Gent, onder leiding van Johan Braeckman, in Trends in Plant Science. ‘Mensen zijn zo bedraad. Dat ggo’s “fout” zijn, klopt met automatische reflexen en ingebakken intuïties. Het is niet evident om daartegen in te gaan, want die kregen we mee vanuit onze evolutie. Omdat ze nuttig zijn.’
Zo spring je automatisch weg als je plots iets langs en duns tussen het gras ziet. Meestal is dat een stok of de tuinslang, maar het hoeft slechts één keer een echte slang te zijn. Zo’n automatische reactie heeft overlevingswaarde. Voor een hele reeks situaties in het leven hebben we snelle reacties ontwikkeld, die er af en toe naast zitten maar vaak genoeg nuttig zijn.
God spelen
Braeckman: ‘Zo is er het “essentialisme”: alle dingen hebben een onveranderlijke essentie die hun hele wezen doordringt. Niemand is bereid om een jasje te dragen dat van Dutroux geweest is, ook al is het netjes gewassen en gestreken. De Dutroux-heid krijg je er nooit meer uit. Als je DNA van een vis in een tomaat stopt, vindt niemand het gek dat die tomaat voortaan naar vis smaakt, maar ga je heel wat uit te leggen hebben om mensen te overtuigen dat ze nu beter tegen de kou kan. Als gentechnologie de vermenging van twee essenties is, dan kan ze alleen maar afstotelijk zijn.’
Nog zo’n voorgevormd idee is ‘teleologie’: alles heeft een doel. Zelfs mensen die afstand genomen hebben van godsdienst en de bijbehorende schepper, blijven vaak vinden dat ‘er toch iets moet zijn’, dat het leven meer moet zijn dan geboren worden en sterven. We vinden het vanzelfsprekend dat er orde is in de natuur, dat er oorzaak en gevolg is, dat niets ‘zomaar’ gebeurt, dat alles verklaarbaar is. Met die orde knoei je niet, de grenzen tussen soorten overschrijd je niet. Dat is ‘God spelen’ en ‘hybris’ – de Griekse toneelschrijvers wisten al dat zoiets slecht afloopt. Gentechnologie gaat tegen ons gevoel voor de gegeven orde in, en is dus ‘tegennatuurlijk’. Foei!
Dat verlangen naar een ordelijke, statische natuur maakt bijvoorbeeld ook dat we creationisme en het scheppingsverhaal vlotter slikken dan de evolutieleer, die zegt ‘dat het allemaal blind toeval is, en niets meer’. Galileï wist het al: wetenschap is vechten tegen de tirannie van het gezond verstand.
Biotechnoloog Frank Van Breusegem: ‘Dan is er nog ons “Frankenstein-complex”, de diepe angst dat scheppingen aan onze controle ontsnappen en zich tegen ons zullen keren. Dat uit zich in angst voor computers, voor robots, voor technologie in het algemeen. Toen een journalist de term “Frankenfood” bedacht, ging die als een lopend vuurtje de wereld rond, surfend op de al klaarzittende angst.’
Wc-borstel
Een reflex met evidente overlevingswaarde is walging: hij beschermt ons tegen bedorven en giftig voedsel. Dat weegt ruim op tegen dat ene glas sinaasappelsap dat we weigeren omdat er een proper gesteriliseerde kakkerlak in drijft, of soep die geroerd is met een nog nooit gebruikte wc-borstel, of een drol van lekkere choco en in Grand Marnier geweekte peperkoek. En wat is er walgelijker dan die vissige tomaat van daarnet? Walg beïnvloedt bovendien ons morele oordeel. De multinational en de wetenschapper die zo’n tomaat produceren zijn ook walgelijk, zeker als die stoute multinational ook nog eens arme boeren uitperst. Dat Apple en Nespresso ook zwaar doorwegen in hun markten, valt ons veel minder op.
‘Al die voorbedrade reacties maken het ons gemakkelijk om ggo’s maar niets te vinden’, zegt filosoof Stefaan Blancke. ‘De met cijfers onderbouwde studies van wetenschappers geloven, kost ons veel meer moeite. We zeggen dan nog liever dat we niets tegen ggo’s hebben, maar wel tegen monopolisten, dan onze instinctieve afkeer los te moeten laten.’
‘Uit onderzoek blijkt wel dat mensen hun intuïtieve weerstand opzij kunnen zetten als ze maar voldoende voordelen ervaren – we blijven onze gsm gebruiken, ondanks voorbedrade angst voor onzichtbare straling – maar de ggo’s met voordelen hebben het lab nog niet (mogen) verlaten.’
Is dat ervaren voordeel ook de reden dat we huiveren voor ggo-voedsel, terwijl het ons helemaal niet kan schelen dat het merendeel van onze geneesmiddelen evengoed ggo zijn? Braeckman: ‘Inderdaad, maar er speelt meer. In de geneeskunde is het eindproduct een pil, een levenloos ding dat niet appelleert aan onze intuïtieve ideeën over de levende natuur.’ Het zijn de biologen die pech hebben.
http://www.standaard.be/cnt/dmf20150512_01678997?shareid=eff1665ffc16d0e334b2be7d99d5bb504f66f45e67c7f8495b3ad7d1e9deae183704ac4893c6bfea3e09c5e663f171d1
The Holy Grail: "tigers are not dangerous" is a non-intuitive quote.
Het essentialisme fascineert me mateloos!
Op eenvoudig verzoek werd mij het artikel heel vriendelijk overgemaakt. Waarvoor dank.
Ik beperk me hier tot de essentie:
The intuitive appeal of anti-GMO representations
Folk biology
The human mind intuitively understands how the biological
world functions. One constituent of this folk biology is
psychological essentialism [25] that amounts to the belief
that organisms hold an unobservable, immutable core
determining their identity and, thus, their development
and behavior. Psychological essentialism makes sense
evolutionarily because it allows individuals to categorize
automatically the biological world. As such, valuable information
becomes immediately available, enabling apt
responses to living entities in the environment. For instance,
when one is confronted with a tiger, the immediate
realization that one is coping with a specimen of the
category ‘tiger’ and, thus, that with its mighty claws and
sharp fangs it might catch and eat its prey, is a more
adaptive reaction than to reassess each and every encountered
stripy feline [26]. Nevertheless, despite the obvious
adaptive rationality of this cognitive predisposition,
psychological essentialism regularly interferes with a scientifically
informed biological understanding [27]. Notoriously,
it impedes people’s understanding of basic aspects of
evolutionary theory and, moreover, it also affects people’s
comprehension of GMOs, primarily because they interpret
DNA as the essence of organisms [28]. In a US survey, more
than half of the respondents did not reject the idea that
tomatoes of the which the genome had been modified by
insertion of catfish DNA would taste like fish [29]. Apparently,
people assumed that the fish’s essence had been
introduced into these tomatoes, including a fishy taste.
That people systematically prefer cisgenic over transgenic
organisms provides another indication of an essentialist
bias [3]. In their campaigns, opponents of GMOs explicitly
appeal to these essentialist intuitions by distributing edited
images of tomatoes with fish tails or by claiming that
biotech companies insert scorpion DNA elements into corn
(Zea mays) to produce crispy cornflakes. The notion that
growing GM crops with herbicide tolerance will promote
so-called superweeds falls back to the same misconception
that a weed can be characterized by a single gene. On the
contrary, typical weed characteristics such as withstanding
harsh environments, competing for light, water, and
minerals, and fast reproduction are the result of the interplay
of numerous genes.
Vakwerk.
Dat zeg ik alweer zonder enige zweem van ironie.
Al blijft er altijd één vraag mijn verstand (of is het mijn intuïtie?) kwellen.
Essentialism is the view that, for any specific entity (such as an animal, a group of people, a physical object, a concept), there is a set of attributes which are necessary to its identity and function.
Cartwright, R. L. (1968). "Some remarks on essentialism". The Journal of Philosophy 65 (20): 615–626.
(of ook gewoon wikipedia)
Nu is "essentialisme" zelf uiteraard ook een concept.
De kwellende vraag is dus of de auteurs van mening zijn dat de definitie die ze opgeven noodzakelijk is voor een juist begrip van het begrip "essentialisme".
In dat "particuliere" geval zijn het zelfverklaarde essentialisten.
Maar dat neemt niet weg dat, zoals gezegd, de tekst vakwerk is.
Als eerbetoon aan de auteurs wil ik hier dieper ingaan op de "waarom" vraag.
Net zoals de auteurs uitgaan van een feit (GMOs are not dangerous) en zich dan een "waarom" vraag stellen (waarom is er nog weerstand tegen de GMOs ?) wil ik ook vertrekken van een feit (de tekst is vakwerk) om dan een waarom vraag te stellen (waarom is het vakwerk?).
Het is een kneuterige lezer die opmerkt dat de analogie een beetje mank loopt.
De tekst is vakwerk omdat de auteurs er in slagen om de dualiteit te overstijgen.
Aan het ene eind van het spectrum heeft men het "intuïtieve" en aan het andere eind het "rationele".
Maar die dualiteit wordt dus een eenheid.
"De tijger is gevaarlijk" is een intuïtieve uitspraak.
"De tijger is gevaarlijk" is op hetzelfde moment echter ook een rationele uitspraak.
Vakwerk.
Een kunstwerk.
Wetenschap is kunst.
Zo zag ik onlangs in La Roche een sculptuur (de naam van de kunstenaar ben ik jammer genoeg vergeten) met de naam La paix.
Ik kan natuurlijk compleet verkeerd zijn, maar voor mij stelde het kunstwerk een papieren vlieger in blauwe hardsteen voor.
Een papieren vlieger die niet kan vliegen.
Ik vond het wel iets hebben.
Een moment dat de dualiteit opgaat in een eenheid.
Terug naar de tekst.
Voorwaar, het is een kneuterige lezer die zich de vraag stelt wat voor een uitspraak "de tijger is ongevaarlijk" dan wel mag wezen.
In de wetenschap dat "de tijger is gevaarlijk" een rationele uitspraak is, kan het tegenovergestelde, "de tijger is ongevaarlijk", onmogelijk een rationele uitspraak zijn.
In dat geval zouden we het heilige pad van de logica verlaten.
Maar in de wetenschap dat "de tijger is gevaarlijk" een intuïtieve uitspraak is, het zijn de auteurs die claimen dat het een intuïtieve uitspraak is, kan het tegenovergestelde, "de tijger is ongevaarlijk", onmogelijk een intuïtieve uitspraak zijn.
In dat geval zouden we het heilige pad van de logica verlaten.
Als "de tijger is gevaarlijk" én een intuïtieve én een rationele uitspraak is, dan is "de tijger is ongevaarlijk" noch een intuïtieve, noch een rationele uitspraak.
En toch bestaat de uitspraak "de tijger is ongevaarlijk".
Het zou een kneuterige opwerping zijn dat er geen feiten zijn om deze uitspraak hard te maken.
(elke analogie met "GMOs zijn gevaarlijk" is uiteraard fictief)
‘Nee, het zijn gewoon mensen’, schrijft een groep filosofen en biotechnologen van de Universiteit Gent, onder leiding van Johan Braeckman, in Trends in Plant Science. ‘Mensen zijn zo bedraad. Dat ggo’s “fout” zijn, klopt met automatische reflexen en ingebakken intuïties. Het is niet evident om daartegen in te gaan, want die kregen we mee vanuit onze evolutie. Omdat ze nuttig zijn.’
Zo spring je automatisch weg als je plots iets langs en duns tussen het gras ziet. Meestal is dat een stok of de tuinslang, maar het hoeft slechts één keer een echte slang te zijn. Zo’n automatische reactie heeft overlevingswaarde. Voor een hele reeks situaties in het leven hebben we snelle reacties ontwikkeld, die er af en toe naast zitten maar vaak genoeg nuttig zijn.
God spelen
Braeckman: ‘Zo is er het “essentialisme”: alle dingen hebben een onveranderlijke essentie die hun hele wezen doordringt. Niemand is bereid om een jasje te dragen dat van Dutroux geweest is, ook al is het netjes gewassen en gestreken. De Dutroux-heid krijg je er nooit meer uit. Als je DNA van een vis in een tomaat stopt, vindt niemand het gek dat die tomaat voortaan naar vis smaakt, maar ga je heel wat uit te leggen hebben om mensen te overtuigen dat ze nu beter tegen de kou kan. Als gentechnologie de vermenging van twee essenties is, dan kan ze alleen maar afstotelijk zijn.’
Nog zo’n voorgevormd idee is ‘teleologie’: alles heeft een doel. Zelfs mensen die afstand genomen hebben van godsdienst en de bijbehorende schepper, blijven vaak vinden dat ‘er toch iets moet zijn’, dat het leven meer moet zijn dan geboren worden en sterven. We vinden het vanzelfsprekend dat er orde is in de natuur, dat er oorzaak en gevolg is, dat niets ‘zomaar’ gebeurt, dat alles verklaarbaar is. Met die orde knoei je niet, de grenzen tussen soorten overschrijd je niet. Dat is ‘God spelen’ en ‘hybris’ – de Griekse toneelschrijvers wisten al dat zoiets slecht afloopt. Gentechnologie gaat tegen ons gevoel voor de gegeven orde in, en is dus ‘tegennatuurlijk’. Foei!
Dat verlangen naar een ordelijke, statische natuur maakt bijvoorbeeld ook dat we creationisme en het scheppingsverhaal vlotter slikken dan de evolutieleer, die zegt ‘dat het allemaal blind toeval is, en niets meer’. Galileï wist het al: wetenschap is vechten tegen de tirannie van het gezond verstand.
Biotechnoloog Frank Van Breusegem: ‘Dan is er nog ons “Frankenstein-complex”, de diepe angst dat scheppingen aan onze controle ontsnappen en zich tegen ons zullen keren. Dat uit zich in angst voor computers, voor robots, voor technologie in het algemeen. Toen een journalist de term “Frankenfood” bedacht, ging die als een lopend vuurtje de wereld rond, surfend op de al klaarzittende angst.’
Wc-borstel
Een reflex met evidente overlevingswaarde is walging: hij beschermt ons tegen bedorven en giftig voedsel. Dat weegt ruim op tegen dat ene glas sinaasappelsap dat we weigeren omdat er een proper gesteriliseerde kakkerlak in drijft, of soep die geroerd is met een nog nooit gebruikte wc-borstel, of een drol van lekkere choco en in Grand Marnier geweekte peperkoek. En wat is er walgelijker dan die vissige tomaat van daarnet? Walg beïnvloedt bovendien ons morele oordeel. De multinational en de wetenschapper die zo’n tomaat produceren zijn ook walgelijk, zeker als die stoute multinational ook nog eens arme boeren uitperst. Dat Apple en Nespresso ook zwaar doorwegen in hun markten, valt ons veel minder op.
‘Al die voorbedrade reacties maken het ons gemakkelijk om ggo’s maar niets te vinden’, zegt filosoof Stefaan Blancke. ‘De met cijfers onderbouwde studies van wetenschappers geloven, kost ons veel meer moeite. We zeggen dan nog liever dat we niets tegen ggo’s hebben, maar wel tegen monopolisten, dan onze instinctieve afkeer los te moeten laten.’
‘Uit onderzoek blijkt wel dat mensen hun intuïtieve weerstand opzij kunnen zetten als ze maar voldoende voordelen ervaren – we blijven onze gsm gebruiken, ondanks voorbedrade angst voor onzichtbare straling – maar de ggo’s met voordelen hebben het lab nog niet (mogen) verlaten.’
Is dat ervaren voordeel ook de reden dat we huiveren voor ggo-voedsel, terwijl het ons helemaal niet kan schelen dat het merendeel van onze geneesmiddelen evengoed ggo zijn? Braeckman: ‘Inderdaad, maar er speelt meer. In de geneeskunde is het eindproduct een pil, een levenloos ding dat niet appelleert aan onze intuïtieve ideeën over de levende natuur.’ Het zijn de biologen die pech hebben.
http://www.standaard.be/cnt/dmf20150512_01678997?shareid=eff1665ffc16d0e334b2be7d99d5bb504f66f45e67c7f8495b3ad7d1e9deae183704ac4893c6bfea3e09c5e663f171d1
The Holy Grail: "tigers are not dangerous" is a non-intuitive quote.
Het essentialisme fascineert me mateloos!
Op eenvoudig verzoek werd mij het artikel heel vriendelijk overgemaakt. Waarvoor dank.
Ik beperk me hier tot de essentie:
The intuitive appeal of anti-GMO representations
Folk biology
The human mind intuitively understands how the biological
world functions. One constituent of this folk biology is
psychological essentialism [25] that amounts to the belief
that organisms hold an unobservable, immutable core
determining their identity and, thus, their development
and behavior. Psychological essentialism makes sense
evolutionarily because it allows individuals to categorize
automatically the biological world. As such, valuable information
becomes immediately available, enabling apt
responses to living entities in the environment. For instance,
when one is confronted with a tiger, the immediate
realization that one is coping with a specimen of the
category ‘tiger’ and, thus, that with its mighty claws and
sharp fangs it might catch and eat its prey, is a more
adaptive reaction than to reassess each and every encountered
stripy feline [26]. Nevertheless, despite the obvious
adaptive rationality of this cognitive predisposition,
psychological essentialism regularly interferes with a scientifically
informed biological understanding [27]. Notoriously,
it impedes people’s understanding of basic aspects of
evolutionary theory and, moreover, it also affects people’s
comprehension of GMOs, primarily because they interpret
DNA as the essence of organisms [28]. In a US survey, more
than half of the respondents did not reject the idea that
tomatoes of the which the genome had been modified by
insertion of catfish DNA would taste like fish [29]. Apparently,
people assumed that the fish’s essence had been
introduced into these tomatoes, including a fishy taste.
That people systematically prefer cisgenic over transgenic
organisms provides another indication of an essentialist
bias [3]. In their campaigns, opponents of GMOs explicitly
appeal to these essentialist intuitions by distributing edited
images of tomatoes with fish tails or by claiming that
biotech companies insert scorpion DNA elements into corn
(Zea mays) to produce crispy cornflakes. The notion that
growing GM crops with herbicide tolerance will promote
so-called superweeds falls back to the same misconception
that a weed can be characterized by a single gene. On the
contrary, typical weed characteristics such as withstanding
harsh environments, competing for light, water, and
minerals, and fast reproduction are the result of the interplay
of numerous genes.
Vakwerk.
Dat zeg ik alweer zonder enige zweem van ironie.
Al blijft er altijd één vraag mijn verstand (of is het mijn intuïtie?) kwellen.
Essentialism is the view that, for any specific entity (such as an animal, a group of people, a physical object, a concept), there is a set of attributes which are necessary to its identity and function.
Cartwright, R. L. (1968). "Some remarks on essentialism". The Journal of Philosophy 65 (20): 615–626.
(of ook gewoon wikipedia)
Nu is "essentialisme" zelf uiteraard ook een concept.
De kwellende vraag is dus of de auteurs van mening zijn dat de definitie die ze opgeven noodzakelijk is voor een juist begrip van het begrip "essentialisme".
In dat "particuliere" geval zijn het zelfverklaarde essentialisten.
Maar dat neemt niet weg dat, zoals gezegd, de tekst vakwerk is.
Als eerbetoon aan de auteurs wil ik hier dieper ingaan op de "waarom" vraag.
Net zoals de auteurs uitgaan van een feit (GMOs are not dangerous) en zich dan een "waarom" vraag stellen (waarom is er nog weerstand tegen de GMOs ?) wil ik ook vertrekken van een feit (de tekst is vakwerk) om dan een waarom vraag te stellen (waarom is het vakwerk?).
Het is een kneuterige lezer die opmerkt dat de analogie een beetje mank loopt.
De tekst is vakwerk omdat de auteurs er in slagen om de dualiteit te overstijgen.
Aan het ene eind van het spectrum heeft men het "intuïtieve" en aan het andere eind het "rationele".
Maar die dualiteit wordt dus een eenheid.
"De tijger is gevaarlijk" is een intuïtieve uitspraak.
"De tijger is gevaarlijk" is op hetzelfde moment echter ook een rationele uitspraak.
Vakwerk.
Een kunstwerk.
Wetenschap is kunst.
Zo zag ik onlangs in La Roche een sculptuur (de naam van de kunstenaar ben ik jammer genoeg vergeten) met de naam La paix.
Ik kan natuurlijk compleet verkeerd zijn, maar voor mij stelde het kunstwerk een papieren vlieger in blauwe hardsteen voor.
Een papieren vlieger die niet kan vliegen.
Ik vond het wel iets hebben.
Een moment dat de dualiteit opgaat in een eenheid.
Terug naar de tekst.
Voorwaar, het is een kneuterige lezer die zich de vraag stelt wat voor een uitspraak "de tijger is ongevaarlijk" dan wel mag wezen.
In de wetenschap dat "de tijger is gevaarlijk" een rationele uitspraak is, kan het tegenovergestelde, "de tijger is ongevaarlijk", onmogelijk een rationele uitspraak zijn.
In dat geval zouden we het heilige pad van de logica verlaten.
Maar in de wetenschap dat "de tijger is gevaarlijk" een intuïtieve uitspraak is, het zijn de auteurs die claimen dat het een intuïtieve uitspraak is, kan het tegenovergestelde, "de tijger is ongevaarlijk", onmogelijk een intuïtieve uitspraak zijn.
In dat geval zouden we het heilige pad van de logica verlaten.
Als "de tijger is gevaarlijk" én een intuïtieve én een rationele uitspraak is, dan is "de tijger is ongevaarlijk" noch een intuïtieve, noch een rationele uitspraak.
En toch bestaat de uitspraak "de tijger is ongevaarlijk".
Het zou een kneuterige opwerping zijn dat er geen feiten zijn om deze uitspraak hard te maken.
(elke analogie met "GMOs zijn gevaarlijk" is uiteraard fictief)
zondag 17 mei 2015
Lucas Hoogendoorn
Het oog van de naald
Voor godsdienstige
tieners gaat er een beangstigende werking van het werk van Nietzsche
uit. Ze lezen liever iets anders van filosofieplank van de
schoolbibliotheek, Kierkegaard bijvoorbeeld, maar vanuit hun ooghoeken
bespieden ze de donkere kaften, waartegen ze zich zo lang mogelijk
verzetten, de verboden vruchten van papier, tot ze er uiteindelijk toch
ééntje van plukken. En God verhoede dat het Der Antichrist is.
Ikzelf heb gelukkig mijn hele middelbare schoolcarrière kunnen doorstaan
zonder aan de verleiding toe te geven, hoewel niet onvermeld moet
blijven: met de hulp van anderen. Zij waren helaas niet even standvastig
en sommigen van hun godvrezende zielen heeft niemand ooit teruggezien.
Het geloof bespraken wij
eigenlijk niet, alleen de aanvallen op ons geloof en mogelijke
verdedigingstechnieken. En Nietzsche dus, zonder hem te hebben gelezen.
Het woord Nietzsche werd hierbij zo gewichtig uitgesproken, dat het leek
alsof dat de naam met de persoon samenviel. Nietzsche! Een kwaadaardige
vloek waarin de dood van god gepropageerd, chaos geleerd en het
absolute Niets vereerd wordt. De moordenaar van God, voor minder hielden
wij hem niet; een fout die oude koningen ook wel eens maakten, als zij
de onheilsbode voor de stichter van dat onheil aanzagen en aldus
berechtten.
Toen ik in mijn
propedeusejaar dan toch met Nietzsche begon, werd mij door professor
Gerardus Visser op het hart gedrukt dat ik niet bang hoefde te zijn. Hij
kon het weten, hij was nog altijd Katholiek. ‘Als ik twee schrijvers
naar het hiernamaals mee mocht nemen, waren dat Nietzsche en Meister
Eckhardt,’ zei hij eens. En dus trad ook ik de chaos maar tegemoet.
Eerst de Zarathustra, vervolgens Der Fröhliche Wissenschaft en zelfs Der Antichrist. Welnu:
ik leef nog, ik houd nog van muziek, ik bid nog. Dat een christen
Nietzsche niet zou hoeven vrezen echter, is een grove leugen. Doodsbang
moet je zijn, reden tot iets anders is er niet. Veel banger dan voor de
Darwinistische oerwoudgeluiden, het gemarcheer van Jurassische
skelettenlegers en oerknallensalvo’s die je als christen in een
rationalistische maatschappij constant van repliek moet dienen. Om nog
maar te zwijgen van alle verkrachtingen, oorlogen enzovoorts waar je
opeens medeschuldig aan bent. Want dat ‘geloof’ je immers, terwijl je
ook iets anders had kunnen geloven. Waar haal je het gore lef vandaan
een orde achter het leed en de chaos van de wereld te denken? Advocaat
van God heeft het tegenwoordig moeilijker dan die van de duivel. Geloof
is propositioneel en ook nog eens on-nominalistisch. Geloven is wishful thinking.
Toch hoef je voor
Nietzsche niet minder bang te zijn als diezelfde rationalisten dat
zouden moeten zijn. Hun krampachtige neigingen achter alles een mening
te zoeken, iedereen tot een standpunt te veroordelen en alle (religieuze
taal) als propositioneel, of op z’n minst instrumenteel op te vatten,
is voor Nietzsche niets anders dan fundamentalisme binnen de dienst van
Apollo. Het is niet de Bijbel die slaafs maakt, maar de zucht naar
waarheid, die zowel in de kerk als in het lab de dienst uitmaken, met
het verschil dat zij binnen de Testamenten als ijdelheid geldt en binnen
de natuurwetenschap de grootste deugd genoemd wordt. Wetenschap en
religie verschillen slechts aan de oppervlakte. Bij de een is de
waarheidszucht een streven naar eenheid, bij de ander naar dichotomie.
Dit is waarom geloven niet denken is (veeleer iets dat de
lichaam-geestdistinctie overstijgt) en waarom er wetenschap kan zijn die
kan beweren dat het bewustzijn een illusie is (het bewustzijn is immers
niet deelbaar). En hoewel de wetenschap geprobeerd heeft de religie te
verklaren en in zich op te slokken, zo kan dat makkelijk ook andersom.
Begrip en bewijs als hoogmoedige en futiele neigingen tot macht, die
alleen het Opperwezen toekomt, het is het hoofdthema van het Oude
Testament. Waarom laat de doodsverklaring van Apollo eigenlijk zo lang
op zich wachten
Waar stoot Nietzsche’s hamer dan wel op
bij gelovigen? Niet bij argumentatie, hij houdt geen logisch dispuut
over metafysische noties of mogelijke werelden. Waarom de gelovige en
eigenlijk ook God Nietzsche moeten vrezen, is, simpelweg, omdat hij
beter schrijft dan God. De aantrekkingskracht van het Christendom ligt
niet in het diepgelegen besef van schaamte of zondelijkheid, nee, die
zondeleer appelleert nu juist aan een veel dieper besef dat de mens een
opdracht heeft, om deze opdracht vervolgens negatief te formuleren:
allerlei dingen niet doen. De opdracht die het christendom geeft, poogt
alomvattend te zijn, maar Nietzsche lukt het een nog grotere opdracht te
formuleren: amor fati.
Wat daar voor nodig is, is hetgene dat
de christen angst in zou moeten boezemen: het loslaten van
waarheidszucht. Hij moet aan de onwaarheid geloven, om het paradijs
waardig te zijn. De hemel bestaat, maar is gereserveerd voor mensen die
bewezen hebben hem niet nodig te hebben. Acceptatie is de enige waardige
dood. Of dit mogelijk is, weet ik niet, maar misschien moet ik aan de
onmogelijkheid geloven. Deze spirituele opdracht gaapt me nu als een
groot gat zonder einde aan, maar misschien kunnen we ons haar beter
voorstellen als het oog van een naald, waar we door moeten.
Met dit essay heeft Lucas Hoogendoorn de wedstrijd gewonnen waar ik ook aan deelnam.
Een terechte winnaar.
Let u vooral op de "een". Ik heb de andere essays niet gelezen, dus daar kan ik moeilijk een uitspraak over doen. Ik bedoel alleen dat hij in vergelijking met mij een terechte winnaar is, niet in vergelijking met de anderen.
Dat zeg ik zonder een zweem van ironie.
Per slot van rekening was het onderwerp "de chaos tegemoet".
Achteraf bekeken kom ik daar niet voor in aanmerking.
Ik treed de chaos niet tegemoet zoals Lucas, ik ben de vlees geworden chaos in mijn geschriften.
De chaos tegemoet.
Hoe ver ga je daar in? Waar stop je? En treed je dan op je schreden terug of niet?
Of is het een eeuwig tegemoet gaan?
Dat laatste kan toch moeilijk, het eeuwige is toch net de negatie van de chaos.
Dat laatste kan toch moeilijk, het eeuwige is toch net de negatie van de chaos.
Lucas is weg van Nietzsche.
Ik ook.
Maar er is een verschil.
Lucas gelooft Nietzsche.
Lucas wendt zich tot Nietzsche.
Terwijl Nietzsche zich tot mij wendt.
"Alleen ga ik nu, mijn discipelen! Gaan ook jullie nu heen en alleen! Zo wil ik het.
Ga weg van mij en verzet je tegen Zarathoestra! En beter nog: schaam je voor hem! Misschien bedroog hij jullie wel.
De Mens met inzicht moet niet alleen zijn vijanden liefhebben, hij moet ook zijn vrienden kunnen haten.
Je beloont een leraar slecht door altijd maar zijn leerling te blijven. En waarom willen jullie niet aan mijn krans plukken?
Jullie vereren mij: maar wat als jullie verering op een dag omvalt? Pas op dat jullie niet worden verpletterd onder een beeldzuil!
Jullie zeggen dat jullie in Zarathoestra geloven? Maar wat doet Zarathoestra ertoe!
Jullie hadden jezelf nog niet gezocht: toen vonden jullie mij. Zo doen alle gelovigen; daarom heeft alle geloof zo weinig om het lijf.
Nu gebied ik jullie mij te verliezen en jezelf te vinden; en pas als jullie mij allemaal hebt verloochend, wil ik naar jullie terugkeren..."
Friedrich Nietzsche, Ecce homo.
Abonneren op:
Posts (Atom)



