donderdag 24 november 2011

Madame Blanche

Onder het motto "engagez-vous" blijven we doorgaan:
http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/De-Gedachte/article/detail/1352702/2011/11/24/Vergeet-een-kabinet-van-economen.dhtml

Vergeet een kabinet van economen


24/11/11, 08u06
Patrick Loobuyck, als moraalfilosoof verbonden aan de universiteiten van Antwerpen en Gent, ziet geen heil in regeringen die louter uit economische experts en technici bestaan.
Door de crisis in de regeringsonderhandelingen en de druk die de eurocrisis veroorzaakt, klinkt de roep naar een zakenkabinet steeds luider. Zo een regering zou dan bestaan uit experts en technici, niet uit politici. Griekenland en Italië zijn met de benoeming van niet-politici als Lucas Papademos en Mario Monti alvast in de richting van de technocratie geëvolueerd. Moet België ook die kant op? De vraag is pertinent omdat onze politici op een schandelijke wijze niet in staat blijken om akkoorden te sluiten en tot besturen over te gaan. Het politieke gekrakeel, eerst over de staatshervorming nu over de begroting en het sociaal-economisch beleid is dusdanig uit de hand gelopen dat de indruk ontstaat dat politici het niet meer kunnen en dus maar beter even worden vervangen door nuchtere mensen met kennis van zaken. Technici moeten gewapend met wetenschappelijke feiten en niet gehinderd door electorale overwegingen en politieke ideologie beslissingen nemen om het land terug op het rechte pad te krijgen.

Deze gedachte klinkt misschien aantrekkelijk, maar ze is bedrieglijk. De experts die nu vaak als opvolgers van de politici genoemd worden, blijken voornamelijk economen te zijn. Zij zouden weten wat we moeten doen om ons uit de crisis weg te leiden. Er wordt hier echter vaak van een verkeerd beeld van de economische wetenschap uitgegaan. Economie is geen positieve wetenschap waarin de werkelijkheid op basis van formules en wetmatigheden voorspeld kan worden. De economie is een gedragswetenschap en behoort tot de menswetenschappen - met alle gevolgen van dien. Wetmatigheden (de wet van vraag en aanbod bijvoorbeeld) en mechanismen die eigen zijn aan het menselijk gedrag kunnen er een voorspellende waarde hebben, maar dit is nooit even sluitend als in de positieve wetenschappen. Economen kunnen onmogelijk de werkelijkheid op een even objectieve manier begrijpen en voorspellen als natuurkundigen dat kunnen. Hoe zinvol economische modellen ook zijn, ze kunnen slechts tot economische prognoses leiden, niet tot wetenschappelijke voorspellingen. En dat economen in hun prognoses fout kunnen zitten, hebben we de laatste jaren aan den lijve moeten ervaren. Alle Nobelprijswinnaars voor economie ten spijt, heeft de economische wetenschap de economische crisis niet zien aankomen, laat staan kunnen vermijden. Een en ander heeft te maken met het feit dat het schier onmogelijk is om alle relevante variabelen in het model te verdisconteren. Maar er ligt ook een probleem bij het uitgangspunt van de economie. Economen vertrekken in hun modellen immers van een specifiek mensbeeld. Deze homo economicus bepaalt zijn keuzes op basis van kosten-batenanalyses in functie van individuele nutmaximalisering in een context van schaarste. Nobelprijswinnaar economie Amartya Sen wijst er echter op dat mensen niet die 'rationele gekken' zijn waarmee economen vaak aan de slag gaan. Menselijk gedrag wordt niet alleen gestuurd door kosten-batenanalyses, maar ook door waarden als vertrouwen en loyaliteit. De crisis in de financiële sector en de schommelingen op de beurs maken pijnlijk duidelijk hoezeer het economisch plaatje op een volstrekt irrationele manier in duigen kan vallen wegens een gebrek aan vertrouwen in partners, landen, aandelen of banken.

Maar het idee van een zakenkabinet is ook nog om een andere reden bedrieglijk. Aan politiek doen is immers onwenselijk en onmogelijk. Niet alleen hebben de experts niet de noodzakelijke legitimiteit om als volksvertegenwoordiger te spreken, technische experts kunnen ook grondig van mening verschillen over welke richting we met de samenleving uit moeten. De kloof tussen feiten en normen, tussen is niet zomaar te dichten, ook niet door experts. Zij kunnen het over alle feiten eens zijn, maar toch van mening verschillen over de politieke keuzes die je aan die feiten moet verbinden. Politieke keuzes moeten liefst zo goed mogelijk alle wetenschappelijke feiten verdisconteren, maar het is een misvatting te denken dat uit die feiten zomaar politieke beslissingen zijn af te leiden. Men kan berekenen hoeveel extra belastingen opbrengen en wat er te besparen valt met het snoeien in de uitgaven van de welvaartsstaat, maar of men voornamelijk voor de eerste optie kiest dan wel voor de tweede is een politieke keuze.

Rekenen en tellen

Mogelijk zijn alle experts het erover eens dat België een stuk van de crisis kan opvangen door de sociale voorzieningen drastisch verder af te bouwen, de vraag blijft of we dat wel op die manier willen doen. Hier kunnen economen wiens hart sociaal-democratisch klopt fundamenteel van mening verschillen met neoliberale economen. Wie aan politiek doet, moet goed kunnen rekenen en tellen, maar rekenen en tellen alleen volstaat niet. Politici vertrekken idealiter van een idee over welke samenleving ze willen en vanuit een opvatting van wat rechtvaardigheid is. Zodra experts aan politiek doen, worden ook zij met politieke en normatieve vragen geconfronteerd.

Er valt nog te discussiëren over de vraag of wetenschap waardevrij is; maar de vraag of er een waardevrije politiek bestaat is veel gemakkelijker te beantwoorden: nee dat bestaat niet. Economen kunnen een poging doen om naar amorele en apolitieke expertise te streven, maar deze 'positieve economie' die naar het woord van Milton Friedman 'principieel onafhankelijk moet zijn van particuliere ethische posities en normatieve oordelen', kan nooit samenvallen met politiek.

Experts die aan politiek doen kunnen de schijn van onpartijdigheid en objectiviteit hoog proberen te houden, maar dat is mogelijks gevaarlijke window dressing. Ook wetenschappers kunnen een ideologische agenda hebben. Het lijkt me in dat verband niet onzinnig rekening te houden met de waarschuwing die Max Weber ons meegeeft in zijn bekende lezing Wetenschap als beroep en roeping (1919) dat "waar de wetenschapsbeoefenaar met zijn eigen waardeoordeel komt aandragen, het werkelijke begrip voor de feiten verdwijnt".
 
“Er valt nog te discussiëren over de vraag of wetenschap waardevrij is”
Allee vooruit dan.
Stel dat u de vraag met neen beantwoordt.
In dat geval is uw mening als wetenschapper een waardeoordeel, niet meer of minder waard dan mijn mening.
Stel dat u de vraag met ja beantwoordt.
In dat geval stelt zich de vraag of filosofie een positieve wetenschap is.
Voelt u hem komen?
“De voorspellende waarde?”
Voelt u hem komen?
“Experts die columns schrijven kunnen de schijn van onpartijdigheid en objectiviteit hoog proberen te houden, maar dat is mogelijks gevaarlijke window dressing.”
Overigens deel ik uw mening “vergeet een kabinet van economen”.
Maar het lijkt me in dat verband niet onzinnig rekening te houden met de woorden van Desiderius Erasmus: “dat is alleenlick een wijsmakinge”

 

zaterdag 19 november 2011

Frans

Laatst hoorde ik een klant zeer omstandige richtlijnen geven aan een werknemer.
"Het moet zus en het moet zo, dit moet en dat moet en daarna moet je..."
Waarop de monkelende en onsterfelijke reactie:
"Moete, moete, moete, steurve moete en veu de rest niks."

Dat schoot me te binnen toen ik deze regel las:
"If you are not thinking like a Bayesian, perhaps you should be."    

The Mathematics of Changing Your Mind

Sharon Bertsch McGrayne introduces Bayes’s theorem in her new book with a remark by John Maynard Keynes: “When the facts change, I change my opinion. What do you do, sir?”
Illustration by Shannon May

THE THEORY THAT WOULD NOT DIE

How Bayes’ Rule Cracked the Enigma Code, Hunted Down Russian Submarines and Emerged Triumphant From Two Centuries of Controversy
By Sharon Bertsch McGrayne
320 pp. Yale University Press. $27.50.
Bayes’s theorem, named after the 18th-century Presbyterian minister Thomas Bayes, addresses this selfsame essential task: How should we modify our beliefs in the light of additional information? Do we cling to old assumptions long after they’ve become untenable, or abandon them too readily at the first whisper of doubt? Bayesian reasoning promises to bring our views gradually into line with reality and so has become an invaluable tool for scientists of all sorts and, indeed, for anyone who wants, putting it grandiloquently, to sync up with the universe. If you are not thinking like a Bayesian, perhaps you should be.
At its core, Bayes’s theorem depends upon an ingenious turnabout: If you want to assess the strength of your hypothesis given the evidence, you must also assess the strength of the evidence given your hypothesis. In the face of uncertainty, a Bayesian asks three questions: How confident am I in the truth of my initial belief? On the assumption that my original belief is true, how confident am I that the new evidence is accurate? And whether or not my original belief is true, how confident am I that the new evidence is accurate? One proto-Bayesian, David Hume, underlined the importance of considering evidentiary probability properly when he questioned the authority of religious hearsay: one shouldn’t trust the supposed evidence for a miracle, he argued, unless it would be even more miraculous if the report were untrue.
The theorem has a long and surprisingly convoluted history, and McGrayne chronicles it in detail. It was Bayes’s friend Richard Price, an amateur mathematician, who developed Bayes’s ideas and probably deserves the glory that would have resulted from a Bayes-Price theorem. After Price, however, Bayes’s theorem lapsed into obscurity until the illustrious French mathematician Pierre Simon Laplace extended and applied it in clever, nontrivial ways in the early 19th century. Thereafter it went in and out of fashion, was applied in one field after another only to be later condemned for being vague, subjective or unscientific, and became a bone of contention between rival camps of mathematicians before enjoying a revival in recent years.
The theorem itself can be stated simply. Beginning with a provisional hypothesis about the world (there are, of course, no other kinds), we assign to it an initial probability called the prior probability or simply the prior. After actively collecting or happening upon some potentially relevant evidence, we use Bayes’s theorem to recalculate the probability of the hypothesis in light of the new evidence. This revised probability is called the posterior probability or simply the posterior. Specifically Bayes’s theorem states (trumpets sound here) that the posterior probability of a hypothesis is equal to the product of (a) the prior probability of the hypothesis and (b) the conditional probability of the evidence given the hypothesis, divided by (c) the probability of the new evidence.
Consider a concrete example. Assume that you’re presented with three coins, two of them fair and the other a counterfeit that always lands heads. If you randomly pick one of the three coins, the probability that it’s the counterfeit is 1 in 3. This is the prior probability of the hypothesis that the coin is counterfeit. Now after picking the coin, you flip it three times and observe that it lands heads each time. Seeing this new evidence that your chosen coin has landed heads three times in a row, you want to know the revised posterior probability that it is the counterfeit. The answer to this question, found using Bayes’s theorem (calculation mercifully omitted), is 4 in 5. You thus revise your probability estimate of the coin’s being counterfeit upward from 1 in 3 to 4 in 5.
A serious problem arises, however, when you apply Bayes’s theorem to real life: it’s often unclear what initial probability to assign to a hypothesis. Our intuitions are embedded in countless narratives and arguments, and so new evidence can be filtered and factored into the Bayes probability revision machine in many idiosyncratic and incommensurable ways. The question is how to assign prior probabilities and evaluate evidence in situations much more complicated than the tossing of coins, situations like global warming or autism. In the latter case, for example, some might have assigned a high prior probability to the hypothesis that the thimerosal in vaccines causes autism. But then came new evidence — studies showing that permanent removal of the compound from these vaccines did not lead to a decline in autism. The conditional probability of this evidence given the thimerosal hypothesis is tiny at best and thus a convincing reason to drastically lower the posterior probability of the hypothesis. Of course, people wedded to their priors can always try to rescue them from the evidence by introducing all sorts of dodges. Witness die-hard birthers and truthers, for example.
McGrayne devotes much of her book to Bayes’s theorem’s many remarkable contributions to history: she discusses how it was used to search for nuclear weapons, devise actuarial tables, demonstrate that a document seemingly incriminating Colonel Dreyfus was most likely a forgery, improve low-resolution computer images, judge the authorship of the disputed Federalist papers and determine the false positive rate of mammograms. She also tells the story of Alan Turing and others whose pivotal crypto-analytic work unscrambling German codes may have helped shorten World War II.
Statistics is an imperialist discipline that can be applied to almost any area of science or life, and this litany of applications is intended to be the unifying thread that sews the book into a coherent whole. It does so, but at the cost of giving it a list-like, formulaic feel. More successful are McGrayne’s vivifying sketches of the statisticians who devoted themselves to Bayesian polemics and counterpolemics. As McGrayne amply shows, orthodox Bayesians have long been opposed, sometimes vehemently, by so-called frequentists, who have objected to their tolerance for subjectivity. The nub of the differences between them is that for Bayesians the prior can be a subjective expression of the degree of belief in a hypothesis, even one about a unique event or one that has as yet never occurred. For frequentists the prior must have a more objective foundation; ideally that is the relative frequency of events in repeatable, well-defined experiments. McGrayne’s statisticians exhibit many differences, and she cites the quip that you can nevertheless always tell them apart by their posteriors, a good word on which to end.

John Allen Paulos, a professor of mathematics at Temple University, is the author of several books, including “Innumeracy” and, most recently, “Irreligion.”
http://www.nytimes.com/2011/08/07/books/review/the-theory-that-would-not-die-by-sharon-bertsch-mcgrayne-book-review.html?_r=2&pagewanted=all

In onze ijver om een eenheidstaal te creeëren bestaat het risico dat het dialect niet meer begrepen wordt.
"Moeten, moeten, moeten, sterven moet je en voor de rest niets"

dinsdag 8 november 2011

Hendrik VIII



 "Je zou je eeuwig kunnen blijven afvragen of je partner wel de juiste is en er niet iemand is die beter bij je past. Een formule maakt echter duidelijk dat je idealiter eerst twaalf partners gehad moet hebben. De volgende die beter is, die moet je houden. Omgekeerd werkt het natuurlijk ook: als je aan je tweede vriendje toe bent en je vraagt je af of er niets beter is, dan is het antwoord zeer waarschijnlijk 'ja". "

Laat me vooraf even duidelijk maken dat ik een immense bewondering heb voor mensen die een poging ondernemen om de wetenschap te vulgariseren, voor mensen die het vermogen hebben om moeilijke dingen in eenvoudige taal uit te leggen.
Hoed af.
Maar dat neemt niet weg dat men toch moet opletten om in zijn ijver om iets duidelijk te maken niet zo veel gaat vereenvoudigen dat de "kwaliteit" er uiteindelijk bij gaat inboeten.
Bovendien moet men er zich voor hoeden om zijn publiek als al te simpel te beschouwen, een mens begrijpt soms wel meer dan men denkt. (even terzijde, "een mens begrijpt soms wel meer dan men denkt", is dat geen mooie zin?)
Laat me vooraf ook nog even stellen dat ik blij ben met die "twaalf".
Een aantal maanden geleden circuleerde er in de media nogal wat wiskunde waarin er sprake was van vier partners.


Volgens VUB-professor Jean Paul Van Bendegem is kansberekening dé manier om de ideale partner te vinden. Uw vierde lief zou de ware zijn. Dat schrijft Het Laatste Nieuws.
Professor Logica en Wetenschapsfilosofie aan de Vrije Universiteit Brussel, Jean Paul Van Bendegem, gelooft dat in de liefde een logisch patroon zit. In zijn lezingreeks ‘De wiskunde in het seksuele’ past hij de principes van kansberekening toe.
Het is een onromantische gedachte, maar de logica gaat als volgt: ‘Laat je eerste drie lieven passeren. Neem de beste van die drie als standaard en de eerstvolgende die dat niveau weet te evenaren of verbeteren, is de ware.’ Wiskundig gezien vind je daarna namelijk geen betere partner meer.
Hij maakt de vergelijking met een kartonnen doos waar tien kaartjes in zitten. ‘Op elke kaartje staat een cijfer tussen nul en tien. Het is de bedoeling dat je het hoogste cijfer eruit pikt: een acht, negen of tien. De kans is klein dat je bij de eerste drie pogingen de beste kaarten eruit haalt. Zo gaat het ook in de liefde. De kans dat je in je eerste drie relaties de ware vindt, is klein. Na drie keer proberen heb je 37 procent slaagkans. Beter zal het niet worden, ook niet in relaties.‘
Lotjestrek
‘Zit je in een goede relatie, maak die dan niet kapot omdat het nog maar je tweede of derde partner is’, geeft de professor nog mee als raad. ‘Je zal maar pech hebben dat je meteen de spreekwoordelijke nummer acht, negen of tien uit de doos viste en dumpte. En dan vind je nooit beter’, aldus Van Bendegem.
De professor maakt ook nog een kanttekening: ‘Er zijn nog zwaktes. De wiskunde houdt geen rekening met de duur van je relaties en hoe je als mens verandert. Mensen verlagen soms ook hun lat en denken achteraf dat hun relatie van toen toch niet zo slecht was.’
‘Het blijft dus een beetje lotjestrek’, luidt de conclusie.
http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=DMF20110426_068

Ik heb destijds de betreffende auteur om zijn bewijzen verzocht, maar tot op de dag van vandaag heb ik daar nog geen antwoord op gekregen.
Vier?
Waar haalt die brave man dat in hemelsnaam?
Extrapolatie? Extrapolatie van zijn liefdesleven?
Twaalf.
Dat is wetenschap, dat zijn de cijfers van de befaamde wetenschapper Peter Todd.
http://www.cogs.indiana.edu/pmtodd.html

Twaalf.
Eigenlijk is het 12,2857142 om precies te zijn.
Men mag toch niet uit het oog verliezen dat het in wiskunde en wetenschap exact moet zijn.
Statistiek is een moeilijk vak, maar de basis begrippen, die begrijpt het overgrote deel van de bevolking heus wel.
Het gaat om een gemiddelde, bij de ene persoon is het elf, bij de andere is het dertien.
(11+13)/2 = 12.
Indien we nu al die duizenden cijfers optellen en delen door het totaal van het aantal cijfers zou het al een gigantische toevalstreffer zijn als we exact op het gehele getal twaalf zouden uitkomen natuurlijk.
voorbeeld: (11+13+8+14+13)/5 = 11,8.
12,2857142 dus.

Nu, statistiek is natuurlijk statistiek. Een beetje lotjestrek.
Maar de wetenschap zou de wetenschap niet zijn zonder harde bewijzen.
Heel recent zijn die ook gevonden.
Antonia Fraser maakte in haar biografie over Hendrik VIII melding van een merkwaardige passage uit het dagboek van deze bekende koning waarin hij te kennen geeft de volmaakte huwelijkspartner gevonden te hebben in nummer 12,2857142.
Dat heeft de wetenschap jarenlang geïntrigeerd, zonder ooit een afdoende verklaring te kunnen geven.
Ik ben verheugd u in peer-review een primeur te kunnen aanbieden.
Het toeval wil dat ik een vriendschappelijke relatie heb met de bekende wiskundige Gregori Perelman en dat hij mij zo nu en dan gebruikt als klankbord.
Zoals u wellicht weet heeft Hendrik VIII twee van zijn vrouwen, Anna Boleyn en Catharina Howard laten onthoofden. Nu heeft Gregori Perelman aan de hand van schilderijen en de bewaarde schedels van de dames berekend met behulp van de modernste lasertechnieken dat de hoofden van Anna Boleyn en Catharina Howard in verhouding tot hun respectievelijk ganse lichamen 0,1428361 en 0.1428781 bedragen.
Voor Hendrik VIII de ideale partner vond in Catharina Parr had hij elf partners en twee hoofden!
12,2857142.

maandag 7 november 2011

Arlette

Kent u Arlette?
Nee?
Ik ook niet.
En dat is best wel jammer.
In het weekblad Humo staan weer tientallen interviews.
Patrick Janssens, Bart De Wever & Liesbeth Homans, Rik De Saedeleer, Herwig Van Hove...
Stel dat ik één van al die coryfeeën zou kunnen ontmoeten.
Ik zou geen enkel moment aarzelen om voor Arlette te gaan.
Arlette is de mama van Evi Hanssen.

"Kijk: met mijn mama kon je niet discussiëren. In 'dingen uitpraten' geloofde ze bijvoorbeeld niet. Haar vaste antwoord was: 'Uitpraten? Ik héb helemaal niets uit te praten. Dit is mijn mening, dat is jouw mening - leg je erbij neer. En moet je nog wat patatjes hebben?"

Mama praat met Evi, ze kent de mening van haar dochter.
Maar er wordt niet uitgepraat.
Is het niet verdomd zielig als moeder en dochter uitgepraat zouden zijn?

"Maar dat hoop ik dus wel anders te doen dan mijn moeder: mijn eigen kinderen in hun puberteit de indruk geven dat ik tenminste luister naar wat ze te vertellen hebben. Om vervolgens alsnog te zeggen: 'Nee, mijn mening is beter' (lacht)"

"Mijn mening is beter." Op dat moment ben je uitgepraat natuurlijk. Arlette kon het niet over haar lippen krijgen.
Of alleen als er een (lacht) achter komt, maar dan gaan die pubers uit hun dak natuurlijk.

zondag 6 november 2011

Jan Terlouw

Jan Terlouw heeft een nieuw boek geschreven.
"Hoed je voor mensen die iets zeker weten"

Ik ga het niet lezen.
Bang voor de teleurstelling van wat ik misschien te lezen krijg, of bang voor de teleurstelling van wat ik misschien tussen de regels zal lezen.

Jan Terlouw in De Morgen over zijn jongste boek ‘Hoed u voor mensen die iets zeker weten’.
‘Iemand die iets zeker meent te weten, slaat de dialoog dood. Daar kun je niet mee praten. En het is gevaarlijk. Wie iets zeker weet, wil dat uitdragen. Desnoods met geweld op een ander : die moet en die zal dat ook weten. In religies zie je dag, het heeft vaak tot oorlogen geleid. Maar ook in de politiek. En het slaat zelfs kinderen dood die door hun ouders geindoctrineerd worden. Zo zit dat! Aan dat leven met dogma’s heb ik hoe langer hoe meer een hekel gekregen. Het leven is zoveel mooier, vrijer en vriendelijker als mensen dingen niét zeker weten.’
En toch is er niks mis met zekerheden. Vraag is op wat baseert iemand zich? Op analyse, (wetenschappelijk onderbouwde) lectuur en daaraan gekoppelde waardevrij intuïtief inzicht? Dan is het voor mij oké. Als men maar open staat om nieuwe inzichten, nieuwe onderzoeksresultaten of bevindingen van anderen onmiddellijk toe te laten en -indien nodig- de eigen zekerheid (gedeeltelijk) naar de prullenmand te verwijzen.
Absolute zekerheden bestaan niet, maar dat is geen reden om alles in vraag te stellen en af te wijzen.
M.a.w. het probleem is niet het paradigma zekerheid/weifel maar:

1. het conservatisme van menig mens die zich vastklampt aan wat ie ‘met zekerheid’ weet, ook als dat foutief blijkt;
2. de behoeften van velen aan een eensluidend gesloten vaststaand verhaal (of het nu een bijbel, koran, moraal of positivistische theorie is) waardoor starheid ontstaat jegens nieuwe ontwikkelingen of visies van anderen.

Bang om dergelijke "subtiliteiten" te lezen.
Zeker weten doen we niet, maar "juist" en "fout" bestaan, dat weten we wel zeker.

Tot nader order (laat het me vooral weten als ik het bij het verkeerde eind heb!) wil ik de titel blijven koesteren als een kleinood.
Ik ga voor mezelf een boek maken met een mooie rug, een boek met allemaal lege pagina's.
"Hoed je voor de mensen die iets zeker weten" druk ik op de rug.
En ik geef het boek een mooi plaatsje  naast "oorlogswinter", "oosterschelde windkracht 10" en "pjotr".
Het wordt zonder twijfel één van mijn lievelingsboeken, eentje om te lezen en te herlezen zoals men zegt.

"Mijn nieuwe boek gaat eigenlijk over de maakbare mens, over hoe we ons zo makkelijk laten beïnvloeden, ook in de verkeerde richting..."
Jan Terlouw in een interview in "de morgen".

En ik ga vergeten dat ik dat interview gelezen heb, zeker weten!

vrijdag 4 november 2011

Stéphane Hessel

Indignez-vous!

De verleiding is af en toe groot om daarop in te gaan, om verontwaardigd te zijn over deze meneer.
"Ach, een oude man die een kind van ZIJN tijd is."

Dignez-vous!

woensdag 2 november 2011

Gerard Reve

De wereld verandert.
De wereld wordt.
De wereld bestaat.
De wereld bestaat omdat bestaan "veranderen" is, omdat bestaan "worden" is.

Er is geen "Zijn", alleen maar een verondersteld "Zijn".

Dat is mijn gedacht.
Het kan niet dat de wereld tegelijkertijd verandert en niet verandert.
Ofwel is "Zijn" een alsof, een schijn. Ofwel is "Worden" een alsof, een schijn.


Reve woonde sinds 1994 in het Vlaamse dorp Machelen aan de Leie. Ooit tekende Reve een schitterende reviaanse uitspraak op uit de mond van de pastoor van Machelen. Op Reve's vraag of God bestaat, antwoordde de zielenherder namelijk: "Nee, Hij doet slechts alsof."
http://www.rkk.nl/actualiteit/2006/detail_objectID580093_FJaar2006.html

In dit licht bezien mag de vraag of God bestaat, die ten onzent de gemoederen zo bezig houdt, redelijk bizar genoemd worden. Een dominee in Middelburg kwam enige tijd geleden met een speelse provocatie het debat verlevendigen: ‘Ik geloof in een God die niet bestaat.’ En ziet, de secretaris-generaal van onze synode trapte erin en haastte zich te verklaren dat God wel bestaat. Een hele opluchting, natuurlijk, maar wat een niveau! Er werd zelfs voor gepleit die ketterse dominee in Zeeland uit de kerk te zetten. Ach, waarom niet even naar de mysticus Gerard Reve geluisterd? Die kreeg een keer een jongen van een schoolkrant op bezoek: ‘Mijnheer Reve, gelooft u dat God bestaat?’
‘Ach jongen,’ zei Reve, ‘bestaan, bestaan, dat heeft God helemaal niet nodig.’
http://www.pkn-bloemendaal-overveen.nl/jubileumlint/502-het-kerkje-van-bloemendaal-375-jaar.html

Oh by the way, over Reve gesproken, een reviaanse uitspraak:
"wat zou het mooi zijn en ook straf
ooit op een zomeravond met mijn fiets
te rijden naar mijn eigen graf "



http://www.derekmusic.be/vide

(eindelijk, ik zocht al lang, 18/02/11 cfr. bewijs!, naar een excuus om deze link eens te plaatsen)


zaterdag 29 oktober 2011

Mark Elchardus

http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/De-Gedachte/article/detail/1341123/2011/10/29/Het-pessimisme-achter-het-populisme.dhtml


Het pessimisme achter het populisme


29/10/11, 09u17

Bij de 40 procent van de Vlamingen meent dat de 'gewone mensen' het beter weten dan politici en experts. Er lopen dus nogal wat populisten ronds. Maar wie zijn ze, die populisten? Mark Elchardus is socioloog aan de Vrije Universiteit Brussel en auteur van De dramademocratie.

  • Populisme wordt vaak verward met de standpunten die 'populistische' partijen innemen: anti-islam, eurosceptisch, tegen belastingen. Maar er is geen dwingende reden waarom het rechts zou zijn
Overal in Europa oogsten populisten succes. Populisme als vaste ingrediënt, daarnaast wisselende cocktails van andere standpunten: tegen de islam, tegen immigratie, voor law and order, tegen Europa, tegen belastingen, tegen regelneverij, regionalist, nationalist... De kern van het populisme is een kloof die wordt geponeerd tussen enerzijds de goede en verstandige en opmerkzame "gewone mensen" en anderzijds de moedwillig blinde, wereldvreemde, indien al niet ronduit corrupte elite. Die laatste wordt ook omschreven als de "intellectuelen", "de experts", "het establishment" en bovenal "de politiekers". Breng de "gewone mensen" samen, tien, honderd, desnoods duizend van dat slag, en - wonder boven wonder - onze problemen smelten als sneeuw voor de zon.

Populisme wordt niet zelden beschouwd als een louter retorische strategie van demagogen. Waar de oude politieke structuren wankelen, tappen ambitieuze politici (die niet snel genoeg aan de bak komen) uit het populistische vaatje. Er schuilt halve waarheid in die bewering. De meest talentrijke populisten - een wijlen Pim Fortuyn, misschien ook wel een aankomende Marine Le Pen - treden op als culturele entrepreneurs die het populisme gebruiken om zich op de electorale kaart te zetten en het denken en voelen van hun electoraat te sturen. Het is echter onwaarschijnlijk dat zij dat kunnen doen als er al niet een vruchtbare voedingsbodem aanwezig is, als een aantal mensen de samenleving al niet door een populistische bril bekijkt en waarneemt als scherp verdeeld tussen de reddende "gewone mensen" en de corrupte elite. Die voedingsbodem werd nog maar zelden onderzocht.

Beschouwingen over het populisme volgen bijna steeds een kronkelend pad. Men klasseert eerst partijen als populistisch, kijkt dan naar wat die partijen doen en beschouwt de electorale en retorische strategieën van die partijen dan als de kenmerken van het populisme. Die aanpak heeft het grote nadeel dat men populisme verwart met de andere standpunten die de als populistisch geboekstaafde partijen innemen: anti-islam, eurosceptisch, tegen belastingen, regionalistisch en dies meer. Het is best mogelijk die standpunten te verdedigen zonder populistisch te zijn. Populisme is niet inherent met die standpunten verbonden. In het verleden en vandaag nog in Latijns-Amerika is populisme overwegend links. Hier en nu, in deze uithoek van de wereld, is het rechts. Daar is geen dwingende reden voor. Dat is een gevolg van omstandigheden en roept de boeiende vraag op waarom Europees populisme vandaag overwegend rechts is. Om daarop te kunnen antwoorden moet het populisme echter los van de partijvoorkeur worden bestudeerd, als een houding van mensen.

'Gewone mensen weten het beter'
We hebben dat gedaan, het populisme niet bestudeerd op basis van de klap van politici, maar als een houding van kiezers. We deden dat door steekproeven van de bevolking uitspraken voor te leggen die enerzijds wijzen op het geloof dat de "gewone mensen" het beter weten dan de elite, anderzijds stellen dat politici meer naar die "gewone mensen" zouden moeten luisteren. Eentje daarvan luidde: "Ministers zouden beter wat minder in hun bureau zitten en zich wat meer onder het gewone volk begeven". In 2006 stemde 71 procent van de mensen daarmee in (in een steekproef van 2.330 Vlamingen, 18 tot 80 jaar oud), in 2010 73 procent (in een steekproef van 1.967 Vlamingen, 18 tot 75 jaar oud). Er lopen dus nogal wat populisten rond in Vlaanderen. 70 à 85 procent stemt in met uitspraken die stellen dat politici en ministers meer moeten luisteren naar de "gewone mensen" en bij de 40 procent is het eens met uitspraken die stellen dat de "gewone mensen" het beter weten dan politici, experts en hooggeschoolden. Geen wonder dat ministers zich graag laten filmen terwijl ze zich onder het gewone volk begeven. Bij noodweer worden daarvoor gezwind de rubberlaarzen aangetrokken.

Dat betekent niet dat alle partijen in dezelfde mate populistische kiezers aantrekken. We vinden de populisten vooral bij de twee extremistische partijen, het Vlaams Belang en de PvdA, en ook bij de groepen die niet meedoen, niet naar de stembus gaan of als ze zich daar toch naartoe slepen, blanco of gewild ongeldig stemmen. Populisten stemmen zich weg. De electoraten van alle andere partijen zijn nagenoeg even populistisch. Dat geldt voor CD&V, N-VA, Open Vld, sp.a en zelfs voor Lijst Dedecker. In tegenstelling tot wat nogal eens wordt beweerd is de N-VA geen populistische partij; zij trekt alleszins niet meer populistische kiezers aan dan de traditionele partijen.

Maar wie zijn ze dan, die populisten? In Europese kringen worden zij nogal eens voorgesteld als sukkels, verliezers van de moderniteit, mensen die niet meekunnen met de kenniseconomie, die slachtoffer werden van de globalisering en door de nieuwe wereldorde in een kwetsbare positie werden gedrongen, daarom een beetje verloren door de "nieuwe" samenleving van twitterende wereldburgers dolen. Voor Vlaanderen geldt dat alvast niet. Een zwakke, kwetsbare economische positie werkt populisme niet rechtstreeks in de hand. Radeloosheid evenmin. De populist is niet ontevreden met zijn leven, integendeel.

Drie factoren zijn daarentegen wel heel belangrijk. Populisten zijn, ten eerste, mensen die van oordeel dat zij niet krijgen wat hen toekomt: de wereld is "nie just" met hen. Zij combineren, ten tweede, een relatief laag onderwijsniveau met een sterke voorkeur voor zeer populaire media, kranten en de "boekskes". De media waarvan zij houden zijn die welke ze goed begrijpen en waarin ze een echo van de eigen overtuigingen horen (die mede door die media zijn gevormd). Populair in hun soort televisie is onder meer het realitygenre, dat opvallend gewone mensen toont die toch iets buitengewoons aan het doen zijn of hebben gedaan. Die capaciteit om het ogenschijnlijk heel gewone toch boeiend en belangwekkend te maken vernielt de ongelijkheid tussen het oordeel van de "gewone mensen" en dat van de elite; het plaatst het eerste in de kijker en boven het tweede. Het zal geen toeval zijn dat in dergelijke programma's opvallend veel moet worden gestemd, vooral weggestemd. Dat soort massamedia maakt mondig, zo wordt beweerd. Alweer een halve waarheid. Populisten verkwanselen die mondigheid immers, zeker in Vlaanderen, meteen door uitermate onnuttig stemgedrag. Het gaat niet om mondigheid, maar veeleer om wat de Canadese communicatiewetenschapper Lance Bennet de "democratisering van de waarheid" noemt: de waarheid van de "gewone" man en vrouw is evenveel, ja zelfs meer waard dan die van de experts.

Ten derde, en veruit de belangrijkste reden om populist te worden, is dat men van oordeel is dat het bar slecht gaat met de samenleving. Dat is, uiteraard, de fout van de huidige politici en elite. Die hebben het voor 't zeggen, maar zien de problemen niet, willen ze zelfs niet zien. Daarom rest slechts één hoop: luisteren naar de "gewone mensen". Het zijn vooral de mensen die van oordeel zijn dat het steil bergaf gaat met onze samenleving, die populist worden.

Wat te doen met populisme?
Niet zelden wordt meer directe democratie als remedie aanbevolen. Al te gek. We zagen immers dat populisten een voorkeur hebben voor niet-deelname, voor blanco en ongeldig stemmen. Daarenboven blijkt dat populisten nogal autoritair zijn aangelegd. Zij zien wel iets in sterke mannen en zakenkabinetten. Liever dan geregeld op te draven voor volksraadplegingen luisteren ze naar een charismatische leider die het gezond verstand belichaamt en durft te zeggen wat de "gewone mensen" wel durven te denken, maar niet altijd kunnen of durven onder woorden te brengen.

Een andere weinig praktische aanbeveling om het populisme te lijf te gaan is op zich best edelmoedig: verminder ongelijkheid, geef mensen meer houvast en zekerheid en het populisme zal afnemen. Waarschijnlijk wel, maar hoogstwaarschijnlijk op lange termijn en in homeopathische dosis.

Er wordt ook gepleit voor meer laaggeschoolde parlementariërs, partijvoorzitters en ministers. Hoe doen we dat? Met quota? En zullen de laaggeschoolden die zich aldus onderscheiden, representatief zijn voor alle laaggeschoolden? Waarschijnlijk niet. In dit verband is er trouwens enige ervaring om van te leren. De laatste keer dat een jongen van de vakschool het tot minister en partijvoorzitter schopte, werd zijn vermeende populisme hem zeer kwalijk genomen. Hij nam "intellectuelen" ook graag op de korrel en bleek uiteindelijk te volatiel voor het politieke werk van lange adem.

Nee, er zijn slechts drie gepaste manieren om op het populisme te reageren... en slechts één daarvan is vandaag haalbaar én doeltreffend.

De eerste aanpak is oprechtheid. Weten de "gewone mensen" het beter dan de elite, de experts, de intellectuelen en de politici met ervaring? Nee, natuurlijk niet. De democratisering van de waarheid is een onding. Niet iedereen is even goed in het vinden, verwerken en gebruiken van informatie. Uiteraard weet iedereen wat hem dwarszit. Het is onvergeeflijk dom van politici daar niet aandachtig en gevolgrijk naar te luisteren. De bekwaamheid om te klagen is universeel, gelijk verdeeld. De bekwaamheid haalbare oplossingen voor te stellen is dat spijtig genoeg niet. Het probleem met populistische politici is niet dat ze inspelen op de problemen die de mensen ervaren - alle politici zouden dat moeten doen - het probleem is dat ze in de naam van het gezond verstand schabouwelijke onzin kwijlen.

Zij kunnen dat doen omdat de beleidspartijen zich onvoldoende tot de zorgen van de mensen hebben gericht, de gegrondheid van die zorgen niet zelden hebben ontkend, en nu, als die zorgen niet langer kunnen worden genegeerd, niet goed weten wat te doen. Waarover maken de populisten zich zo al allemaal zorgen? Groeiende normloosheid, verlies van samenhorigheid, van respect en solidariteit, verloedering van het milieu, de onbetrouwbaarheid van het eten, de enorme toename van het aantal regels en regeltjes, de groeiende internationale competitie, het risico op delokalisatie, de afbouw van de sociale zekerheid, het vooruitzicht meer en harder en langer te moeten werken voor minder, de problemen van diversiteit, de groeiende spanningen en conflicten tussen culturen en religies, het verworden tot vreemde in eigen land en buurt. Die zorgen hangen onderling heel sterk samen. Wie op een van die vlakken achteruitgang ziet, onderkent die doorgaans ook op de andere gebieden. Samen gaat het om een wijdverbreid en bijzonder pessimistisch achteruitgangsdenken. Wie zo denkt heeft heel veel kans populist te zijn. Het populisme is in feite de politieke uitdrukking van dat achteruitgangsdenken. Van al die problemen kreeg enkel het milieuprobleem voldoende politieke én technocratische aandacht. Zou het toeval zijn dat zich rond dat probleem geen populistische partij profileert, terwijl al de andere problemen centraal staan in het hedendaagse Europese populisme?

De elite heeft die andere problemen onvoldoende onderkend en erkend. Waarschijnlijk is het hedendaagse Europese populisme daarom overwegend reactionair en rechts: de hoop wordt gesteld op minder hufterigheid, op nationale grenzen en nationale soevereiniteit; de multiculturaliteit wordt beschouwd als volkomen mislukt, we moeten hard zijn nu, meedogenloos... Het gaat om problemen waarvoor de vertrouwde (rechtse en linkse) denkkaders niet meteen oplossingen aanreiken.

Politieke vernieuwing
De tweede manier om populisme aan te pakken is daarom grondige politieke vernieuwing, niet in de spelregels van de democratie, maar in de visies, de aanpak, het beleid, de instellingen. Dat veronderstelt dat ideologische vooringenomenheid wordt geruild voor compromisloze waarneming en innoverend denken. Voor de gesignaleerde problemen moeten haalbare oplossingen worden voorgesteld. We zijn daar, vrees ik, lichtjaren van verwijderd. Beleidspartijen, maar ook intellectuelen en wetenschappers staan vandaag met de mond vol tanden. Ratingbureaus kelderen staten, staten liquideren die bureaus niet en reguleren evenmin de financiële markten. De nare gevolgen van al het onbekwame en onverantwoorde gedrag worden doodleuk naar de burgers doorgeschoven. Dat is de maat van onze onmacht. We falen politiek, maar bovenal intellectueel.

Voorlopig hebben we maar één (cynisch) verweer tegen het populisme: het Europese democratische deficit. Een politiek die inmiddels voor bij de zeventig procent van onze wet- en regelgeving zorgt, maar die vorm krijgt - far from the madding crowd - ver weg van de media en nog verder weg van de opvattingen van de "gewone mensen". We gaan een kleine revolutie tegemoet, een nieuw sociaal pact zowaar; we moeten bij de 22 miljard per jaar zien te besparen tegen 2015. Onze welvaartsstaat stond nooit voor een grotere uitdaging. Niet omdat we dat samen hebben beslist, niet omdat het past in ons maatschappijproject, maar omdat Europa het oplegt en de financiële markten het op hun beurt aan Europa opleggen.

Populisten weten dat Europa hun enige echte vijand is. Wat als zij, samen met de financiële markten, het nu kwetsbare Europese project kelderen? In de coulissen maken de charismatische leiders al hun opwachting. Ironisch. Als dam tegen erger rest ons een democratisch deficit, pijnlijke besparingen, hogere belastingen en jaren van lage groei. Een ander duidelijk en afdoend antwoord op het populisme hebben we voorlopig niet. Oh ja, toch wel... we kunnen verontwaardigd zijn.


40 procent van de Vlamingen zijn populistisch.
Dat zeg ik niet, dat zeggen de cijfers.
Nu, het toeval wil dat ik een cijferoloog ben.
Enfin, om helemaal eerlijk te zijn, een halve cijferoloog. Ik ben kandidaat (de laagste academische graad) in de cijferologie. Cijferologie was in mijn studentenjaren een opleiding aan de VUB, na het kandidaatsexamen kreeg je dan de titel "cijferluisteraar", na het licentiaatsexamen was je een gediplomeerd "cijferfluisteraar".
Ik heb mijn studie niet helemaal afgemaakt, maar gelet op mijn met vrucht beëindigde kandidatuur meen ik toch te mogen stellen dat ik naar cijfers kan luisteren.
40 procent van de Vlamingen zijn populistisch.
Dat is wel rap gezegd natuurlijk, maar is dat wel zo?
Heel het essay van de heer Elchardus staat of valt met de cijfers.
Ik heb mijn oor eens te luisteren gelegd.
En wat blijkt?
0,000497265 % van de Vlamingen zijn populistisch.
In een steekproef van 2011 cijfers (telefonische enquête bij 2011 , dat leek me een leuk getal om te stoppen, cijfers tussen nul en oneindig) stelde ik de vraag "Bent u bekwaam om een haalbare oplossing voor te stellen?"
De enige die daar negatief op antwoordde was een cijfer met de naam pi die nogal een verwarde uitleg begon te geven dat vragen die begonnen met "bent u ..."  principieel beantwoord werden met een  "nee".
"We kunnen verontwaardigd zijn..."
We zijn allemaal indignados.
Ik stel mij de vraag of we nog niet-verontwaardigd kunnen zijn?
Ik ben daar redelijk pessimistisch over.
Het pessimisme over het niet-populisme.

P.S. weerom geweldige cartoon.

woensdag 26 oktober 2011

Stephen Hawking

Gisteren ben ik in een ietwat genante situatie verzeild geraakt.
“Hoe komt dat zo”, vraagt u zich af.
Wel, gisteren gaf Stephen Hawking een lezing in Leuven en ik was daar bij.
Dat kan u misschien verbazen omdat u mij nog altijd een beetje als een wereldvreemde kwiet beschouwd, maar ik ben wel degelijk vertrouwd met het oeuvre van Stephen Hawking.
Wat meer is, “A brief history of time” staat niet alleen in mijn boekenkast, ik heb het ooit op een blauwe maandag zelfs gelezen.
Laat ik u niet langer in spanning houden. Wat is er gebeurd tijdens de lezing van Stephen Hawking?
Ik ben in slaap gevallen.
Erg hé.
Dit is niet zo maar een boutade om een ironische noot bij het werk van Stephen Hawking te plaatsen, helemaal niet zelfs. Geloof me, als ik een ironische noot bij het werk van Stephen Hawking zou willen plaatsen, dan zou ik een tekstje schrijven en dan zou ik niet de moeite doen om me naar de aula De Somer te verplaatsen.
Nee, echt waar, ik ben gewoon in slaap gevallen. Redelijk genant.
“Can you hear me?”
Zo begon de lezing van Stephen Hawking.
Verder herinner ik me niets meer tot ik wakker werd van het applaus.
Een moment waarin de tijd even had stilgestaan als het ware.
Een mij onbekende buurman sprak mij aan.
“Toch wel indrukwekkend hoor, zo intens nadenken over de eerste vragen van de mens. Waar komen wij vandaan, waarom zijn we hier…”

Nu, ik geef eerlijk toe dat ik in slaap gevallen ben, maar ik ben toch wel erg zeker van mijn stuk.
“Can you hear me?”
Dat was wel degelijk de eerste vraag.

http://dagkrant.kuleuven.be/?q=node/10169

zaterdag 22 oktober 2011

Jan Hoet

interview met Jan Hoet in De Morgen Magazine.

"Alle grote dingen komen uit chaos, uit ontwrichting. Uit orde ontstaat het kwaad. Het is een mombakkes waarachter je alles kan verbergen. Het maakt je los van alle medeplichtigheid. In de orde is alles gecategoriseerd, afgebakend, opgedeeld. Iedereen heeft zijn functie en is derhalve onschuldig voor het totaalbeeld. Dat is wat managers vandaag doen. Zij bakenen alles af in een leugen. Ik geloof daar niet in. De leugen van de perfectie doodt creativiteit en motivatie. Het is allemaal opgedrongen."

Jan Hoet is groots als hij de taal van zijn moeder spreekt.

"Mijn moeder zocht haar eigen schilderijen uit. Zij wist weinig van kunst. Als ik haar zou gevraagd hebben wat impressionisme was, zou ze het hoofd hebben afgewend. Zij kocht op intuïtie en achteraf bleek dat ze een bijzonder goede smaak had. Sterker nog, de schilderijen die zij had gekozen bleken twintig jaar later van een hogere artistieke kwaliteit te zijn dan de collectie van mijn vader. Ik heb ontzettend veel liefde van haar gekregen."
"Mijn hele leven heb heb ik de neiging gehad altijd het intuïtieve in mezelf op te zoeken. Niets is mooier dan de frisheid van de intuïtie. Ik was me daar wellicht bewuster van dan mijn moeder. Zij was niet geconditioneerd door kennis, ik wel. Ik heb altijd een strijd moeten voeren tussen kennis en intuïtie, tussen weten en voelen. Juist omdat ik mijn kunstbeleid zo'n intuïtief uitgangspunt had, gingen er vrachten kritiek over me heen. Intuïtie behoort tot de mythologie en daar waren al die criticasters bang voor. Voor hen moest alles theoretisch zijn. Theorie is de hel. De hele wereld is theorie geworden en zie waar de wereld staat: aan de afgrond."

Jan Hoet voert nog altijd strijd tussen kennis en intuïtie.
"de schilderijen die zij had gekozen bleken twintig jaar later van een hogere artistieke kwaliteit te zijn dan de collectie van mijn vader"
Jan Hoet spreekt soms de taal van zijn vader.


@ Jan: Bij deze stel ik mij kandidaat om naar Yinchuan te gaan.
Oh ja, bijna vergeten, mijn kunstwerk.
Een volledig witte kamer, de deur moet ook volledig weggewerkt zijn.
Onzichtbaar zijn er verschillende blazers opgesteld achter de muren, in de grond en in het plafond.
In de kamer is er een doorzichtige bal in licht materiaal die voortdurend rond dwarrelt in de kamer.
"Womb" is de titel van het kunstwerk. Mooi woord trouwens, womb. Het lijkt wel of je er in zit als je het uitspreekt. Bestaat er een naam voor dergelijke stijlfiguur?
Al vind ik "baar-moeder" ook wel een mooi woord. Maar misschien is dat te provincialistisch.
Mijn eerste idee was eigenlijk om het naar je mama te vernoemen. Maar dat vond ik een beetje te slijmerig.
Of anders een Chinese "womb": 子 宫 [zĭgōng]. 
Letterlijk vertaald betekent dat "De tempel van het kind". Mooi toch. (U ziet, ik ben helemaal klaar voor dat China reisje).
Of misschien gewoon "Worden". "Worden" is de baarmoeder van het Zijn
Ach, bekijk het maar. Een titel, dat is zeggen wat het "is".
Zeggen wat het "is", is dat niet eerder het werk van de kunstkenner dan dat van de kunstenaar?