Wilt u graag geloven dat kindervaccins autisme veroorzaken? Dat de Holocaust nooit heeft plaatsgegrepen? Dat niet
Osama Bin Laden,
maar de Amerikaanse overheid in 2001 de aanslagen op het World Trade
Center heeft georganiseerd? Een minuutje googelen volstaat om van al die
meningen een bevestiging te vinden. U zult uiteraard méér informatie
vinden die het tegendeel aantoont, maar wees gerust: er zijn genoeg
websites die in uw kraam zullen passen, waar u in elke discussie koppig
naar kunt verwijzen.
Het zijn niet alleen complotdenkers
die dat doen. Wij doen het allemaal. Ook als we geen rare dingen
geloven, hebben we vooral oog voor informatie die in ons kraam past. Het
is zelfs de denkfout waar we het vaakst last van hebben. Dat werd in
1979 aangetoond met een beroemd experiment aan de universiteit van het
Amerikaanse
Stanford.
De onderzoekers vroegen zich af
welk effect onze mening heeft op de manier waarop we nieuwe informatie interpreteren.
Bekijkt iedereen nieuwe gegevens op dezelfde manier, of hangt dat af
van de mening die ze van tevoren al hadden? Ze deden een experiment met
voor- en tegenstanders van de doodstraf, die ze allemaal twee fiches
lieten zien.
Op
de ene fiche: de resultaten van een onderzoek waaruit bleek dat de
argumenten voor de doodstraf geen steek houden. Op de andere fiche:
resultaten van een onderzoek met een totaal tegenovergestelde conclusie.
Drie keer raden wat er gebeurde. De voorstanders van de doodstraf waren
niet onder de indruk van de informatie die hun mening op losse
schroeven zette. De tegenstanders vonden de informatie die niet met hún
mening strookte zeer zwak. Iedereen had dezelfde informatie gezien, maar
geloofde alleen wat in het eigen kraam paste. Met als gevolg dat
iedereen na afloop nog sterker overtuigd was van het eigen gelijk.
Het
besluit van de onderzoekers was duidelijk: 'Als onze studie iets
aantoont, dan is het wel dat sociale wetenschappers niet mogen
verwachten dat hun pogingen om objectieve gegevens te verzamelen over
brandende sociale kwesties, zullen leiden tot rationaliteit, verlichting
en consensus over het beleid. Als mensen met een tegenovergestelde
visie in hetzelfde bewijsmateriaal al de bevestiging kunnen vinden voor
hun eigen mening, dan hoeft het niemand te verwonderen dat de research
in de sociale wetenschappen (...) de vlammen van het debat vaker zal
aanwakkeren dan kalmeren.'
Voor mensen die daar nog aan
twijfelden, werd Twitter uitgevonden. Neem een actueel onderwerp naar
keuze. Zo eentje dat de geesten verdeelt, waarover weleens fors wordt
gediscussieerd. De islam, bijvoorbeeld. Of de taxshift. Of de Europese
Unie. Hou even in de gaten wat voor- en tegenstanders daarover allemaal
tweeten en retweeten en u zult zien dat de meesten onder ons haast
uitsluitend argumenten omarmen die onze opinie bevestigen, terwijl er
misschien evenveel of meer argumenten circuleren die onze visie
ontkrachten of uitdagen.
Dat
is niet raar. Dat is verklaarbaar. Zo zit de menselijke geest nu
eenmaal in elkaar. We zoeken eerder naar bevestiging van wat we al
geloven dan naar informatie die ons wereldbeeld kan doen kantelen. In
wetenschappelijk jargon: onze zwaarste denkfout is de zogenaamde
confirmation bias,
de bevestigingsvertekening. Ons beeld van de wereld is vertekend omdat
we vooral oog hebben voor wat dat beeld bevestigt. En dat doen we zeker
niet altijd opzettelijk. Meestal niet, zelfs. Het gebeurt automatisch,
zonder dat we ons daarvan bewust zijn. Met alle gevolgen van dien.
'Mensen
hebben de neiging om hun opinies te behouden, ook wanneer die in hun
eigen nadeel spelen', schrijft de Gentse psycholoog
Alain Van Hiel in zijn boek
Sociale Psychologie.
'Waarnemers zijn geregeld het slachtoffer van de tendens om informatie
te interpreteren, te zoeken en te vervormen in overeenstemming met hun
bestaande opvattingen. Zo blijven beleggers investeren in aandelen die
hun waarde verliezen, blijven managers slecht werkende plannen
uitvoeren, en slagen juryleden er niet in hun opinie te herzien wanneer
hen verteld wordt dat het bewijsmateriaal hoogst twijfelachtig is.'
Advocaat, geen wetenschapper
Hoe
komt dat? Waarom zit er zo'n fabricatiefout in ons redeneervermogen? Op
het eerste gezicht is dat bijzonder merkwaardig. Zou het niet veel
nuttiger zijn als we vooral oog zouden hebben voor informatie die onze
meningen ter discussie stelt? Evolutionair bekeken lijkt de
confirmation bias
immers te gek voor woorden: wie zijn wereldbeeld altijd maar bevestigt,
zonder oog voor eventuele tegenargumenten, loopt in z'n ongeluk en
overleeft niet lang op de savanne.
Waarom heeft de natuur ons
niet uitgerust met een innerlijke wetenschapper, die altijd de waarheid
zoekt? Dat is tenslotte wat wetenschap kenmerkt: de zoektocht naar
falsificatie in plaats van naar bevestiging. Wetenschappers moeten
altijd bereid zijn om ongelijk te krijgen, experimenten moeten zo
ontworpen zijn dat het resultaat de aanvankelijke hypothese kan
ontkrachten. Aan wetenschap doen is eigenlijk: tegenargumenten zoeken.
Waarom werkt ons brein zo niet?
'Ik denk dat er een misverstand bestaat over de functie van ons redeneervermogen', zegt de Canadese onderzoeker
Hugo Mercier. 'We redeneren niet zozeer om te onderzoeken of onze overtuiging klopt, maar om argumenten voor die overtuiging te zoeken.'
Mercier
studeerde filosofie, economie en politieke wetenschappen en doet nu al
een tijdje research naar onze cognitieve vermogens. Ik heb via Skype met
hem afgesproken omdat hij een nieuwe manier heeft om die rare
confirmation bias van ons te verklaren.
'Ons
redeneervermogen heeft een sociale functie', legt hij uit. 'Als we
redeneren, zoeken we eigenlijk argumenten om anderen te overtuigen. En
dan is het natuurlijk erg zinvol om vooral oog te hebben voor wat jouw
visie ondersteunt en in jouw kraam past. Daarom redeneren we niet om aan
zelfkritiek te doen, maar om bevestiging te zoeken. Als je op basis van
je buikgevoel voor deze of gene partij hebt gestemd, zal je verstand je
allerlei redenen geven waarom dat een goede keuze was. En je gevoel zal
daardoor versterkt worden. Redeneren bevestigt je eigen wereldbeeld,
dat is de
confirmation bias.'
We hebben geen innerlijke
wetenschapper, die al onze meningen voortdurend tegen het licht houdt om
de tekortkomingen ervan te zien. We hebben een innerlijke advocaat, die
voortdurend argumenten zoekt om onze meningen te versterken en te
verdedigen. We zijn ons als het ware haast onafgebroken aan het
voorbereiden op een debat.
Dat beeld van de advocaat tref ik aan in het boek
Ons feilbare denken van de Israëlische psycholoog
Daniel Kahneman.
Hij verdeelt de menselijke geest in twee systemen: systeem 1 is het
snelle, intuïtieve denken; systeem 2 het trage, rationele denken.
Systeem 2 doet vaak aan zelfkritiek, schrijft Kahneman: ons verstand kan
onze intuïtie corrigeren, dat is een van de belangrijke functies die
het heeft. Maar voor onze
beliefs, onze overtuigingen, speelt systeem 2 'apologeet', zeg maar: advocaat van de verdediging.
'De
zoektocht naar argumenten en informatie wordt dan grotendeels beperkt
tot informatie die consistent is met onze bestaande overtuigingen',
schrijft Kahneman. 'Die zoektocht heeft dus niet de bedoeling onze
overtuigingen kritisch te onderzoeken.'
We hebben niet alleen last van zo'n
confirmation bias
of bevestigingsvertekening. In zijn boek somt Kahneman een hele resem
denkfouten op waaraan we voortdurend ten prooi vallen. Iets wat
vertrouwd overkomt, bijvoorbeeld, omdat we het al vaak gehoord hebben,
zullen we sneller geloven dan iets wat we nog nooit gehoord hebben. Van
verschijnselen waar we vaak over lezen, echtscheidingen in Hollywood
bijvoorbeeld, overschatten we de frequentie. Als we een vraag moeten
beantwoorden die heel complex is - zoals: welke partij kan dit land het
best door de crisis loodsen? - vervangen we die onbewust door een vraag
die gemakkelijker is - zoals: welke politicus ziet er het bekwaamst uit?
We zullen niet graag toegeven dat het zo werkt. Omdat we nu
eenmaal geen irrationele wezens willen zijn. Maar ook omdat we niet
wéten dat het zo werkt. We hebben, toont Kahneman in zijn boek
overtuigend aan, geen bewuste toegang tot de werking van onze geest. We
weten veel minder over onszelf dan we geneigd zijn te denken. 'En het is
geen optie om dat niet te geloven', schrijft hij uitdagend. 'Deze
inzichten zijn waar. Sterker nog: ze zijn waar over u.'
De politieke supporter
Wij zijn allemaal olifanten in het diepst van onze gedachten. Dat lees ik in
The Righteous Mind van de Amerikaanse psycholoog
Jonathan Haidt,
het boek dat me, samen met dat van Kahneman, echt verplichte lectuur
lijkt voor iedereen die grondig wil begrijpen hoe onze meningen tot
stand komen.
Wat Kahneman nogal technisch 'systeem 1' en 'systeem
2' noemt, noemt Haidt met iets meer gevoel voor beklijvende beeldspraak
'de olifant' en 'de bestuurder'. Die olifant vertegenwoordigt ons
buikgevoel, onze intuïtie - systeem 1. De berijder, dat is dan ons
verstand - systeem 2. En terwijl de berijder denkt dat hij het voor het
zeggen heeft, is het volgens Haidt net andersom: de olifant zet de koers
uit, de berijder moet meestal volgen. 'Samen strompelen ze door het
leven.'
Ook
Haidt gebruikt het beeld van de advocaat als hij over de ratio
schrijft: in plaats van onze olifant voortdurend te bekritiseren en te
corrigeren, neemt de berijder het meestal voor hem op. De berijder
verzorgt als het ware de public relations van onze olifant. Ons verstand
verkoopt de beslissingen van onze intuïtie en houdt zo onze reputatie
in stand. Want die reputatie vinden we vaak belangrijker dan de
waarheid. Eens te meer leer ik bij Haidt dat onze meningen vooral een
sociale functie hebben.
'Ons morele denken lijkt meer op een
politicus die stemmen wil halen dan op een wetenschapper die de waarheid
zoekt', schrijft hij. We argumenteren met andere woorden niet om uit te
leggen hoe we tot een oordeel zijn gekomen, maar om anderen ervan te
overtuigen dat ze ons oordeel moeten volgen. Met de nadruk op
ons,
want - om eens een beroemde sigarettenslogan te parafraseren - een
mening vorm je nooit alleen. Met onze meningen geven we namelijk aan tot
welke groepen en coalities we behoren.
Denk daaraan als u op
Twitter nog eens getuige bent van een hooglopende discussie tussen links
en rechts, of als u op een familiefeest in een politiek debat verzeild
raakt: we zijn daar geen rationele argumenten aan het uitwisselen, we
zijn onze eigen morele gemeenschap aan het verdedigen. We zijn geen
intellectueel betoog aan het houden, we zijn aan het supporteren voor
onze club. Als was het een voetbalmatch. Al dat lawaai op Twitter, dat
is de spionkop van links die tekeergaat tegen de spionkop van rechts.
'We
verbinden ons in groepjes waarvan de leden een moreel verhaal met
elkaar delen', schrijft Haidt. 'Zodra we ons dat morele verhaal eigen
hebben gemaakt, worden we blind voor de tegenargumenten. Moraliteit
verbindt en verblindt.' En dat geldt niet alleen voor politiek, maar
bijvoorbeeld ook voor religie, aldus Haidt: 'Religie gaat over
belonging, niet over
believing' - religie gaat over ergens bijhoren, niet over iets geloven.
Dat
verlangen om tot een groep te behoren is evolutionair sterk in ons
verankerd. 'In het stenen tijdperk was dat een kwestie van leven of
dood', vertelde de Deense onderzoeker
Michael Bang Petersen me onlangs.
'Voor
onze voorouders was het erg belangrijk dat ze duidelijk maakten tot
welke groep ze behoorden. Je had die groep nodig om te overleven, om je
te beschermen. De mens is een politiek dier dat coalities vormt. Ook
vandaag nog. Die coalities kunnen verschillende vormen aannemen: je ras,
je voetbalploeg, je religie of je politieke partij. Maar het
biologische mechanisme is telkens hetzelfde.'
Aan dat inzicht
hield Bang Petersen een rare afwijking over, bekende hij me nog: 'Omdat
ik de evolutionaire achtergrond van opinievorming bestudeer, vind ik het
steeds lastiger om moreel verontwaardigd te zijn.
I lose my views, ik raak mijn opinies kwijt.'
Zou
het? Is Bang Petersen werkelijk zo onthecht? Ik fronste mijn
wenkbrauwen toen hij dat beweerde. Evolutionaire psychologen zijn
namelijk zélf hopeloos verdeeld in twee rivaliserende kampen. Bang
Petersen behoort, samen met bioloog
Richard Dawkins en psycholoog
Steven Pinker,
tot het kamp dat niet gelooft in zogenaamde groepsselectie: zij denken
dat natuurlijke selectie alleen werkt op het niveau van genen en
individuen.
Maar een groeiende groep even vooraanstaande biologen denkt daar helemaal anders over:
David Sloan Wilson en
Edward Osborne Wilson,
bijvoorbeeld, die overigens geen familie zijn van elkaar. Dat
meningsverschil is een ongelofelijk complexe discussie die alleen met
wetenschappelijke argumenten kan worden beslecht. In de praktijk is het
een verbeten en emotioneel gevecht, waarbij bitse verwijten heen en weer
vliegen. Richard Dawkins snauwt graag dat zijn collega's er niets van
snappen, een van de Wilsons noemt Dawkins graag 'een journalist, geen
wetenschapper' - wat qua belediging voor de Britse bioloog wel kan
tellen.
Bang Petersen lacht als ik hem dat biologisch gebekvecht
voor de voeten werp. 'Ja, dat zijn inderdaad twee verschillende
stammen', lacht hij. 'En ik vind dat de leden van de andere stam
ontzettende dommeriken zijn. Maar ernstig: wetenschappers zijn ook maar
mensen. Wij worden gedreven door dezelfde emotionele fenomenen die
overal aan het werk zijn: jaloezie, statuscompetitie, coalitievorming...
Alleen beschikt de wetenschap over methodes en instellingen die leiden
tot zorgvuldige waarheidsvinding. Uiteindelijk zal ook dit
wetenschappelijke debat beslecht worden op een correcte manier.'
Het einde van de wereld
Helaas
zijn exacte wetenschappen het enige domein met een onpersoonlijke,
nuchtere en efficiënte procedure om uit te maken wie gelijk heeft.
Finaal hebben de feiten altijd het laatste woord: wetenschappers moeten
hun ideeën toetsen aan de werkelijkheid, via waarneming of experiment.
De theorie volgt de feiten. En dat is niet wat er in de rest van de
samenleving altijd gebeurt. Vaak doen we net het omgekeerde, zoals de
Amerikaanse psycholoog
Leon Festinger op 21 december 1954 verbijsterd vaststelde.
Ik
vind het een van de vermakelijkste verhalen uit de geschiedenis van de
psychologie: de stunt die Festinger uithaalde met een sekte in Chicago
die zich
The Seekers noemde. Festinger en zijn medewerkers hadden het groepje, dat werd geleid door ene
Dorothy Martin,
geïnfiltreerd met het oog op die fameuze 21e december in 1954. Op die
dag zou de wereld vergaan, zo had de sekteleidster vernomen van de
buitenaardse wezens met wie zij een bevoorrecht contact onderhield.
The Seekers
zouden vlak voor die apocalyps evenwel worden geëvacueerd met vliegende
schotels - sommigen onder hen hadden de ritssluiting veiligheidshalve
uit hun broek gesneden, omdat ze vreesden dat het metaal de apparatuur
aan boord van die ruimtetuigen zou ontregelen. Enfin, men was tot in de
puntjes voorbereid. En Festinger en zijn team volgden alles op de voet.
Zoals
wij ondertussen weten, ging 21 december 1954 voorbij zonder
noemenswaardige apocalyps. Er waren van tevoren ook geen vliegende
schotels geland om
The Seekers te helpen ontsnappen naar een
andere planeet. Toen duidelijk werd dat het einde van de wereld voor een
andere keer zou zijn, maakte de sekteleidster haar volgelingen, onder
wie vijf onderzoekers van Festinger, wijs dat het opperwezen de ramp had
uitgesteld omdat zij met z'n allen zo gelovig waren geweest.
In
Sociale Psychologie
schrijft Alain Van Hiel over deze beroemde ontknoping: 'Hoe zouden de
volgelingen reageren? Zouden ze mevrouw Martin ontmaskeren als een
leugenaar, intrigant, komediant of hysterisch persoon? Nee, hoor. De
volgelingen, die zich eigenlijk oneindig belachelijk hadden gemaakt,
reageerden met opluchting en enthousiasme. In plaats van mevrouw Martin
te vertellen waar het op stond, liepen ze vreugdevol de straat op,
vervuld van het heilig vuur en met een ongebreidelde bekeringsijver. De
moraal van dit verhaal is onthutsend. Mensen blijken in hun ijver om hun
overtuigingen consistent te houden, bereid te zijn zich irrationeel te
gedragen, ook wanneer de feitelijke basis voor deze overtuigingen
verdwenen is.'
Mensen
zijn in staat om de gekste dingen te geloven en daar dan geweldig aan
gehecht te raken - desnoods vervormen ze de feiten om hun opinies te
laten kloppen. Zoals The Seekers deden, dus. Festinger vond voor dat
verschijnsel de term cognitieve dissonantie uit: als feit en mening niet
meer samengaan, forceren we dat soms een beetje. Jonathan Haidt
vergelijkt overtuigingen met kinderen: we spelen ze niet graag kwijt,
het liefst zouden we hen altijd bij ons houden. En dat geldt voor ons
allemaal - van links tot rechts, van religieus tot liberaal.
Haidt
kreeg gaandeweg trouwens steeds meer begrip voor die kronkels in onze
geest, voor dat wat onbeholpen gestommel van die olifant met die
berijder op zijn rug. Zo schrijft hij dat hij vroeger, zoals de meesten
van zijn collega's, dacht dat conservatieve mensen een beetje gek waren.
Maar van dat idee is hij bevrijd. We hebben, weet hij ondertussen,
allemaal de neiging om enorm veel belang te hechten aan ogenschijnlijk
triviale dingen. Wij zijn allemaal geboren moralisten.
Maar we
zijn dat over andere kwesties, omdat we lid zijn van verschillende
morele clubjes. De ene hecht het meeste belang aan vrijheid, de andere
wil te allen prijze tradities in stand houden. Haidt vergelijkt onze
morele antennes met smaakpapillen: we proeven dezelfde werkelijkheid
maar onze smaken verschillen van elkaar. Vandaar de soms onoplosbare,
oeverloze meningsverschillen. En zelfs met identieke morele gevoeligheid
komen we er vaak niet uit. Denk aan het recente debat over de boerkini.
Zowel de argumenten voor als de argumenten tegen een verbod rusten op
dezelfde morele prioriteit: vrijheid.
De vraag die overblijft,
luidt: hoe veranderen we dan wel van mening? En hoe kunnen we iemand met
een andere mening overtuigen van de onze? Volgens Haidt is dat simpel:
'Praat niet met de berijder, praat met de olifant.' Hij verwijst naar de
legendarische Amerikaanse marketeer
Dale Carnegie, die in 1936 het boek
Hoe je vrienden maakt en mensen beïnvloedt publiceerde.
'Carnegie
was een van de grootste olifantenfluisteraars aller tijden', schrijft
Haidt. 'Hij drong er herhaaldelijk op aan om directe confrontaties te
vermijden, om vriendelijk te beginnen, om te glimlachen, om goed te
luisteren en om nooit tegen mensen te zeggen dat ze het mis hebben. Als
je iemand wilt overtuigen, moet je warmte en openheid creëren alvorens
je eigen opinie te verdedigen.'
Hugo Mercier weet hoe we onze
eigen meningen kunnen bijsturen indien nodig. 'In je eentje zul je niet
snel van mening veranderen', zegt hij. 'Het komt er dus op aan met
andere mensen te praten. Niet op Twitter, en niet in een debat, want dan
wil je alleen je eigen punt maken. Maar aan een tafel, waar
verschillende meningen vertegenwoordigd zijn. Het punt is dat je de
fouten in je eigen redenering niet ziet, maar in die van iemand anders
wel. Daarom heb je anderen nodig om je eigen mening bij te sturen. Er
zijn al heel wat experimenten gebeurd met deliberatieve democratie, die
erg veelbelovend zijn.'
Ik noteer: hier zit stof in voor nog een heleboel andere verhalen.
Niet-roker zonder vermogen
Tot
slot klop ik nog eens bij Alain Van Hiel aan met die merkwaardige bocht
die ik de voorbije tien jaar heb gemaakt in mijn houding tegenover het
rookverbod, de bocht die mij inspireerde om met deze serie te beginnen.
Op
het eerste gezicht is het een logische bocht: tien jaar geleden rookte
ik zestig sigaretten per dag en was ik heftig gekant tegen elk verbod,
ondertussen rook ik al tien jaar niet meer en ben ik voor een zo ruim
mogelijk verbod. Is dat niet erg flauw en egoïstisch van mij? Heeft mijn
gedrag mijn mening veranderd, zonder dat ik daar objectieve argumenten
voor heb? Want die heb ik niet - het is te zeggen: ik ken geen nieuwe
argumenten voor of tegen het rookverbod in vergelijking met tien jaar
geleden.
Van Hiel glimlacht geamuseerd. 'Uw ervaring is niet zo
verbazend. Onze attitudes hebben een invloed op ons gedrag, maar het
omgekeerde is ook waar. Je kijkt altijd van je eigen perspectief naar de
dingen, en dat perspectief kan veranderen. Volgens mij kun je dat zelfs
toepassen op politieke overtuigingen.'
Van Hiel geeft een voorbeeld. 'Neem nu de kiezers die vroeger voor het
Vlaams Belang stemden en ondertussen zijn verhuisd naar de
N-VA.
Die mensen stemmen vandaag dus voor een partij die gematigder
standpunten heeft over migratie en integratie dan hun vroegere partij.
Welnu, ik kan mij voorstellen dat ze onder invloed van dat nieuwe
stemgedrag hun opinies en vooroordelen over die thema's enigszins hebben
aangepast. Ook als ze niet om die reden van partij zijn veranderd,
lijkt de kans mij groot dat zij vandaag minder negatief staan tegenover
multicultureel samenleven dan vroeger, louter als gevolg van hun
gewijzigde stemgedrag. Mij lijkt dat in elk geval een boeiende
hypothese, die ik graag eens zou testen. Om de vergelijking door te
trekken: die kiezers zijn als het ware gestopt met roken, en dat heeft
hun mening over een aantal thema's beïnvloed.'
Maar
hoever kan dat gaan? Vandaag ben ik voor een vermogenswinstbelasting,
wat een niet zo dappere mening is, aangezien ik niet over een vermogen
beschik. Als ik morgen, om welke reden dan ook, ineens vermogend word,
zou ik dan een tegenstander zijn van zo'n belasting?
'Niet van de
ene dag op de andere, natuurlijk', antwoordt Van Hiel. 'Maar ik kan mij
voorstellen dat uw mening zou evolueren. In een eerste fase zou u
misschien wat onverschilliger worden over het onderwerp, om gaandeweg
lichtjes van mening te veranderen. Dat hoeft niet het geval te zijn,
maar u mag het zeker niet uitsluiten. Het is niet altijd eenvoudig om
afscheid te nemen van je meningen, maar dat dezelfde persoon in de loop
van zijn leven eerst voor en daarna tegen iets kan zijn, spreekt
vanzelf.'
http://www.knack.be/nieuws/wetenschap/hoe-kunnen-we-iemand-met-een-andere-mening-overtuigen-van-de-onze/article-longread-617885.html
"We hebben niet alleen last van zo'n confirmation bias of bevestigingsvertekening. In zijn boek somt Kahneman een hele resem denkfouten op waaraan we voortdurend ten prooi vallen."
Eén van die denkfouten is het u ongetwijfeld bekende "argumentum ad verecundiam".
Het beroep doen op een autoriteit.
U kent dat wel, op zoek gaan naar geleerde mensen die denken wat jij denkt.
Nu is er wel iets vreemds aan de hand met dat argument.
Soms is het namelijk een argument en soms een drogreden.
Laten we als voorbeeld het vrij neutrale "Stelling X is juist" nemen.
Dan stelt zich de vraag, "Waarom is stelling X juist?".
Men zou daar op kunnen antwoorden: "Omdat autoriteit Y zegt dat het juist is".
Dat antwoord kan een argument zijn of een drogreden.
Wat is het verschil?
Als autoriteit Y het bij het rechte eind heeft is het een argument.
Als autoriteit Y er volledig naast zit is het een drogreden.
In het eerste geval is er evenwel een klein probleem.
"Autoriteit Y zegt dat het juist is omdat stelling X juist is."
Immers: "Finaal hebben de feiten altijd het laatste woord."
Mij lijkt dat een kringredenering.
Effe het boek van "een hele resem denkfouten" Kahneman lezen voor meer informatie.
Of Joël bellen.
Maar die is nogal autoritair. Zegt men.