zaterdag 22 februari 2014

Leopold Flam



"De metafysische eenzaamheid dient als immanente doelmatigheid verstaan te worden. […] Hoe minder zij zich reduceert tot en vergelijkt met het andere en de anderen, des te meer ontwikkelt zich immanent haar voldoende reden, die we zelfvoldaanheid of zelfvoldoening zouden noemen, zonder enige morele implicatie. […] Zelfvoldaanheid betekent dat in het werk zelf van langsom meer zijn rechtvaardiging wordt ontwikkeld, dat het zelf zijn doelmatigheid voortbrengt." (Leopold Flam)


Van zodra een onderscheid gemaakt wordt tussen filosofie en parafilosofie, tussen wetenschap en pseudowetenschap, tussen werkelijkheid en fictie ontstaat er een filosofisch probleem.
Hoe wordt het onderscheid gemaakt?
Dat is een onbelangrijke vraag.
Ze is onbelangrijk omdat "maken" een persoonlijk werkwoord is.
Wie maakt het onderscheid?
Dat is meteen ook een eeuwig filosofisch probleem.
Elke poging tot antwoord zal gedoemd zijn om vroeg of laat ontmaskerd te worden als een drogreden: autoriteitsargument (ad verecundiam).

De enige manier om dit filosofisch probleem te omzeilen is het onderscheid zelf intrinsiek te maken.
Maar wie maakt het intrinsiek?
Dat is een filosofisch probleem.

Het onderscheid wordt niet gemaakt, het onderscheid "is" intrinsiek.
Het onderscheid is intrinsiek.
"Intrinsiek" is verzelfstandigd.
Daar waar het vroeger een adjectief was (de tekst heeft geen intrinsieke betekenis) is het een substantief geworden.
"Onderscheid" en "intrinsiek" worden gebruikt als synoniemen.
Onderscheid = intrinsiek.

De mens (de "wie?") is uit het verhaal weggeschreven.
Door wie?
Dat noopt ons tot een herformulering.
De mens (de "wie?") is uit het verhaal verdwenen.
Hoe?
Laten we niet in rondjes blijven draaien.
Uiteindelijk komen we tot de volgende conclusie:
De mens "is" niet.
Als dusdanig is er geen filosofisch probleem.
Dat lijkt me ook logisch: zonder de mens zijn er geen filosofische problemen.

Maar waar komt deze tekst vandaan?
Een auteur die zuiver logisch schrijft, is niet alleen onleesbaar, maar vals of onwerkelijk.
Leopold Flam.

Dat is een onbelangrijke vraag.
De vraag is of Leopold Flam voorafgaand aan het schrijven de zuivere logica (een pleonasme) al dan niet heeft opgegeven.

Als uitsmijter een aforisme:
Verdienstelijke lezers lezen verdienstelijke teksten.



'De metafysische eenzaamheid dient als immanente doelmatigheid verstaan te worden.(…) De authentieke doelmatigheid van het werk kan in sommige filosofische teksten gevolgd worden, die tevens voorbeelden zijn voor en van de metafysische eenzaamheid: de Ethica van Spinoza, de Kritik der reinen Vernunft van Kant, de Phänomenologie des Geistes van Hegel, de Logische Untersuchungen en de Ideeen van Edmund Husserl, het Tractaat van L. Wittgenstein, Sein und Zeit van M. Heidegger en L’ Etre et le Néant van J.P. Sartre.
Spinoza, Kant en Husserl citeren haast nooit en wanneer Hegel, Heidegger of Sartre citeren, dan gebeurt het binnen de immanente beslotenheid van het werk zelf, dat van elders geen referenties vergt. Elk van de aangehaalde werken mag men niet van buiten uit benaderen door ze tot de invloeden, die ze ondergingen, te herleiden, tenzij zij zelf er zich op betrekken. Hun eenzaamheid is metafysisch door hun zelffundering. De zelffundering betekent dat ze in hun uiteenzetting zelf hun voldoende reden ontwikkelen in de letterlijke zin van het ont-wikkelen van een rol, zonder tussenkomst van uiterlijke of vreemde factoren. De zelffundering sluit het uiterlijk en vreemd gezag van welke aard uit. De tekst antwoordt niet op een gegeven bevel of een uiterlijke opvordering of vraag. Hij geeft zelf de grond van zijn waarom, waaruit en waartoe. Zijn soevereiniteit domineert echter niet en eist evenmin onderdanige gehoorzaamheid en onderwerping (of subjectivering) aan, noch opwerping (objectivering) van de lezer. De tekst is zozeer besloten dat hij als zodanig zich op geen lezer betrekt, noch erom smeekt, want hij heeft aan zichzelf genoeg. Nochtans is een tekst zonder lezers reine onzin. Zonder de mededeling wordt een tekst geledigd van de tekst, wordt hij een formeel spinneweefsel, een labyrint, want een tekst, ledig van zijn tekst, heeft zichzelf uitgevaagd. Zo de eenzaamheid van een tekst geen lezer impliceert, is hij echter een wenk en een uitnodiging tot een lezer die het verdient hem te lezen?
Is dit geen reine illusie? Welke lezer van de Ethica zou kunnen zeggen dat hij het verdient de tekst te lezen? Welke criteria zullen hem zeggen dat hij de lezer is die het verdient hem te lezen? Wanneer hij gewaar wordt dat hij door de tekst geïmpliceerd wordt en hij kan dit alleen maar gewaar worden wanneer hij de onvoltooidheid en het fragmentair karakter van de tekst bemerkt, niettegenstaande zijn beslotenheid. De lezers van Spinoza zoals Leibniz, Lessing, Hegel, G. Friedmann, Gilles Deleuze, Louis Althusser worden elk op hun wijze door en in de tekst van de Ethica geïmpliceerd, hetgeen geenszins hun onderdanigheid en gehoorzaamheid inhoudt. Integendeel, was dit het geval dan zouden zij het niet verdienen de spinozistische tekst te lezen.
Moest de Ethica echter in vergetelheid geraakt zijn dan was de tekst niet metafysisch eenzaam maar afgezonderd en eigenlijk niet bestaande. Alleen door de lectuur van ‘verdienstelijke lezers’ treedt hij uit het niets van de vergetelheid in de metafysische eenzaamheid van zijn enigheid en oorspronkelijkheid. ‘ (…)

woensdag 19 februari 2014

Cornelis Verhoeven



 ‘Een denker (is) een parafilosoof als hij er niet in slaagt zijn gedachten te formuleren op een wijze die verstaanbaar is voor medemensen en medefilosofen.’
Cornelis Verhoeven.


Het uitgangspunt om een onderscheid te maken tussen een filosoof enerzijds en een parafilosoof anderzijds is een tekst in zijn ruime betekenis.

Deze tekst is niet intrinsiek "begrijpelijk" of "onbegrijpelijk". Mij lijkt het immers logisch dat de tekst eerst gelezen of gehoord moet worden. Een tekst die niet gelezen of gehoord wordt is immers geen tekst.
"Een tekst, ruim gedefinieerd, is een reeks talige tekens, zoals letters, symbolen of klanken, die in een communicatieve situatie als een geheel wordt ervaren."
Dat is de definitie van Wikipedia.
Dat is natuurlijk geen referentie. Zoals gebruikelijk mag u wat mij betreft er zelf een definitie op nahouden. Maar in het kader van deze tekst kan er alleen maar gediscussieerd worden indien u ook op één of andere manier het "communicatieve" in uw definitie integreert.

Van zodra er een onderscheid gemaakt wordt tussen een filosoof enerzijds en een parafilosoof anderzijds is het risico zeer groot dat de schrijver in een kafkaëske toestand terecht komt.

De schrijver presenteert zich als individu aan de lezer.
Door middel van de tekst wil hij communiceren met de lezer.
Met een abstract begrip is geen communicatie mogelijk.
"Hij slaagt er niet in zijn gedachten te formuleren op een wijze die verstaanbaar is voor medemensen en medefilosofen", stelt de lezer.
Op die manier ontneemt hij de schrijver een aanspreekpunt.
De schrijver kan geen verhaal halen bij de lezer. De lezer verplaatst zich in de rol van de boodschapper, hij is louter de boodschapper van "de medemensen en de medefilosofen".
Maar de schrijver volhardt: "Kan ik dan de medemensen en de medefilosofen spreken?"
Waarop de lezer: "U snapt het niet meneer de parafilosoof, het is de examinator die beslist of u er al dan niet in slaagt uw gedachten te formuleren op een wijze die verstaanbaar is voor medemensen en medefilosofen".

Maar waarom zou de schrijver verhaal willen halen bij de lezer?
Een schrijver die zich presenteert als individu, al wat hij schrijft is louter en alleen in zichzelf gegrondvest, weet dat de lezer die schrijft zich als individu presenteert.
Al wat geschreven wordt is louter en alleen in de schrijver gegrondvest.
Waarom zou hij dan nog verhaal willen halen?
De tekst is de communicatie.

P.S. Wat ik eigenlijk wou communiceren: Cornelis Verhoeven is de man die Parmenides aan een weerloze filosofie koppelde.
Onbegrijpelijk is dat.


 http://www.trouw.nl/tr/nl/4324/Nieuws/archief/article/detail/1681924/2006/01/31/De-filosofie-van-een-weerloos-citaat.dhtml

De filosofie van een weerloos citaat

door Peter Hofman − 31/01/06, 00:00
Politici en reclamemakers putten graag uit gedichten. Heel populair: 'alles van waarde is weerloos'. Lucebert-kenner Peter Hofman zoekt de wijsgerige bronnen van het gedicht op.
'Alles van waarde is weerloos': weinig dichtregels worden zo vaak geciteerd als deze van Lucebert. Met grote neonletters prijken ze op het gebouw van een Rotterdamse verzekeringsmaatschappij. Een wat ironische situatie want in dat gebouw draait alles juist om zekerheid en weerbaarheid.
Een recent voorbeeld van misbruik van het citaat is de titel van het onlangs verschenen CDA-rapport: 'Alles van waarde is weerbaar'. Maar hoe dan ook, kennelijk worden velen door Luceberts woorden aangesproken.
Minder bekend is het gedicht waaruit dit citaat afkomstig is. En toch is die context bepalend voor een goed begrip van de beroemde zin:
de zeer oude zingt:
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid
rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
We hebben hier te maken met een nogal filosofisch gedicht, dat je rustig tot je moet nemen, kauwend en herkauwend. Eigenlijk moet je het hardop laten klinken.
De filosoof Cornelis Verhoeven heeft er in 1989 op gewezen dat, gezien de inhoud van regel 1-7, die 'zeer oude' uit de titel de wijsgeer Parmenides moet zijn, die nog vóór de 'oude' Socrates, Plato en Aristoteles leefde.
Parmenides zei dat het zijnde er óf helemaal wel óf helemaal niet is, je kunt het niet verdelen of ontrafelen, 'omdat het in alles gelijk is. Het is niet aan de ene kant meer, noch is het aan de andere kant minder.' Je zou in Shakespeare's 'to be or not to be' een latere echo hiervan kunnen beluisteren. Zoals de (zeer) ouden zongen, piepen in iedere tijd weer de jongen.
Lucebert heeft Parmenides' gedachte op zijn eigen wijze verwoord en aangevuld. Hij citeert de woorden 'alles' en 'gelijk' en geeft het 'zijnde' weer in de stadia van verleden, heden en toekomst met de woorden 'was', 'is' en 'wordt'.
Mijn parafrase van regel 1-7: het gaat bij het zijn niet in de eerste plaats om de hoeveelheid; beslissend is of 'het' er is. Je weet nooit precies wat er was (regel 3): de werkelijke oorsprong der dingen is onzeker, onttrekt zich aan onze waarneming. En alles wat zich in een proces van ontwikkeling bevindt 'wordt willoos' (regel 4) en is dus niet in de hand te houden door wiens of welke wil dan ook.
Dan volgt de kern (regel 5): pas als het gaat om dat wat er is, hier en nu, wordt het ernst. De kwaliteit van het zijn wordt dus bepaald in het absolute nu: hoe bewust ben je in het hier en nu aanwezig.
Het heilloze van de herinnering (regel 6) bevestigt het gezegde in regel 3: 'nog is onzeker wat er was'. Met andere woorden: de herinnering aan het verleden kan de oorsprong van het zijnde niet achterhalen.
En het zijnde blijft eveneens ijlings (regel 7) als je het in de toekomst zoekt, zoals gezegd in regel 4: 'wat wordt wordt willoos'.
Daarna, als een reflectie op het voorgaande, volgt de rest van het gedicht.
Eerst regel 9-11: alles wat werkelijk waardevol is - als het er in het leven écht op aankomt - is kwetsbaar. Je kunt het niet 'pakken', niet vasthouden; je kunt het wel áanraken of er door aangeraakt wórden. Die aanraakbaarheid maakt het leven rijk en daarmee gelijk aan al het werkelijk levende.
De slotregel, die niet voor niets herhaald wordt, benadrukt nog eens, als een refrein, het belang van het aandachtig leven in het hier en nu: 'het hart van de tijd' is het heden waarin alles van waarde aanraakbaar is, dichterbij dan we denken.
 
 
 

zaterdag 15 februari 2014

Ben Richards




Valentijnsweekend in Swansea.
Op de rommelmarkt kon ik het dagboek van ene Ben Richards op de kop tikken.


25 oktober 1946 (of misschien 26 oktober, ik weet niet hoe laat het is...)

Ik kijk naar zijn slapende lichaam.
Neen, dat is uiteraard niet waar. Ik schrijf hoe ik keek naar zijn slapende lichaam, en terwijl niemand dit leest kijk ik alweer naar zijn slapende lichaam.
Voor de eerste keer heb ik de liefde bedreven met dat nu slapende lichaam.
Hij overrompelde me.
Het hing al een tijdje in de lucht, een lucht zwanger van onweer, maar als de passie dan toeslaat is het toch nog overrompelend.
Niet zo bij hem, hij was rustig.
We gingen naar een lezing in King's College.
"Zijn er filosofische problemen?"
Hij leek me afwezig. Af en toe keek hij me met een onderzoekende blik aan.

Nonchalant stond hij op en liep naar de haard. De aandacht van het verbouwereerde publiek was niet meer bij de spreker maar bij de zwijger. Minuten lang staarde hij naar de vlammen. Hij nam de haardpook en stookte het vuur op.
Hij draaide zich om en onderbrak schaamteloos het sermoen.
"Geef me een moreel voorschrift", zei hij terwijl hij de kachelpook als een jad voor zich uit hield.
De spreker, het moet gezegd, liet zich niet van de wijs brengen.
Hij bewaarde even de stilte om de aandacht weer voor zich op te eisen.
"U zal geen bezoekers die een lezing komen geven bedreigen met een kachelpook.", antwoordde hij met de glimlach. De zaal grinnikte.

Vervaarlijk zwaaide hij met de kachelpook.
"Wat is bedreigend?", schreeuwde hij met luide stem.
"Is dit bedreigend?", deed hij een paar grote stappen naar voor terwijl hij met de kachelpook bleef zwaaien.
Maar even vlug als zijn toorn was opgelaaid, was ze ook weer gedoofd.
Hij liet de pook een paar keer handig als een wandelstok rond zijn vingers draaien.
"Is dit bedreigend?", vroeg hij poeslief.
Als een dandy wandelde hij weer naar de haard.

Hij monsterde zwijgend de aanwezigen.
"Wees niet bang", zei hij en hij reikte me de hand, "ga met me mee".

woensdag 5 februari 2014

Anton Dautzenberg



Onder het motto "de recensent gerecenseerd".
Dirk Leyman bespreekt de verhalenbundel van Anton Dautzenberg.
Daarin lees ik een merkwaardige zin.
Ik begin met te citeren waar de recensent de schrijver citeert.


""Het verhaal moet goed zijn. Non-fictie bestaat naar mijn mening niet. Alles is fictie, inclusief de wetenschap", zo heeft Dautzenberg al vaker geopperd. Dus wrijf je je regelmatig de ogen uit, wanneer de werkelijkheid weer opnieuw de fictie blijkt te overtreffen."

De werkelijkheid, datgene wat dus niet bestaat, overtreft de fictie!
Even mijn ogen uitwrijven. (Alleen de blinden zien!)

Ondertussen ben ik wel nieuwsgierig geworden naar Anton Dautzenberg. (Goede recensie dus Dirk!)

Het citaat is een beetje uit zijn context gehaald.


‘Ze weten het niet. Maar eigenlijk maakt het niet uit of ik Lemmy heb geïnterviewd of niet. Het verhaal moet goed zijn. Non-fictie bestaat naar mijn mening niet. Alles is fictie, inclusief de wetenschap. Een amalgaam van constructies waarmee we de werkelijkheid willen duiden – beheersen zelfs. Wat tien jaar geleden een feit was, kan nu een dwaling zijn. En in de politiek worden continu leugens verkocht.’
https://myjour.com/a/quattro-mani/voor-anton-dautzenberg-alles-fictie/#./?&_suid=139162532746807053169277845621


"Alles is fictie, inclusief de wetenschap. Een amalgaam van constructies waarmee we de werkelijkheid willen duiden – beheersen zelfs."


"Alles is fictie behalve de werkelijkheid", als het ware.


zondag 19 januari 2014

James Joyce



All things are inconstant except the faith in the soul, which changes all things and fills their inconstancy with light, but though I seem to be driven out of my country as a misbeliever I have found no man yet with a faith like mine.

James Joyce, Letter to Augusta Gregory (22 November 1902)


vrijdag 17 januari 2014

Noël Slangen

http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/Opinie/article/detail/1775706/2014/01/17/Geloven-in-God-of-Allah-staat-mensenrechten-niet-in-de-weg.dhtml

Dirk Verhofstadt stelde hier gisteren dat geloven in God of Allah of iedere andere godsdienst aanleiding is tot geweld en moord (DM 16/1). De remedie is niet meer of minder dan het bannen van het geloof en het vervangen door universele mensenrechten. Ik ben het fundamenteel met hem oneens.

Ik deel veel overtuigingen met Dirk Verhofstadt. Maar zijn afkeer voor God/Allah is er daar geen van. Door de manier waarop Dirk tekeer gaat tegen ieder geloof lijkt het wel alsof atheïsme ook een geloof is. Het is oneerlijk om geloof te reduceren tot extremisme en geweld.

Tegenover het slechte dat uit geloof is voortgekomen, kunnen we er niet naast kijken dat veel meer mensen inspiratie putten uit hun geloof om goed te doen, zowel christenen, moslims als andere gelovigen. Gelovige mensen doen veel vrijwilligerswerk, vormen een sterk netwerk dat medemensen wil helpen en vertonen een bijna gedateerd engagement.

Voor iedere katholieke kindermisbruiker en iedere islamitische extremist staan duizenden gelovigen die kiezen voor goedheid, mededogen en verdraagzaamheid. Tegenover een lijstje van ieder leider die vermoord is door een religieus extremist, kun je een lijstje plaatsen van mensen die vermoord zijn door extremisten zonder geloofsachtergrond. Stalin, Mao, Hitler en Pol Pot dan catalogeren als 'ersatz-geloof' is een kunstgreep die ik niet verwacht van een intellectueel zoals Dirk Verhofstadt.

Waarom zou je gewelddaden in naam van het geloof niet catalogeren als 'ersatz-politiek'? Iedere vorm van tribalisme, waarbij één groep zich definiëert op basis van het onderscheid met een andere groep, leidt tot het soort excessen en misdaden waarover hij het heeft. Niet alleen gelovig tegenover niet-gelovig maar ook arisch tegenover niet-arisch, eigen volk tegenover ander volk, Hutu tegenover Tutsi, enzovoort.

Anders leren denken
Ook als liberalen moeten we het recht omarmen dat ieder mens zelf mag kiezen welk concept men op zijn waarden plakt. Het geloof in een determinerende en bepalende godheid is inderdaad niet verenigbaar met een liberale mensvisie. Maar vanaf het moment dat je aanvaardt dat een mens zelf verantwoordelijk is voor de gevolgen van zijn of haar daden, en dus ook een verschil kan maken los van die inspirerende Allah of God, is een liberale levensvisie perfect verzoenbaar met geloven.

Geloof staat het omarmen van universele mensenrechten niet in de weg. Het probleem is dat mensenrechten veel minder universeel zijn dan we denken. En daar is niet alleen het religieus fundamentalisme voor verantwoordelijk. Het is niet omdat de orthodoxe kerk in Rusland de misstanden van Poetin ondersteund, dat Poetin mensenrechten schendt omwille van zijn geloof. Die mensenrechten en waarden universeel maken en afdwingen is de uitdaging waar we voor staan.

In dat opzicht ben ik het eens met Dirk Verhofstadt dat we iedereen die hier woont universele mensenrechten moeten aanleren. En kunnen we niet toegeven op het gegeven dat in ons land universele mensenrechten en onze door een democratische meerderheid gestemde wetten per definitie primeren op het geloof dat een persoon aankleeft. Om die attitude verder te verspreiden en het extremisme te bestrijden zullen katholieken, moslims, andere gelovigen, agnostici en atheïsten samen moeten werken.

Want het grootste plezier dat we extremisten en tribalisten kunnen doen is gaan denken zoals zij denken.



Soms helpt het als u even twee verschillende zinnen onmiddellijk na mekaar leest.
Iedere vorm van tribalisme, waarbij één groep zich definiëert op basis van het onderscheid met een andere groep, leidt tot het soort excessen en misdaden waarover hij het heeft. Want het grootste plezier dat we extremisten en tribalisten kunnen doen is gaan denken zoals zij denken.
Soms.

maandag 13 januari 2014

Alfred Jarry



Un épiphénomène est ce qui se surajoute à un phénomène.
La pataphysique dont l’étymologie doit s’écrire et l’orthographe réelle 'pataphysique, précédé d’une apostrophe, afin d’éviter un facile calembour, est la science de ce qui se surajoute à la métaphysique, soit en elle-même, soit hors d’elle-même, s’étendant aussi loin au-delà de celle-ci que celle-ci au-delà de la physique.
Et l’épiphénomène étant souvent l’accident, la pataphysique sera surtout la science du particulier, quoiqu’on dise qu’il n’y a de science que du général.
Elle étudiera les lois qui régissent les exceptions et expliquera l’univers supplémentaire à celui-ci; ou moins ambitieusement décrira un univers que l’on peut voir et que peut-être l’on doit voir à la place du traditionnel, les lois que l’on a cru découvrir de l’univers traditionnel étant des corrélations d’exceptions aussi, quoique plus fréquentes, en tous cas de faits accidentels qui, se réduisant à des exceptions peu exceptionnelles, n’ont même pas l’attrait de la singularité.
DÉFINITON: La pataphysique est la science des solutions imaginaires, qui accorde symboliquement aux linéaments les propriétés des objets décrits par leur virtualité.







Albert Einstein had een hond.
Hij heette Jarry.
Dat schoot me zo-even te binnen.

zaterdag 11 januari 2014

John Massis



Men beweert dat er in het debat nood is aan nuance.
Er is nood aan tegengewicht.

Die redenering veronderstelt dat er in het debat "gewicht" aanwezig zou zijn.
Dat is hier echter nooit aan de orde.

Gewichtloosheid weegt zo weinig dat het geen antoniem meer heeft.

zondag 5 januari 2014

Philippe Moureaux



 "Laat mij met enige schroom volgende vergelijking maken: vergeet niet dat het nationaal-socialisme door veel van de toenmalige Duitse ondernemers werd ondersteund. In tijden van crisis hebben minder intelligente ondernemers vaak de neiging om naar sterke, rechtse waarden te zoeken", zegt de PS-nestor vandaag in De Tijd.



Ik weet weinig.
Maar ik weet dat Ludwig Wittgenstein een visionair was.
Wat is een visionair?
Dat is niet zomaar iemand met een visie.
Laten we wel wezen, in dat geval is iedereen een visionair.
Philippe Moureaux zou dan beschouwd kunnen worden als een visionair.




Geef toe, ziet Philippe Moureaux er uit als een visionair?
Nee, een visionair is niet iemand met een visie, een visionair is iemand met een visioen.
Een toekomstbeeld.
Een visionair is iemand die in de toekomst kan zien.

"De zinnen van de logica zijn tautologieën"
"Die Sätze der Logik sind Tautologien."
Ludwig Wittgenstein, TLP 6.1

Dat is een visioen.
Uiteraard bedoelde Wittgenstein niet dat alle zinnen van de logica tautologieën zijn.
God behoede ons.
Een zin als
"De wereld is onafhankelijk van mijn wil"
"Die Welt ist unabhängig von meinem Willen."
Ludwig Wittgenstein, TLP 6.373
zou dan een tautologie zijn.
De wereld "is", omdat ze onafhankelijk is van mijn wil.
De wereld is onafhankelijk van mijn wil, omdat ze "is".

Voorwaar,
de zin
"De zinnen van de logica zijn tautologieën"
"Die Sätze der Logik sind Tautologien."
Ludwig Wittgenstein, TLP 6.1
zou zelf een tautologie zijn.


Men zou voor minder zijn bedenkingen hebben.
Neen, de waarheid is veel eenvoudiger.
Ludwig Wittgenstein kon in de toekomst kijken.
Hij schreef deze stelling enkel en alleen met de uitspraak van Philippe Moureaux in het achterhoofd.

Waarom zijn sommige ondernemers minder intelligent?
Sommige ondernemers zijn minder intelligent omdat ze de neiging hebben om in tijden van crisis naar sterke, rechtse waarden te zoeken.
Waarom hebben sommige ondernemers de neiging om in tijden van crisis naar sterke, rechtse waarden te zoeken?
Sommige ondernemers hebben de neiging om in tijden van crisis te zoeken naar sterke, rechtse waarden omdat ze minder intelligent zijn.

 



Een ... euh ... intelligent politicus kent zijn klassiekers.


zaterdag 4 januari 2014

Rutger Bregman



 http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/Opinie/article/detail/1767577/2014/01/04/Nieuwe-dromen-voor-het-nieuwe-jaar-Leugens-grove-leugens-en-het-bbp.dhtml

Nieuwe dromen voor het nieuwe jaar: Leugens, grove leugens en het bbp


OPINIE − 04/01/14, 07u00
In steeds meer westerse landen gelooft een meerderheid dat generatie Y het slechter zal hebben dan haar ouders. De 25-jarige schrijver Rutger Bregman is heilig overtuigd van het tegendeel. Als we maar willen dromen. "Een generatie die niet wil dromen, verliest het recht op een betere wereld." Bregman verzamelde voor De Morgen drie idealen, aangeboden voor de politieke agenda. Vandaag deel 3.

Het begon rond kwart voor drie 's middags. Op tien kilometer diepte beefde de aarde zoals ze in anderhalve eeuw niet had gebeefd. Honderd kilometer verderop sloegen de seismometers op tilt: een kracht van 9 op de schaal van Richter. Minder dan een half uur later raasden de eerste golven over Japan. Ze bereikten hoogtes van tien, vijftien, soms wel twintig meter. In een paar uur tijd werd maar liefst 400 vierkante kilometer land bedolven onder water, modder en gruis. Bijna 20.000 mensen kwamen om in het natuurgeweld.

Een paar maanden later becijferde de Wereldbank de schade op 235 miljard dollar - een bedrag zo groot als het bbp van Griekenland. De zeebeving van Sendai, op 11 maart 2011, zou de geschiedenis ingaan als de duurste ramp. Ooit.

En toch is dat niet het hele verhaal. Een paar dagen later voorspelde de Nederlandse econoom Michiel Vergeer dat de Japanse economie ervan zou opknappen. Natuurlijk, op korte termijn zou de productie inzakken. Maar na een paar maanden zou de wederopbouw leiden tot meer vraag, werkgelegenheid en consumptie. "Een geweldige impuls voor de economie", jubelde Vergeer.

Hij kreeg gelijk.

Na een kleine krimp in 2011 groeide Japan in 2012 weer - met 2 procent. En nu gaat het nog beter. Het land is onderhevig aan een oude economische wet: rampen zijn zo gek nog niet, voor het bbp althans.

Wat gezien wordt
Moeten we dan niet dagelijks een dijk doorsteken? Een wijk in puin schieten? Een fabriek opblazen? Onze heilige maatstaf van vooruitgang, het bbp, zou het wel kunnen waarderen. Het is slechts de optelsom van alle goederen en diensten die in een land worden geproduceerd, door binnen- en buitenlandse ondernemingen.

Vrijwilligerswerk, schone lucht, het gratis plakje worst bij de slager - het bbp wordt er niet groter van. Als een zakenvrouw met haar schoonmaker trouwt, dan krimpt het bbp - haar vent doet zijn werk voortaan als huisman. Of neem Wikipedia, waar mensen niet in geld, maar in tijd voor betalen. Het heeft de oude Encyclopedia Britannica weggevaagd, met alle gevolgen voor het bbp. Volgens schattingen van de OESO (de denktank van rijke landen) zou het bbp anderhalf keer zo groot zijn als we al het onbetaalde werk meerekenen. Het meetellen van onze vrije tijd zou het zelfs verdubbelen.

Maar het bbp is niet alleen blind voor veel goede dingen, het rekent ook ellende mee alsof het de wereld verbetert. Files, drugsmisbruik, vreemdgaan - het zijn goudmijntjes voor tankstations, afkickklinieken en echtscheidingsadvocaten. De grootste held van het bbp is een gokverslaafde kankerpatiënt die net is beroofd, door een dure scheiding gaat en volledig op hol slaat tijdens de Drie Dwaze Dagen. Milieuvervuiling draagt zelfs dubbel bij: als de troep wordt achtergelaten en als het weer moet worden opgeruimd. Een eeuwenoude boom telt pas mee als je hem omhakt, in stukjes zaagt en verkoopt.

Zo is het rijkste land ter wereld, de Verenigde Staten, topscorer als het om sociale ellende gaat. Geestesziektes, tienerzwangerschappen, obesitas, vervuiling en misdaad: het bbp vindt het allemaal prachtig. Het is ook blind voor ongelijkheid, die in 80 procent van alle landen groeit, en schuld, wat leven op de pof wel heel verleidelijk maakt.

Alsof dat nog niet genoeg is, wordt de groei van onze kennis nauwelijks meegerekend in het bbp. In de afgelopen jaren zijn onze mobiele telefoons slimmer, sneller en mooier geworden. Maar ook goedkoper - en dus telt het niet mee. Iemand met een gsm in Afrika heeft nu toegang tot meer informatie dan president Clinton in de jaren negentig, maar de informatiesector maakt een even groot deel uit van de economie als 25 jaar geleden (ongeveer 4 procent). Dertig jaar geleden kostte een gigabyte dataopslag nog 300.000 dollar, nu minder dan 10 cent. Het zal het bbp worst wezen.

Begrijp me niet verkeerd: in veel landen gaan economische groei, geluk en gezondheid nog hand in hand - daar zijn nog magen te vullen en muren te metselen. Maar de inwoners van het rijke Westen zijn aan het einde van een lange historische reis gekomen: de economische groei, als motor van vooruitgang, lijkt te zijn opgebrand. Al dertig jaar levert groei nauwelijks extra welzijn op. Wij zijn de eerste generatie die andere manieren moet zoeken om de kwaliteit van ons leven te verbeteren.

Elke eeuw zijn cijfers
Het bbp is misschien wel de grootste mythe van onze tijd. Waar politici ook over ruziën, over één ding zijn ze het eens: het bbp moet groeien. Groei is goed. Het is goed voor de werkgelegenheid, goed voor de koopkracht en goed voor de overheid, die dan nog meer kan uitgeven.

En dan te bedenken dat het tachtig jaar geleden nog niet eens bestond.

Herbert Hoover, president van de Verenigde Staten, tachtig jaar geleden voor een onmogelijke opgave. Hij moest de Grote Depressie bestrijden aan de hand van een ratjetoe aan cijfers: de beurskoersen, de prijs van ijzer en het volume van het vrachtwagenvervoer. Toen werd een briljante Russische professor aan het werk gezet. De jonge Simon Kuznets moest een antwoord geven op een simpele vraag: hoeveel spullen kunnen we maken? In de jaren die volgden zou hij het fundament leggen voor wat later het bbp werd.

Het belang van dat cijfer valt moeilijk te overschatten. Volgens sommige historici was de uitvinding van het bbp nog belangrijker dan de uitvinding van de atoombom. Het bbp bleek een geweldige maatstaf voor de kracht van een oorlogseconomie. Hitler miste de statistieken om de Duitse economie helemaal op stoom te krijgen. Pas in 1944, toen de Russen oprukten in het oosten en de geallieerden landden in het westen, bereikte de Duitse economie zijn hoogste productiekracht. Het Amerikaanse bbp had toen al gezegevierd - Kuznets kreeg er aan het einde van zijn leven de Nobelprijs voor.

Vanuit de ruïnes van depressie en oorlog verrees het bbp als ultieme maatstaf voor alle vooruitgang. De glazen bol van de natie, het cijfer om af te rekenen met alle andere cijfers. En dit keer niet om een oorlog te winnen, maar om de consumptiemaatschappij te grondvesten. Vóór de uitvinding van het bbp werden economen nauwelijks door journalisten geciteerd. Maar na de oorlog waren ze niet meer weg te slaan uit de krantenkolommen. Ze konden ineens wat niemand anders kon: de werkelijkheid beheersen, de toekomst voorspellen.

En natuurlijk, niemand kon ontkennen dat het bbp geweldig was geweest tijdens de oorlog. Toen de vijand voor de poort stond, draaide alles om productie: zoveel mogelijk tanks, vliegtuigen, bommen en granaten. In oorlogstijd is het prima om van de toekomst te lenen. In oorlogstijd is het verstandig om het milieu te vervuilen en schulden te maken. In oorlogstijd is het een goed idee om je gezin te verwaarlozen, vrouwen en kinderen achter de lopende band te zetten, je vrije tijd op te offeren en alles wat het leven de moeite waard maakt te vergeten. Het bbp helpt daar als geen ander bij. De ecoloog en econoom Herman Daly schrijft dat het ons in staat stelt de economie te runnen alsof het een 'business in liquidation' is. Want als het niet meer lukt te groeien door te innoveren of harder te werken, dan kun je altijd nog lenen, lenen, lenen.

Hallo, wereldwijde recessie van 2008.

Alternatieven
Het bbp is bedacht voor een andere tijd, met andere problemen.

En dat is niet triviaal. Het is geen kleinigheidje dat onze statistiek de vorm van onze economie niet meer omvat. Iedere tijd heeft zijn eigen cijfers nodig. In de achttiende eeuw ging het nog om de omvang van de oogst. In de negentiende eeuw was het de lengte van het spoor, het aantal fabrieken en de kolenexport. In de twintigste eeuw ging het om de industriële massaproductie, met de natiestaat als belangrijkste eenheid.

Maar nu valt onze welvaart niet meer in simpele euro's te vatten. Van zorg tot onderwijs, van de publieke omroep tot de financiële sector - nog altijd zijn we op 'efficiency' en 'rendement' gefixeerd, alsof de samenleving één grote lopende band is. Maar juist in een diensteneconomie werken simpele, kwantitatieve targets niet meer. "Het bbp meet alles, behalve wat het leven de moeite waard maakt", zei Robert Kennedy eens.

We zijn, kortom, aan nieuwe cijfers toe.

Nog altijd moeten we onze beslissingen maken op basis van zo betrouwbaar mogelijke informatie en cijfers. We hebben een dashboard nodig van allerlei indicatoren die meten wat het leven de moeite waard maakt: geld en groei, natuurlijk, maar ook geluk, vrijwilligerswerk, werkgelegenheid, zekerheid en solidariteit. Vooral het meten van tijd - hét schaarse goed van deze eeuw - is cruciaal.
'Zo'n dashboard kan nooit objectief zijn', klinkt het dan. En zo is het. Waardenvrije, neutrale cijfers bestaan niet. Achter iedere statistiek zitten aannames en oordelen. En belangrijker nog: cijfers kaderen het handelen in. We hebben nieuwe cijfers nodig - juist omdat we anders moeten gaan handelen.

Tachtig jaar geleden waarschuwde Simon Kuznets er nog voor. "De welvaart van een natie kan nauwelijks worden begrepen vanuit een meting van het nationaal inkomen", schreef hij. "Zulke metingen zijn onderhevig aan illusies en misbruik, omdat ze over dingen gaan die centraal staan in de conflicten tussen sociale groepen, waarbij de effectiviteit van een argument afhankelijk is van oversimplificatie."

Na de oorlog begon Kuznets zich steeds meer zorgen te maken over het monster dat hij had geschapen. "We moeten onderscheid maken tussen de kwantiteit en kwaliteit van groei"' schreef hij in The New Republic. "Tussen kosten en baten, tussen de korte en de lange termijn. Ieder streven naar 'meer groei' zou moeten specificeren wat voor groei, en waarvoor."

En dus is het aan ons, kritische burgers en journalisten, om vragen te stellen. Wat is groei? Wat is vooruitgang? Hoe gaat het echt met dit land? Iedere tijd heeft zijn eigen cijfers nodig; de onze zijn aan vervanging toe.


"Wat is groei?"
Het Belgisch Staatsblad groeit.
Het Belgisch Staatsblad wordt alsmaar dikker en dikker.
Dat is een feit, dat kan men meten.
Het is de absurde poging van de mens om van de uitzondering een regel te maken.
Er is de regel waaraan iedereen zich dient te houden.
Maar de regel is onbarmhartig, hij heeft geen oog voor het specifieke, hij heeft geen oog voor de uitzondering.
Maar er is de willekeur van de uitzondering.
Dus is er de poging om de uitzondering in een regel te vatten.
Maar de regel is onbarmhartig...
Het is een perpetuum mobile.
We geraken er niet onderuit, indien we er aan zouden kunnen ontsnappen zou het geen perpetuum mobile zijn.
Een perpetuum mobile "is".

"We moeten onderscheid maken tussen de kwantiteit en de kwaliteit van groei."
Het Belgisch Staatsblad moet op dieet.
Minder regels maar betere regels.
De kwaliteit is immers meetbaar.
Zoals de uitzondering een regel wordt, wordt de kwaliteit een kwantiteit.

"Wat is ...?"
De droom wordt een leugen.
Dat is jammer.