zondag 23 februari 2014
De verdienstelijke lezer
De verdienstelijke lezer.
Ik vraag me altijd af wat ik me daar bij moet voorstellen.
In mijn verbeelding - en geloof me, mijn verbeelding is eindeloos - is dat een soort half-half wezen.
Een sfinks. Of een satyr. Of een zeemeermin.
Of nee, een onocentaur, dat lijkt me nog het meest toepasselijke.
Of beter nog een omgekeerde onocentaur: het hoofd van een ezel met het onderstel van een mens.
Ziedaar de verdienstelijke lezer.
De "verdienstelijke" is een mens die niet bestaat.
En de lezer is een mens.
Als ik dergelijke combinaties te lezen krijg kan ik onbedaarlijk beginnen lachen.
Of ik word er intriest van. Een droefheid die zo diep gaat dat ik er soms aan begin te twijfelen of het niet een intrinsieke droefheid is. Kan je nagaan.
Het meest recente voorbeeld uit mijn collectie: de deskundige burger.
http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2014/02/19/de-deskundige-burger-welkom-in-een-verbeterde-democratie-0
Een hoogleraar taal godbetert!
Het uitgangspunt is altijd hetzelfde:
Men merkt dus dat “redelijke argumenten”, ten eerste, verschillende vormen hebben. Er zijn redelijke vormen van contextualisering, die een bepaald thema in verband brengen met andere thema’s. Er zijn redelijke argumenten die gebaseerd zijn op deskundigheid en daardoor overwegen op redelijke argumenten die deze deskundigheid missen. De zaak is dat in die veelheid van types van redelijke argumenten wel degelijk een hiërarchie aanwezig is. Niet alle meningen zijn gelijk of evenwaardig, in weerwil van wat Caroline Gennez daarover denkt.
Uiteraard moet men met dergelijk uitgangspunt op zoek naar het universele, het intrinsieke.
Niet het redelijke is hier het universele, het redelijke is relatief omdat het onderhevig is aan contextualisering.
Het intrinsieke zit hier in de deskundigheid.
De "deskundige" is een mens die niet bestaat.
En de burger is een mens.
Als ik dergelijke combinaties te lezen krijg kan ik onbedaarlijk beginnen lachen.
Of ik word er intriest van. Een droefheid die zo diep gaat dat ik er soms aan begin te twijfelen of het niet een intrinsieke droefheid is. Kan je nagaan.
zaterdag 22 februari 2014
Leopold Flam
"De metafysische eenzaamheid dient als immanente doelmatigheid verstaan te worden. […] Hoe minder zij zich reduceert tot en vergelijkt met het andere en de anderen, des te meer ontwikkelt zich immanent haar voldoende reden, die we zelfvoldaanheid of zelfvoldoening zouden noemen, zonder enige morele implicatie. […] Zelfvoldaanheid betekent dat in het werk zelf van langsom meer zijn rechtvaardiging wordt ontwikkeld, dat het zelf zijn doelmatigheid voortbrengt." (Leopold Flam)
Van zodra een onderscheid gemaakt wordt tussen filosofie en parafilosofie, tussen wetenschap en pseudowetenschap, tussen werkelijkheid en fictie ontstaat er een filosofisch probleem.
Hoe wordt het onderscheid gemaakt?
Dat is een onbelangrijke vraag.
Ze is onbelangrijk omdat "maken" een persoonlijk werkwoord is.
Wie maakt het onderscheid?
Dat is meteen ook een eeuwig filosofisch probleem.
Elke poging tot antwoord zal gedoemd zijn om vroeg of laat ontmaskerd te worden als een drogreden: autoriteitsargument (ad verecundiam).
De enige manier om dit filosofisch probleem te omzeilen is het onderscheid zelf intrinsiek te maken.
Maar wie maakt het intrinsiek?
Dat is een filosofisch probleem.
Het onderscheid wordt niet gemaakt, het onderscheid "is" intrinsiek.
Het onderscheid is intrinsiek.
"Intrinsiek" is verzelfstandigd.
Daar waar het vroeger een adjectief was (de tekst heeft geen intrinsieke betekenis) is het een substantief geworden.
"Onderscheid" en "intrinsiek" worden gebruikt als synoniemen.
Onderscheid = intrinsiek.
De mens (de "wie?") is uit het verhaal weggeschreven.
Door wie?
Dat noopt ons tot een herformulering.
De mens (de "wie?") is uit het verhaal verdwenen.
Hoe?
Laten we niet in rondjes blijven draaien.
Uiteindelijk komen we tot de volgende conclusie:
De mens "is" niet.
Als dusdanig is er geen filosofisch probleem.
Dat lijkt me ook logisch: zonder de mens zijn er geen filosofische problemen.
Maar waar komt deze tekst vandaan?
‘Een auteur die zuiver logisch schrijft, is niet alleen onleesbaar, maar vals of onwerkelijk.’
Leopold Flam.
Dat is een onbelangrijke vraag.
De vraag is of Leopold Flam voorafgaand aan het schrijven de zuivere logica (een pleonasme) al dan niet heeft opgegeven.
Als uitsmijter een aforisme:
Verdienstelijke lezers lezen verdienstelijke teksten.
'De metafysische eenzaamheid dient als immanente
doelmatigheid verstaan te worden.(…) De authentieke doelmatigheid van het werk
kan in sommige filosofische teksten gevolgd worden, die tevens voorbeelden zijn
voor en van de metafysische eenzaamheid: de Ethica van Spinoza, de Kritik der
reinen Vernunft van Kant, de Phänomenologie des Geistes van Hegel, de Logische
Untersuchungen en de Ideeen van Edmund Husserl, het Tractaat van L.
Wittgenstein, Sein und Zeit van M. Heidegger en L’ Etre et le Néant van J.P.
Sartre.
Spinoza, Kant en Husserl citeren haast nooit en wanneer
Hegel, Heidegger of Sartre citeren, dan gebeurt het binnen de immanente
beslotenheid van het werk zelf, dat van elders geen referenties vergt. Elk van
de aangehaalde werken mag men niet van buiten uit benaderen door ze tot de
invloeden, die ze ondergingen, te herleiden, tenzij zij zelf er zich op
betrekken. Hun eenzaamheid is metafysisch door hun zelffundering. De
zelffundering betekent dat ze in hun uiteenzetting zelf hun voldoende reden
ontwikkelen in de letterlijke zin van het ont-wikkelen van een rol, zonder
tussenkomst van uiterlijke of vreemde factoren. De zelffundering sluit het
uiterlijk en vreemd gezag van welke aard uit. De tekst antwoordt niet op een
gegeven bevel of een uiterlijke opvordering of vraag. Hij geeft zelf de grond
van zijn waarom, waaruit en waartoe. Zijn soevereiniteit domineert echter niet
en eist evenmin onderdanige gehoorzaamheid en onderwerping (of subjectivering)
aan, noch opwerping (objectivering) van de lezer. De tekst is zozeer besloten
dat hij als zodanig zich op geen lezer betrekt, noch erom smeekt, want hij heeft
aan zichzelf genoeg. Nochtans is een tekst zonder lezers reine onzin. Zonder de
mededeling wordt een tekst geledigd van de tekst, wordt hij een formeel
spinneweefsel, een labyrint, want een tekst, ledig van zijn tekst, heeft
zichzelf uitgevaagd. Zo de eenzaamheid van een tekst geen lezer impliceert, is
hij echter een wenk en een uitnodiging tot een lezer die het verdient hem te
lezen?
Is dit geen reine illusie? Welke lezer van de Ethica zou
kunnen zeggen dat hij het verdient de tekst te lezen? Welke criteria zullen hem
zeggen dat hij de lezer is die het verdient hem te lezen? Wanneer hij gewaar
wordt dat hij door de tekst geïmpliceerd wordt en hij kan dit alleen maar gewaar
worden wanneer hij de onvoltooidheid en het fragmentair karakter van de tekst
bemerkt, niettegenstaande zijn beslotenheid. De lezers van Spinoza zoals
Leibniz, Lessing, Hegel, G. Friedmann, Gilles Deleuze, Louis Althusser worden
elk op hun wijze door en in de tekst van de Ethica geïmpliceerd, hetgeen
geenszins hun onderdanigheid en gehoorzaamheid inhoudt. Integendeel, was dit het
geval dan zouden zij het niet verdienen de spinozistische tekst te
lezen.
Moest de Ethica echter in vergetelheid geraakt zijn dan
was de tekst niet metafysisch eenzaam maar afgezonderd en eigenlijk niet
bestaande. Alleen door de lectuur van ‘verdienstelijke lezers’ treedt hij uit
het niets van de vergetelheid in de metafysische eenzaamheid van zijn enigheid
en oorspronkelijkheid. ‘ (…)
woensdag 19 februari 2014
Cornelis Verhoeven
‘Een denker (is) een parafilosoof
als hij er niet in slaagt zijn gedachten te formuleren op een wijze die
verstaanbaar is voor medemensen en medefilosofen.’
Cornelis Verhoeven.
Het uitgangspunt om een onderscheid te maken tussen een filosoof enerzijds en een parafilosoof anderzijds is een tekst in zijn ruime betekenis.
Deze tekst is niet intrinsiek "begrijpelijk" of "onbegrijpelijk". Mij lijkt het immers logisch dat de tekst eerst gelezen of gehoord moet worden. Een tekst die niet gelezen of gehoord wordt is immers geen tekst.
"Een tekst, ruim gedefinieerd, is een reeks talige tekens, zoals letters, symbolen of klanken, die in een communicatieve situatie als een geheel wordt ervaren."
Dat is de definitie van Wikipedia.
Dat is natuurlijk geen referentie. Zoals gebruikelijk mag u wat mij betreft er zelf een definitie op nahouden. Maar in het kader van deze tekst kan er alleen maar gediscussieerd worden indien u ook op één of andere manier het "communicatieve" in uw definitie integreert.
Van zodra er een onderscheid gemaakt wordt tussen een filosoof enerzijds en een parafilosoof anderzijds is het risico zeer groot dat de schrijver in een kafkaëske toestand terecht komt.
De schrijver presenteert zich als individu aan de lezer.
Door middel van de tekst wil hij communiceren met de lezer.
Met een abstract begrip is geen communicatie mogelijk.
"Hij slaagt er niet in zijn gedachten te formuleren op een wijze die verstaanbaar is voor medemensen en medefilosofen", stelt de lezer.
Op die manier ontneemt hij de schrijver een aanspreekpunt.
De schrijver kan geen verhaal halen bij de lezer. De lezer verplaatst zich in de rol van de boodschapper, hij is louter de boodschapper van "de medemensen en de medefilosofen".
Maar de schrijver volhardt: "Kan ik dan de medemensen en de medefilosofen spreken?"
Waarop de lezer: "U snapt het niet meneer de parafilosoof, het is de examinator die beslist of u er al dan niet in slaagt uw gedachten te formuleren op een wijze die verstaanbaar is voor medemensen en medefilosofen".
Maar waarom zou de schrijver verhaal willen halen bij de lezer?
Een schrijver die zich presenteert als individu, al wat hij schrijft is louter en alleen in zichzelf gegrondvest, weet dat de lezer die schrijft zich als individu presenteert.
Al wat geschreven wordt is louter en alleen in de schrijver gegrondvest.
Waarom zou hij dan nog verhaal willen halen?
De tekst is de communicatie.
P.S. Wat ik eigenlijk wou communiceren: Cornelis Verhoeven is de man die Parmenides aan een weerloze filosofie koppelde.
Onbegrijpelijk is dat.
http://www.trouw.nl/tr/nl/4324/Nieuws/archief/article/detail/1681924/2006/01/31/De-filosofie-van-een-weerloos-citaat.dhtml
Een recent voorbeeld van misbruik van het citaat is de titel van het onlangs verschenen CDA-rapport: 'Alles van waarde is weerbaar'. Maar hoe dan ook, kennelijk worden velen door Luceberts woorden aangesproken.
Minder bekend is het gedicht waaruit dit citaat afkomstig is. En toch is die context bepalend voor een goed begrip van de beroemde zin:
de zeer oude zingt:
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid
rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
We hebben hier te maken met een nogal filosofisch gedicht, dat je rustig tot je moet nemen, kauwend en herkauwend. Eigenlijk moet je het hardop laten klinken.
De filosoof Cornelis Verhoeven heeft er in 1989 op gewezen dat, gezien de inhoud van regel 1-7, die 'zeer oude' uit de titel de wijsgeer Parmenides moet zijn, die nog vóór de 'oude' Socrates, Plato en Aristoteles leefde.
Parmenides zei dat het zijnde er óf helemaal wel óf helemaal niet is, je kunt het niet verdelen of ontrafelen, 'omdat het in alles gelijk is. Het is niet aan de ene kant meer, noch is het aan de andere kant minder.' Je zou in Shakespeare's 'to be or not to be' een latere echo hiervan kunnen beluisteren. Zoals de (zeer) ouden zongen, piepen in iedere tijd weer de jongen.
Lucebert heeft Parmenides' gedachte op zijn eigen wijze verwoord en aangevuld. Hij citeert de woorden 'alles' en 'gelijk' en geeft het 'zijnde' weer in de stadia van verleden, heden en toekomst met de woorden 'was', 'is' en 'wordt'.
Mijn parafrase van regel 1-7: het gaat bij het zijn niet in de eerste plaats om de hoeveelheid; beslissend is of 'het' er is. Je weet nooit precies wat er was (regel 3): de werkelijke oorsprong der dingen is onzeker, onttrekt zich aan onze waarneming. En alles wat zich in een proces van ontwikkeling bevindt 'wordt willoos' (regel 4) en is dus niet in de hand te houden door wiens of welke wil dan ook.
Dan volgt de kern (regel 5): pas als het gaat om dat wat er is, hier en nu, wordt het ernst. De kwaliteit van het zijn wordt dus bepaald in het absolute nu: hoe bewust ben je in het hier en nu aanwezig.
Het heilloze van de herinnering (regel 6) bevestigt het gezegde in regel 3: 'nog is onzeker wat er was'. Met andere woorden: de herinnering aan het verleden kan de oorsprong van het zijnde niet achterhalen.
En het zijnde blijft eveneens ijlings (regel 7) als je het in de toekomst zoekt, zoals gezegd in regel 4: 'wat wordt wordt willoos'.
Daarna, als een reflectie op het voorgaande, volgt de rest van het gedicht.
Eerst regel 9-11: alles wat werkelijk waardevol is - als het er in het leven écht op aankomt - is kwetsbaar. Je kunt het niet 'pakken', niet vasthouden; je kunt het wel áanraken of er door aangeraakt wórden. Die aanraakbaarheid maakt het leven rijk en daarmee gelijk aan al het werkelijk levende.
De slotregel, die niet voor niets herhaald wordt, benadrukt nog eens, als een refrein, het belang van het aandachtig leven in het hier en nu: 'het hart van de tijd' is het heden waarin alles van waarde aanraakbaar is, dichterbij dan we denken.
Cornelis Verhoeven.
Het uitgangspunt om een onderscheid te maken tussen een filosoof enerzijds en een parafilosoof anderzijds is een tekst in zijn ruime betekenis.
Deze tekst is niet intrinsiek "begrijpelijk" of "onbegrijpelijk". Mij lijkt het immers logisch dat de tekst eerst gelezen of gehoord moet worden. Een tekst die niet gelezen of gehoord wordt is immers geen tekst.
"Een tekst, ruim gedefinieerd, is een reeks talige tekens, zoals letters, symbolen of klanken, die in een communicatieve situatie als een geheel wordt ervaren."
Dat is de definitie van Wikipedia.
Dat is natuurlijk geen referentie. Zoals gebruikelijk mag u wat mij betreft er zelf een definitie op nahouden. Maar in het kader van deze tekst kan er alleen maar gediscussieerd worden indien u ook op één of andere manier het "communicatieve" in uw definitie integreert.
Van zodra er een onderscheid gemaakt wordt tussen een filosoof enerzijds en een parafilosoof anderzijds is het risico zeer groot dat de schrijver in een kafkaëske toestand terecht komt.
De schrijver presenteert zich als individu aan de lezer.
Door middel van de tekst wil hij communiceren met de lezer.
Met een abstract begrip is geen communicatie mogelijk.
"Hij slaagt er niet in zijn gedachten te formuleren op een wijze die verstaanbaar is voor medemensen en medefilosofen", stelt de lezer.
Op die manier ontneemt hij de schrijver een aanspreekpunt.
De schrijver kan geen verhaal halen bij de lezer. De lezer verplaatst zich in de rol van de boodschapper, hij is louter de boodschapper van "de medemensen en de medefilosofen".
Maar de schrijver volhardt: "Kan ik dan de medemensen en de medefilosofen spreken?"
Waarop de lezer: "U snapt het niet meneer de parafilosoof, het is de examinator die beslist of u er al dan niet in slaagt uw gedachten te formuleren op een wijze die verstaanbaar is voor medemensen en medefilosofen".
Maar waarom zou de schrijver verhaal willen halen bij de lezer?
Een schrijver die zich presenteert als individu, al wat hij schrijft is louter en alleen in zichzelf gegrondvest, weet dat de lezer die schrijft zich als individu presenteert.
Al wat geschreven wordt is louter en alleen in de schrijver gegrondvest.
Waarom zou hij dan nog verhaal willen halen?
De tekst is de communicatie.
P.S. Wat ik eigenlijk wou communiceren: Cornelis Verhoeven is de man die Parmenides aan een weerloze filosofie koppelde.
Onbegrijpelijk is dat.
http://www.trouw.nl/tr/nl/4324/Nieuws/archief/article/detail/1681924/2006/01/31/De-filosofie-van-een-weerloos-citaat.dhtml
De filosofie van een weerloos citaat
door Peter Hofman − 31/01/06, 00:00
Politici en reclamemakers putten graag uit gedichten. Heel populair: 'alles van waarde is weerloos'. Lucebert-kenner Peter Hofman zoekt de wijsgerige bronnen van het gedicht op.
'Alles van waarde is weerloos': weinig dichtregels worden zo vaak geciteerd als deze van Lucebert. Met grote neonletters prijken ze op het gebouw van een Rotterdamse verzekeringsmaatschappij. Een wat ironische situatie want in dat gebouw draait alles juist om zekerheid en weerbaarheid.Een recent voorbeeld van misbruik van het citaat is de titel van het onlangs verschenen CDA-rapport: 'Alles van waarde is weerbaar'. Maar hoe dan ook, kennelijk worden velen door Luceberts woorden aangesproken.
Minder bekend is het gedicht waaruit dit citaat afkomstig is. En toch is die context bepalend voor een goed begrip van de beroemde zin:
de zeer oude zingt:
er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid
rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd
We hebben hier te maken met een nogal filosofisch gedicht, dat je rustig tot je moet nemen, kauwend en herkauwend. Eigenlijk moet je het hardop laten klinken.
De filosoof Cornelis Verhoeven heeft er in 1989 op gewezen dat, gezien de inhoud van regel 1-7, die 'zeer oude' uit de titel de wijsgeer Parmenides moet zijn, die nog vóór de 'oude' Socrates, Plato en Aristoteles leefde.
Parmenides zei dat het zijnde er óf helemaal wel óf helemaal niet is, je kunt het niet verdelen of ontrafelen, 'omdat het in alles gelijk is. Het is niet aan de ene kant meer, noch is het aan de andere kant minder.' Je zou in Shakespeare's 'to be or not to be' een latere echo hiervan kunnen beluisteren. Zoals de (zeer) ouden zongen, piepen in iedere tijd weer de jongen.
Lucebert heeft Parmenides' gedachte op zijn eigen wijze verwoord en aangevuld. Hij citeert de woorden 'alles' en 'gelijk' en geeft het 'zijnde' weer in de stadia van verleden, heden en toekomst met de woorden 'was', 'is' en 'wordt'.
Mijn parafrase van regel 1-7: het gaat bij het zijn niet in de eerste plaats om de hoeveelheid; beslissend is of 'het' er is. Je weet nooit precies wat er was (regel 3): de werkelijke oorsprong der dingen is onzeker, onttrekt zich aan onze waarneming. En alles wat zich in een proces van ontwikkeling bevindt 'wordt willoos' (regel 4) en is dus niet in de hand te houden door wiens of welke wil dan ook.
Dan volgt de kern (regel 5): pas als het gaat om dat wat er is, hier en nu, wordt het ernst. De kwaliteit van het zijn wordt dus bepaald in het absolute nu: hoe bewust ben je in het hier en nu aanwezig.
Het heilloze van de herinnering (regel 6) bevestigt het gezegde in regel 3: 'nog is onzeker wat er was'. Met andere woorden: de herinnering aan het verleden kan de oorsprong van het zijnde niet achterhalen.
En het zijnde blijft eveneens ijlings (regel 7) als je het in de toekomst zoekt, zoals gezegd in regel 4: 'wat wordt wordt willoos'.
Daarna, als een reflectie op het voorgaande, volgt de rest van het gedicht.
Eerst regel 9-11: alles wat werkelijk waardevol is - als het er in het leven écht op aankomt - is kwetsbaar. Je kunt het niet 'pakken', niet vasthouden; je kunt het wel áanraken of er door aangeraakt wórden. Die aanraakbaarheid maakt het leven rijk en daarmee gelijk aan al het werkelijk levende.
De slotregel, die niet voor niets herhaald wordt, benadrukt nog eens, als een refrein, het belang van het aandachtig leven in het hier en nu: 'het hart van de tijd' is het heden waarin alles van waarde aanraakbaar is, dichterbij dan we denken.
zaterdag 15 februari 2014
Ben Richards
Valentijnsweekend in Swansea.
Op de rommelmarkt kon ik het dagboek van ene Ben Richards op de kop tikken.
25 oktober 1946 (of misschien 26 oktober, ik weet niet hoe laat het is...)
Ik kijk naar zijn slapende lichaam.
Neen, dat is uiteraard niet waar. Ik schrijf hoe ik keek naar zijn slapende lichaam, en terwijl niemand dit leest kijk ik alweer naar zijn slapende lichaam.
Voor de eerste keer heb ik de liefde bedreven met dat nu slapende lichaam.
Hij overrompelde me.
Het hing al een tijdje in de lucht, een lucht zwanger van onweer, maar als de passie dan toeslaat is het toch nog overrompelend.
Niet zo bij hem, hij was rustig.
We gingen naar een lezing in King's College.
"Zijn er filosofische problemen?"
Hij leek me afwezig. Af en toe keek hij me met een onderzoekende blik aan.
Nonchalant stond hij op en liep naar de haard. De aandacht van het verbouwereerde publiek was niet meer bij de spreker maar bij de zwijger. Minuten lang staarde hij naar de vlammen. Hij nam de haardpook en stookte het vuur op.
Hij draaide zich om en onderbrak schaamteloos het sermoen.
"Geef me een moreel voorschrift", zei hij terwijl hij de kachelpook als een jad voor zich uit hield.
De spreker, het moet gezegd, liet zich niet van de wijs brengen.
Hij bewaarde even de stilte om de aandacht weer voor zich op te eisen.
"U zal geen bezoekers die een lezing komen geven bedreigen met een kachelpook.", antwoordde hij met de glimlach. De zaal grinnikte.
Vervaarlijk zwaaide hij met de kachelpook.
"Wat is bedreigend?", schreeuwde hij met luide stem.
"Is dit bedreigend?", deed hij een paar grote stappen naar voor terwijl hij met de kachelpook bleef zwaaien.
Maar even vlug als zijn toorn was opgelaaid, was ze ook weer gedoofd.
Hij liet de pook een paar keer handig als een wandelstok rond zijn vingers draaien.
"Is dit bedreigend?", vroeg hij poeslief.
Als een dandy wandelde hij weer naar de haard.
Hij monsterde zwijgend de aanwezigen.
"Wees niet bang", zei hij en hij reikte me de hand, "ga met me mee".
woensdag 5 februari 2014
Anton Dautzenberg
Onder het motto "de recensent gerecenseerd".
Dirk Leyman bespreekt de verhalenbundel van Anton Dautzenberg.
Daarin lees ik een merkwaardige zin.
Ik begin met te citeren waar de recensent de schrijver citeert.
""Het verhaal moet goed zijn. Non-fictie bestaat naar mijn mening niet. Alles is fictie, inclusief de wetenschap", zo heeft Dautzenberg al vaker geopperd. Dus wrijf je je regelmatig de ogen uit, wanneer de werkelijkheid weer opnieuw de fictie blijkt te overtreffen."
De werkelijkheid, datgene wat dus niet bestaat, overtreft de fictie!
Even mijn ogen uitwrijven. (Alleen de blinden zien!)
Ondertussen ben ik wel nieuwsgierig geworden naar Anton Dautzenberg. (Goede recensie dus Dirk!)
Het citaat is een beetje uit zijn context gehaald.
‘Ze weten het niet. Maar eigenlijk maakt het niet uit of ik Lemmy heb geïnterviewd of niet. Het verhaal moet goed zijn. Non-fictie bestaat naar mijn mening niet. Alles is fictie, inclusief de wetenschap. Een amalgaam van constructies waarmee we de werkelijkheid willen duiden – beheersen zelfs. Wat tien jaar geleden een feit was, kan nu een dwaling zijn. En in de politiek worden continu leugens verkocht.’
https://myjour.com/a/quattro-mani/voor-anton-dautzenberg-alles-fictie/#./?&_suid=139162532746807053169277845621
"Alles is fictie, inclusief de wetenschap. Een amalgaam van constructies waarmee we de werkelijkheid willen duiden – beheersen zelfs."
"Alles is fictie behalve de werkelijkheid", als het ware.
zondag 19 januari 2014
James Joyce
All things are inconstant except the faith in the soul, which changes all things and fills their inconstancy with light, but though I seem to be driven out of my country as a misbeliever I have found no man yet with a faith like mine.
James Joyce, Letter to Augusta Gregory (22 November 1902)
vrijdag 17 januari 2014
Noël Slangen
http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/Opinie/article/detail/1775706/2014/01/17/Geloven-in-God-of-Allah-staat-mensenrechten-niet-in-de-weg.dhtml
Dirk Verhofstadt stelde hier gisteren dat geloven in God of Allah of iedere andere godsdienst aanleiding is tot geweld en moord (DM 16/1). De remedie is niet meer of minder dan het bannen van het geloof en het vervangen door universele mensenrechten. Ik ben het fundamenteel met hem oneens.
Ik deel veel overtuigingen met Dirk Verhofstadt. Maar zijn afkeer voor God/Allah is er daar geen van. Door de manier waarop Dirk tekeer gaat tegen ieder geloof lijkt het wel alsof atheïsme ook een geloof is. Het is oneerlijk om geloof te reduceren tot extremisme en geweld.
Tegenover het slechte dat uit geloof is voortgekomen, kunnen we er niet naast kijken dat veel meer mensen inspiratie putten uit hun geloof om goed te doen, zowel christenen, moslims als andere gelovigen. Gelovige mensen doen veel vrijwilligerswerk, vormen een sterk netwerk dat medemensen wil helpen en vertonen een bijna gedateerd engagement.
Voor iedere katholieke kindermisbruiker en iedere islamitische extremist staan duizenden gelovigen die kiezen voor goedheid, mededogen en verdraagzaamheid. Tegenover een lijstje van ieder leider die vermoord is door een religieus extremist, kun je een lijstje plaatsen van mensen die vermoord zijn door extremisten zonder geloofsachtergrond. Stalin, Mao, Hitler en Pol Pot dan catalogeren als 'ersatz-geloof' is een kunstgreep die ik niet verwacht van een intellectueel zoals Dirk Verhofstadt.
Waarom zou je gewelddaden in naam van het geloof niet catalogeren als 'ersatz-politiek'? Iedere vorm van tribalisme, waarbij één groep zich definiëert op basis van het onderscheid met een andere groep, leidt tot het soort excessen en misdaden waarover hij het heeft. Niet alleen gelovig tegenover niet-gelovig maar ook arisch tegenover niet-arisch, eigen volk tegenover ander volk, Hutu tegenover Tutsi, enzovoort.
Anders leren denken
Ook als liberalen moeten we het recht omarmen dat ieder mens zelf mag kiezen welk concept men op zijn waarden plakt. Het geloof in een determinerende en bepalende godheid is inderdaad niet verenigbaar met een liberale mensvisie. Maar vanaf het moment dat je aanvaardt dat een mens zelf verantwoordelijk is voor de gevolgen van zijn of haar daden, en dus ook een verschil kan maken los van die inspirerende Allah of God, is een liberale levensvisie perfect verzoenbaar met geloven.
Geloof staat het omarmen van universele mensenrechten niet in de weg. Het probleem is dat mensenrechten veel minder universeel zijn dan we denken. En daar is niet alleen het religieus fundamentalisme voor verantwoordelijk. Het is niet omdat de orthodoxe kerk in Rusland de misstanden van Poetin ondersteund, dat Poetin mensenrechten schendt omwille van zijn geloof. Die mensenrechten en waarden universeel maken en afdwingen is de uitdaging waar we voor staan.
In dat opzicht ben ik het eens met Dirk Verhofstadt dat we iedereen die hier woont universele mensenrechten moeten aanleren. En kunnen we niet toegeven op het gegeven dat in ons land universele mensenrechten en onze door een democratische meerderheid gestemde wetten per definitie primeren op het geloof dat een persoon aankleeft. Om die attitude verder te verspreiden en het extremisme te bestrijden zullen katholieken, moslims, andere gelovigen, agnostici en atheïsten samen moeten werken.
Want het grootste plezier dat we extremisten en tribalisten kunnen doen is gaan denken zoals zij denken.
Soms helpt het als u even twee verschillende zinnen onmiddellijk na mekaar leest.
Iedere vorm van tribalisme, waarbij één groep zich definiëert op basis van het onderscheid met een andere groep, leidt tot het soort excessen en misdaden waarover hij het heeft. Want het grootste plezier dat we extremisten en tribalisten kunnen doen is gaan denken zoals zij denken.
Soms.
Dirk Verhofstadt stelde hier gisteren dat geloven in God of Allah of iedere andere godsdienst aanleiding is tot geweld en moord (DM 16/1). De remedie is niet meer of minder dan het bannen van het geloof en het vervangen door universele mensenrechten. Ik ben het fundamenteel met hem oneens.
Ik deel veel overtuigingen met Dirk Verhofstadt. Maar zijn afkeer voor God/Allah is er daar geen van. Door de manier waarop Dirk tekeer gaat tegen ieder geloof lijkt het wel alsof atheïsme ook een geloof is. Het is oneerlijk om geloof te reduceren tot extremisme en geweld.
Tegenover het slechte dat uit geloof is voortgekomen, kunnen we er niet naast kijken dat veel meer mensen inspiratie putten uit hun geloof om goed te doen, zowel christenen, moslims als andere gelovigen. Gelovige mensen doen veel vrijwilligerswerk, vormen een sterk netwerk dat medemensen wil helpen en vertonen een bijna gedateerd engagement.
Voor iedere katholieke kindermisbruiker en iedere islamitische extremist staan duizenden gelovigen die kiezen voor goedheid, mededogen en verdraagzaamheid. Tegenover een lijstje van ieder leider die vermoord is door een religieus extremist, kun je een lijstje plaatsen van mensen die vermoord zijn door extremisten zonder geloofsachtergrond. Stalin, Mao, Hitler en Pol Pot dan catalogeren als 'ersatz-geloof' is een kunstgreep die ik niet verwacht van een intellectueel zoals Dirk Verhofstadt.
Waarom zou je gewelddaden in naam van het geloof niet catalogeren als 'ersatz-politiek'? Iedere vorm van tribalisme, waarbij één groep zich definiëert op basis van het onderscheid met een andere groep, leidt tot het soort excessen en misdaden waarover hij het heeft. Niet alleen gelovig tegenover niet-gelovig maar ook arisch tegenover niet-arisch, eigen volk tegenover ander volk, Hutu tegenover Tutsi, enzovoort.
Anders leren denken
Ook als liberalen moeten we het recht omarmen dat ieder mens zelf mag kiezen welk concept men op zijn waarden plakt. Het geloof in een determinerende en bepalende godheid is inderdaad niet verenigbaar met een liberale mensvisie. Maar vanaf het moment dat je aanvaardt dat een mens zelf verantwoordelijk is voor de gevolgen van zijn of haar daden, en dus ook een verschil kan maken los van die inspirerende Allah of God, is een liberale levensvisie perfect verzoenbaar met geloven.
Geloof staat het omarmen van universele mensenrechten niet in de weg. Het probleem is dat mensenrechten veel minder universeel zijn dan we denken. En daar is niet alleen het religieus fundamentalisme voor verantwoordelijk. Het is niet omdat de orthodoxe kerk in Rusland de misstanden van Poetin ondersteund, dat Poetin mensenrechten schendt omwille van zijn geloof. Die mensenrechten en waarden universeel maken en afdwingen is de uitdaging waar we voor staan.
In dat opzicht ben ik het eens met Dirk Verhofstadt dat we iedereen die hier woont universele mensenrechten moeten aanleren. En kunnen we niet toegeven op het gegeven dat in ons land universele mensenrechten en onze door een democratische meerderheid gestemde wetten per definitie primeren op het geloof dat een persoon aankleeft. Om die attitude verder te verspreiden en het extremisme te bestrijden zullen katholieken, moslims, andere gelovigen, agnostici en atheïsten samen moeten werken.
Want het grootste plezier dat we extremisten en tribalisten kunnen doen is gaan denken zoals zij denken.
Soms helpt het als u even twee verschillende zinnen onmiddellijk na mekaar leest.
Iedere vorm van tribalisme, waarbij één groep zich definiëert op basis van het onderscheid met een andere groep, leidt tot het soort excessen en misdaden waarover hij het heeft. Want het grootste plezier dat we extremisten en tribalisten kunnen doen is gaan denken zoals zij denken.
Soms.
maandag 13 januari 2014
Alfred Jarry
Un épiphénomène est ce qui se surajoute à un phénomène.
La pataphysique dont l’étymologie doit s’écrire et l’orthographe réelle 'pataphysique, précédé d’une apostrophe, afin d’éviter un facile calembour, est la science de ce qui se surajoute à la métaphysique, soit en elle-même, soit hors d’elle-même, s’étendant aussi loin au-delà de celle-ci que celle-ci au-delà de la physique.
Et l’épiphénomène étant souvent l’accident, la pataphysique sera surtout la science du particulier, quoiqu’on dise qu’il n’y a de science que du général.
Elle étudiera les lois qui régissent les exceptions et expliquera l’univers supplémentaire à celui-ci; ou moins ambitieusement décrira un univers que l’on peut voir et que peut-être l’on doit voir à la place du traditionnel, les lois que l’on a cru découvrir de l’univers traditionnel étant des corrélations d’exceptions aussi, quoique plus fréquentes, en tous cas de faits accidentels qui, se réduisant à des exceptions peu exceptionnelles, n’ont même pas l’attrait de la singularité.
DÉFINITON: La pataphysique est la science des solutions imaginaires, qui accorde symboliquement aux linéaments les propriétés des objets décrits par leur virtualité.
Albert Einstein had een hond.
Hij heette Jarry.
Dat schoot me zo-even te binnen.
zaterdag 11 januari 2014
John Massis
Men beweert dat er in het debat nood is aan nuance.
Er is nood aan tegengewicht.
Die redenering veronderstelt dat er in het debat "gewicht" aanwezig zou zijn.
Dat is hier echter nooit aan de orde.
Gewichtloosheid weegt zo weinig dat het geen antoniem meer heeft.
zondag 5 januari 2014
Philippe Moureaux
"Laat mij met enige schroom volgende vergelijking maken: vergeet niet dat het nationaal-socialisme door veel van de toenmalige Duitse ondernemers werd ondersteund. In tijden van crisis hebben minder intelligente ondernemers vaak de neiging om naar sterke, rechtse waarden te zoeken", zegt de PS-nestor vandaag in De Tijd.
Ik weet weinig.
Maar ik weet dat Ludwig Wittgenstein een visionair was.
Wat is een visionair?
Dat is niet zomaar iemand met een visie.
Laten we wel wezen, in dat geval is iedereen een visionair.
Philippe Moureaux zou dan beschouwd kunnen worden als een visionair.
Geef toe, ziet Philippe Moureaux er uit als een visionair?
Nee, een visionair is niet iemand met een visie, een visionair is iemand met een visioen.
Een toekomstbeeld.
Een visionair is iemand die in de toekomst kan zien.
"De zinnen van de logica zijn tautologieën"
"Die Sätze der Logik sind Tautologien."
Ludwig Wittgenstein, TLP 6.1
Dat is een visioen.
Uiteraard bedoelde Wittgenstein niet dat alle zinnen van de logica tautologieën zijn.
God behoede ons.
Een zin als
"De wereld is onafhankelijk van mijn wil"
"Die Welt ist unabhängig von meinem Willen."
Ludwig Wittgenstein, TLP 6.373
zou dan een tautologie zijn.
De wereld "is", omdat ze onafhankelijk is van mijn wil.
De wereld is onafhankelijk van mijn wil, omdat ze "is".
Voorwaar,
de zin
"De zinnen van de logica zijn tautologieën"
"Die Sätze der Logik sind Tautologien."
Ludwig Wittgenstein, TLP 6.1
zou zelf een tautologie zijn.
Men zou voor minder zijn bedenkingen hebben.
Neen, de waarheid is veel eenvoudiger.
Ludwig Wittgenstein kon in de toekomst kijken.
Hij schreef deze stelling enkel en alleen met de uitspraak van Philippe Moureaux in het achterhoofd.
Waarom zijn sommige ondernemers minder intelligent?
Sommige ondernemers zijn minder intelligent omdat ze de neiging hebben om in tijden van crisis naar sterke, rechtse waarden te zoeken.
Waarom hebben sommige ondernemers de neiging om in tijden van crisis naar sterke, rechtse waarden te zoeken?
Sommige ondernemers hebben de neiging om in tijden van crisis te zoeken naar sterke, rechtse waarden omdat ze minder intelligent zijn.
Een ... euh ... intelligent politicus kent zijn klassiekers.
Abonneren op:
Posts (Atom)




