vrijdag 8 februari 2013
Confucius
Zo eenvoudig is het dus blijkbaar.
Je schrijft een opinie bijdrage waarin je om een ernstig gesprek vraagt met Bart De Wever en prompt word je uitgenodigd in de studio van Reyers laat.
Doe mij dan maar samen met Bart De Wever en Etienne Vermeersch tegelijkertijd.
Het zou nogal vonken geven.
Automutilatie is mij namelijk niet geheel vreemd.
Het feit dat ik blijf schrijven is daar een onomstotelijk bewijs van.
Je moest lang wachten voor de heren tot de kern van de zaak kwamen.
In afwachting was het wel af en toe grappig, dat scheelt.
Zo was er een verwijzing naar Voltaire als waarlijk vertegenwoordiger van de Verlichting.
"Ik zie tenslotte mensen die ik hoger acht dan negers, zoals de negers boven de apen staan, en zoals de apen boven de oesters en andere dieren van deze soort staan". ("Enfin je vois des hommes qui me paraissent supérieurs à ces nègres, comme ces nègres le sont aux singes, et comme les singes le sont aux huîtres et aux autres animaux de cette espèce.")
"Met spijt spreek ik over de Joden: dit volk is, in menig opzicht, het verwerpelijkste dat ooit de aarde heeft bevuild" ("C’est à regret que je parle des Juifs: cette nation est, à bien des égards, la plus détestable qui ait jamais souillé la terre.")
De kern van de zaak dan.
De gulden regel.
Dat is het moment dat mijn vuist zou uitschieten en de eerbiedwaardige professor Vermeersch een bazet op zijn oog zou krijgen.
Behandel de andere zoals je jezelf behandelt.
Automutilatie.
Hij vroeg er om. Eigen schuld dikke bult.
Met de gulden regel kom je geen meter vooruit.
Geen enkele gelovige moslim vrouw zou de hoofddoek verbieden.
Daar staat Etienne dan met al zijn argumenten.
Of zoals Bart De Wever zei: is dat niet hetzelfde, is dat niet oorzaak EN gevolg ?
http://www.deredactie.be/permalink/1.1542716
Helaas, toen was de tijd verstreken.
Het was tijd voor een citaat van Confucius.
子貢問君子。子曰:「先行其言,而後從之
Zi Gong asked what constituted the superior man. The Master said, "He acts before he speaks, and afterwards speaks according to his actions."
(Analects II, 13)
"Bazet". Is dat geen schoon woord?
woensdag 16 januari 2013
Joost Vandecasteele
.
Yves Desmet schrijft een essay over euthanasie.
Kan men veroordeeld worden voor een essay?
Voor een opinie uiteraard niet, dat is nogal wiedes, maar voor een essay?
Of voor een wetenschappelijk advies?
http://vijfvoortwaalf.blogspot.be/2012/10/marcel-hulspas.html
Een opinie is subjectief, een wetenschappelijk advies objectief.
Of toch niet helemaal?
Waar ligt de grens en wie trekt ze?
Maar dit geheel terzijde.
Essay: dubbele euthanasie roept gevaar van de "glijdende helling" weer op.
(Even vooraf: "glijdende helling" lijkt mij een slechte vertaling van "slippery slope". Misschien beter "gladde helling". Maar dat is maar een opinie.)
Het hellend vlak is hot.
Er was de bijdrage van Filip Buekens.
http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/Opinie/article/detail/1562623/2013/01/15/Wanneer-ondraaglijk-lijden-een-sociale-constructie-wordt.dhtml
Euthanasie zit op een hellend vlak. Dat is geen
conservatief-katholieke fictie, maar een reëel gevaar, waarschuwt Filip Buekens,
filosoof aan de Universiteiten van Tilburg en Leuven.
Filip Buekens heeft de verdienste om het "hellend vlak" op de agenda te plaatsen, maar daar blijft het ook bij. Als u iets interessants wil lezen over Filip Buekens: http://www.bloggen.be/argumenten/archief.php?ID=734405
Er zijn Jos Geysels en Ignaas Devisch.
http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/Opinie/article/detail/1562621/2013/01/15/Puntjes-op-de-i-van-het-cordon-sanitaire.dhtml
Vaak heerst er verwarring tussen deze twee sferen. Zoals we ook gemerkt hebben in de recente discussies over en commentaren op (het al dan niet doorbreken) van het cordon sanitaire in Denderleeuw. Door de recente barsten die in deze democratische afspraak tot stand zijn gekomen, stelden velen zich opnieuw de vraag naar het nut, zeg maar de strategische werkzaamheid van het cordon. Deze op zich legitieme vraag verdient veel aandacht en nauwgezet onderzoek: wat heeft het bereikt, zijn partijen er groter of kleiner mee geworden, heeft het nog zin nu het Vlaams Belang 'klei' is geworden.
Een heel andere vraag is deze naar het intrinsieke belang dat het cordon heeft gehad en wat ons betreft nog steeds heeft, met name de principiële uitspraak dat democraten geen bestuursakkoorden afsluiten met een partij die de fundamentele democratische beginselen van gelijkheid en non-discriminatie niet respecteert. Dan spreken we over het principe als waarde op zich en niet als een instrument om een bepaald strategisch of tactisch doel te bereiken. Het cordon heeft altijd een intrinsieke waarde gehad omdat racisme geen graduele maar een principiële kwestie is: je gaat ervan uit of je bestrijdt het en dat doe je met duidelijke en transparante principes. Een beetje racisme is racisme, een beetje antisemitisme is antisemitisme. Die strakke lijn is verre van evident en we zijn er zelf niet altijd eenduidig in. Wie in Vlaanderen even zijn oor te luisteren legt, is ongetwijfeld bekend met de uitspraak 'ik ben geen racist maar...'. Na de 'maar' volgt dikwijls een behoorlijk racistisch vertoog.
Racisme in ons alledaagse spreken en handelen is één ding, georganiseerd racisme een tweede. Organisaties of partijen die racisme cultiveren of legitimeren, schenden een fundamenteel uitgangspunt van elke democratische samenleving: dat we allemaal gelijk zijn voor de wet en dat dit non-discriminatiebeginsel een hoeksteen is en blijft van de democratie. Beginselen die onder meer zijn vastgelegd in internationale (mensenrechten)verdragen.
Tactiek en strategie
Laat het ons dus nog maar eens herhalen. Het cordon sanitaire is altijd een principiële zaak geweest: je geeft aan de kiezer mee dat je geen bestuursakkoorden sluit met individuen of partijen die deze hoeksteen al dan niet radicaal willen verbrijzelen. Wensen kiezers hiertegen in te gaan, dan stemmen ze je weg. Punt andere lijn. Make it or break it. Wat telt, is het principe en de transparante communicatie naar de kiezer. Daarmee heeft het cordon trouwens een democratisch surplus in vergelijking met de vele schimmige bestuursakkoorden die telkens opnieuw voor elke stembusgang gemaakt worden.
Of nu vervolgens dit beginsel bepaalde partijen groter dan wel kleiner maakt, is een kwestie van een heel andere orde. Tot vandaag weten we niet of en hoe dat het geval is geweest, maar daarom is de vraag zelf niet van minder groot belang: hoe ga je racisme te lijf in een democratie? Deze vragen verdienen een gefundeerd en empirisch onderbouwd antwoord, maar wat ook het antwoord hierop is, het kan nooit betekenen dat je principiële zaken overboord gooit. Het moet wel een aanleiding zijn om grondig na te denken over de actieve strijd tegen die tendensen die racisme verspreiden.
Wat vandaag aan de gang is, getuigt eerder van een gebrek aan onderscheid tussen deze twee kwesties, met de gekende barsten tot gevolg. Zo was het opvallend dat in de discussie over de gang van zaken in Denderleeuw vooral een strategische en tactische argumentatie werd gebruikt. Ofschoon de nationale partijvoorzitters er geen onduideljkheid lieten over bestaan dat voor hun het cordon stand zou houden, werd het debat toch vooral geconcentreerd op de 'gedoogstrategie', waarbij dan werd verwezen naar de slechte ervaringen van het 'Wilders-experiment' in Nederland. Ook hier verschoof het debat van het principiële naar het strategische. Op deze manier schuift de lat op en tolereren we eerst een beetje, en daarna nog iets meer. Dit noemt men 'het hellend vlak': eens de bal rolt, eens we het principiële standpunt hebben verlaten, wordt alles een louter pragmatisch gegeven, zodat we voetje voor voetje het principe achter ons laten en stilaan woorden als 'realisme' of 'tijdgeest' gebruiken om een rechtvaardiging te zoeken waar wat aan de gang is. Nochtans, sommige zaken zijn principieel niet voor pragmatiek vatbaar, zo niet laten we betijen en schuiven we steeds verder op? Trouwens, wie gedoogt wie in Denderleeuw?
Banalisering van racisme
Dit alles impliceert niet dat mensen van idee kunnen veranderen en hun vroegere racisme afzweren, maar juist dit gebeurt niet. Zoals de voorzitter van het Belang aangaf in een debat met Rik Torfs in 'Terzake': "Wij kunnen ons verleden niet afzweren." Dat lijkt ons nochtans bijzonder eenvoudig: indien racisten inzien dat discrimineren niet kan, laat ze het publiekelijk afzweren, zoals apartheidsaanhangers in Zuid-Afrika over hun foute verleden getuigden en daarna amnestie kregen. Dan kunnen we verder praten vanuit duidelijke beginselen.
Momenteel is het tegendeel het geval: niemand zweert wat dan ook af maar kondigt een gelijkend beleid af onder een andere vlag. Behalve dat dit een volstrekt obscure evolutie is, is de kans dat het op termijn leidt tot een banalisering van racisme niet gering. Wie dan niet over beginselvaste principes beschikt, heeft geen poot om op te staan, laat staan ertegen in te gaan.
Er is het hellend vlak van de humor.
http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=DMF20130114_00433287
Omdat de Vrouwenraad de humor van Tom Heremans niet kon smaken, krijgt hij vandaag de Auwch Award, ‘de prijs voor vrouwonvriendelijkheid'. Joost Vandecasteele wenst hem een dikke proficiat. De grenzen van de humor kunnen niet dun genoeg zijn, vindt hij.
Het hellend vlak dus.
http://nl.wikipedia.org/wiki/Hellend_vlak_(retoriek)
"Het hellend vlak of glijdende schaal is een argument in de debatkunst of retoriek. Een "hellend vlak" inroepen betekent dat men beweert dat een bepaalde actie een reeks opeenvolgende gebeurtenissen zal veroorzaken die uiteindelijk tot een (meestal ongewenst) einde zullen leiden.
Het gebruik van een hellend vlak kan een geldig argument zijn, maar ook een drogreden.
Hellend vlak als argument.
Het argument gaat als volgt (A en B zijn gebeurtenissen, toestanden, beleidskeuzes, acties, enz., waartussen een causaal verband geldt):
Drogreden
Het argument van het hellend vlak kan dikwijls een drogreden inhouden. Meestal gebeurt dit in de volgende vorm:
ONHERROEPELIJK.
Wat betekent dat?
Het probleem is dat zo'n afweging volkomen subjectief is.
Sorry, ik ben even de draad kwijt. Die laatste zin was een citaat uit het eerste artikel van Yves Desmet. Volledig uit zijn verband gerukt.
Onherroepelijk is onherroepelijk. Dat is objectief vast te stellen.
Maar door wie?
Waar ligt de grens en wie trekt ze?
Trekken "we" de grens?
"De meeste dingen in ons leven hebben geen waarde op zich, het zijn wij die er een bepaalde betekenis aan toeschrijven. Sommige dingen kennen we een intrinsieke waarde toe, we waarderen ze om wat ze zijn; andere zaken beschouwen we dan weer als instrumenteel en brengen ze in stelling om iets anders te bereiken. Het eerste noemen we ook een principe, het tweede een middel, een strategie om iets na te streven"
Als we een intrinsieke waarde aan iets toekennen, heeft dat iets dan een waarde op zich?
Maar dit geheel terzijde.
Of trekt niemand de grens?
"Het staat iedereen vrij een andere beslissing te nemen, te oordelen dat ze in een identieke situatie een andere beslissing zouden nemen. Maar wie heeft het recht in plaats van de tweeling over hun lot te beslissen en te oordelen dat ze moesten opgesloten worden in een leven dat voor hen elke zin verloren had?"
Alles mag!
Dat is een hellend vlak als argument.
Geen grenzen!
Alles!
Joost Vandecasteele vindt het grapje van de Vrouwenraad niet kunnen.
Weet u hoe dat komt?
Joost Vandecasteele heeft geen hart.
Hij heeft geen vrouw, hij heeft geen kinderen. Kortom, hij heeft geen hart. Een vleesmassa, een vleesmassa met veel belegen haar op, maar zonder hart.
Weet u waarom hij geen kinderen heeft?
Zijn kinderen zouden gepest worden.
Verontwaardigd (om de één of andere reden associeer ik Joost Vandecasteele altijd met "verontwaardigd") zou hij de pesters bij de kraag vatten om ze eens flink door mekaar te schudden.
"Het was maar een grapje", zouden de pesters uitroepen als zijn hand vervaarlijk dicht bij hun oren zou zwaaien.
"Maar... maar dan zijn jullie geen pesters?", zou Joost Vandecasteele met een klein hartje vragen (u mag hier even over nadenken, ik wacht wel even).
"Maar nee jong, wij zijn gewoon een stelletje grapjassen". zouden de grapjassen naar waarheid antwoorden.
Daarom heeft Joost Vandecasteele geen kinderen.
Hij mag het wel, maar hij kan het niet.
http://www.taalblad.be/zinsbouw/mogen-of-kunnen-

http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/Opinie/article/detail/1562621/2013/01/15/Puntjes-op-de-i-van-het-cordon-sanitaire.dhtml
OPINIE − 15/01/13, 06u11
Er is iets grondig mis met het debat naar aanleiding van de
politiek in Denderleeuw. Dat vinden minister van staat Jos Geysels (gewezen
politiek secretaris van Agalev en medebedenker van het cordon sanitaire) en
Ignaas Devisch (professor filosofie aan de Universiteit Gent).
De meeste dingen in ons leven hebben geen waarde op zich, het zijn wij die er
een bepaalde betekenis aan toeschrijven. Sommige dingen kennen we een
intrinsieke waarde toe, we waarderen ze om wat ze zijn; andere zaken beschouwen
we dan weer als instrumenteel en brengen ze in stelling om iets anders te
bereiken. Het eerste noemen we ook een principe, het tweede een middel, een
strategie om iets na te streven.
Vaak heerst er verwarring tussen deze twee sferen. Zoals we ook gemerkt hebben in de recente discussies over en commentaren op (het al dan niet doorbreken) van het cordon sanitaire in Denderleeuw. Door de recente barsten die in deze democratische afspraak tot stand zijn gekomen, stelden velen zich opnieuw de vraag naar het nut, zeg maar de strategische werkzaamheid van het cordon. Deze op zich legitieme vraag verdient veel aandacht en nauwgezet onderzoek: wat heeft het bereikt, zijn partijen er groter of kleiner mee geworden, heeft het nog zin nu het Vlaams Belang 'klei' is geworden.
Een heel andere vraag is deze naar het intrinsieke belang dat het cordon heeft gehad en wat ons betreft nog steeds heeft, met name de principiële uitspraak dat democraten geen bestuursakkoorden afsluiten met een partij die de fundamentele democratische beginselen van gelijkheid en non-discriminatie niet respecteert. Dan spreken we over het principe als waarde op zich en niet als een instrument om een bepaald strategisch of tactisch doel te bereiken. Het cordon heeft altijd een intrinsieke waarde gehad omdat racisme geen graduele maar een principiële kwestie is: je gaat ervan uit of je bestrijdt het en dat doe je met duidelijke en transparante principes. Een beetje racisme is racisme, een beetje antisemitisme is antisemitisme. Die strakke lijn is verre van evident en we zijn er zelf niet altijd eenduidig in. Wie in Vlaanderen even zijn oor te luisteren legt, is ongetwijfeld bekend met de uitspraak 'ik ben geen racist maar...'. Na de 'maar' volgt dikwijls een behoorlijk racistisch vertoog.
Racisme in ons alledaagse spreken en handelen is één ding, georganiseerd racisme een tweede. Organisaties of partijen die racisme cultiveren of legitimeren, schenden een fundamenteel uitgangspunt van elke democratische samenleving: dat we allemaal gelijk zijn voor de wet en dat dit non-discriminatiebeginsel een hoeksteen is en blijft van de democratie. Beginselen die onder meer zijn vastgelegd in internationale (mensenrechten)verdragen.
Tactiek en strategie
Laat het ons dus nog maar eens herhalen. Het cordon sanitaire is altijd een principiële zaak geweest: je geeft aan de kiezer mee dat je geen bestuursakkoorden sluit met individuen of partijen die deze hoeksteen al dan niet radicaal willen verbrijzelen. Wensen kiezers hiertegen in te gaan, dan stemmen ze je weg. Punt andere lijn. Make it or break it. Wat telt, is het principe en de transparante communicatie naar de kiezer. Daarmee heeft het cordon trouwens een democratisch surplus in vergelijking met de vele schimmige bestuursakkoorden die telkens opnieuw voor elke stembusgang gemaakt worden.
Of nu vervolgens dit beginsel bepaalde partijen groter dan wel kleiner maakt, is een kwestie van een heel andere orde. Tot vandaag weten we niet of en hoe dat het geval is geweest, maar daarom is de vraag zelf niet van minder groot belang: hoe ga je racisme te lijf in een democratie? Deze vragen verdienen een gefundeerd en empirisch onderbouwd antwoord, maar wat ook het antwoord hierop is, het kan nooit betekenen dat je principiële zaken overboord gooit. Het moet wel een aanleiding zijn om grondig na te denken over de actieve strijd tegen die tendensen die racisme verspreiden.
Wat vandaag aan de gang is, getuigt eerder van een gebrek aan onderscheid tussen deze twee kwesties, met de gekende barsten tot gevolg. Zo was het opvallend dat in de discussie over de gang van zaken in Denderleeuw vooral een strategische en tactische argumentatie werd gebruikt. Ofschoon de nationale partijvoorzitters er geen onduideljkheid lieten over bestaan dat voor hun het cordon stand zou houden, werd het debat toch vooral geconcentreerd op de 'gedoogstrategie', waarbij dan werd verwezen naar de slechte ervaringen van het 'Wilders-experiment' in Nederland. Ook hier verschoof het debat van het principiële naar het strategische. Op deze manier schuift de lat op en tolereren we eerst een beetje, en daarna nog iets meer. Dit noemt men 'het hellend vlak': eens de bal rolt, eens we het principiële standpunt hebben verlaten, wordt alles een louter pragmatisch gegeven, zodat we voetje voor voetje het principe achter ons laten en stilaan woorden als 'realisme' of 'tijdgeest' gebruiken om een rechtvaardiging te zoeken waar wat aan de gang is. Nochtans, sommige zaken zijn principieel niet voor pragmatiek vatbaar, zo niet laten we betijen en schuiven we steeds verder op? Trouwens, wie gedoogt wie in Denderleeuw?
Banalisering van racisme
Dit alles impliceert niet dat mensen van idee kunnen veranderen en hun vroegere racisme afzweren, maar juist dit gebeurt niet. Zoals de voorzitter van het Belang aangaf in een debat met Rik Torfs in 'Terzake': "Wij kunnen ons verleden niet afzweren." Dat lijkt ons nochtans bijzonder eenvoudig: indien racisten inzien dat discrimineren niet kan, laat ze het publiekelijk afzweren, zoals apartheidsaanhangers in Zuid-Afrika over hun foute verleden getuigden en daarna amnestie kregen. Dan kunnen we verder praten vanuit duidelijke beginselen.
Momenteel is het tegendeel het geval: niemand zweert wat dan ook af maar kondigt een gelijkend beleid af onder een andere vlag. Behalve dat dit een volstrekt obscure evolutie is, is de kans dat het op termijn leidt tot een banalisering van racisme niet gering. Wie dan niet over beginselvaste principes beschikt, heeft geen poot om op te staan, laat staan ertegen in te gaan.
Er is het hellend vlak van de humor.
http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=DMF20130114_00433287
Omdat de Vrouwenraad de humor van Tom Heremans niet kon smaken, krijgt hij vandaag de Auwch Award, ‘de prijs voor vrouwonvriendelijkheid'. Joost Vandecasteele wenst hem een dikke proficiat. De grenzen van de humor kunnen niet dun genoeg zijn, vindt hij.
Het is 2013 en u kunt nu kijken naar de herhalingen van de afgelopen decennia. Want we beleven dezelfde crisis als in de jaren tachtig en we eisen dezelfde humor van de jaren vijftig. U weet wel, gewoon gezellig.
Maar eerst en vooral moet ik met totaal misprijzen De Standaard -collega en mede-man Tom Heremans feliciteren met zijn Auwch Award voor vrouwonvriendelijkheid vandaag, uitgereikt door de Vrouwenraad. Volgens hun website een prijs voor mensen (ze bedoelen mannen) of organisaties die ‘het glazen plafond verstevigen, quota verwerpen, salarissen van vrouwen laag en de ongelijkheid hoog houden'. De concurrentie was stevig, van de afgevoerde Laatste show wegens te weinig vrouwelijke gasten tot CC De Werft wegens te weinig vrouwelijke komieken op één bepaalde avond. Want zeker bij comedy is het wettelijke quotum zeer duidelijk, voor elke mannelijke komiek moet er die avond ook een vrouw, een dwerg, een rolstoelpatiënt, een allochtoon, een bejaarde en een homo te zien zijn. Ook al duurt het dan tot vier uur 's nachts.
Maar Tom Heremans was wel de ergste uit de selectie, want hij gaf commentaar op het uiterlijk van Annemie Struyf (DS 14 april 2012) . In zijn column bekende hij verder schaamteloos dat Miet Smet op een naaktkalender hem weinig kon bekoren; een uitspraak die tot in India walging veroorzaakte. Want hoe durfde hij zo'n origineel idee als een naaktkalender, even uniek als een flashmob of een kookprogramma, te bekritiseren? De kalender bespotten wegens zijn naaktmodellen is natuurlijk onaanvaardbaar, want het was tegen kanker, ik herhaal KANKER. En met kanker spot men niet, net als met astma, aids, armoede, aandoeningen, abortus... (U kunt de volledige alfabetische lijst raadplegen op de website zelfcensuurdoejezo.be). Maar kort samengevat, elk onderwerp dat kwetsend kan zijn voor iemand of iemand die iemand kent die het kwetsend zou kunnen vinden, is een probleem — zelfs al is de persoon in kwestie misschien overleden.
Leuk doen, niks meer
Zolang het klonen van Toon Hermans nog niet gelukt is, zijn er godzijdank mensen die de komiek wijzen op zijn of haar maatschappelijke functie, namelijk leuk doen en niks meer. De voorbije week werd die taak volbracht door Lut Celie van De Bleekweide (DS 11 januari) en Mark Van de Voorde (De Morgen 12 januari) , oud-hoofdredacteur van Kerk en Leven (een titel die eerlijk toegeeft dat de kerk losstaat van het echte leven).
In haar opiniestuk gaf Lut Celie een schrijnend fictief voorbeeld. Een zwaarlijvig meisje met de naam Mandy De Bock (u mag die naam herlezen, ik wacht wel even) wordt gepest door een Ruben en een Kevin die een Maggie De Block-mop uit het tv-programma Comedian vindt werk recycleren. Nog los van het feit dat blanke jongens van vijftien jaar de voornaamste doelgroep zijn voor Canvasprogramma's op een dinsdagavond om 22 uur, heeft ze ook gelijk over de verpletterende verantwoordelijkheid van de komiek. Hij ging te ver. Want een verzonnen dikzak werd gepest, niet door de komiek, maar toch een beetje, via een omweg of zo.
Mark Van de Voorde verwoordde het nog beter in zijn opiniestuk. Meteen bewees hij zijn kennis van het comedylandschap met de zin ‘Het lijkt erop dat steeds meer Vlaamse komieken slechts grappig kunnen zijn als ze grofgebekt beledigen'. Een feit dat staat als een huis, ongetwijfeld vastgesteld na jarenlang veldonderzoek. Men denkt bijvoorbeeld aan de controversiële show van Willy Bleekselder, getiteld Een uur lang neger roepen .
Zijn column kwam er naar aanleiding van de grap van Theo Maassen over de cafébrand in Volendam, nu twaalf jaar geleden. Dat er pas een klacht kwam nadat de show op televisie werd uitgezonden en niet na de 150 livevoorstellingen is volgens Van de Voorde heel logisch. Alleen geestesverwanten gaan naar humor op een podium kijken. Want bij aankoop van elk theaterabonnement, krijgt de toeschouwer ook een vragenlijst die dan volledig ingevuld wordt opgestuurd naar de artiest. Op die manier is het publiek verzekerd dat niks onaanvaardbaars gezegd zal worden. Een andere mogelijke verklaring voor de klachten die pas na de uitzending opduiken, is dat de compulsieve klager met de egoïstische neiging om diens éénpersoonsvisie op te dringen aan de wereld, gewoon te lui is om naar theater te gaan.
Alles mag!
Gelukkig biedt Van de Voorde de maatstaf voor wat wel of niet grove humor is. De komiek moet de regel van de wederkerigheid hanteren: ‘Zou ik het verdragen als men dit over mij zou vertellen'. Als komiek onder komieken kan ik u meedelen dat er nergens meer en beter en schoner en vakkundiger en tot op het bot beledigd wordt als onder komieken. Opmerkingen over lijf, religie, denkpatronen, ziektes en politieke voorkeuren worden naar elkaar gesmeten zonder dat dit in een gekwetst zieltje resulteert.
Dus meneer Van de Voorde; dankzij uw regel van wederkerigheid is het officieel: alles mag. En misschien moet ik het woord ‘alles' nog eens benadrukken, alles betekent ook wat u stoort of kwetst. Want alles is alles en niks is heilig. En als u werkelijk gelooft dat een komiek eerder geïnteresseerd is in een carrière opgebouwd met gemakkelijke beledigingen in plaats van intelligente gepolijste grappen met impact; dan bent u cynischer dan welke uitgebluste performer ook.
Maar eerst en vooral moet ik met totaal misprijzen De Standaard -collega en mede-man Tom Heremans feliciteren met zijn Auwch Award voor vrouwonvriendelijkheid vandaag, uitgereikt door de Vrouwenraad. Volgens hun website een prijs voor mensen (ze bedoelen mannen) of organisaties die ‘het glazen plafond verstevigen, quota verwerpen, salarissen van vrouwen laag en de ongelijkheid hoog houden'. De concurrentie was stevig, van de afgevoerde Laatste show wegens te weinig vrouwelijke gasten tot CC De Werft wegens te weinig vrouwelijke komieken op één bepaalde avond. Want zeker bij comedy is het wettelijke quotum zeer duidelijk, voor elke mannelijke komiek moet er die avond ook een vrouw, een dwerg, een rolstoelpatiënt, een allochtoon, een bejaarde en een homo te zien zijn. Ook al duurt het dan tot vier uur 's nachts.
Maar Tom Heremans was wel de ergste uit de selectie, want hij gaf commentaar op het uiterlijk van Annemie Struyf (DS 14 april 2012) . In zijn column bekende hij verder schaamteloos dat Miet Smet op een naaktkalender hem weinig kon bekoren; een uitspraak die tot in India walging veroorzaakte. Want hoe durfde hij zo'n origineel idee als een naaktkalender, even uniek als een flashmob of een kookprogramma, te bekritiseren? De kalender bespotten wegens zijn naaktmodellen is natuurlijk onaanvaardbaar, want het was tegen kanker, ik herhaal KANKER. En met kanker spot men niet, net als met astma, aids, armoede, aandoeningen, abortus... (U kunt de volledige alfabetische lijst raadplegen op de website zelfcensuurdoejezo.be). Maar kort samengevat, elk onderwerp dat kwetsend kan zijn voor iemand of iemand die iemand kent die het kwetsend zou kunnen vinden, is een probleem — zelfs al is de persoon in kwestie misschien overleden.
Leuk doen, niks meer
Zolang het klonen van Toon Hermans nog niet gelukt is, zijn er godzijdank mensen die de komiek wijzen op zijn of haar maatschappelijke functie, namelijk leuk doen en niks meer. De voorbije week werd die taak volbracht door Lut Celie van De Bleekweide (DS 11 januari) en Mark Van de Voorde (De Morgen 12 januari) , oud-hoofdredacteur van Kerk en Leven (een titel die eerlijk toegeeft dat de kerk losstaat van het echte leven).
In haar opiniestuk gaf Lut Celie een schrijnend fictief voorbeeld. Een zwaarlijvig meisje met de naam Mandy De Bock (u mag die naam herlezen, ik wacht wel even) wordt gepest door een Ruben en een Kevin die een Maggie De Block-mop uit het tv-programma Comedian vindt werk recycleren. Nog los van het feit dat blanke jongens van vijftien jaar de voornaamste doelgroep zijn voor Canvasprogramma's op een dinsdagavond om 22 uur, heeft ze ook gelijk over de verpletterende verantwoordelijkheid van de komiek. Hij ging te ver. Want een verzonnen dikzak werd gepest, niet door de komiek, maar toch een beetje, via een omweg of zo.
Mark Van de Voorde verwoordde het nog beter in zijn opiniestuk. Meteen bewees hij zijn kennis van het comedylandschap met de zin ‘Het lijkt erop dat steeds meer Vlaamse komieken slechts grappig kunnen zijn als ze grofgebekt beledigen'. Een feit dat staat als een huis, ongetwijfeld vastgesteld na jarenlang veldonderzoek. Men denkt bijvoorbeeld aan de controversiële show van Willy Bleekselder, getiteld Een uur lang neger roepen .
Zijn column kwam er naar aanleiding van de grap van Theo Maassen over de cafébrand in Volendam, nu twaalf jaar geleden. Dat er pas een klacht kwam nadat de show op televisie werd uitgezonden en niet na de 150 livevoorstellingen is volgens Van de Voorde heel logisch. Alleen geestesverwanten gaan naar humor op een podium kijken. Want bij aankoop van elk theaterabonnement, krijgt de toeschouwer ook een vragenlijst die dan volledig ingevuld wordt opgestuurd naar de artiest. Op die manier is het publiek verzekerd dat niks onaanvaardbaars gezegd zal worden. Een andere mogelijke verklaring voor de klachten die pas na de uitzending opduiken, is dat de compulsieve klager met de egoïstische neiging om diens éénpersoonsvisie op te dringen aan de wereld, gewoon te lui is om naar theater te gaan.
Alles mag!
Gelukkig biedt Van de Voorde de maatstaf voor wat wel of niet grove humor is. De komiek moet de regel van de wederkerigheid hanteren: ‘Zou ik het verdragen als men dit over mij zou vertellen'. Als komiek onder komieken kan ik u meedelen dat er nergens meer en beter en schoner en vakkundiger en tot op het bot beledigd wordt als onder komieken. Opmerkingen over lijf, religie, denkpatronen, ziektes en politieke voorkeuren worden naar elkaar gesmeten zonder dat dit in een gekwetst zieltje resulteert.
Dus meneer Van de Voorde; dankzij uw regel van wederkerigheid is het officieel: alles mag. En misschien moet ik het woord ‘alles' nog eens benadrukken, alles betekent ook wat u stoort of kwetst. Want alles is alles en niks is heilig. En als u werkelijk gelooft dat een komiek eerder geïnteresseerd is in een carrière opgebouwd met gemakkelijke beledigingen in plaats van intelligente gepolijste grappen met impact; dan bent u cynischer dan welke uitgebluste performer ook.
Het hellend vlak dus.
http://nl.wikipedia.org/wiki/Hellend_vlak_(retoriek)
"Het hellend vlak of glijdende schaal is een argument in de debatkunst of retoriek. Een "hellend vlak" inroepen betekent dat men beweert dat een bepaalde actie een reeks opeenvolgende gebeurtenissen zal veroorzaken die uiteindelijk tot een (meestal ongewenst) einde zullen leiden.
Het gebruik van een hellend vlak kan een geldig argument zijn, maar ook een drogreden.
Hellend vlak als argument.
Het argument gaat als volgt (A en B zijn gebeurtenissen, toestanden, beleidskeuzes, acties, enz., waartussen een causaal verband geldt):
- Als A gebeurt
- dan volgt B onherroepelijk
Drogreden
Het argument van het hellend vlak kan dikwijls een drogreden inhouden. Meestal gebeurt dit in de volgende vorm:
- B is slecht
- omdat de kans op B verhoogt als A gebeurt, is A ook slecht
ONHERROEPELIJK.
Wat betekent dat?
Het probleem is dat zo'n afweging volkomen subjectief is.
Sorry, ik ben even de draad kwijt. Die laatste zin was een citaat uit het eerste artikel van Yves Desmet. Volledig uit zijn verband gerukt.
Onherroepelijk is onherroepelijk. Dat is objectief vast te stellen.
Maar door wie?
Waar ligt de grens en wie trekt ze?
Trekken "we" de grens?
"De meeste dingen in ons leven hebben geen waarde op zich, het zijn wij die er een bepaalde betekenis aan toeschrijven. Sommige dingen kennen we een intrinsieke waarde toe, we waarderen ze om wat ze zijn; andere zaken beschouwen we dan weer als instrumenteel en brengen ze in stelling om iets anders te bereiken. Het eerste noemen we ook een principe, het tweede een middel, een strategie om iets na te streven"
Als we een intrinsieke waarde aan iets toekennen, heeft dat iets dan een waarde op zich?
Maar dit geheel terzijde.
Of trekt niemand de grens?
"Het staat iedereen vrij een andere beslissing te nemen, te oordelen dat ze in een identieke situatie een andere beslissing zouden nemen. Maar wie heeft het recht in plaats van de tweeling over hun lot te beslissen en te oordelen dat ze moesten opgesloten worden in een leven dat voor hen elke zin verloren had?"
Alles mag!
Dat is een hellend vlak als argument.
Geen grenzen!
Alles!
Joost Vandecasteele vindt het grapje van de Vrouwenraad niet kunnen.
Weet u hoe dat komt?
Joost Vandecasteele heeft geen hart.
Hij heeft geen vrouw, hij heeft geen kinderen. Kortom, hij heeft geen hart. Een vleesmassa, een vleesmassa met veel belegen haar op, maar zonder hart.
Weet u waarom hij geen kinderen heeft?
Zijn kinderen zouden gepest worden.
Verontwaardigd (om de één of andere reden associeer ik Joost Vandecasteele altijd met "verontwaardigd") zou hij de pesters bij de kraag vatten om ze eens flink door mekaar te schudden.
"Het was maar een grapje", zouden de pesters uitroepen als zijn hand vervaarlijk dicht bij hun oren zou zwaaien.
"Maar... maar dan zijn jullie geen pesters?", zou Joost Vandecasteele met een klein hartje vragen (u mag hier even over nadenken, ik wacht wel even).
"Maar nee jong, wij zijn gewoon een stelletje grapjassen". zouden de grapjassen naar waarheid antwoorden.
Daarom heeft Joost Vandecasteele geen kinderen.
Hij mag het wel, maar hij kan het niet.
http://www.taalblad.be/zinsbouw/mogen-of-kunnen-
Mogen of kunnen?
Kunnen jullie mij even helpen?
Mogen we hier mee lachen?
Bij ‘mogen’ is er altijd sprake van een toestemming van iemand. Soms staat de persoon die de toestemming geeft, vermeld in de zin.
‘Mogen’ is een modaal werkwoord. Je combineert ‘mogen’ dus met een infinitief.
‘Kunnen’ heeft te maken met:
- een mogelijkheid
- een capaciteit, een competentie
Het kan gaan om een competentie die je van nature hebt of om een competentie die je bereikt hebt door te oefenen.
Mogen we hier mee lachen?
MOGEN
Bij ‘mogen’ is er altijd sprake van een toestemming van iemand. Soms staat de persoon die de toestemming geeft, vermeld in de zin.
| Ik mag er mee lachen. | |
| Je mag er van Joost Vandecasteele mee lachen. |
‘Mogen’ is een modaal werkwoord. Je combineert ‘mogen’ dus met een infinitief.
KUNNEN
‘Kunnen’ heeft te maken met:
- een mogelijkheid
| Waarom kan Joost Vandecasteele er niet mee lachen? |
- een capaciteit, een competentie
Het kan gaan om een competentie die je van nature hebt of om een competentie die je bereikt hebt door te oefenen.
maandag 14 januari 2013
Gunter Lamoot
http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/Opinie/article/detail/1562087/2013/01/14/Een-goede-gore-grap-maakt-de-wereld-weer-mooi.dhtml
Zijn er grenzen aan de humor, zoals Mark Van de Voorde beweert (DM 11/1)? Neen, in feite zijn die er niet. Iedereen met gezond verstand weet dat.
Sommige mensen hebben de neiging om de dingen die ze zelf niet willen zien, ook te verbieden voor anderen. Willen ze dan dat alles gereglementeerd wordt? Zelf voel ik me soms beledigd door de geur- en smaakloze eenheidsworst op tv. Is dat dan de norm?
Moraalridders zoeken draken om te verslaan en komieken zijn de draken van tegenwoordig. Helaas verwachten moraalridders dat zo'n draak warme chocomelk spuwt en hun pantoffels komt brengen. Ze verwachten Toon Hermans, maar zijn verwonderd wanneer draken vuur spuwen.
Er is nu heel wat discussie over 'de misselijkmakende humor' van Theo Maassen. In zijn show Met alle respect maakte hij een grap over de brand in Volendam. Dat is objectief een goeie grap, al ligt ze subjectief niet in mijn bovenste lade. Het gaat om een grap die uit de context werd gerukt en werd opgeblazen. Ik begrijp dat Theo Maassen zegt: "Ik lach met alles." Dat is zijn vrijheid en zijn beroep. Het vizier van de moraalridders staat echter gericht op woorden als 'verbrand' of 'kanker', maar de constructie van een grap zien zij niet.
Er zullen altijd mensen gekwetst zijn en ik begrijp dat. Statistisch kun je daar niet onderuit, maar als je rekening houdt met statistiek, kun je niets meer zeggen. Maak je een grap over kanker, dan is de kans erg groot dat er mensen gekwetst zijn. Bijna iedereen krijgt op de een of andere manier met kanker te maken, maar moet je daarom een goede grap laten liggen?
Een fan van hardere humor kan zoiets plaatsen, zelfs als je er zelf mee geconfronteerd bent. Daarom is zo'n grap nog niet fijn, maar je kunt wel inschatten wat zo'n mop waard is. Je kunt beledigd of gekwetst zijn, maar dat wil niet zeggen dat de grap niet goed is. De mate waarin mensen zich beledigd voelen, is geen maatstaf voor de kwaliteit van een grap.
Globaal bekeken heeft de grote meerderheid van de mensen wel een grens die je niet mag overschrijven. De harde humor en kleine toefjes subversiviteit vormen een kleine minderheid. Zo is er ook een verschil tussen een optreden in een zaal en een uitzending op tv. Bij dat laatste is de kans groter dat het publiek gechoqueerd reageert.
Hoewel ik instinctief bezig ben met grappen besef ik ook dat je in sommige tv-programma's niet moet overdrijven. Anders gaat de humor verloren - dat heeft niets te maken met zelfcensuur, wel moet je de beste grap maken die in een bepaalde context mogelijk is.
Je kunt het publiek ook voorbereiden op harde humor. 'Warning: contains adult humor', waarschuwt de BBC haar kijkers. Ik vind dat goed. Het is informatief en het stoort niet. Je moet niet nodeloos proberen om reacties uit te lokken bij mensen die daar niet voor gekozen hebben. Het is nooit de bedoeling om concrete slachtoffers te viseren. Wij zijn maar een bende professionele onnozelaars die iets grappigs proberen te doen. Er is geen verborgen agenda.
Een gore grap kan niet té gortig zijn als het ook een goede grap is. Soms zou er meer respect mogen zijn voor een goede grap dan voor mensen, hoe hard de grap ook is. Het gaat om métier, om de creativiteit waarmee je iets brengt. Als de grap goed is, kan zelfs grove humor fris zijn. Dan is de wereld heel even een mooiere plek. Ja, soms voel ik schroom over taboe-onderwerpen, maar dat betekent dat de grap niet goed genoeg is. Hoe beter de grap, hoe minder schroom je voelt.
Humor is gebaseerd op de werkelijkheid, maar het is tegelijk abstract en primitief. Je laat de werkelijkheid even los. Je zet een venster open, zodat je een parfum van amoraliteit kunt opsnuiven. Het is instinctief lachen met dingen waar je eigenlijk niet mee mag lachen. Maar daarna doe je dat venster weer dicht.
De discussie over comedy zal nooit stoppen, maar de kritiek is totaal niet relevant voor mij. Ik wil niemand beledigen of choqueren, maar gewoon humor brengen. Soms lucht het op om eens heel amoreel tewerk te gaan. Alsof je een klein gaatje in een ballon prikt zonder dat hij ontploft. Dan is er wat minder spanning en dat is ook goed voor de ballon.
Dit is objectief een goeie grap.
In dat geval heb ik de neiging om een voorbeeld te vragen van een objectief slechte grap.
Stel dat u een voorbeeld geeft van zo'n grap.
In dat geval zijn er grenzen aan de grap.
Die slechte grap is namelijk de grens. Het is niet meer om te lachen. "Het is erover". Het is over de grens.
"Een slechte grap is geen grap", spartelt u tegen.
Dat is larie natuurlijk. Een grap is een grap.
U kan wel grapjes vertellen, maar als u een opinie naar voor schuift, dan gebeurt dat doorgaans volgens de basisregels van de logica.
De basisregel bij uitstek in de logica is A = A.
Een grap is een grap.
Stel dat u geen voorbeeld geeft van een objectief slechte grap.
Indien u zich profileert als iemand die een objectief goeie grap kan herkennen, dan kunt u toch ook een objectief slechte grap herkennen dunkt mij. Uw expertise als beoordelaar in het herkennen van een objectief goeie grap staat of valt helaas met uw expertise als beoordelaar in het herkennen van een objectief slechte grap.
Of is elke grap objectief een goeie grap?
Hitler hemzelve zou ter zijner verdediging kunnen opwerpen: het was maar om te lachen.
Geen grap over Hitler of de Joden, maar een uitspraak of gebeurtenis zelf presenteren als grap.
"Maar dat is helemaal geen grap", spartelt u wanhopig tegen.
Wat is een grap?
Iets waarmee je kan lachen.
Maar wat als Marc er niet mee kan lachen en Gunter wel?
Dan schrijft Marc een grap en dan schrijft Gunter een grap.
Zoals ik al zei: dit is objectief een goeie grap.
Ik hou de werkelijkheid even vast.
Zijn er grenzen aan de humor, zoals Mark Van de Voorde beweert (DM 11/1)? Neen, in feite zijn die er niet. Iedereen met gezond verstand weet dat.
Sommige mensen hebben de neiging om de dingen die ze zelf niet willen zien, ook te verbieden voor anderen. Willen ze dan dat alles gereglementeerd wordt? Zelf voel ik me soms beledigd door de geur- en smaakloze eenheidsworst op tv. Is dat dan de norm?
Moraalridders zoeken draken om te verslaan en komieken zijn de draken van tegenwoordig. Helaas verwachten moraalridders dat zo'n draak warme chocomelk spuwt en hun pantoffels komt brengen. Ze verwachten Toon Hermans, maar zijn verwonderd wanneer draken vuur spuwen.
Er is nu heel wat discussie over 'de misselijkmakende humor' van Theo Maassen. In zijn show Met alle respect maakte hij een grap over de brand in Volendam. Dat is objectief een goeie grap, al ligt ze subjectief niet in mijn bovenste lade. Het gaat om een grap die uit de context werd gerukt en werd opgeblazen. Ik begrijp dat Theo Maassen zegt: "Ik lach met alles." Dat is zijn vrijheid en zijn beroep. Het vizier van de moraalridders staat echter gericht op woorden als 'verbrand' of 'kanker', maar de constructie van een grap zien zij niet.
Er zullen altijd mensen gekwetst zijn en ik begrijp dat. Statistisch kun je daar niet onderuit, maar als je rekening houdt met statistiek, kun je niets meer zeggen. Maak je een grap over kanker, dan is de kans erg groot dat er mensen gekwetst zijn. Bijna iedereen krijgt op de een of andere manier met kanker te maken, maar moet je daarom een goede grap laten liggen?
Een fan van hardere humor kan zoiets plaatsen, zelfs als je er zelf mee geconfronteerd bent. Daarom is zo'n grap nog niet fijn, maar je kunt wel inschatten wat zo'n mop waard is. Je kunt beledigd of gekwetst zijn, maar dat wil niet zeggen dat de grap niet goed is. De mate waarin mensen zich beledigd voelen, is geen maatstaf voor de kwaliteit van een grap.
Globaal bekeken heeft de grote meerderheid van de mensen wel een grens die je niet mag overschrijven. De harde humor en kleine toefjes subversiviteit vormen een kleine minderheid. Zo is er ook een verschil tussen een optreden in een zaal en een uitzending op tv. Bij dat laatste is de kans groter dat het publiek gechoqueerd reageert.
Hoewel ik instinctief bezig ben met grappen besef ik ook dat je in sommige tv-programma's niet moet overdrijven. Anders gaat de humor verloren - dat heeft niets te maken met zelfcensuur, wel moet je de beste grap maken die in een bepaalde context mogelijk is.
Je kunt het publiek ook voorbereiden op harde humor. 'Warning: contains adult humor', waarschuwt de BBC haar kijkers. Ik vind dat goed. Het is informatief en het stoort niet. Je moet niet nodeloos proberen om reacties uit te lokken bij mensen die daar niet voor gekozen hebben. Het is nooit de bedoeling om concrete slachtoffers te viseren. Wij zijn maar een bende professionele onnozelaars die iets grappigs proberen te doen. Er is geen verborgen agenda.
Een gore grap kan niet té gortig zijn als het ook een goede grap is. Soms zou er meer respect mogen zijn voor een goede grap dan voor mensen, hoe hard de grap ook is. Het gaat om métier, om de creativiteit waarmee je iets brengt. Als de grap goed is, kan zelfs grove humor fris zijn. Dan is de wereld heel even een mooiere plek. Ja, soms voel ik schroom over taboe-onderwerpen, maar dat betekent dat de grap niet goed genoeg is. Hoe beter de grap, hoe minder schroom je voelt.
Humor is gebaseerd op de werkelijkheid, maar het is tegelijk abstract en primitief. Je laat de werkelijkheid even los. Je zet een venster open, zodat je een parfum van amoraliteit kunt opsnuiven. Het is instinctief lachen met dingen waar je eigenlijk niet mee mag lachen. Maar daarna doe je dat venster weer dicht.
De discussie over comedy zal nooit stoppen, maar de kritiek is totaal niet relevant voor mij. Ik wil niemand beledigen of choqueren, maar gewoon humor brengen. Soms lucht het op om eens heel amoreel tewerk te gaan. Alsof je een klein gaatje in een ballon prikt zonder dat hij ontploft. Dan is er wat minder spanning en dat is ook goed voor de ballon.
Dit is objectief een goeie grap.
In dat geval heb ik de neiging om een voorbeeld te vragen van een objectief slechte grap.
Stel dat u een voorbeeld geeft van zo'n grap.
In dat geval zijn er grenzen aan de grap.
Die slechte grap is namelijk de grens. Het is niet meer om te lachen. "Het is erover". Het is over de grens.
"Een slechte grap is geen grap", spartelt u tegen.
Dat is larie natuurlijk. Een grap is een grap.
U kan wel grapjes vertellen, maar als u een opinie naar voor schuift, dan gebeurt dat doorgaans volgens de basisregels van de logica.
De basisregel bij uitstek in de logica is A = A.
Een grap is een grap.
Stel dat u geen voorbeeld geeft van een objectief slechte grap.
Indien u zich profileert als iemand die een objectief goeie grap kan herkennen, dan kunt u toch ook een objectief slechte grap herkennen dunkt mij. Uw expertise als beoordelaar in het herkennen van een objectief goeie grap staat of valt helaas met uw expertise als beoordelaar in het herkennen van een objectief slechte grap.
Of is elke grap objectief een goeie grap?
Hitler hemzelve zou ter zijner verdediging kunnen opwerpen: het was maar om te lachen.
Geen grap over Hitler of de Joden, maar een uitspraak of gebeurtenis zelf presenteren als grap.
"Maar dat is helemaal geen grap", spartelt u wanhopig tegen.
Wat is een grap?
Iets waarmee je kan lachen.
Maar wat als Marc er niet mee kan lachen en Gunter wel?
Dan schrijft Marc een grap en dan schrijft Gunter een grap.
Zoals ik al zei: dit is objectief een goeie grap.
Ik hou de werkelijkheid even vast.
zondag 13 januari 2013
Theo Maassen
Nou ja, we waren nog niet helemaal klaar gisteren...
Weet u wat ik de beste grap van Theo Maassen vind?
Deze:
Vanaf minuut 22.00
"Dat vind ik zo pijnlijk...
Er wordt voorbij gegaan aan de feiten...
Het is al lang feitelijk bewezen..."
Maar dat meent Theo Maassen waarschijnlijk niet echt joh!
Ik heb er het volste vertrouwen in dat hij een typetje speelt.
zaterdag 12 januari 2013
Marc Van de Voorde
http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/Opinie/article/detail/1561469/2013/01/12/Als-het-publiek-fatsoenlijker-grappen-wil-moet-het-zich-fatsoenlijker-gedragen.dhtml
In Nederland woedt het debat over de grenzen van humor. De aanleiding was de tv-uitzending van Met alle respect, de jongste onemanshow van cabaretier Theo Maassen. Een passage over Volendam werd door veel kijkers als kwetsend en misselijkmakend ervaren. Of moet ook dat kunnen? Bestaat er zoiets als het recht op beledigen? Of kan een gore grap toch te gortig zijn? Zijn er grenzen aan de humor? Vragen die ook in Vlaanderen een discussie waard zijn.
Sinds het succes van stand-upcomedy lijkt het of ook steeds meer Vlaamse komieken slechts grappig kunnen zijn als ze grofgebekt beledigen. Hun argument is krak hetzelfde als dat van Theo Maassen: dit moet kunnen, want ik lach met alles. Is dat wel zo? Neen. Ook de schreeuwlelijkste cabaretier praat geestesverwanten naar de mond. Hún opvattingen spaart hij. Als hij toch over de schreef wil gaan, kruipt hij in een typetje (niet hij maar die malloot vertelt dan de onwelvoeglijke mop).
Bananenschil
Ook Theo Maassen 'preekt' voor geestesverwanten. Zijn jongste show bracht hij al 150 keer. Nooit een klacht gehoord. Tot de show op de televisie kwam. Het regende klachten. Dat maakte duidelijk dat pas dan ook niet-geestesgenoten hadden toegehoord. Vooral een stukje over Volendam had mensen gekwetst. Maassen vertelde in de sketch hoe vreemd hij het vond dat de xenofobe partij van Wilders in dat polderstadje zo goed had gescoord bij de verkiezingen. Volendam is immers honderd procent blank, zei hij, de enige andersgekleurden zijn "de slachtoffers van die cafébrand". (Ter info: op oudejaarsnacht 2000-2001 veroorzaakte een defect aan de kerstverlichting een uitslaande brand. Veertien jongeren kwamen om, 240 raakten ernstig verbrand en dragen daar nog steeds de sporen van.)
Walgelijk en onacceptabel, luidde de reactie van de Volendammers en van andere Nederlanders. Je spot niet met zo'n zwaar leed. Sinds mensenheugenis lachen we met iemand die uitglijdt over een bananenschil of die zingend van een tafel duikelt. Het gooi- en smijtwerk van de slapstick is de scenische voortzetting van de hilarische val. Maar een cafébrand met doden en voor het leven getekende mensen is geen bananenschil. Je maakt toch ook geen grappen over mensen die op 9/11 uit de torens sprongen. Of wel?
Theo Maassen mocht het op de televisie gaan uitleggen bij Pauw & Witteman. Dat het moet kunnen, zei hij. Hij lacht immers met alles en iedereen. Misschien is dat zijn intentie, maar zo is de werkelijkheid niet. Maassen lacht met Wilders (PVV) en Rutte (VVD), maar niet met Samsom (PvdA). Hij lacht met katholieken, maar niet met atheïsten. Hij lacht met de Volendammer, niet de hipste Nederlander, maar niet met de VARA-kijker, zijn hip publiek. Het kan best zijn dat hij met deze groepen ook wel wil lachen, toch doet hij het niet. Hij houdt zich in. Onbewust past Maassen zich aan zijn publiek aan. Zoals elke cabaretier. Ook vandaag heeft humor grenzen. Die grenzen zijn de acceptatiegraad van het publiek én de tijdgeest.
Wil een cabaretier tegen de tijdgeest in gaan, dan maakt hij een ommetje. Die omweg is het typetje. Je mag vandaag zowat met alles spotten, maar geen seksistische opmerkingen maken (kan ik ook niet verdragen). Je mag vandaag zowat iedereen beledigen, maar niet homo's (vind ik ook onwelvoeglijk). Je mag vandaag zowat iedereen uitschelden, maar niet vreemdelingen (vind ik ook barbaars). Toch gebeurt het in stand-upcomedy en cabaret. Via de truc van het typetje.
Freddy De Vadder is daar het beste voorbeeld van. Rechtsere machopraat, die volgens Milquet strafbaar zou moeten zijn, is ondenkbaar, en toch gaat Bart Vanneste, want zo heet de man in het echt, vrijuit, begeleid door daverend applaus. Om politiek niet correct te kunnen zijn, kruipt Vanneste in het typetje De Vadder. Niet de cabaretier Vanneste dus maar de ranzige marginaal De Vadder doet het. Hiermee weet Vanneste/De Vadder uit twee ruiven te eten. De linkse toeschouwer denkt dat Vanneste de rechtse zak te kakken zet, maar een Vlaams Belanger kan zijn grappen ongetwijfeld best pruimen.
Wederkerigheid
Niemand lacht met alles, maar een deel van het cabaret is wel brutaler en grover geworden. Omdat de samenleving zelf huftiger en onfatsoenlijker is geworden. Beledigen wordt vandaag door sommigen beschouwd als het summum van eerlijke communicatie en schelden als het toppunt van opkomen voor jezelf (bekijk de fora op het internet). Een samenleving krijgt dus in comedy een koekje van eigen deeg.
Natuurlijk is dat geen goede zaak, maar wettelijk grenzen stellen aan humor is even zinloos en ondemocratisch als grenzen willen stellen aan de vrijheid van meningsuiting (zoals Milquet zou willen inzake seksistische opmerkingen). Als het publiek fatsoenlijker humor wil, dan moet het zich eerst zelf fatsoenlijker gedragen. De cabaretier past zich toch (onbewust) aan zijn publiek aan.
Humor staat op de sokkel van de tolerantie. Tolerantie is verdragen dat iemand iets minder goeds zegt over jou en ook de vrijheid krijgen om iets minder goeds te zeggen over de andere. Als een cabaretier wil weten hoever hij kan gaan, moet hij de regel van de wederkerigheid toepassen. Dat kan hij door zichzelf twee vragen stellen. Ten eerste: behandel ik tegengestelde groepen op dezelfde wijze? Voorbeeld: als ik gelovigen beledig, durf ik dat ook met ongelovigen? Ten tweede: zou ik het verdragen als men dit over mij zou vertellen? Is het antwoord negatief, dan is er iets fout met de grap.
Met de wederkerigheid loopt het vandaag wel eens fout bij onze humoristen. Onlangs was Freek de Jonge bij Jeroen Pauw op de Nederlandse televisie. Hij eiste daar het recht op om collega's grof te beledigen. Maar toen Pauw hem weinig flatterende uitspraken liet horen van een andere cabaretier over hem, noemde De Jonge dit ongepast. Theo Maassen bakte het in 'Met alle respect' nog bruiner, toen hij zei dat hij voor de vrijheid van meningsuiting is (voor zichzelf) maar tegen de persoonsbeveiliging (van Wilders). Dat was de grens van de humor ver voorbij. Hier werd cabaret intolerant en zelfs gevaarlijk. Helaas, een deel van de samenleving is intolerant. De terugkeer van respect alleen kan de humor respectabeler maken, niet een of andere onnozele wet.
Dan krijgen we misschien een nieuwsoortige Toon Hermans.
Zijn er grenzen aan de humor?
De vraag stellen is ze beantwoorden.
De grens van de humor wordt bereikt als een grap niet grappig meer is.
Wanneer is een grap niet meer grappig?
Een grap is nooit op zich grappig.
"Das Ding an sich" is noch grappig noch niet grappig.
Tot zover de afrekening met Kant.
De categorische imperatief (Zou ik het verdragen als men dit over mij zou vertellen?): Weg!
Een grap is niet grappig in het brein van de luisteraar.
Neen, want dan zou Marc Van de Voorde geen column kunnen schrijven.
Wie is er geïnteresseerd in wat Marc Van de Voorde grappig vindt?
Als een grap alleen grappig is in het brein van de luisteraar, dan belanden we in een subjectivisme.
Daar bent u bang voor. Alles behalve dat.
Marc Van de Voorde maakt een connectie tussen de grap en de verteller.
In de gedachtengang van Marc Van de Voorde is er een onlosmakelijke band tussen respect en grappig.
Welaan dan:
Helaas, een deel van de samenleving, zij het een heel klein deel, zijn malloten.
Omdat (haha) zij het denken grappig vinden.
In Nederland woedt het debat over de grenzen van humor. De aanleiding was de tv-uitzending van Met alle respect, de jongste onemanshow van cabaretier Theo Maassen. Een passage over Volendam werd door veel kijkers als kwetsend en misselijkmakend ervaren. Of moet ook dat kunnen? Bestaat er zoiets als het recht op beledigen? Of kan een gore grap toch te gortig zijn? Zijn er grenzen aan de humor? Vragen die ook in Vlaanderen een discussie waard zijn.
Sinds het succes van stand-upcomedy lijkt het of ook steeds meer Vlaamse komieken slechts grappig kunnen zijn als ze grofgebekt beledigen. Hun argument is krak hetzelfde als dat van Theo Maassen: dit moet kunnen, want ik lach met alles. Is dat wel zo? Neen. Ook de schreeuwlelijkste cabaretier praat geestesverwanten naar de mond. Hún opvattingen spaart hij. Als hij toch over de schreef wil gaan, kruipt hij in een typetje (niet hij maar die malloot vertelt dan de onwelvoeglijke mop).
Bananenschil
Ook Theo Maassen 'preekt' voor geestesverwanten. Zijn jongste show bracht hij al 150 keer. Nooit een klacht gehoord. Tot de show op de televisie kwam. Het regende klachten. Dat maakte duidelijk dat pas dan ook niet-geestesgenoten hadden toegehoord. Vooral een stukje over Volendam had mensen gekwetst. Maassen vertelde in de sketch hoe vreemd hij het vond dat de xenofobe partij van Wilders in dat polderstadje zo goed had gescoord bij de verkiezingen. Volendam is immers honderd procent blank, zei hij, de enige andersgekleurden zijn "de slachtoffers van die cafébrand". (Ter info: op oudejaarsnacht 2000-2001 veroorzaakte een defect aan de kerstverlichting een uitslaande brand. Veertien jongeren kwamen om, 240 raakten ernstig verbrand en dragen daar nog steeds de sporen van.)
Walgelijk en onacceptabel, luidde de reactie van de Volendammers en van andere Nederlanders. Je spot niet met zo'n zwaar leed. Sinds mensenheugenis lachen we met iemand die uitglijdt over een bananenschil of die zingend van een tafel duikelt. Het gooi- en smijtwerk van de slapstick is de scenische voortzetting van de hilarische val. Maar een cafébrand met doden en voor het leven getekende mensen is geen bananenschil. Je maakt toch ook geen grappen over mensen die op 9/11 uit de torens sprongen. Of wel?
Theo Maassen mocht het op de televisie gaan uitleggen bij Pauw & Witteman. Dat het moet kunnen, zei hij. Hij lacht immers met alles en iedereen. Misschien is dat zijn intentie, maar zo is de werkelijkheid niet. Maassen lacht met Wilders (PVV) en Rutte (VVD), maar niet met Samsom (PvdA). Hij lacht met katholieken, maar niet met atheïsten. Hij lacht met de Volendammer, niet de hipste Nederlander, maar niet met de VARA-kijker, zijn hip publiek. Het kan best zijn dat hij met deze groepen ook wel wil lachen, toch doet hij het niet. Hij houdt zich in. Onbewust past Maassen zich aan zijn publiek aan. Zoals elke cabaretier. Ook vandaag heeft humor grenzen. Die grenzen zijn de acceptatiegraad van het publiek én de tijdgeest.
Wil een cabaretier tegen de tijdgeest in gaan, dan maakt hij een ommetje. Die omweg is het typetje. Je mag vandaag zowat met alles spotten, maar geen seksistische opmerkingen maken (kan ik ook niet verdragen). Je mag vandaag zowat iedereen beledigen, maar niet homo's (vind ik ook onwelvoeglijk). Je mag vandaag zowat iedereen uitschelden, maar niet vreemdelingen (vind ik ook barbaars). Toch gebeurt het in stand-upcomedy en cabaret. Via de truc van het typetje.
Freddy De Vadder is daar het beste voorbeeld van. Rechtsere machopraat, die volgens Milquet strafbaar zou moeten zijn, is ondenkbaar, en toch gaat Bart Vanneste, want zo heet de man in het echt, vrijuit, begeleid door daverend applaus. Om politiek niet correct te kunnen zijn, kruipt Vanneste in het typetje De Vadder. Niet de cabaretier Vanneste dus maar de ranzige marginaal De Vadder doet het. Hiermee weet Vanneste/De Vadder uit twee ruiven te eten. De linkse toeschouwer denkt dat Vanneste de rechtse zak te kakken zet, maar een Vlaams Belanger kan zijn grappen ongetwijfeld best pruimen.
Wederkerigheid
Niemand lacht met alles, maar een deel van het cabaret is wel brutaler en grover geworden. Omdat de samenleving zelf huftiger en onfatsoenlijker is geworden. Beledigen wordt vandaag door sommigen beschouwd als het summum van eerlijke communicatie en schelden als het toppunt van opkomen voor jezelf (bekijk de fora op het internet). Een samenleving krijgt dus in comedy een koekje van eigen deeg.
Natuurlijk is dat geen goede zaak, maar wettelijk grenzen stellen aan humor is even zinloos en ondemocratisch als grenzen willen stellen aan de vrijheid van meningsuiting (zoals Milquet zou willen inzake seksistische opmerkingen). Als het publiek fatsoenlijker humor wil, dan moet het zich eerst zelf fatsoenlijker gedragen. De cabaretier past zich toch (onbewust) aan zijn publiek aan.
Humor staat op de sokkel van de tolerantie. Tolerantie is verdragen dat iemand iets minder goeds zegt over jou en ook de vrijheid krijgen om iets minder goeds te zeggen over de andere. Als een cabaretier wil weten hoever hij kan gaan, moet hij de regel van de wederkerigheid toepassen. Dat kan hij door zichzelf twee vragen stellen. Ten eerste: behandel ik tegengestelde groepen op dezelfde wijze? Voorbeeld: als ik gelovigen beledig, durf ik dat ook met ongelovigen? Ten tweede: zou ik het verdragen als men dit over mij zou vertellen? Is het antwoord negatief, dan is er iets fout met de grap.
Met de wederkerigheid loopt het vandaag wel eens fout bij onze humoristen. Onlangs was Freek de Jonge bij Jeroen Pauw op de Nederlandse televisie. Hij eiste daar het recht op om collega's grof te beledigen. Maar toen Pauw hem weinig flatterende uitspraken liet horen van een andere cabaretier over hem, noemde De Jonge dit ongepast. Theo Maassen bakte het in 'Met alle respect' nog bruiner, toen hij zei dat hij voor de vrijheid van meningsuiting is (voor zichzelf) maar tegen de persoonsbeveiliging (van Wilders). Dat was de grens van de humor ver voorbij. Hier werd cabaret intolerant en zelfs gevaarlijk. Helaas, een deel van de samenleving is intolerant. De terugkeer van respect alleen kan de humor respectabeler maken, niet een of andere onnozele wet.
Dan krijgen we misschien een nieuwsoortige Toon Hermans.
Zijn er grenzen aan de humor?
De vraag stellen is ze beantwoorden.
De grens van de humor wordt bereikt als een grap niet grappig meer is.
Wanneer is een grap niet meer grappig?
Een grap is nooit op zich grappig.
"Das Ding an sich" is noch grappig noch niet grappig.
Tot zover de afrekening met Kant.
De categorische imperatief (Zou ik het verdragen als men dit over mij zou vertellen?): Weg!
Een grap is niet grappig in het brein van de luisteraar.
Neen, want dan zou Marc Van de Voorde geen column kunnen schrijven.
Wie is er geïnteresseerd in wat Marc Van de Voorde grappig vindt?
Als een grap alleen grappig is in het brein van de luisteraar, dan belanden we in een subjectivisme.
Daar bent u bang voor. Alles behalve dat.
Marc Van de Voorde maakt een connectie tussen de grap en de verteller.
In de gedachtengang van Marc Van de Voorde is er een onlosmakelijke band tussen respect en grappig.
Welaan dan:
Helaas, een deel van de samenleving, zij het een heel klein deel, zijn malloten.
Omdat (haha) zij het denken grappig vinden.
Fabiola
http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/Opinie/article/detail/1560889/2013/01/11/Fabiola-droeg-de-broek-in-Laken-Zoals-Paola-nu.dhtml
Fabiola droeg de broek, in Laken. Zoals Paola nu
Koningin Astrid was ook door niemand te temmen. Vrijgevochten, kunstzinnig, politiek losbandig. Zij was haar eigen majesteitelijke censuur. Over Lilian Baels wil ik het niet hebben, maar dat zij niet het 'madammeke' was zoals het parlementaire onbenul Herman Schueremans vrouwen zo kwalijk denigreert, weet le tout Bruxelles.
Eerder satijnen handschoentjes over een boksbeugel.
Van Boudewijn en Fabiola bestaat het beeld van gedroogde vlinders in een missaal. Hooguit mystieke drinkbussen van elkaar, geen buitenwaarts leven in te krijgen. Samen aan het touwtje van Opus Dei.
Gepantserde godsvrucht.
Beeldvorming is vaak een valstrik. Ook dit koningspaar zocht seculiere macht. Zij meer dan hij. Fabiola droeg de broek, in Laken. Zoals Paola nu. Zij tekende de krijtlijnen uit, betonneerde het relatiemanagement van manlief, waakte ervoor dat elke glimlach voorafgegaan werd door een betekenis van haar hemelzuchtige castagnetten.
Fabiola mag dan wereldvreemd lijken met dat Leopardkapsel op het hoofd en die gel van goedertierenheid in de ogen - voor alles blijft ze machtsbelust en eigenzinnig.
Existentieel ongenaakbaar, zoals oude Spaanse aristocratie.
Transparantie, Fabi?
Dat laten we graag aan God over.
Hugo Camps
Een kenmerk van de koningsmaker: hij is een koningsbreker.
Niets zo sterk als de sterkte van het woord. Het woord als zwaard, vraag het maar aan koning Arthur.
Geen werkwoorden. Noblesse oblige. De adel werkt niet.
Staccato als woordkunst. Vlijmscherp. Elke uithaal dodelijk efficiënt. Geen ruimte meer voor twijfel.
Koningsmaker. Koningsbreker.
Grand Seigneur de la Pensée.
Oh ironie, hij zal er nog trots op zijn ook.
Maar altijd is er iemand die het korter kan.
Tot er iemand is die zwijgend spreekt.
Zwijgen is een werkwoord.
Een God.
zaterdag 29 december 2012
Ayn Rand
Een mens heeft al eens een momentje tijdens de kerstdagen.
"De eeuwige bron" leek me wel een leuke titel.
Maar dat is eerder een verdienste van de vertaler van dienst (Jan Van Rheenen) dan van de schrijfster.
De originele titel blijkt "The Fountainhead" (de werktitel van de roman blijkt zelfs "second-hand lives").
750 pagina's.
En dan te bedenken dat het hoofdpersonage een modernistische architect is die het gebouw herleid tot zijn essentie, soberheid ontdaan van alle franjes, minimalistische lijnen...
En dan te bedenken dat het uitverkoren citaat uiteindelijk te vinden is in een nawoord van de schrijfster.
"Er zijn heel weinig richtingaanwijzers te vinden. De eeuwige bron is er een van."
vrijdag 28 december 2012
Albert II
Albert II nam het woord "populistisch" in de mond.
Lange tijd heb ik Z.M. Koning Albert II geassocieerd met Prins Albert, maar dit geheel terzijde.
Honderden analyses, essays en opinies waren zijn deel.
"Populisme" is een moeilijk woordje.
Ik kan er niets over schrijven.
Waarom niet?
Omdat "populisme" familie is van het "wij-zij denken".
http://www.demorgen.be/dm/nl/2462/Standpunt/article/detail/1554176/2012/12/27/Bart-De-Wever-krijgt-terecht-het-verwijt-dat-hij-zijn-kapitaal-bouwt-op-het-uitbuiten-van-een-wij-zijdenken.dhtml
De timing was treffend. Net op de dag dat Kevin Absilis zich in zijn essayreeks kantte tegen progressieve spraakmakers die de N-VA van Bart De Wever gelijkstellen met 'een terugkeer naar de jaren dertig', stak er een rel op over de vergelijking die koning Albert maakte tussen hedendaags politiek populisme - waarbij hij de N-VA viseerde - en 'de crisis van de jaren dertig'. Nee, het was niet zo verstandig van het paleis om de nieuwjaarsboodschap te laten ontsieren met een dergelijke retorische doodschop. En het was vooral niet verstandig van de Vlaamse regeringspartijen om de gevoelige tekst niet of onzorgvuldig na te lezen.
Onbedoeld heeft de koning zo wel nogmaals de kloof in het denken in dit land blootgelegd. Wat onaanvaardbaar in de oren klinkt van vele Vlamingen, is even vanzelfsprekend voor een deel van de Franstalige publieke opinie. Voor vele Franstaligen is Bart De Wever een gevaarlijke populist die de democratie bedreigt. De Wever is een rechts politicus, die zich vaker dan zijn intellect zou mogen toelaten, laat verleiden tot een populistisch discours. Maar dat maakt hem nog niet tot een extreem rechts populist. Je kan tegen de man zijn, maar zijn voorstellen passen binnen een ideologisch kader, wat in tegenspraak is met de definitie van populisme.
Bart De Wever krijgt terecht het verwijt dat hij zijn kapitaal bouwt op het uitbuiten van een wij-zijdenken. Liever dan de tegenstellingen te ontzenuwen, bevestigt hij ze met beledigende uitspraken over al wie hem niet welgezind is. De indruk die hij wekt dat hij daarmee een exclusieve gemeenschap afbakent, levert hem electoraal profijt op.
Wie De Wever evenwel succesvol wil bekampen, komt er niet met een links doorslagje van dat wij-zijdenken. Dat is de conclusie van het kerstessay dat Kevin Absilis de voorbije dagen in deze krant publiceerde. Zijn 'Vlaamse vloek in de linkse kerk' houdt velen een ongemakkelijke spiegel voor. Al te veel gaan tegenstanders van Bart De Wever uit van morele zelfgenoegzaamheid en blijven politieke argumenten achterwege, stelt Absilis. De politieke judoka De Wever neemt gezwind de aanval over, en vloert de tegenstanders met hun eigen zwakte.
Kevin Absilis heeft gelijk. In plaats van Vlaanderen te kijk te zetten als een benepen eiland, zouden progressieve spraakmakers beter hun plaats opeisen als lid van een diverse Vlaamse gemeenschap, vooralsnog nog altijd deel van België. Wie de N-VA wil bekampen, formuleert beter een alternatief voor haar rechtseconomische discours, liever dan zich op te sluiten onder gelijkgezinden.
Je verslaat het wij-zijdenken niet door er zelf in te vervallen. Je kan niet tegelijk iemand verwijten dat hij niet met je wil praten en hem uitschelden voor hele of halve fascist. Die kerstboodschap geldt voor de koning en zijn adviseurs, en eigenlijk voor ons allemaal.
Bart Eeckhout
Chef M
"Je verslaat het wij-zijdenken niet door er zelf in te vervallen."
Als ik zoiets lees heb ik altijd de neiging om luid "Bingo!" te roepen.
"Je hebt zij die er in vervallen en zij die er niet in vervallen."
Is er dan geen uitweg?
"Je verslaat het denken niet door er zelf in te vervallen".
zaterdag 22 december 2012
Barbara Dzikanowice
http://vlaanderen.mediargus.be/Frames/Article.aspx?ArticleId=4f574a424337766e45474c6e774c7a716450585436773d3d&BasketId=3059746d4336424d674a773d&IsReview=True
Twee keer gebuisd in Nederland, doctoraat in België
De Morgen - 21-12-2012
| Promotor Jean Paul Van Bendegem: 'Het gaat om meer dan juist of onjuist' In zijn proefschrift formuleert doctoraatsstudent Marcoen Cabbolet de theorie dat antimaterie op aarde omhoog kan vallen. Voor niet-ingewijdenen: ons heelal bestaat uit materie en antimaterie of van elk deeltje bestaat er een antideeltje. Hoewel ze op sommige punten gelijk zijn aan elkaar, zijn andere eigenschappen precies het tegenovergestelde. Isaac Newton bewees in 1687 waarom materie op aarde naar beneden valt. Cabbolet formuleerde voor zijn doctoraatsverhandeling de hypothese dat antimaterie dan het omgekeerde zou moeten doen en dus omhoog 'valt'. "Klinkklare onzin", zeiden de professoren aan de Universiteit van Eindhoven. "Deze theorie gaat in tegen de kwantummechanica en de relativiteitstheorie en het onderzoek voldoet niet aan de kwaliteitseisen van de universiteit." In het kamp van de tegenstanders zitten zwaargewichten zoals Nobelprijswinnaar Gerard 't Hooft. Volgens hem viel van het natuurkundige deel van het proefschrift geen brood te bakken en was het wiskundige deel te vaag. Ook natuurkundige Robbert Dijkgraaf maakte komaf met het doctoraat en noemde het fysicacomponent 'beneden de maat'. Fysica of filosofie Het zag er dus naar uit dat Cabbolet na tien jaar noeste arbeid zijn doctorstitel op zijn buik kon schrijven. Ware het niet dat de strijdvaardige student naar België trok en zich inschreef aan de VUB in Brussel waar hij ongeveer hetzelfde doctoraat indiende. Zijn promotor: Jean Paul Van Bendegem, Vlaanderens bekendste filosoof en wiskundige. Van Bendegem was op de hoogte van de slechte beoordeling in Eindhoven, maar verdedigt het proefschrift. "Het gaat hier niet over juist of onjuist. In Nederland diende Cabbolet zijn proefschrift in aan de faculteit Natuurkunde en in België aan de faculteit Wijsbegeerte. Voor natuurkundigen is zijn theorie terecht te speculatief, maar in de wijsbegeerte is er veel meer ruimte voor speculatie. Het is jammer dat de wetenschap de laatste decennia steeds meer focust op uitkomst. Alles moet bewezen worden." Gelukkig is er in de fysica altijd een experiment waardoor men een bepaalde theorie kan bewijzen. Nu wil het lukken dat CERN, het internationaal onderzoekslaboratorium in het Zwitserse Genève, die hypothese rond antimaterie momenteel aan een experiment aan het onderwerpen is. Ze zijn niet op de hoogte van de theorie van Cabbolet en beseffen dus niet dat ze middenin een discussie tussen universiteiten komen. Ultieme test in Cera Het duurt nog een jaar eer ze de resultaten bekend maken, maar dan zullen we voor eens en voor altijd weten wie er nu verkeerd zat. Lukt het experiment, en valt antimaterie inderdaad omhoog, dan zou Cabbolet wel eens de Einstein van de 21ste eeuw kunnen worden.
|
Geweldig toch!
"Het is jammer dat de wetenschap de laatste decennia steeds meer focust op uitkomst. Alles moet bewezen worden."
En dan onmiddellijk de journaliste (Barbara Dzikanowice):
"Gelukkig is er in de fysica altijd een experiment waardoor men een bepaalde theorie kan bewijzen."
Richard Wagner
Bart De Wever is "back in town"!
Dat zullen we geweten hebben.
http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=DMF20121221_00410971
Afbreken om op te bouwen
Over de waarde van kunst
Louis Paul Boon, Max Weber, Friedrich Nietzsche, Richard Wagner, E.T.A. Hoffmann. Ze inspireerden BART DE WEVER tot een reflectie over de rol die kunst in een samenleving kan spelen.
Als hij afrondt, blijkt zijn besluit samen te vallen met Heinrich Heine.
Als hij afrondt, blijkt zijn besluit samen te vallen met Heinrich Heine.
‘Moet een fatsoenlijk mens wanneer hij gaapt en wanneer hij schrijft een blad voor de mond houden, of moet hij integendeel de dingen zeggen gelijk hij de dingen gepeinsd heeft en overal een steen des aanstoots zijn?' Die vraag stelde Louis Paul Boon zich in 1947 in zijn wekelijkse column ‘Ook de afbreker bouwt op'. Want zo werd Boon gepercipieerd: als iemand die cynisch afbrak, zonder een constructieve bijdrage te leveren. Ik heb me dezelfde vraag gesteld na de recente clash met ‘de cultuurwereld' over de naam van een Antwerps pleintje. Ik wil me van de verste verte niet meten aan het genie van Boon, maar net als de schrijver oordeel ik dat het toch beter is te spreken. Zelfs over kunst.
Hoffmanns vertellingen
In 1917 hield Max Weber een lezing waarin hij een van de meest spraakmakende begrippen van de 20ste eeuw lanceerde: de onttovering van de wereld. Weber analyseerde de overgang van een magisch wereldbeeld naar de moderniteit aan de hand van de rationalisering van de samenleving. Geen mystieke godheid schuilde achter onverklaarbare fenomenen, maar een rationele natuur die beheersbaar, controleerbaar en zelfs stuurbaar was. Daardoor kon het economische en maatschappelijke leven rationeel georganiseerd worden. Arbeidsprocessen werden gespecialiseerd, structuren geoptimaliseerd en eeuwenoude gebruiken als nutteloos overboord gegooid. Wilde iets een functie hebben in de moderniteit, dan moest het een nut hebben. Onvermijdelijk kwam dit nutsdenken in botsing met religie en kunst. Het christendom werd geleidelijk gedwongen zich in te passen in het nutsdenken en het zocht voor zichzelf een plaatsje als aanbieder van rituelen en troost voor de massa. Kunstenaars huiverden echter bij de gedachte dat kunst überhaupt een nut moest hebben. Daarom koos kunst een andere weg – en terecht, gezien de huidige toestand van het christendom in West-Europa. Kunst verklaarde zich autonoom van het nutsdenken. Kunst moest niet ten dienste staan van een sociale functie. Kunst had een intrinsieke waarde in zichzelf. L'art pour l'art!
E.T.A. Hoffmann beschreef dat proces in zijn satires rond Kapellmeister Kreisler, die gevraagd wordt om de soirees van de betere burgerij met zijn composities op te luisteren. Hoewel Kreisler daar aanvankelijk geen graten in vindt, ervaart hij dat zijn muziek slechts een versnapering naast de thee en punch is, een stukje verstrooiing tussen de gesprekjes door. Zijn muziek heeft een functie gekregen: ze is entertainment geworden. En terwijl Kreisler aan het klavier zit en de gasten geboeid naar hem luisteren, beslist hij zich te verzetten tegen het nutsdenken dat van hem een artistieke bediende heeft gemaakt. Hij begint zijn makkelijk in het oor liggende muziek op te leuken met moeilijke bruggetjes en geïmproviseerde franjes. Het publiek is eerst verrast, maar blijft luisteren. Kreisler gaat verder en speelt steeds abstractere muziek. Her en der beginnen mensen onder elkaar te praten. Het geroezemoes moedigt Kreisler aan om nog verder te gaan, steeds verder, tot de eerste mensen het salon verlaten. Uiteindelijk, als Kreisler zijn ondertussen extreem complex muziekstuk afrondt, zit er niemand meer in de zaal, behalve de butler die de taart aansnijdt. De kunst heeft haar autonomie herwonnen, maar tegen een hoge prijs. Want de vraag rest: wie is hier eigenlijk gevlucht? Het publiek voor de kunst of de kunstenaar in zijn kunst? Of allebei?
Het absolute concept...
Het idee van autonome kunst is en blijft een mythe. Een mythe die de kunstgemeenschap in verbeelding aan elkaar smeedt: de kunstenaar als onafhankelijke observator, los van elke gemeenschap, met een verheven kijk op wat er rondom hem gebeurt. Een mythe die intussen zelf is ingehaald door het nutsdenken. Want waarom vinden we kunst belangrijk? Omdat de kunstenaar de maatschappij objectief kan beschouwen en ons zo tot nieuwe inzichten kan brengen. Dat is zijn nuttige functie.
Friedrich Nietzsche heeft fel geageerd tegen die visie. Kunstenaars zijn, volgens Nietzsche, ‘lang niet zo onafhankelijk in de wereld en tegenover de wereld dat hun waardeoordeel en hun levenswandel onze belangstelling zouden verdienen. Kunstenaar zijn plooibare hovelingen (…) met een fijne neus voor oude of pas opkomende machten.' Nietzsches bittere besluit: ‘Niets is zo omkoopbaar als een kunstenaar.' Harde woorden, die wat nadere uitleg verdienen.
Net zoals veel van zijn tijdgenoten, was Nietzsche gefascineerd door Richard Wagner, die zich verzette tegen kunst als massa-amusement, luxegoed of individuele bevrediging. Kunst moest niet alleen autonoom zijn, maar ook een boven alles uitstijgende macht die de hele gemeenschap verenigde in één gebald, verscheurend moment. Wagner droomde van een kunstwerk dat alle kunsten (muziek, theater, literatuur, beeldende werken) in zich opnam en tegelijk een nieuwe mythe creëerde die kunst binnen het moderne plaatste. Dat totaalconcept was Der Ring des Nibelungen, dat in de oorspronkelijke plannen eenmaal, tijdens een dagenlang gratis festival, zou worden opgevoerd in een speciaal gebouwd theater. Daarna zou zowel het theater als de partituur worden vernietigd om de uniciteit van het moment te beklemtonen.
Nietzsches begeestering toonde zich in het onverdroten promoten van Wagners ideeën, het ongenadig afmaken van diens critici en het leveren van de filosofische onderbouw. Maar Wagner leerde al vlug dat om zo'n ambitieus kunstwerk gestalte te geven, er veel geld nodig was. Dus moest Wagner op zoek naar geldschieters die hem in staat stelden zijn creatieve dromen te verwezenlijken. Dat betekende compromissen sluiten. Het theater kwam in Bayreuth omdat de gemeenteraad daar bereid was grond ter beschikking te stellen. De opvoering was, gezien de immense kosten, evenmin gratis. Bovendien ontstonden over heel Duitsland elitaire Richard Wagner-genootschappen, die geld inzamelden, maar ook elk hun claim legden op het festival. Toen de Festspiele in 1876 van start gingen, was – de toen al eerder sceptische – Nietzsche een eregast. Wat hij zag, vervulde hem met afschuw. In plaats van het gewone volk, zag hij de gekroonde Duitse hoofden en de hogere burgerij, die immense bedragen hadden neergelegd om aan toegangskaarten te geraken. De lagere burgerij – onder wie Karl Marx – stond met de neus aan het venster om een glimp op te vangen. Van Nietzsches artistieke idealen schoot niets meer over. Gedesillusioneerd verliet hij tijdens de opvoering de zaal – wat Wagner hem nooit zou vergeven – en verzonk in een diepe crisis.
...en het financiële plaatje
Het romantische cliché van de armlastige, maar briljante kunstenaar, die miskend door de goegemeente zijn leven slijt op de rand van de goot en wellicht pas postuum erkenning zal krijgen, heeft zijn beste tijd gehad. Maar wat velen in Nietzsches geest nog steeds zien als een pervertering van het artistieke, is gewoon een eeuwenoud gegeven. Kunst produceren kost geld. En om geld te verzamelen moet men de macht opzoeken, want macht genereert geld. Kunst kan dus nooit absoluut autonoom zijn, ze zal steeds afhankelijk zijn van wie bereid is om haar te financieren.
Op die manier sluipt echter het nutsdenken de kunstwereld binnen. Want geld eist verantwoording. Wie investeert, wil een return on investment, dat is de logica van onze onttoverde wereld. Vandaag worden kunst en cultuur vooral gefinancierd door subsidies, dus uit belastinginkomsten. Zij die bijdragen – het grote publiek dus – eisen verantwoording van wat er met gemeenschapsmiddelen gebeurt. Net datgene waarvan kunst tot elke prijs autonoom wil zijn. Decennialang kon men dat sluimerende dilemma omzeilen door te verwijzen naar de intrinsieke waarde van kunst. Mensen keken naar een kunstwerk, snapten er misschien niet al te veel van, maar zetten hun onbegrip opzij met de gedachte: het is kunst. Maar we leven niet meer in de moderniteit. We leven in de postmoderniteit.
Jan Hoet stelde onlangs dat games de toekomst van kunst zijn. Een van de populairste game-franchises van dit moment, Assassin's Creed, vat de gemoedstoestand van de postmoderniteit alvast perfect samen. Want wat is het credo van de Assassijnen? ‘Niets is waar, alles is toegelaten.' In de moderniteit stelden we vast dat alles waarmee we ons leven ordenen (het gezin, de gemeenschap, de natie, de solidariteit, het geloof) een constructie is. Constructen die ons in de 20ste eeuw de grootste verschrikkingen ooit opleverden. Wat ons daarna nog restte, werd ter discussie gesteld. En kunst werd daar het slachtoffer van. Want als niets waar is en dus niets een intrinsieke waarde heeft, hoe kan kunst dan voor zichzelf een uitzonderingsstatuut blijven opeisen? Theodor Adorno – Nach Auschwitz ein Gedicht zu schreiben, ist barbarisch – ging zelfs zover om het verdere bestaansrecht van kunst in twijfel te trekken.
Een ander soort waarde
In heel Europa loopt de spanning tussen ‘autonome' kunst en het grote publiek verder op. Men worstelt met de artistieke consequenties van een doorgeschoten postmodernisme. Veel kunst acht zich niet meer gebonden door wat ooit was. Het verleden is hoogstens een inspiratiebron die men met referenties kan plunderen, maar die steeds met de nodige ironische afstandelijkheid benaderd moet worden.
In Vlaanderen voegen de verschuivende machtsverhoudingen aan dit proces nog een dimensie toe. Zoals Nietzsche wrang maar niet onterecht stelde: kunst heeft een gevestigde macht nodig die de voorwaarden schept waarbinnen het artistieke zich kan ontwikkelen. Dat de gevestigde orde in België op losse schroeven staat, heeft gevolgen voor de kunstenaars die zich erdoor beschermd weten en bijgevolg in een behoudsgezinde kramp schieten. Die context verklaart waarom een getalenteerde 21ste-eeuwse schrijver als Tom Lanoye de enormiteit uitkraamt dat het 19de-eeuwse De Leeuw van Vlaanderen voor hem een ‘hallucinant lachwekkend kutboek' is. Zo komt men tot een culturele elite die de eigen cultuurproducten amper serieus kan nemen, maar er wel waardering voor eist van het vervreemde publiek, en maatschappelijke veranderingen argwanend waarneemt.
Het is evident dat alles om ons heen ontsproten is aan onze eigen verbeelding. Niets heeft in zichzelf een sacrale, alles overstijgende waarde. De postmoderne drang om alles te herleiden tot de werkelijke betekenis, leidde tot de conclusie dat er geen zichzelf genererende betekenis bestaat. De waarde die iets heeft, is de waarde die wij er zelf aan toekennen. En dat besef heeft ons verlamd. Het heeft ons doen inzien dat wij ook een verkeerde waarde kunnen toekennen. Dat wij van de natie een mechanisme tot uitsluiting kunnen maken, van religie een wapen, van het gezin een repressieve instelling.
Wij zijn bang geworden voor onze eigen macht omdat we weten dat we tot verschrikkelijke dingen in staat zijn. Vanuit die angst aanvaarden we nog liever de vernietiging van alles wat we eens heilig achtten, dan weer waarde te hechten aan onze eigen constructen – met het gevaar ons daarin te vergissen. En toch is net dat wat we weer moeten leren: waarde hechten. Zoals Heinrich Heine stelde: ofwel rechtvaardigt kunst zichzelf, ofwel laat ze zich rechtvaardigen door het politieke, het sociale, het economische. Kiezen we voor dat laatste, dan heeft kunst bij voorbaat verloren.
Daar is geen touw aan vast te knopen.
Volgens mij is Bart De Wever een Assassijn, iets te veel gesmoord.
"Assassijn wordt wel verondersteld een verbastering te zijn van hashshashin, dat betekent: zij die zich met hasjisj bedwelmen. "
http://nl.wikipedia.org/wiki/Assassijnen
Het begint al bij het begin (ah ja!): is het nu afbreken of opbouwen? Het kan niet allebei, dat is in strijd met de logica.
En de twee laatste paragrafen spreken zichzelf tegen als u het mij vraagt.
Ik heb er geen flauw benul van waar hij naar toe wil met zijn column.
"Het is evident dat alles om ons heen ontsproten is aan onze eigen verbeelding. Niets heeft in zichzelf een sacrale, alles overstijgende waarde. De postmoderne drang om alles te herleiden tot de werkelijke betekenis, leidde tot de conclusie dat er geen zichzelf genererende betekenis bestaat."
Als je zoiets schrijft is het verhaal uiteraard afgelopen.
Behalve voor een zot als mezelf natuurlijk.
Als je daar niet aan wil toegeven wordt het naar mijn mening een beetje pijnlijk.
"De waarde die iets heeft, is de waarde die wij er zelf aan toekennen. En dat besef heeft ons verlamd. Het heeft ons doen inzien dat wij ook een verkeerde waarde kunnen toekennen. Dat wij van de natie een mechanisme tot uitsluiting kunnen maken, van religie een wapen, van het gezin een repressieve instelling.
Wij zijn bang geworden voor onze eigen macht omdat we weten dat we tot verschrikkelijke dingen in staat zijn. Vanuit die angst aanvaarden we nog liever de vernietiging van alles wat we eens heilig achtten, dan weer waarde te hechten aan onze eigen constructen – met het gevaar ons daarin te vergissen. En toch is net dat wat we weer moeten leren: waarde hechten. Zoals Heinrich Heine stelde: ofwel rechtvaardigt kunst zichzelf, ofwel laat ze zich rechtvaardigen door het politieke, het sociale, het economische. Kiezen we voor dat laatste, dan heeft kunst bij voorbaat verloren."
Wittgenstein en Fichte zijn niet de filosofen van Bart De Wever.
Nietzsche ook niet.
Hoewel, Nietzsche was ook een Assassijn.
Af en toe kan ik er geen touw aan vastknopen.
Over zijn relatie met Richard Wagner heb ik wel een ideetje, wat had u anders gedacht?
Wagner was aanvankelijk een zielsverwant van Nietzsche, een groot promotor van de "verandering".
Helaas, toen Wagner succes boekte met zijn muziek bleek hij zichzelf plots als "de nieuwe norm" naar voor te schuiven.
Perhaps you are beginning to perceive how very much this music improves me?—Il faut méditerraniser la musique. and I have my reasons for this principle (“Beyond Good and Evil,” pp. 216 et seq.) The return to Nature, health, good spirits, youth,virtue!—And yet I was one of the most corrupted Wagnerites.… I was able to take Wagner seriously. Oh, this old magician! what tricks has he not played upon us! The first thing his art places in our hands is a magnifying glass: we look through it, and we no longer trust our own eyes—Everything grows bigger, even Wagner grows bigger.… What a clever rattlesnake. Throughout his life he rattled “resignation,” “loyalty,”and “purity” about our ears, and he retired from the corrupt world with a song of praise to chastity!—And we believed it all.…
Hoffmanns vertellingen
In 1917 hield Max Weber een lezing waarin hij een van de meest spraakmakende begrippen van de 20ste eeuw lanceerde: de onttovering van de wereld. Weber analyseerde de overgang van een magisch wereldbeeld naar de moderniteit aan de hand van de rationalisering van de samenleving. Geen mystieke godheid schuilde achter onverklaarbare fenomenen, maar een rationele natuur die beheersbaar, controleerbaar en zelfs stuurbaar was. Daardoor kon het economische en maatschappelijke leven rationeel georganiseerd worden. Arbeidsprocessen werden gespecialiseerd, structuren geoptimaliseerd en eeuwenoude gebruiken als nutteloos overboord gegooid. Wilde iets een functie hebben in de moderniteit, dan moest het een nut hebben. Onvermijdelijk kwam dit nutsdenken in botsing met religie en kunst. Het christendom werd geleidelijk gedwongen zich in te passen in het nutsdenken en het zocht voor zichzelf een plaatsje als aanbieder van rituelen en troost voor de massa. Kunstenaars huiverden echter bij de gedachte dat kunst überhaupt een nut moest hebben. Daarom koos kunst een andere weg – en terecht, gezien de huidige toestand van het christendom in West-Europa. Kunst verklaarde zich autonoom van het nutsdenken. Kunst moest niet ten dienste staan van een sociale functie. Kunst had een intrinsieke waarde in zichzelf. L'art pour l'art!
E.T.A. Hoffmann beschreef dat proces in zijn satires rond Kapellmeister Kreisler, die gevraagd wordt om de soirees van de betere burgerij met zijn composities op te luisteren. Hoewel Kreisler daar aanvankelijk geen graten in vindt, ervaart hij dat zijn muziek slechts een versnapering naast de thee en punch is, een stukje verstrooiing tussen de gesprekjes door. Zijn muziek heeft een functie gekregen: ze is entertainment geworden. En terwijl Kreisler aan het klavier zit en de gasten geboeid naar hem luisteren, beslist hij zich te verzetten tegen het nutsdenken dat van hem een artistieke bediende heeft gemaakt. Hij begint zijn makkelijk in het oor liggende muziek op te leuken met moeilijke bruggetjes en geïmproviseerde franjes. Het publiek is eerst verrast, maar blijft luisteren. Kreisler gaat verder en speelt steeds abstractere muziek. Her en der beginnen mensen onder elkaar te praten. Het geroezemoes moedigt Kreisler aan om nog verder te gaan, steeds verder, tot de eerste mensen het salon verlaten. Uiteindelijk, als Kreisler zijn ondertussen extreem complex muziekstuk afrondt, zit er niemand meer in de zaal, behalve de butler die de taart aansnijdt. De kunst heeft haar autonomie herwonnen, maar tegen een hoge prijs. Want de vraag rest: wie is hier eigenlijk gevlucht? Het publiek voor de kunst of de kunstenaar in zijn kunst? Of allebei?
Het absolute concept...
Het idee van autonome kunst is en blijft een mythe. Een mythe die de kunstgemeenschap in verbeelding aan elkaar smeedt: de kunstenaar als onafhankelijke observator, los van elke gemeenschap, met een verheven kijk op wat er rondom hem gebeurt. Een mythe die intussen zelf is ingehaald door het nutsdenken. Want waarom vinden we kunst belangrijk? Omdat de kunstenaar de maatschappij objectief kan beschouwen en ons zo tot nieuwe inzichten kan brengen. Dat is zijn nuttige functie.
Friedrich Nietzsche heeft fel geageerd tegen die visie. Kunstenaars zijn, volgens Nietzsche, ‘lang niet zo onafhankelijk in de wereld en tegenover de wereld dat hun waardeoordeel en hun levenswandel onze belangstelling zouden verdienen. Kunstenaar zijn plooibare hovelingen (…) met een fijne neus voor oude of pas opkomende machten.' Nietzsches bittere besluit: ‘Niets is zo omkoopbaar als een kunstenaar.' Harde woorden, die wat nadere uitleg verdienen.
Net zoals veel van zijn tijdgenoten, was Nietzsche gefascineerd door Richard Wagner, die zich verzette tegen kunst als massa-amusement, luxegoed of individuele bevrediging. Kunst moest niet alleen autonoom zijn, maar ook een boven alles uitstijgende macht die de hele gemeenschap verenigde in één gebald, verscheurend moment. Wagner droomde van een kunstwerk dat alle kunsten (muziek, theater, literatuur, beeldende werken) in zich opnam en tegelijk een nieuwe mythe creëerde die kunst binnen het moderne plaatste. Dat totaalconcept was Der Ring des Nibelungen, dat in de oorspronkelijke plannen eenmaal, tijdens een dagenlang gratis festival, zou worden opgevoerd in een speciaal gebouwd theater. Daarna zou zowel het theater als de partituur worden vernietigd om de uniciteit van het moment te beklemtonen.
Nietzsches begeestering toonde zich in het onverdroten promoten van Wagners ideeën, het ongenadig afmaken van diens critici en het leveren van de filosofische onderbouw. Maar Wagner leerde al vlug dat om zo'n ambitieus kunstwerk gestalte te geven, er veel geld nodig was. Dus moest Wagner op zoek naar geldschieters die hem in staat stelden zijn creatieve dromen te verwezenlijken. Dat betekende compromissen sluiten. Het theater kwam in Bayreuth omdat de gemeenteraad daar bereid was grond ter beschikking te stellen. De opvoering was, gezien de immense kosten, evenmin gratis. Bovendien ontstonden over heel Duitsland elitaire Richard Wagner-genootschappen, die geld inzamelden, maar ook elk hun claim legden op het festival. Toen de Festspiele in 1876 van start gingen, was – de toen al eerder sceptische – Nietzsche een eregast. Wat hij zag, vervulde hem met afschuw. In plaats van het gewone volk, zag hij de gekroonde Duitse hoofden en de hogere burgerij, die immense bedragen hadden neergelegd om aan toegangskaarten te geraken. De lagere burgerij – onder wie Karl Marx – stond met de neus aan het venster om een glimp op te vangen. Van Nietzsches artistieke idealen schoot niets meer over. Gedesillusioneerd verliet hij tijdens de opvoering de zaal – wat Wagner hem nooit zou vergeven – en verzonk in een diepe crisis.
...en het financiële plaatje
Het romantische cliché van de armlastige, maar briljante kunstenaar, die miskend door de goegemeente zijn leven slijt op de rand van de goot en wellicht pas postuum erkenning zal krijgen, heeft zijn beste tijd gehad. Maar wat velen in Nietzsches geest nog steeds zien als een pervertering van het artistieke, is gewoon een eeuwenoud gegeven. Kunst produceren kost geld. En om geld te verzamelen moet men de macht opzoeken, want macht genereert geld. Kunst kan dus nooit absoluut autonoom zijn, ze zal steeds afhankelijk zijn van wie bereid is om haar te financieren.
Op die manier sluipt echter het nutsdenken de kunstwereld binnen. Want geld eist verantwoording. Wie investeert, wil een return on investment, dat is de logica van onze onttoverde wereld. Vandaag worden kunst en cultuur vooral gefinancierd door subsidies, dus uit belastinginkomsten. Zij die bijdragen – het grote publiek dus – eisen verantwoording van wat er met gemeenschapsmiddelen gebeurt. Net datgene waarvan kunst tot elke prijs autonoom wil zijn. Decennialang kon men dat sluimerende dilemma omzeilen door te verwijzen naar de intrinsieke waarde van kunst. Mensen keken naar een kunstwerk, snapten er misschien niet al te veel van, maar zetten hun onbegrip opzij met de gedachte: het is kunst. Maar we leven niet meer in de moderniteit. We leven in de postmoderniteit.
Jan Hoet stelde onlangs dat games de toekomst van kunst zijn. Een van de populairste game-franchises van dit moment, Assassin's Creed, vat de gemoedstoestand van de postmoderniteit alvast perfect samen. Want wat is het credo van de Assassijnen? ‘Niets is waar, alles is toegelaten.' In de moderniteit stelden we vast dat alles waarmee we ons leven ordenen (het gezin, de gemeenschap, de natie, de solidariteit, het geloof) een constructie is. Constructen die ons in de 20ste eeuw de grootste verschrikkingen ooit opleverden. Wat ons daarna nog restte, werd ter discussie gesteld. En kunst werd daar het slachtoffer van. Want als niets waar is en dus niets een intrinsieke waarde heeft, hoe kan kunst dan voor zichzelf een uitzonderingsstatuut blijven opeisen? Theodor Adorno – Nach Auschwitz ein Gedicht zu schreiben, ist barbarisch – ging zelfs zover om het verdere bestaansrecht van kunst in twijfel te trekken.
Een ander soort waarde
In heel Europa loopt de spanning tussen ‘autonome' kunst en het grote publiek verder op. Men worstelt met de artistieke consequenties van een doorgeschoten postmodernisme. Veel kunst acht zich niet meer gebonden door wat ooit was. Het verleden is hoogstens een inspiratiebron die men met referenties kan plunderen, maar die steeds met de nodige ironische afstandelijkheid benaderd moet worden.
In Vlaanderen voegen de verschuivende machtsverhoudingen aan dit proces nog een dimensie toe. Zoals Nietzsche wrang maar niet onterecht stelde: kunst heeft een gevestigde macht nodig die de voorwaarden schept waarbinnen het artistieke zich kan ontwikkelen. Dat de gevestigde orde in België op losse schroeven staat, heeft gevolgen voor de kunstenaars die zich erdoor beschermd weten en bijgevolg in een behoudsgezinde kramp schieten. Die context verklaart waarom een getalenteerde 21ste-eeuwse schrijver als Tom Lanoye de enormiteit uitkraamt dat het 19de-eeuwse De Leeuw van Vlaanderen voor hem een ‘hallucinant lachwekkend kutboek' is. Zo komt men tot een culturele elite die de eigen cultuurproducten amper serieus kan nemen, maar er wel waardering voor eist van het vervreemde publiek, en maatschappelijke veranderingen argwanend waarneemt.
Het is evident dat alles om ons heen ontsproten is aan onze eigen verbeelding. Niets heeft in zichzelf een sacrale, alles overstijgende waarde. De postmoderne drang om alles te herleiden tot de werkelijke betekenis, leidde tot de conclusie dat er geen zichzelf genererende betekenis bestaat. De waarde die iets heeft, is de waarde die wij er zelf aan toekennen. En dat besef heeft ons verlamd. Het heeft ons doen inzien dat wij ook een verkeerde waarde kunnen toekennen. Dat wij van de natie een mechanisme tot uitsluiting kunnen maken, van religie een wapen, van het gezin een repressieve instelling.
Wij zijn bang geworden voor onze eigen macht omdat we weten dat we tot verschrikkelijke dingen in staat zijn. Vanuit die angst aanvaarden we nog liever de vernietiging van alles wat we eens heilig achtten, dan weer waarde te hechten aan onze eigen constructen – met het gevaar ons daarin te vergissen. En toch is net dat wat we weer moeten leren: waarde hechten. Zoals Heinrich Heine stelde: ofwel rechtvaardigt kunst zichzelf, ofwel laat ze zich rechtvaardigen door het politieke, het sociale, het economische. Kiezen we voor dat laatste, dan heeft kunst bij voorbaat verloren.
Daar is geen touw aan vast te knopen.
Volgens mij is Bart De Wever een Assassijn, iets te veel gesmoord.
"Assassijn wordt wel verondersteld een verbastering te zijn van hashshashin, dat betekent: zij die zich met hasjisj bedwelmen. "
http://nl.wikipedia.org/wiki/Assassijnen
Het begint al bij het begin (ah ja!): is het nu afbreken of opbouwen? Het kan niet allebei, dat is in strijd met de logica.
En de twee laatste paragrafen spreken zichzelf tegen als u het mij vraagt.
Ik heb er geen flauw benul van waar hij naar toe wil met zijn column.
"Het is evident dat alles om ons heen ontsproten is aan onze eigen verbeelding. Niets heeft in zichzelf een sacrale, alles overstijgende waarde. De postmoderne drang om alles te herleiden tot de werkelijke betekenis, leidde tot de conclusie dat er geen zichzelf genererende betekenis bestaat."
Als je zoiets schrijft is het verhaal uiteraard afgelopen.
Behalve voor een zot als mezelf natuurlijk.
Als je daar niet aan wil toegeven wordt het naar mijn mening een beetje pijnlijk.
"De waarde die iets heeft, is de waarde die wij er zelf aan toekennen. En dat besef heeft ons verlamd. Het heeft ons doen inzien dat wij ook een verkeerde waarde kunnen toekennen. Dat wij van de natie een mechanisme tot uitsluiting kunnen maken, van religie een wapen, van het gezin een repressieve instelling.
Wij zijn bang geworden voor onze eigen macht omdat we weten dat we tot verschrikkelijke dingen in staat zijn. Vanuit die angst aanvaarden we nog liever de vernietiging van alles wat we eens heilig achtten, dan weer waarde te hechten aan onze eigen constructen – met het gevaar ons daarin te vergissen. En toch is net dat wat we weer moeten leren: waarde hechten. Zoals Heinrich Heine stelde: ofwel rechtvaardigt kunst zichzelf, ofwel laat ze zich rechtvaardigen door het politieke, het sociale, het economische. Kiezen we voor dat laatste, dan heeft kunst bij voorbaat verloren."
Wittgenstein en Fichte zijn niet de filosofen van Bart De Wever.
Nietzsche ook niet.
Hoewel, Nietzsche was ook een Assassijn.
Af en toe kan ik er geen touw aan vastknopen.
Over zijn relatie met Richard Wagner heb ik wel een ideetje, wat had u anders gedacht?
Wagner was aanvankelijk een zielsverwant van Nietzsche, een groot promotor van de "verandering".
Helaas, toen Wagner succes boekte met zijn muziek bleek hij zichzelf plots als "de nieuwe norm" naar voor te schuiven.
Perhaps you are beginning to perceive how very much this music improves me?—Il faut méditerraniser la musique. and I have my reasons for this principle (“Beyond Good and Evil,” pp. 216 et seq.) The return to Nature, health, good spirits, youth,virtue!—And yet I was one of the most corrupted Wagnerites.… I was able to take Wagner seriously. Oh, this old magician! what tricks has he not played upon us! The first thing his art places in our hands is a magnifying glass: we look through it, and we no longer trust our own eyes—Everything grows bigger, even Wagner grows bigger.… What a clever rattlesnake. Throughout his life he rattled “resignation,” “loyalty,”and “purity” about our ears, and he retired from the corrupt world with a song of praise to chastity!—And we believed it all.…
—But you will not listen to me? You prefereven the problem of Wagner to that of Bizet? But neither do I underrate it; it has its charm. The problem of salvation is even a venerable problem. Wagner pondered over nothing so deeply as over salvation: his opera is the opera of salvation.[pg 006]Someone always wants to be saved in his operas,—now it is a youth; anon it is a maid,—this is his problem—And how lavishly he varies his leitmotif! What rare and melancholy modulations! If it were not for Wagner, who would teach us that innocence has a preference for saving interesting sinners? (the case in “Tannhauser”). Or that even the eternal Jew gets saved and settled down when he marries? (the case in the “Flying Dutchman”). Or that corrupted old females prefer to be saved by chaste young men? (the case of Kundry). Or that young hysterics like to be saved by their doctor? (the case in “Lohengrin”). Or that beautiful girls most love to be saved by a knight who also happens to be a Wagnerite? (the case in the “Mastersingers”).Or that even married women also like to be saved by a knight? (the case of Isolde). Or that the venerable Almighty, after having compromised himself morally in all manner of ways, is at last delivered by a free spirit and an immoralist? (the case in the “Ring”). Admire, more especially this last piece of wisdom! Do you understand it? I—take good care not to understand it.… That it is possible to draw yet other lessons from the works above mentioned,—I am much more ready to prove than to dispute. That one may be driven by a Wagnerian ballet to desperation—and to virtue! (once again the case in “Tannhauser”).That not going to bed at the right time may be followed by the worst consequences (once again the case of “Lohengrin”).—That one can never be too sure of the spouse one actually marries (for the third time, the case of “Lohengrin”). “Tristan and[pg 007]Isolde” glorifies the perfect husband who, in a certain case, can ask only one question: “But why have ye not told me this before? Nothing could be simpler than that!” Reply:
“That I cannot tell thee.
And what thou askest,
That wilt thou never learn.”
“Lohengrin” contains a solemn ban upon all investigation and questioning. In this way Wagner stood for the Christian concept, “Thou must and shalt believe”. It is a crime against the highest and the holiest to be scientific.…
(Nederlandse vertaling: http://www.privedomein.info/Files/pdf/194.pdf )
Abonneren op:
Posts (Atom)
