zondag 13 januari 2013
Theo Maassen
Nou ja, we waren nog niet helemaal klaar gisteren...
Weet u wat ik de beste grap van Theo Maassen vind?
Deze:
Vanaf minuut 22.00
"Dat vind ik zo pijnlijk...
Er wordt voorbij gegaan aan de feiten...
Het is al lang feitelijk bewezen..."
Maar dat meent Theo Maassen waarschijnlijk niet echt joh!
Ik heb er het volste vertrouwen in dat hij een typetje speelt.
zaterdag 12 januari 2013
Marc Van de Voorde
http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/Opinie/article/detail/1561469/2013/01/12/Als-het-publiek-fatsoenlijker-grappen-wil-moet-het-zich-fatsoenlijker-gedragen.dhtml
In Nederland woedt het debat over de grenzen van humor. De aanleiding was de tv-uitzending van Met alle respect, de jongste onemanshow van cabaretier Theo Maassen. Een passage over Volendam werd door veel kijkers als kwetsend en misselijkmakend ervaren. Of moet ook dat kunnen? Bestaat er zoiets als het recht op beledigen? Of kan een gore grap toch te gortig zijn? Zijn er grenzen aan de humor? Vragen die ook in Vlaanderen een discussie waard zijn.
Sinds het succes van stand-upcomedy lijkt het of ook steeds meer Vlaamse komieken slechts grappig kunnen zijn als ze grofgebekt beledigen. Hun argument is krak hetzelfde als dat van Theo Maassen: dit moet kunnen, want ik lach met alles. Is dat wel zo? Neen. Ook de schreeuwlelijkste cabaretier praat geestesverwanten naar de mond. Hún opvattingen spaart hij. Als hij toch over de schreef wil gaan, kruipt hij in een typetje (niet hij maar die malloot vertelt dan de onwelvoeglijke mop).
Bananenschil
Ook Theo Maassen 'preekt' voor geestesverwanten. Zijn jongste show bracht hij al 150 keer. Nooit een klacht gehoord. Tot de show op de televisie kwam. Het regende klachten. Dat maakte duidelijk dat pas dan ook niet-geestesgenoten hadden toegehoord. Vooral een stukje over Volendam had mensen gekwetst. Maassen vertelde in de sketch hoe vreemd hij het vond dat de xenofobe partij van Wilders in dat polderstadje zo goed had gescoord bij de verkiezingen. Volendam is immers honderd procent blank, zei hij, de enige andersgekleurden zijn "de slachtoffers van die cafébrand". (Ter info: op oudejaarsnacht 2000-2001 veroorzaakte een defect aan de kerstverlichting een uitslaande brand. Veertien jongeren kwamen om, 240 raakten ernstig verbrand en dragen daar nog steeds de sporen van.)
Walgelijk en onacceptabel, luidde de reactie van de Volendammers en van andere Nederlanders. Je spot niet met zo'n zwaar leed. Sinds mensenheugenis lachen we met iemand die uitglijdt over een bananenschil of die zingend van een tafel duikelt. Het gooi- en smijtwerk van de slapstick is de scenische voortzetting van de hilarische val. Maar een cafébrand met doden en voor het leven getekende mensen is geen bananenschil. Je maakt toch ook geen grappen over mensen die op 9/11 uit de torens sprongen. Of wel?
Theo Maassen mocht het op de televisie gaan uitleggen bij Pauw & Witteman. Dat het moet kunnen, zei hij. Hij lacht immers met alles en iedereen. Misschien is dat zijn intentie, maar zo is de werkelijkheid niet. Maassen lacht met Wilders (PVV) en Rutte (VVD), maar niet met Samsom (PvdA). Hij lacht met katholieken, maar niet met atheïsten. Hij lacht met de Volendammer, niet de hipste Nederlander, maar niet met de VARA-kijker, zijn hip publiek. Het kan best zijn dat hij met deze groepen ook wel wil lachen, toch doet hij het niet. Hij houdt zich in. Onbewust past Maassen zich aan zijn publiek aan. Zoals elke cabaretier. Ook vandaag heeft humor grenzen. Die grenzen zijn de acceptatiegraad van het publiek én de tijdgeest.
Wil een cabaretier tegen de tijdgeest in gaan, dan maakt hij een ommetje. Die omweg is het typetje. Je mag vandaag zowat met alles spotten, maar geen seksistische opmerkingen maken (kan ik ook niet verdragen). Je mag vandaag zowat iedereen beledigen, maar niet homo's (vind ik ook onwelvoeglijk). Je mag vandaag zowat iedereen uitschelden, maar niet vreemdelingen (vind ik ook barbaars). Toch gebeurt het in stand-upcomedy en cabaret. Via de truc van het typetje.
Freddy De Vadder is daar het beste voorbeeld van. Rechtsere machopraat, die volgens Milquet strafbaar zou moeten zijn, is ondenkbaar, en toch gaat Bart Vanneste, want zo heet de man in het echt, vrijuit, begeleid door daverend applaus. Om politiek niet correct te kunnen zijn, kruipt Vanneste in het typetje De Vadder. Niet de cabaretier Vanneste dus maar de ranzige marginaal De Vadder doet het. Hiermee weet Vanneste/De Vadder uit twee ruiven te eten. De linkse toeschouwer denkt dat Vanneste de rechtse zak te kakken zet, maar een Vlaams Belanger kan zijn grappen ongetwijfeld best pruimen.
Wederkerigheid
Niemand lacht met alles, maar een deel van het cabaret is wel brutaler en grover geworden. Omdat de samenleving zelf huftiger en onfatsoenlijker is geworden. Beledigen wordt vandaag door sommigen beschouwd als het summum van eerlijke communicatie en schelden als het toppunt van opkomen voor jezelf (bekijk de fora op het internet). Een samenleving krijgt dus in comedy een koekje van eigen deeg.
Natuurlijk is dat geen goede zaak, maar wettelijk grenzen stellen aan humor is even zinloos en ondemocratisch als grenzen willen stellen aan de vrijheid van meningsuiting (zoals Milquet zou willen inzake seksistische opmerkingen). Als het publiek fatsoenlijker humor wil, dan moet het zich eerst zelf fatsoenlijker gedragen. De cabaretier past zich toch (onbewust) aan zijn publiek aan.
Humor staat op de sokkel van de tolerantie. Tolerantie is verdragen dat iemand iets minder goeds zegt over jou en ook de vrijheid krijgen om iets minder goeds te zeggen over de andere. Als een cabaretier wil weten hoever hij kan gaan, moet hij de regel van de wederkerigheid toepassen. Dat kan hij door zichzelf twee vragen stellen. Ten eerste: behandel ik tegengestelde groepen op dezelfde wijze? Voorbeeld: als ik gelovigen beledig, durf ik dat ook met ongelovigen? Ten tweede: zou ik het verdragen als men dit over mij zou vertellen? Is het antwoord negatief, dan is er iets fout met de grap.
Met de wederkerigheid loopt het vandaag wel eens fout bij onze humoristen. Onlangs was Freek de Jonge bij Jeroen Pauw op de Nederlandse televisie. Hij eiste daar het recht op om collega's grof te beledigen. Maar toen Pauw hem weinig flatterende uitspraken liet horen van een andere cabaretier over hem, noemde De Jonge dit ongepast. Theo Maassen bakte het in 'Met alle respect' nog bruiner, toen hij zei dat hij voor de vrijheid van meningsuiting is (voor zichzelf) maar tegen de persoonsbeveiliging (van Wilders). Dat was de grens van de humor ver voorbij. Hier werd cabaret intolerant en zelfs gevaarlijk. Helaas, een deel van de samenleving is intolerant. De terugkeer van respect alleen kan de humor respectabeler maken, niet een of andere onnozele wet.
Dan krijgen we misschien een nieuwsoortige Toon Hermans.
Zijn er grenzen aan de humor?
De vraag stellen is ze beantwoorden.
De grens van de humor wordt bereikt als een grap niet grappig meer is.
Wanneer is een grap niet meer grappig?
Een grap is nooit op zich grappig.
"Das Ding an sich" is noch grappig noch niet grappig.
Tot zover de afrekening met Kant.
De categorische imperatief (Zou ik het verdragen als men dit over mij zou vertellen?): Weg!
Een grap is niet grappig in het brein van de luisteraar.
Neen, want dan zou Marc Van de Voorde geen column kunnen schrijven.
Wie is er geïnteresseerd in wat Marc Van de Voorde grappig vindt?
Als een grap alleen grappig is in het brein van de luisteraar, dan belanden we in een subjectivisme.
Daar bent u bang voor. Alles behalve dat.
Marc Van de Voorde maakt een connectie tussen de grap en de verteller.
In de gedachtengang van Marc Van de Voorde is er een onlosmakelijke band tussen respect en grappig.
Welaan dan:
Helaas, een deel van de samenleving, zij het een heel klein deel, zijn malloten.
Omdat (haha) zij het denken grappig vinden.
In Nederland woedt het debat over de grenzen van humor. De aanleiding was de tv-uitzending van Met alle respect, de jongste onemanshow van cabaretier Theo Maassen. Een passage over Volendam werd door veel kijkers als kwetsend en misselijkmakend ervaren. Of moet ook dat kunnen? Bestaat er zoiets als het recht op beledigen? Of kan een gore grap toch te gortig zijn? Zijn er grenzen aan de humor? Vragen die ook in Vlaanderen een discussie waard zijn.
Sinds het succes van stand-upcomedy lijkt het of ook steeds meer Vlaamse komieken slechts grappig kunnen zijn als ze grofgebekt beledigen. Hun argument is krak hetzelfde als dat van Theo Maassen: dit moet kunnen, want ik lach met alles. Is dat wel zo? Neen. Ook de schreeuwlelijkste cabaretier praat geestesverwanten naar de mond. Hún opvattingen spaart hij. Als hij toch over de schreef wil gaan, kruipt hij in een typetje (niet hij maar die malloot vertelt dan de onwelvoeglijke mop).
Bananenschil
Ook Theo Maassen 'preekt' voor geestesverwanten. Zijn jongste show bracht hij al 150 keer. Nooit een klacht gehoord. Tot de show op de televisie kwam. Het regende klachten. Dat maakte duidelijk dat pas dan ook niet-geestesgenoten hadden toegehoord. Vooral een stukje over Volendam had mensen gekwetst. Maassen vertelde in de sketch hoe vreemd hij het vond dat de xenofobe partij van Wilders in dat polderstadje zo goed had gescoord bij de verkiezingen. Volendam is immers honderd procent blank, zei hij, de enige andersgekleurden zijn "de slachtoffers van die cafébrand". (Ter info: op oudejaarsnacht 2000-2001 veroorzaakte een defect aan de kerstverlichting een uitslaande brand. Veertien jongeren kwamen om, 240 raakten ernstig verbrand en dragen daar nog steeds de sporen van.)
Walgelijk en onacceptabel, luidde de reactie van de Volendammers en van andere Nederlanders. Je spot niet met zo'n zwaar leed. Sinds mensenheugenis lachen we met iemand die uitglijdt over een bananenschil of die zingend van een tafel duikelt. Het gooi- en smijtwerk van de slapstick is de scenische voortzetting van de hilarische val. Maar een cafébrand met doden en voor het leven getekende mensen is geen bananenschil. Je maakt toch ook geen grappen over mensen die op 9/11 uit de torens sprongen. Of wel?
Theo Maassen mocht het op de televisie gaan uitleggen bij Pauw & Witteman. Dat het moet kunnen, zei hij. Hij lacht immers met alles en iedereen. Misschien is dat zijn intentie, maar zo is de werkelijkheid niet. Maassen lacht met Wilders (PVV) en Rutte (VVD), maar niet met Samsom (PvdA). Hij lacht met katholieken, maar niet met atheïsten. Hij lacht met de Volendammer, niet de hipste Nederlander, maar niet met de VARA-kijker, zijn hip publiek. Het kan best zijn dat hij met deze groepen ook wel wil lachen, toch doet hij het niet. Hij houdt zich in. Onbewust past Maassen zich aan zijn publiek aan. Zoals elke cabaretier. Ook vandaag heeft humor grenzen. Die grenzen zijn de acceptatiegraad van het publiek én de tijdgeest.
Wil een cabaretier tegen de tijdgeest in gaan, dan maakt hij een ommetje. Die omweg is het typetje. Je mag vandaag zowat met alles spotten, maar geen seksistische opmerkingen maken (kan ik ook niet verdragen). Je mag vandaag zowat iedereen beledigen, maar niet homo's (vind ik ook onwelvoeglijk). Je mag vandaag zowat iedereen uitschelden, maar niet vreemdelingen (vind ik ook barbaars). Toch gebeurt het in stand-upcomedy en cabaret. Via de truc van het typetje.
Freddy De Vadder is daar het beste voorbeeld van. Rechtsere machopraat, die volgens Milquet strafbaar zou moeten zijn, is ondenkbaar, en toch gaat Bart Vanneste, want zo heet de man in het echt, vrijuit, begeleid door daverend applaus. Om politiek niet correct te kunnen zijn, kruipt Vanneste in het typetje De Vadder. Niet de cabaretier Vanneste dus maar de ranzige marginaal De Vadder doet het. Hiermee weet Vanneste/De Vadder uit twee ruiven te eten. De linkse toeschouwer denkt dat Vanneste de rechtse zak te kakken zet, maar een Vlaams Belanger kan zijn grappen ongetwijfeld best pruimen.
Wederkerigheid
Niemand lacht met alles, maar een deel van het cabaret is wel brutaler en grover geworden. Omdat de samenleving zelf huftiger en onfatsoenlijker is geworden. Beledigen wordt vandaag door sommigen beschouwd als het summum van eerlijke communicatie en schelden als het toppunt van opkomen voor jezelf (bekijk de fora op het internet). Een samenleving krijgt dus in comedy een koekje van eigen deeg.
Natuurlijk is dat geen goede zaak, maar wettelijk grenzen stellen aan humor is even zinloos en ondemocratisch als grenzen willen stellen aan de vrijheid van meningsuiting (zoals Milquet zou willen inzake seksistische opmerkingen). Als het publiek fatsoenlijker humor wil, dan moet het zich eerst zelf fatsoenlijker gedragen. De cabaretier past zich toch (onbewust) aan zijn publiek aan.
Humor staat op de sokkel van de tolerantie. Tolerantie is verdragen dat iemand iets minder goeds zegt over jou en ook de vrijheid krijgen om iets minder goeds te zeggen over de andere. Als een cabaretier wil weten hoever hij kan gaan, moet hij de regel van de wederkerigheid toepassen. Dat kan hij door zichzelf twee vragen stellen. Ten eerste: behandel ik tegengestelde groepen op dezelfde wijze? Voorbeeld: als ik gelovigen beledig, durf ik dat ook met ongelovigen? Ten tweede: zou ik het verdragen als men dit over mij zou vertellen? Is het antwoord negatief, dan is er iets fout met de grap.
Met de wederkerigheid loopt het vandaag wel eens fout bij onze humoristen. Onlangs was Freek de Jonge bij Jeroen Pauw op de Nederlandse televisie. Hij eiste daar het recht op om collega's grof te beledigen. Maar toen Pauw hem weinig flatterende uitspraken liet horen van een andere cabaretier over hem, noemde De Jonge dit ongepast. Theo Maassen bakte het in 'Met alle respect' nog bruiner, toen hij zei dat hij voor de vrijheid van meningsuiting is (voor zichzelf) maar tegen de persoonsbeveiliging (van Wilders). Dat was de grens van de humor ver voorbij. Hier werd cabaret intolerant en zelfs gevaarlijk. Helaas, een deel van de samenleving is intolerant. De terugkeer van respect alleen kan de humor respectabeler maken, niet een of andere onnozele wet.
Dan krijgen we misschien een nieuwsoortige Toon Hermans.
Zijn er grenzen aan de humor?
De vraag stellen is ze beantwoorden.
De grens van de humor wordt bereikt als een grap niet grappig meer is.
Wanneer is een grap niet meer grappig?
Een grap is nooit op zich grappig.
"Das Ding an sich" is noch grappig noch niet grappig.
Tot zover de afrekening met Kant.
De categorische imperatief (Zou ik het verdragen als men dit over mij zou vertellen?): Weg!
Een grap is niet grappig in het brein van de luisteraar.
Neen, want dan zou Marc Van de Voorde geen column kunnen schrijven.
Wie is er geïnteresseerd in wat Marc Van de Voorde grappig vindt?
Als een grap alleen grappig is in het brein van de luisteraar, dan belanden we in een subjectivisme.
Daar bent u bang voor. Alles behalve dat.
Marc Van de Voorde maakt een connectie tussen de grap en de verteller.
In de gedachtengang van Marc Van de Voorde is er een onlosmakelijke band tussen respect en grappig.
Welaan dan:
Helaas, een deel van de samenleving, zij het een heel klein deel, zijn malloten.
Omdat (haha) zij het denken grappig vinden.
Fabiola
http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/Opinie/article/detail/1560889/2013/01/11/Fabiola-droeg-de-broek-in-Laken-Zoals-Paola-nu.dhtml
Fabiola droeg de broek, in Laken. Zoals Paola nu
Koningin Astrid was ook door niemand te temmen. Vrijgevochten, kunstzinnig, politiek losbandig. Zij was haar eigen majesteitelijke censuur. Over Lilian Baels wil ik het niet hebben, maar dat zij niet het 'madammeke' was zoals het parlementaire onbenul Herman Schueremans vrouwen zo kwalijk denigreert, weet le tout Bruxelles.
Eerder satijnen handschoentjes over een boksbeugel.
Van Boudewijn en Fabiola bestaat het beeld van gedroogde vlinders in een missaal. Hooguit mystieke drinkbussen van elkaar, geen buitenwaarts leven in te krijgen. Samen aan het touwtje van Opus Dei.
Gepantserde godsvrucht.
Beeldvorming is vaak een valstrik. Ook dit koningspaar zocht seculiere macht. Zij meer dan hij. Fabiola droeg de broek, in Laken. Zoals Paola nu. Zij tekende de krijtlijnen uit, betonneerde het relatiemanagement van manlief, waakte ervoor dat elke glimlach voorafgegaan werd door een betekenis van haar hemelzuchtige castagnetten.
Fabiola mag dan wereldvreemd lijken met dat Leopardkapsel op het hoofd en die gel van goedertierenheid in de ogen - voor alles blijft ze machtsbelust en eigenzinnig.
Existentieel ongenaakbaar, zoals oude Spaanse aristocratie.
Transparantie, Fabi?
Dat laten we graag aan God over.
Hugo Camps
Een kenmerk van de koningsmaker: hij is een koningsbreker.
Niets zo sterk als de sterkte van het woord. Het woord als zwaard, vraag het maar aan koning Arthur.
Geen werkwoorden. Noblesse oblige. De adel werkt niet.
Staccato als woordkunst. Vlijmscherp. Elke uithaal dodelijk efficiënt. Geen ruimte meer voor twijfel.
Koningsmaker. Koningsbreker.
Grand Seigneur de la Pensée.
Oh ironie, hij zal er nog trots op zijn ook.
Maar altijd is er iemand die het korter kan.
Tot er iemand is die zwijgend spreekt.
Zwijgen is een werkwoord.
Een God.
zaterdag 29 december 2012
Ayn Rand
Een mens heeft al eens een momentje tijdens de kerstdagen.
"De eeuwige bron" leek me wel een leuke titel.
Maar dat is eerder een verdienste van de vertaler van dienst (Jan Van Rheenen) dan van de schrijfster.
De originele titel blijkt "The Fountainhead" (de werktitel van de roman blijkt zelfs "second-hand lives").
750 pagina's.
En dan te bedenken dat het hoofdpersonage een modernistische architect is die het gebouw herleid tot zijn essentie, soberheid ontdaan van alle franjes, minimalistische lijnen...
En dan te bedenken dat het uitverkoren citaat uiteindelijk te vinden is in een nawoord van de schrijfster.
"Er zijn heel weinig richtingaanwijzers te vinden. De eeuwige bron is er een van."
vrijdag 28 december 2012
Albert II
Albert II nam het woord "populistisch" in de mond.
Lange tijd heb ik Z.M. Koning Albert II geassocieerd met Prins Albert, maar dit geheel terzijde.
Honderden analyses, essays en opinies waren zijn deel.
"Populisme" is een moeilijk woordje.
Ik kan er niets over schrijven.
Waarom niet?
Omdat "populisme" familie is van het "wij-zij denken".
http://www.demorgen.be/dm/nl/2462/Standpunt/article/detail/1554176/2012/12/27/Bart-De-Wever-krijgt-terecht-het-verwijt-dat-hij-zijn-kapitaal-bouwt-op-het-uitbuiten-van-een-wij-zijdenken.dhtml
De timing was treffend. Net op de dag dat Kevin Absilis zich in zijn essayreeks kantte tegen progressieve spraakmakers die de N-VA van Bart De Wever gelijkstellen met 'een terugkeer naar de jaren dertig', stak er een rel op over de vergelijking die koning Albert maakte tussen hedendaags politiek populisme - waarbij hij de N-VA viseerde - en 'de crisis van de jaren dertig'. Nee, het was niet zo verstandig van het paleis om de nieuwjaarsboodschap te laten ontsieren met een dergelijke retorische doodschop. En het was vooral niet verstandig van de Vlaamse regeringspartijen om de gevoelige tekst niet of onzorgvuldig na te lezen.
Onbedoeld heeft de koning zo wel nogmaals de kloof in het denken in dit land blootgelegd. Wat onaanvaardbaar in de oren klinkt van vele Vlamingen, is even vanzelfsprekend voor een deel van de Franstalige publieke opinie. Voor vele Franstaligen is Bart De Wever een gevaarlijke populist die de democratie bedreigt. De Wever is een rechts politicus, die zich vaker dan zijn intellect zou mogen toelaten, laat verleiden tot een populistisch discours. Maar dat maakt hem nog niet tot een extreem rechts populist. Je kan tegen de man zijn, maar zijn voorstellen passen binnen een ideologisch kader, wat in tegenspraak is met de definitie van populisme.
Bart De Wever krijgt terecht het verwijt dat hij zijn kapitaal bouwt op het uitbuiten van een wij-zijdenken. Liever dan de tegenstellingen te ontzenuwen, bevestigt hij ze met beledigende uitspraken over al wie hem niet welgezind is. De indruk die hij wekt dat hij daarmee een exclusieve gemeenschap afbakent, levert hem electoraal profijt op.
Wie De Wever evenwel succesvol wil bekampen, komt er niet met een links doorslagje van dat wij-zijdenken. Dat is de conclusie van het kerstessay dat Kevin Absilis de voorbije dagen in deze krant publiceerde. Zijn 'Vlaamse vloek in de linkse kerk' houdt velen een ongemakkelijke spiegel voor. Al te veel gaan tegenstanders van Bart De Wever uit van morele zelfgenoegzaamheid en blijven politieke argumenten achterwege, stelt Absilis. De politieke judoka De Wever neemt gezwind de aanval over, en vloert de tegenstanders met hun eigen zwakte.
Kevin Absilis heeft gelijk. In plaats van Vlaanderen te kijk te zetten als een benepen eiland, zouden progressieve spraakmakers beter hun plaats opeisen als lid van een diverse Vlaamse gemeenschap, vooralsnog nog altijd deel van België. Wie de N-VA wil bekampen, formuleert beter een alternatief voor haar rechtseconomische discours, liever dan zich op te sluiten onder gelijkgezinden.
Je verslaat het wij-zijdenken niet door er zelf in te vervallen. Je kan niet tegelijk iemand verwijten dat hij niet met je wil praten en hem uitschelden voor hele of halve fascist. Die kerstboodschap geldt voor de koning en zijn adviseurs, en eigenlijk voor ons allemaal.
Bart Eeckhout
Chef M
"Je verslaat het wij-zijdenken niet door er zelf in te vervallen."
Als ik zoiets lees heb ik altijd de neiging om luid "Bingo!" te roepen.
"Je hebt zij die er in vervallen en zij die er niet in vervallen."
Is er dan geen uitweg?
"Je verslaat het denken niet door er zelf in te vervallen".
zaterdag 22 december 2012
Barbara Dzikanowice
http://vlaanderen.mediargus.be/Frames/Article.aspx?ArticleId=4f574a424337766e45474c6e774c7a716450585436773d3d&BasketId=3059746d4336424d674a773d&IsReview=True
Twee keer gebuisd in Nederland, doctoraat in België
De Morgen - 21-12-2012
| Promotor Jean Paul Van Bendegem: 'Het gaat om meer dan juist of onjuist' In zijn proefschrift formuleert doctoraatsstudent Marcoen Cabbolet de theorie dat antimaterie op aarde omhoog kan vallen. Voor niet-ingewijdenen: ons heelal bestaat uit materie en antimaterie of van elk deeltje bestaat er een antideeltje. Hoewel ze op sommige punten gelijk zijn aan elkaar, zijn andere eigenschappen precies het tegenovergestelde. Isaac Newton bewees in 1687 waarom materie op aarde naar beneden valt. Cabbolet formuleerde voor zijn doctoraatsverhandeling de hypothese dat antimaterie dan het omgekeerde zou moeten doen en dus omhoog 'valt'. "Klinkklare onzin", zeiden de professoren aan de Universiteit van Eindhoven. "Deze theorie gaat in tegen de kwantummechanica en de relativiteitstheorie en het onderzoek voldoet niet aan de kwaliteitseisen van de universiteit." In het kamp van de tegenstanders zitten zwaargewichten zoals Nobelprijswinnaar Gerard 't Hooft. Volgens hem viel van het natuurkundige deel van het proefschrift geen brood te bakken en was het wiskundige deel te vaag. Ook natuurkundige Robbert Dijkgraaf maakte komaf met het doctoraat en noemde het fysicacomponent 'beneden de maat'. Fysica of filosofie Het zag er dus naar uit dat Cabbolet na tien jaar noeste arbeid zijn doctorstitel op zijn buik kon schrijven. Ware het niet dat de strijdvaardige student naar België trok en zich inschreef aan de VUB in Brussel waar hij ongeveer hetzelfde doctoraat indiende. Zijn promotor: Jean Paul Van Bendegem, Vlaanderens bekendste filosoof en wiskundige. Van Bendegem was op de hoogte van de slechte beoordeling in Eindhoven, maar verdedigt het proefschrift. "Het gaat hier niet over juist of onjuist. In Nederland diende Cabbolet zijn proefschrift in aan de faculteit Natuurkunde en in België aan de faculteit Wijsbegeerte. Voor natuurkundigen is zijn theorie terecht te speculatief, maar in de wijsbegeerte is er veel meer ruimte voor speculatie. Het is jammer dat de wetenschap de laatste decennia steeds meer focust op uitkomst. Alles moet bewezen worden." Gelukkig is er in de fysica altijd een experiment waardoor men een bepaalde theorie kan bewijzen. Nu wil het lukken dat CERN, het internationaal onderzoekslaboratorium in het Zwitserse Genève, die hypothese rond antimaterie momenteel aan een experiment aan het onderwerpen is. Ze zijn niet op de hoogte van de theorie van Cabbolet en beseffen dus niet dat ze middenin een discussie tussen universiteiten komen. Ultieme test in Cera Het duurt nog een jaar eer ze de resultaten bekend maken, maar dan zullen we voor eens en voor altijd weten wie er nu verkeerd zat. Lukt het experiment, en valt antimaterie inderdaad omhoog, dan zou Cabbolet wel eens de Einstein van de 21ste eeuw kunnen worden.
|
Geweldig toch!
"Het is jammer dat de wetenschap de laatste decennia steeds meer focust op uitkomst. Alles moet bewezen worden."
En dan onmiddellijk de journaliste (Barbara Dzikanowice):
"Gelukkig is er in de fysica altijd een experiment waardoor men een bepaalde theorie kan bewijzen."
Richard Wagner
Bart De Wever is "back in town"!
Dat zullen we geweten hebben.
http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=DMF20121221_00410971
Afbreken om op te bouwen
Over de waarde van kunst
Louis Paul Boon, Max Weber, Friedrich Nietzsche, Richard Wagner, E.T.A. Hoffmann. Ze inspireerden BART DE WEVER tot een reflectie over de rol die kunst in een samenleving kan spelen.
Als hij afrondt, blijkt zijn besluit samen te vallen met Heinrich Heine.
Als hij afrondt, blijkt zijn besluit samen te vallen met Heinrich Heine.
‘Moet een fatsoenlijk mens wanneer hij gaapt en wanneer hij schrijft een blad voor de mond houden, of moet hij integendeel de dingen zeggen gelijk hij de dingen gepeinsd heeft en overal een steen des aanstoots zijn?' Die vraag stelde Louis Paul Boon zich in 1947 in zijn wekelijkse column ‘Ook de afbreker bouwt op'. Want zo werd Boon gepercipieerd: als iemand die cynisch afbrak, zonder een constructieve bijdrage te leveren. Ik heb me dezelfde vraag gesteld na de recente clash met ‘de cultuurwereld' over de naam van een Antwerps pleintje. Ik wil me van de verste verte niet meten aan het genie van Boon, maar net als de schrijver oordeel ik dat het toch beter is te spreken. Zelfs over kunst.
Hoffmanns vertellingen
In 1917 hield Max Weber een lezing waarin hij een van de meest spraakmakende begrippen van de 20ste eeuw lanceerde: de onttovering van de wereld. Weber analyseerde de overgang van een magisch wereldbeeld naar de moderniteit aan de hand van de rationalisering van de samenleving. Geen mystieke godheid schuilde achter onverklaarbare fenomenen, maar een rationele natuur die beheersbaar, controleerbaar en zelfs stuurbaar was. Daardoor kon het economische en maatschappelijke leven rationeel georganiseerd worden. Arbeidsprocessen werden gespecialiseerd, structuren geoptimaliseerd en eeuwenoude gebruiken als nutteloos overboord gegooid. Wilde iets een functie hebben in de moderniteit, dan moest het een nut hebben. Onvermijdelijk kwam dit nutsdenken in botsing met religie en kunst. Het christendom werd geleidelijk gedwongen zich in te passen in het nutsdenken en het zocht voor zichzelf een plaatsje als aanbieder van rituelen en troost voor de massa. Kunstenaars huiverden echter bij de gedachte dat kunst überhaupt een nut moest hebben. Daarom koos kunst een andere weg – en terecht, gezien de huidige toestand van het christendom in West-Europa. Kunst verklaarde zich autonoom van het nutsdenken. Kunst moest niet ten dienste staan van een sociale functie. Kunst had een intrinsieke waarde in zichzelf. L'art pour l'art!
E.T.A. Hoffmann beschreef dat proces in zijn satires rond Kapellmeister Kreisler, die gevraagd wordt om de soirees van de betere burgerij met zijn composities op te luisteren. Hoewel Kreisler daar aanvankelijk geen graten in vindt, ervaart hij dat zijn muziek slechts een versnapering naast de thee en punch is, een stukje verstrooiing tussen de gesprekjes door. Zijn muziek heeft een functie gekregen: ze is entertainment geworden. En terwijl Kreisler aan het klavier zit en de gasten geboeid naar hem luisteren, beslist hij zich te verzetten tegen het nutsdenken dat van hem een artistieke bediende heeft gemaakt. Hij begint zijn makkelijk in het oor liggende muziek op te leuken met moeilijke bruggetjes en geïmproviseerde franjes. Het publiek is eerst verrast, maar blijft luisteren. Kreisler gaat verder en speelt steeds abstractere muziek. Her en der beginnen mensen onder elkaar te praten. Het geroezemoes moedigt Kreisler aan om nog verder te gaan, steeds verder, tot de eerste mensen het salon verlaten. Uiteindelijk, als Kreisler zijn ondertussen extreem complex muziekstuk afrondt, zit er niemand meer in de zaal, behalve de butler die de taart aansnijdt. De kunst heeft haar autonomie herwonnen, maar tegen een hoge prijs. Want de vraag rest: wie is hier eigenlijk gevlucht? Het publiek voor de kunst of de kunstenaar in zijn kunst? Of allebei?
Het absolute concept...
Het idee van autonome kunst is en blijft een mythe. Een mythe die de kunstgemeenschap in verbeelding aan elkaar smeedt: de kunstenaar als onafhankelijke observator, los van elke gemeenschap, met een verheven kijk op wat er rondom hem gebeurt. Een mythe die intussen zelf is ingehaald door het nutsdenken. Want waarom vinden we kunst belangrijk? Omdat de kunstenaar de maatschappij objectief kan beschouwen en ons zo tot nieuwe inzichten kan brengen. Dat is zijn nuttige functie.
Friedrich Nietzsche heeft fel geageerd tegen die visie. Kunstenaars zijn, volgens Nietzsche, ‘lang niet zo onafhankelijk in de wereld en tegenover de wereld dat hun waardeoordeel en hun levenswandel onze belangstelling zouden verdienen. Kunstenaar zijn plooibare hovelingen (…) met een fijne neus voor oude of pas opkomende machten.' Nietzsches bittere besluit: ‘Niets is zo omkoopbaar als een kunstenaar.' Harde woorden, die wat nadere uitleg verdienen.
Net zoals veel van zijn tijdgenoten, was Nietzsche gefascineerd door Richard Wagner, die zich verzette tegen kunst als massa-amusement, luxegoed of individuele bevrediging. Kunst moest niet alleen autonoom zijn, maar ook een boven alles uitstijgende macht die de hele gemeenschap verenigde in één gebald, verscheurend moment. Wagner droomde van een kunstwerk dat alle kunsten (muziek, theater, literatuur, beeldende werken) in zich opnam en tegelijk een nieuwe mythe creëerde die kunst binnen het moderne plaatste. Dat totaalconcept was Der Ring des Nibelungen, dat in de oorspronkelijke plannen eenmaal, tijdens een dagenlang gratis festival, zou worden opgevoerd in een speciaal gebouwd theater. Daarna zou zowel het theater als de partituur worden vernietigd om de uniciteit van het moment te beklemtonen.
Nietzsches begeestering toonde zich in het onverdroten promoten van Wagners ideeën, het ongenadig afmaken van diens critici en het leveren van de filosofische onderbouw. Maar Wagner leerde al vlug dat om zo'n ambitieus kunstwerk gestalte te geven, er veel geld nodig was. Dus moest Wagner op zoek naar geldschieters die hem in staat stelden zijn creatieve dromen te verwezenlijken. Dat betekende compromissen sluiten. Het theater kwam in Bayreuth omdat de gemeenteraad daar bereid was grond ter beschikking te stellen. De opvoering was, gezien de immense kosten, evenmin gratis. Bovendien ontstonden over heel Duitsland elitaire Richard Wagner-genootschappen, die geld inzamelden, maar ook elk hun claim legden op het festival. Toen de Festspiele in 1876 van start gingen, was – de toen al eerder sceptische – Nietzsche een eregast. Wat hij zag, vervulde hem met afschuw. In plaats van het gewone volk, zag hij de gekroonde Duitse hoofden en de hogere burgerij, die immense bedragen hadden neergelegd om aan toegangskaarten te geraken. De lagere burgerij – onder wie Karl Marx – stond met de neus aan het venster om een glimp op te vangen. Van Nietzsches artistieke idealen schoot niets meer over. Gedesillusioneerd verliet hij tijdens de opvoering de zaal – wat Wagner hem nooit zou vergeven – en verzonk in een diepe crisis.
...en het financiële plaatje
Het romantische cliché van de armlastige, maar briljante kunstenaar, die miskend door de goegemeente zijn leven slijt op de rand van de goot en wellicht pas postuum erkenning zal krijgen, heeft zijn beste tijd gehad. Maar wat velen in Nietzsches geest nog steeds zien als een pervertering van het artistieke, is gewoon een eeuwenoud gegeven. Kunst produceren kost geld. En om geld te verzamelen moet men de macht opzoeken, want macht genereert geld. Kunst kan dus nooit absoluut autonoom zijn, ze zal steeds afhankelijk zijn van wie bereid is om haar te financieren.
Op die manier sluipt echter het nutsdenken de kunstwereld binnen. Want geld eist verantwoording. Wie investeert, wil een return on investment, dat is de logica van onze onttoverde wereld. Vandaag worden kunst en cultuur vooral gefinancierd door subsidies, dus uit belastinginkomsten. Zij die bijdragen – het grote publiek dus – eisen verantwoording van wat er met gemeenschapsmiddelen gebeurt. Net datgene waarvan kunst tot elke prijs autonoom wil zijn. Decennialang kon men dat sluimerende dilemma omzeilen door te verwijzen naar de intrinsieke waarde van kunst. Mensen keken naar een kunstwerk, snapten er misschien niet al te veel van, maar zetten hun onbegrip opzij met de gedachte: het is kunst. Maar we leven niet meer in de moderniteit. We leven in de postmoderniteit.
Jan Hoet stelde onlangs dat games de toekomst van kunst zijn. Een van de populairste game-franchises van dit moment, Assassin's Creed, vat de gemoedstoestand van de postmoderniteit alvast perfect samen. Want wat is het credo van de Assassijnen? ‘Niets is waar, alles is toegelaten.' In de moderniteit stelden we vast dat alles waarmee we ons leven ordenen (het gezin, de gemeenschap, de natie, de solidariteit, het geloof) een constructie is. Constructen die ons in de 20ste eeuw de grootste verschrikkingen ooit opleverden. Wat ons daarna nog restte, werd ter discussie gesteld. En kunst werd daar het slachtoffer van. Want als niets waar is en dus niets een intrinsieke waarde heeft, hoe kan kunst dan voor zichzelf een uitzonderingsstatuut blijven opeisen? Theodor Adorno – Nach Auschwitz ein Gedicht zu schreiben, ist barbarisch – ging zelfs zover om het verdere bestaansrecht van kunst in twijfel te trekken.
Een ander soort waarde
In heel Europa loopt de spanning tussen ‘autonome' kunst en het grote publiek verder op. Men worstelt met de artistieke consequenties van een doorgeschoten postmodernisme. Veel kunst acht zich niet meer gebonden door wat ooit was. Het verleden is hoogstens een inspiratiebron die men met referenties kan plunderen, maar die steeds met de nodige ironische afstandelijkheid benaderd moet worden.
In Vlaanderen voegen de verschuivende machtsverhoudingen aan dit proces nog een dimensie toe. Zoals Nietzsche wrang maar niet onterecht stelde: kunst heeft een gevestigde macht nodig die de voorwaarden schept waarbinnen het artistieke zich kan ontwikkelen. Dat de gevestigde orde in België op losse schroeven staat, heeft gevolgen voor de kunstenaars die zich erdoor beschermd weten en bijgevolg in een behoudsgezinde kramp schieten. Die context verklaart waarom een getalenteerde 21ste-eeuwse schrijver als Tom Lanoye de enormiteit uitkraamt dat het 19de-eeuwse De Leeuw van Vlaanderen voor hem een ‘hallucinant lachwekkend kutboek' is. Zo komt men tot een culturele elite die de eigen cultuurproducten amper serieus kan nemen, maar er wel waardering voor eist van het vervreemde publiek, en maatschappelijke veranderingen argwanend waarneemt.
Het is evident dat alles om ons heen ontsproten is aan onze eigen verbeelding. Niets heeft in zichzelf een sacrale, alles overstijgende waarde. De postmoderne drang om alles te herleiden tot de werkelijke betekenis, leidde tot de conclusie dat er geen zichzelf genererende betekenis bestaat. De waarde die iets heeft, is de waarde die wij er zelf aan toekennen. En dat besef heeft ons verlamd. Het heeft ons doen inzien dat wij ook een verkeerde waarde kunnen toekennen. Dat wij van de natie een mechanisme tot uitsluiting kunnen maken, van religie een wapen, van het gezin een repressieve instelling.
Wij zijn bang geworden voor onze eigen macht omdat we weten dat we tot verschrikkelijke dingen in staat zijn. Vanuit die angst aanvaarden we nog liever de vernietiging van alles wat we eens heilig achtten, dan weer waarde te hechten aan onze eigen constructen – met het gevaar ons daarin te vergissen. En toch is net dat wat we weer moeten leren: waarde hechten. Zoals Heinrich Heine stelde: ofwel rechtvaardigt kunst zichzelf, ofwel laat ze zich rechtvaardigen door het politieke, het sociale, het economische. Kiezen we voor dat laatste, dan heeft kunst bij voorbaat verloren.
Daar is geen touw aan vast te knopen.
Volgens mij is Bart De Wever een Assassijn, iets te veel gesmoord.
"Assassijn wordt wel verondersteld een verbastering te zijn van hashshashin, dat betekent: zij die zich met hasjisj bedwelmen. "
http://nl.wikipedia.org/wiki/Assassijnen
Het begint al bij het begin (ah ja!): is het nu afbreken of opbouwen? Het kan niet allebei, dat is in strijd met de logica.
En de twee laatste paragrafen spreken zichzelf tegen als u het mij vraagt.
Ik heb er geen flauw benul van waar hij naar toe wil met zijn column.
"Het is evident dat alles om ons heen ontsproten is aan onze eigen verbeelding. Niets heeft in zichzelf een sacrale, alles overstijgende waarde. De postmoderne drang om alles te herleiden tot de werkelijke betekenis, leidde tot de conclusie dat er geen zichzelf genererende betekenis bestaat."
Als je zoiets schrijft is het verhaal uiteraard afgelopen.
Behalve voor een zot als mezelf natuurlijk.
Als je daar niet aan wil toegeven wordt het naar mijn mening een beetje pijnlijk.
"De waarde die iets heeft, is de waarde die wij er zelf aan toekennen. En dat besef heeft ons verlamd. Het heeft ons doen inzien dat wij ook een verkeerde waarde kunnen toekennen. Dat wij van de natie een mechanisme tot uitsluiting kunnen maken, van religie een wapen, van het gezin een repressieve instelling.
Wij zijn bang geworden voor onze eigen macht omdat we weten dat we tot verschrikkelijke dingen in staat zijn. Vanuit die angst aanvaarden we nog liever de vernietiging van alles wat we eens heilig achtten, dan weer waarde te hechten aan onze eigen constructen – met het gevaar ons daarin te vergissen. En toch is net dat wat we weer moeten leren: waarde hechten. Zoals Heinrich Heine stelde: ofwel rechtvaardigt kunst zichzelf, ofwel laat ze zich rechtvaardigen door het politieke, het sociale, het economische. Kiezen we voor dat laatste, dan heeft kunst bij voorbaat verloren."
Wittgenstein en Fichte zijn niet de filosofen van Bart De Wever.
Nietzsche ook niet.
Hoewel, Nietzsche was ook een Assassijn.
Af en toe kan ik er geen touw aan vastknopen.
Over zijn relatie met Richard Wagner heb ik wel een ideetje, wat had u anders gedacht?
Wagner was aanvankelijk een zielsverwant van Nietzsche, een groot promotor van de "verandering".
Helaas, toen Wagner succes boekte met zijn muziek bleek hij zichzelf plots als "de nieuwe norm" naar voor te schuiven.
Perhaps you are beginning to perceive how very much this music improves me?—Il faut méditerraniser la musique. and I have my reasons for this principle (“Beyond Good and Evil,” pp. 216 et seq.) The return to Nature, health, good spirits, youth,virtue!—And yet I was one of the most corrupted Wagnerites.… I was able to take Wagner seriously. Oh, this old magician! what tricks has he not played upon us! The first thing his art places in our hands is a magnifying glass: we look through it, and we no longer trust our own eyes—Everything grows bigger, even Wagner grows bigger.… What a clever rattlesnake. Throughout his life he rattled “resignation,” “loyalty,”and “purity” about our ears, and he retired from the corrupt world with a song of praise to chastity!—And we believed it all.…
Hoffmanns vertellingen
In 1917 hield Max Weber een lezing waarin hij een van de meest spraakmakende begrippen van de 20ste eeuw lanceerde: de onttovering van de wereld. Weber analyseerde de overgang van een magisch wereldbeeld naar de moderniteit aan de hand van de rationalisering van de samenleving. Geen mystieke godheid schuilde achter onverklaarbare fenomenen, maar een rationele natuur die beheersbaar, controleerbaar en zelfs stuurbaar was. Daardoor kon het economische en maatschappelijke leven rationeel georganiseerd worden. Arbeidsprocessen werden gespecialiseerd, structuren geoptimaliseerd en eeuwenoude gebruiken als nutteloos overboord gegooid. Wilde iets een functie hebben in de moderniteit, dan moest het een nut hebben. Onvermijdelijk kwam dit nutsdenken in botsing met religie en kunst. Het christendom werd geleidelijk gedwongen zich in te passen in het nutsdenken en het zocht voor zichzelf een plaatsje als aanbieder van rituelen en troost voor de massa. Kunstenaars huiverden echter bij de gedachte dat kunst überhaupt een nut moest hebben. Daarom koos kunst een andere weg – en terecht, gezien de huidige toestand van het christendom in West-Europa. Kunst verklaarde zich autonoom van het nutsdenken. Kunst moest niet ten dienste staan van een sociale functie. Kunst had een intrinsieke waarde in zichzelf. L'art pour l'art!
E.T.A. Hoffmann beschreef dat proces in zijn satires rond Kapellmeister Kreisler, die gevraagd wordt om de soirees van de betere burgerij met zijn composities op te luisteren. Hoewel Kreisler daar aanvankelijk geen graten in vindt, ervaart hij dat zijn muziek slechts een versnapering naast de thee en punch is, een stukje verstrooiing tussen de gesprekjes door. Zijn muziek heeft een functie gekregen: ze is entertainment geworden. En terwijl Kreisler aan het klavier zit en de gasten geboeid naar hem luisteren, beslist hij zich te verzetten tegen het nutsdenken dat van hem een artistieke bediende heeft gemaakt. Hij begint zijn makkelijk in het oor liggende muziek op te leuken met moeilijke bruggetjes en geïmproviseerde franjes. Het publiek is eerst verrast, maar blijft luisteren. Kreisler gaat verder en speelt steeds abstractere muziek. Her en der beginnen mensen onder elkaar te praten. Het geroezemoes moedigt Kreisler aan om nog verder te gaan, steeds verder, tot de eerste mensen het salon verlaten. Uiteindelijk, als Kreisler zijn ondertussen extreem complex muziekstuk afrondt, zit er niemand meer in de zaal, behalve de butler die de taart aansnijdt. De kunst heeft haar autonomie herwonnen, maar tegen een hoge prijs. Want de vraag rest: wie is hier eigenlijk gevlucht? Het publiek voor de kunst of de kunstenaar in zijn kunst? Of allebei?
Het absolute concept...
Het idee van autonome kunst is en blijft een mythe. Een mythe die de kunstgemeenschap in verbeelding aan elkaar smeedt: de kunstenaar als onafhankelijke observator, los van elke gemeenschap, met een verheven kijk op wat er rondom hem gebeurt. Een mythe die intussen zelf is ingehaald door het nutsdenken. Want waarom vinden we kunst belangrijk? Omdat de kunstenaar de maatschappij objectief kan beschouwen en ons zo tot nieuwe inzichten kan brengen. Dat is zijn nuttige functie.
Friedrich Nietzsche heeft fel geageerd tegen die visie. Kunstenaars zijn, volgens Nietzsche, ‘lang niet zo onafhankelijk in de wereld en tegenover de wereld dat hun waardeoordeel en hun levenswandel onze belangstelling zouden verdienen. Kunstenaar zijn plooibare hovelingen (…) met een fijne neus voor oude of pas opkomende machten.' Nietzsches bittere besluit: ‘Niets is zo omkoopbaar als een kunstenaar.' Harde woorden, die wat nadere uitleg verdienen.
Net zoals veel van zijn tijdgenoten, was Nietzsche gefascineerd door Richard Wagner, die zich verzette tegen kunst als massa-amusement, luxegoed of individuele bevrediging. Kunst moest niet alleen autonoom zijn, maar ook een boven alles uitstijgende macht die de hele gemeenschap verenigde in één gebald, verscheurend moment. Wagner droomde van een kunstwerk dat alle kunsten (muziek, theater, literatuur, beeldende werken) in zich opnam en tegelijk een nieuwe mythe creëerde die kunst binnen het moderne plaatste. Dat totaalconcept was Der Ring des Nibelungen, dat in de oorspronkelijke plannen eenmaal, tijdens een dagenlang gratis festival, zou worden opgevoerd in een speciaal gebouwd theater. Daarna zou zowel het theater als de partituur worden vernietigd om de uniciteit van het moment te beklemtonen.
Nietzsches begeestering toonde zich in het onverdroten promoten van Wagners ideeën, het ongenadig afmaken van diens critici en het leveren van de filosofische onderbouw. Maar Wagner leerde al vlug dat om zo'n ambitieus kunstwerk gestalte te geven, er veel geld nodig was. Dus moest Wagner op zoek naar geldschieters die hem in staat stelden zijn creatieve dromen te verwezenlijken. Dat betekende compromissen sluiten. Het theater kwam in Bayreuth omdat de gemeenteraad daar bereid was grond ter beschikking te stellen. De opvoering was, gezien de immense kosten, evenmin gratis. Bovendien ontstonden over heel Duitsland elitaire Richard Wagner-genootschappen, die geld inzamelden, maar ook elk hun claim legden op het festival. Toen de Festspiele in 1876 van start gingen, was – de toen al eerder sceptische – Nietzsche een eregast. Wat hij zag, vervulde hem met afschuw. In plaats van het gewone volk, zag hij de gekroonde Duitse hoofden en de hogere burgerij, die immense bedragen hadden neergelegd om aan toegangskaarten te geraken. De lagere burgerij – onder wie Karl Marx – stond met de neus aan het venster om een glimp op te vangen. Van Nietzsches artistieke idealen schoot niets meer over. Gedesillusioneerd verliet hij tijdens de opvoering de zaal – wat Wagner hem nooit zou vergeven – en verzonk in een diepe crisis.
...en het financiële plaatje
Het romantische cliché van de armlastige, maar briljante kunstenaar, die miskend door de goegemeente zijn leven slijt op de rand van de goot en wellicht pas postuum erkenning zal krijgen, heeft zijn beste tijd gehad. Maar wat velen in Nietzsches geest nog steeds zien als een pervertering van het artistieke, is gewoon een eeuwenoud gegeven. Kunst produceren kost geld. En om geld te verzamelen moet men de macht opzoeken, want macht genereert geld. Kunst kan dus nooit absoluut autonoom zijn, ze zal steeds afhankelijk zijn van wie bereid is om haar te financieren.
Op die manier sluipt echter het nutsdenken de kunstwereld binnen. Want geld eist verantwoording. Wie investeert, wil een return on investment, dat is de logica van onze onttoverde wereld. Vandaag worden kunst en cultuur vooral gefinancierd door subsidies, dus uit belastinginkomsten. Zij die bijdragen – het grote publiek dus – eisen verantwoording van wat er met gemeenschapsmiddelen gebeurt. Net datgene waarvan kunst tot elke prijs autonoom wil zijn. Decennialang kon men dat sluimerende dilemma omzeilen door te verwijzen naar de intrinsieke waarde van kunst. Mensen keken naar een kunstwerk, snapten er misschien niet al te veel van, maar zetten hun onbegrip opzij met de gedachte: het is kunst. Maar we leven niet meer in de moderniteit. We leven in de postmoderniteit.
Jan Hoet stelde onlangs dat games de toekomst van kunst zijn. Een van de populairste game-franchises van dit moment, Assassin's Creed, vat de gemoedstoestand van de postmoderniteit alvast perfect samen. Want wat is het credo van de Assassijnen? ‘Niets is waar, alles is toegelaten.' In de moderniteit stelden we vast dat alles waarmee we ons leven ordenen (het gezin, de gemeenschap, de natie, de solidariteit, het geloof) een constructie is. Constructen die ons in de 20ste eeuw de grootste verschrikkingen ooit opleverden. Wat ons daarna nog restte, werd ter discussie gesteld. En kunst werd daar het slachtoffer van. Want als niets waar is en dus niets een intrinsieke waarde heeft, hoe kan kunst dan voor zichzelf een uitzonderingsstatuut blijven opeisen? Theodor Adorno – Nach Auschwitz ein Gedicht zu schreiben, ist barbarisch – ging zelfs zover om het verdere bestaansrecht van kunst in twijfel te trekken.
Een ander soort waarde
In heel Europa loopt de spanning tussen ‘autonome' kunst en het grote publiek verder op. Men worstelt met de artistieke consequenties van een doorgeschoten postmodernisme. Veel kunst acht zich niet meer gebonden door wat ooit was. Het verleden is hoogstens een inspiratiebron die men met referenties kan plunderen, maar die steeds met de nodige ironische afstandelijkheid benaderd moet worden.
In Vlaanderen voegen de verschuivende machtsverhoudingen aan dit proces nog een dimensie toe. Zoals Nietzsche wrang maar niet onterecht stelde: kunst heeft een gevestigde macht nodig die de voorwaarden schept waarbinnen het artistieke zich kan ontwikkelen. Dat de gevestigde orde in België op losse schroeven staat, heeft gevolgen voor de kunstenaars die zich erdoor beschermd weten en bijgevolg in een behoudsgezinde kramp schieten. Die context verklaart waarom een getalenteerde 21ste-eeuwse schrijver als Tom Lanoye de enormiteit uitkraamt dat het 19de-eeuwse De Leeuw van Vlaanderen voor hem een ‘hallucinant lachwekkend kutboek' is. Zo komt men tot een culturele elite die de eigen cultuurproducten amper serieus kan nemen, maar er wel waardering voor eist van het vervreemde publiek, en maatschappelijke veranderingen argwanend waarneemt.
Het is evident dat alles om ons heen ontsproten is aan onze eigen verbeelding. Niets heeft in zichzelf een sacrale, alles overstijgende waarde. De postmoderne drang om alles te herleiden tot de werkelijke betekenis, leidde tot de conclusie dat er geen zichzelf genererende betekenis bestaat. De waarde die iets heeft, is de waarde die wij er zelf aan toekennen. En dat besef heeft ons verlamd. Het heeft ons doen inzien dat wij ook een verkeerde waarde kunnen toekennen. Dat wij van de natie een mechanisme tot uitsluiting kunnen maken, van religie een wapen, van het gezin een repressieve instelling.
Wij zijn bang geworden voor onze eigen macht omdat we weten dat we tot verschrikkelijke dingen in staat zijn. Vanuit die angst aanvaarden we nog liever de vernietiging van alles wat we eens heilig achtten, dan weer waarde te hechten aan onze eigen constructen – met het gevaar ons daarin te vergissen. En toch is net dat wat we weer moeten leren: waarde hechten. Zoals Heinrich Heine stelde: ofwel rechtvaardigt kunst zichzelf, ofwel laat ze zich rechtvaardigen door het politieke, het sociale, het economische. Kiezen we voor dat laatste, dan heeft kunst bij voorbaat verloren.
Daar is geen touw aan vast te knopen.
Volgens mij is Bart De Wever een Assassijn, iets te veel gesmoord.
"Assassijn wordt wel verondersteld een verbastering te zijn van hashshashin, dat betekent: zij die zich met hasjisj bedwelmen. "
http://nl.wikipedia.org/wiki/Assassijnen
Het begint al bij het begin (ah ja!): is het nu afbreken of opbouwen? Het kan niet allebei, dat is in strijd met de logica.
En de twee laatste paragrafen spreken zichzelf tegen als u het mij vraagt.
Ik heb er geen flauw benul van waar hij naar toe wil met zijn column.
"Het is evident dat alles om ons heen ontsproten is aan onze eigen verbeelding. Niets heeft in zichzelf een sacrale, alles overstijgende waarde. De postmoderne drang om alles te herleiden tot de werkelijke betekenis, leidde tot de conclusie dat er geen zichzelf genererende betekenis bestaat."
Als je zoiets schrijft is het verhaal uiteraard afgelopen.
Behalve voor een zot als mezelf natuurlijk.
Als je daar niet aan wil toegeven wordt het naar mijn mening een beetje pijnlijk.
"De waarde die iets heeft, is de waarde die wij er zelf aan toekennen. En dat besef heeft ons verlamd. Het heeft ons doen inzien dat wij ook een verkeerde waarde kunnen toekennen. Dat wij van de natie een mechanisme tot uitsluiting kunnen maken, van religie een wapen, van het gezin een repressieve instelling.
Wij zijn bang geworden voor onze eigen macht omdat we weten dat we tot verschrikkelijke dingen in staat zijn. Vanuit die angst aanvaarden we nog liever de vernietiging van alles wat we eens heilig achtten, dan weer waarde te hechten aan onze eigen constructen – met het gevaar ons daarin te vergissen. En toch is net dat wat we weer moeten leren: waarde hechten. Zoals Heinrich Heine stelde: ofwel rechtvaardigt kunst zichzelf, ofwel laat ze zich rechtvaardigen door het politieke, het sociale, het economische. Kiezen we voor dat laatste, dan heeft kunst bij voorbaat verloren."
Wittgenstein en Fichte zijn niet de filosofen van Bart De Wever.
Nietzsche ook niet.
Hoewel, Nietzsche was ook een Assassijn.
Af en toe kan ik er geen touw aan vastknopen.
Over zijn relatie met Richard Wagner heb ik wel een ideetje, wat had u anders gedacht?
Wagner was aanvankelijk een zielsverwant van Nietzsche, een groot promotor van de "verandering".
Helaas, toen Wagner succes boekte met zijn muziek bleek hij zichzelf plots als "de nieuwe norm" naar voor te schuiven.
Perhaps you are beginning to perceive how very much this music improves me?—Il faut méditerraniser la musique. and I have my reasons for this principle (“Beyond Good and Evil,” pp. 216 et seq.) The return to Nature, health, good spirits, youth,virtue!—And yet I was one of the most corrupted Wagnerites.… I was able to take Wagner seriously. Oh, this old magician! what tricks has he not played upon us! The first thing his art places in our hands is a magnifying glass: we look through it, and we no longer trust our own eyes—Everything grows bigger, even Wagner grows bigger.… What a clever rattlesnake. Throughout his life he rattled “resignation,” “loyalty,”and “purity” about our ears, and he retired from the corrupt world with a song of praise to chastity!—And we believed it all.…
—But you will not listen to me? You prefereven the problem of Wagner to that of Bizet? But neither do I underrate it; it has its charm. The problem of salvation is even a venerable problem. Wagner pondered over nothing so deeply as over salvation: his opera is the opera of salvation.[pg 006]Someone always wants to be saved in his operas,—now it is a youth; anon it is a maid,—this is his problem—And how lavishly he varies his leitmotif! What rare and melancholy modulations! If it were not for Wagner, who would teach us that innocence has a preference for saving interesting sinners? (the case in “Tannhauser”). Or that even the eternal Jew gets saved and settled down when he marries? (the case in the “Flying Dutchman”). Or that corrupted old females prefer to be saved by chaste young men? (the case of Kundry). Or that young hysterics like to be saved by their doctor? (the case in “Lohengrin”). Or that beautiful girls most love to be saved by a knight who also happens to be a Wagnerite? (the case in the “Mastersingers”).Or that even married women also like to be saved by a knight? (the case of Isolde). Or that the venerable Almighty, after having compromised himself morally in all manner of ways, is at last delivered by a free spirit and an immoralist? (the case in the “Ring”). Admire, more especially this last piece of wisdom! Do you understand it? I—take good care not to understand it.… That it is possible to draw yet other lessons from the works above mentioned,—I am much more ready to prove than to dispute. That one may be driven by a Wagnerian ballet to desperation—and to virtue! (once again the case in “Tannhauser”).That not going to bed at the right time may be followed by the worst consequences (once again the case of “Lohengrin”).—That one can never be too sure of the spouse one actually marries (for the third time, the case of “Lohengrin”). “Tristan and[pg 007]Isolde” glorifies the perfect husband who, in a certain case, can ask only one question: “But why have ye not told me this before? Nothing could be simpler than that!” Reply:
“That I cannot tell thee.
And what thou askest,
That wilt thou never learn.”
“Lohengrin” contains a solemn ban upon all investigation and questioning. In this way Wagner stood for the Christian concept, “Thou must and shalt believe”. It is a crime against the highest and the holiest to be scientific.…
(Nederlandse vertaling: http://www.privedomein.info/Files/pdf/194.pdf )
maandag 12 november 2012
Nadia Fadil
http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2012/11/12/seksisme-wanneer-wetenschappelijk-onderzoek-gevaarlijk-wordt
Seksisme : wanneer wetenschappelijk onderzoek gevaarlijk wordt
Het artikel “Seksisme in Brussel: Law and Order Herstellen” heeft blijkbaar gevoelige snaren geraakt. Na uithalen in De Standaard van Joost Vandecasteele over mijn ‘politiek correct denken’ en Luckas Vander Taelen over mijn selectieve verontwaardiging is het nu de beurt aan Mia Doornaert om mij van “onwetenschappelijke blinde vlekken” te beschuldigen. Een antwoord.
Het intellectuele gladiatorendebat
Het maatschappelijk debat, of althans wat we vaak als maatschappelijk debat begrijpen, fungeert als een van de plekken waarin tegenstrijdige meningen elkaar – het liefst met harde hand – confronteren. Althans, zo willen we het graag zien. Begrijp het als het gladiatorengevecht van een intellectuele elite, die de wapens heeft geruild voor de pen (of het toetsenbord) en elkaar tot ieders vermaak met alle ruwheid confronteert.Lang heb ik aan dit gladiatorengevecht deelgenomen. Ondertussen ben ik echter tot de conclusie gekomen dat ik meer kan bereiken in de strijd voor een inclusieve en multiculturele samenleving door dit gladiatorengevecht te aanschouwen, te bestuderen en vooral zijn werking bloot te leggen. Daarom een poging om volgens de code van het maatschappelijk debat even tussenbeide te komen.
Enkele 'regels' van het debat
Tot spijt van wie het benijdt, mijn artikel voor DeWereldMorgen.be was geen poging om seksisme in Brussel goed te praten, noch om te ontkennen dat de Anneessens wijk welig tiert van mannen – inderdaad vaak van Marokkaanse achtergrond – die elk loslopend vrouwelijk wild graag aanklampen (Regel nummer een: de realiteit erkennen).Los van het feit dat ik de verhalen ken, heb ik die zelf proefondervindelijk mogen ervaren toen ik twee jaar op de Lemonnierlaan woonde (Regel nummer twee: zichzelf presenteren als iemand die de realiteit kent).
Bovendien vond ik de reportage van Sofie Peeters sterk (Regel nummer drie: positioneer je in het pro/contra kamp).
Femme de la rue
De documentaire ‘Femme de la Rue’ slaagde er immers in om iets te doen wat weinige commentatoren in de hele polemiek konden, namelijk de problematiek van seksisme niet tot de Arabische man herleiden maar consequent als een structureel probleem kaderen en duiden. Bovendien getuigde de reportage van Peeters van een bijzonder groot kritisch bewustzijn over de machtsdynamieken die het thema ‘seksisme’ en ‘multiculturalisme’ omringen.Meer dan louter een reportage te zijn over Arabische mannen en seksisme in Brussel, was het ook vooral een reportage over de ruimte die er is om een bepaald probleem aan te kaarten zonder onmiddellijk in het pro/contra kamp van de multiculturalisten te worden geduwd. Alleen daarom verdiende deze reportage alle aandacht die ze kreeg.
De ironie wil nu net dat zelfs zo’n kritische reportage, doordrongen van introspectie en zelfreflectie, niet kan ontsnappen aan de machinerie van ons ‘multicutlureel debat’ – dat nog het liefst met behulp van angstbeelden en ultieme tegenstanders opereert.
Analyse van machtsdynamiek
Voor alle duidelijkheid, mijn artikel in DeWereldMorgen.be was geen poging om aanklachten rond seksisme in Brussel te muilkorven. Het was vooral een analyse van de machtsdynamieken die werkzaam zijn zodra het thema ‘seksisme’ en ‘multiculturalisme’ aan bod komen. De mechanismen die dan ingezet worden zijn de volgende.1. Seksisme wordt vooral als een probleem van de ‘ander’, i.c. de moslimander, gezien. De manier waarop seksisme zich in ons alledaags leven uitdrukt – of het nu gaat om het glazen plafond, de loonverschillen tussen mannen en vrouwen, of het feit dat het vrouwenlichaam nog steeds de grond is op basis waarvan onze reclame-industrie haar producten aan de man brengt – blijven dan ondergeschikt aan dit ene grote probleem (iets wat de reportage van Peeters nu juist wél aan bod laat komen).
2. De problematiek in zulke termen kaderen zal niets verhelpen, noch aan het seksisme binnen minderheidsgroepen, noch aan het seksisme binnen de bredere samenleving. De beste wijze om seksisme in alle rangen te bestrijden is om vrouwen die reeds jaren met zulke gevechten bezig zijn te ondersteunen. De ironie wil nu net dat vrouwenorganisaties sinds de eeuwwisseling met een structurele onderfinanciering worden geconfronteerd en vele ‘allochtone’ vrouwenorganisaties intussen van het Vlaams socio-cultureel landschap zijn gevaagd.
3. De problematiek van seksisme aanklagen in bepaalde grootstedelijke buurten fungeert als een van de prioritaire middelen waarmee een sterker veiligheidsdiscours zich nestelt. Dat is niet alleen mijn ‘mening’, het gaat hier om een mechanisme dat intussen ruim gedocumenteerd werd – getuige de werken van David Theo Goldberg, Guy Baeten en nog vele anderen onderzoekers die over de thema's stad en multiculturaliteit werken.
4. Het seksisme van de Arabische man (net zoals dat van de Afro-Amerikaanse man in de VS of de Surinamer in Nederland) is niet louter een cultureel gegeven maar een uitdrukking van hypermasculiniteit, die typisch is voor mannen die uit het systeem worden geweerd, en die dus hun ‘mannelijkheid’ als enig verweermiddel hebben.
Zulke stellingen innemen is niet minimaliseren, goedpraten of wegcijferen. Het is kaderen. Dit is wat een wetenschapper doet en dit is waarom een antropologie of sociologie van de multiculturele samenleving vandaag ‘gevaarlijk’ is. Niet omdat het dogma’s verspreidt, maar vooral omdat het niet meegaat in het huidige ‘clash-of-civilization’ dogma's en deze juist tot onderzoeksobject heeft gemaakt.
Nadia Fadil
Wanneer wetenschappelijk onderzoek gevaarlijk wordt.
Fascinerend onderwerp vind ik dat.
Seksisme vind ik overbodig. Nadia Fadil kan zich daar bij aansluiten denk ik, dus dat is bij deze al geregeld.
"Zulke stellingen innemen is niet minimaliseren, goedpraten of wegcijferen. Het is kaderen. Dit is wat een wetenschapper doet en dit is waarom een antropologie of sociologie van de multiculturele samenleving vandaag ‘gevaarlijk’ is. Niet omdat het dogma’s verspreidt, maar vooral omdat het niet meegaat in het huidige ‘clash-of-civilization’ dogma's en deze juist tot onderzoeksobject heeft gemaakt."
Geen ellenlange uiteenzetting wanneer wetenschappelijk onderzoek gevaarlijk wordt, neen, kort en bondig. That's my girl.
"Zulke stellingen innemen is niet minimaliseren, goedpraten of wegcijferen. Het is kaderen. Dit is wat een wetenschapper doet en dit is waarom een antropologie of sociologie van de multiculturele samenleving vandaag ‘gevaarlijk’ is. Niet omdat het dogma’s verspreidt, maar vooral omdat het niet meegaat in het huidige ‘clash-of-civilization’ dogma's en deze juist tot onderzoeksobject heeft gemaakt."
"Dogma" vind ik een mooi woord.
Doet me altijd denken aan Dogma 95 en de daarbij horende "vow of chastity".
"Verder zweer ik als regisseur af te zien van persoonlijke smaak! Ik ben niet langer een kunstenaar. Ik zweer af te zien van het creëren van een 'werk', omdat ik het moment belangrijker vind dan het geheel. Mijn uiteindelijke doel is om de waarheid uit mijn karakters en omstandigheden te verdrijven. Ik zweer dat te doen met behulp van alle beschikbare middelen en ten koste van elke vorm van goede smaak en elke esthetische overweging.
Zo zweer ik mijn EED VAN ZUIVERHEID."
Ik vind het moment belangrijker dan het geheel!
Dogma is bovendien een woord dat verandert van betekenis, een beetje zoals allochtoon.
http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/dogma
dogma (leerstelling; geloofsleer)
M. Philippa e.a. (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands
dogma zn. ‘leerstelling; geloofsleer’
Vnnl. dogma ‘leerstuk, grondleer’ [1654; Meijer]; nnl. leerstellingen (dogmata) [1804; WNT leerstelling], dogme ‘leerstuk’ [1805; Meijer], dogma ‘leer’ [1865; WNT twijfelen], ‘geloofsleer’ [1866; WNT ziel I], ‘starre geloofsleer’, [1871; WNT vereeniging], ‘starre leer’ [1876; WNT versteenen].
Ontleend aan Latijn dogma ‘mening, leerstelling’ < Grieks dógma bij het werkwoord dokeĩn ‘veronderstellen, toeschijnen, menen’.
Dogma was oorspr. een neutraal woord, dat o.a. een leerstelling van de Kerk aanduidde. In de loop van de tijd kreeg het een negatieve connotatie, doordat de dogma's van de kerken maar ook dogma's bij filosofen als star werden ervaren. Hierdoor ontstond een betekenis ‘starre leerstelling’, die ook overdrachtelijk buiten de kerk kon worden gebruikt. De negatieve connotatie ging over op dogmaticus en dogmatisch.
♦ dogmaticus zn. ‘iemand die dogma's aanhangt; rechtlijnig mens’ [1864; WNT]. Ontleend aan het Latijnse bn. dogmaticus ‘volgens de leerstelling’. ♦ dogmatisch bn. ‘op een dogma gegrond; fanatiek’ [1793-96; WNT]. Al dan niet via Frans dogmatique [1537; Rey] ontleend aan Latijn dogmaticus, met aanpassing van het achtervoegsel
Vnnl. dogma ‘leerstuk, grondleer’ [1654; Meijer]; nnl. leerstellingen (dogmata) [1804; WNT leerstelling], dogme ‘leerstuk’ [1805; Meijer], dogma ‘leer’ [1865; WNT twijfelen], ‘geloofsleer’ [1866; WNT ziel I], ‘starre geloofsleer’, [1871; WNT vereeniging], ‘starre leer’ [1876; WNT versteenen].
Ontleend aan Latijn dogma ‘mening, leerstelling’ < Grieks dógma bij het werkwoord dokeĩn ‘veronderstellen, toeschijnen, menen’.
Dogma was oorspr. een neutraal woord, dat o.a. een leerstelling van de Kerk aanduidde. In de loop van de tijd kreeg het een negatieve connotatie, doordat de dogma's van de kerken maar ook dogma's bij filosofen als star werden ervaren. Hierdoor ontstond een betekenis ‘starre leerstelling’, die ook overdrachtelijk buiten de kerk kon worden gebruikt. De negatieve connotatie ging over op dogmaticus en dogmatisch.
♦ dogmaticus zn. ‘iemand die dogma's aanhangt; rechtlijnig mens’ [1864; WNT]. Ontleend aan het Latijnse bn. dogmaticus ‘volgens de leerstelling’. ♦ dogmatisch bn. ‘op een dogma gegrond; fanatiek’ [1793-96; WNT]. Al dan niet via Frans dogmatique [1537; Rey] ontleend aan Latijn dogmaticus, met aanpassing van het achtervoegsel
G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch (incl. Supplement uit 2007)
dogma s.nw.
Vasomlynde (kerklike) leerstuk waaroor nie meer geredeneer kan word nie.
Uit Ndl. dogma (1654).
Ndl. dogma uit Latyn dogma uit Grieks dogma 'mening, prinsipe, leerstelling', lett. 'dit wat 'n mens dink waar is'; in Christelike verband in die bet. 'dogma', van doleo 'ek meen, glo'.
D. Dogma (16de eeu), Eng. dogma (1541), Fr. dogme, It. dogma, domma, Port. dogma, Sp. dogma.
Vasomlynde (kerklike) leerstuk waaroor nie meer geredeneer kan word nie.
Uit Ndl. dogma (1654).
Ndl. dogma uit Latyn dogma uit Grieks dogma 'mening, prinsipe, leerstelling', lett. 'dit wat 'n mens dink waar is'; in Christelike verband in die bet. 'dogma', van doleo 'ek meen, glo'.
D. Dogma (16de eeu), Eng. dogma (1541), Fr. dogme, It. dogma, domma, Port. dogma, Sp. dogma.
N. van der Sijs (2001), Chronologisch Woordenboek
dogma vastomlijnd geloofsartikel 1804 [WNT leerstelling] <Latijn
P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Van Dale Etymologisch woordenboek
dogma [vastomlijnd geloofsartikel] {1804} < latijn dogma < grieks dogma [mening, in pregnant gebruik principe, leerstelling, in chr. verband dogma], van dokeō [ik meen, geloof], verwant met latijn decēre [passen] (vgl. decent, paradox).
Een dogma was aanvankelijk een mening.
Ik "geloof" dat het waar is.
"Dit wat 'n mens dink waar is."
Maar "denken" dan in de betekenis van "menen", niet in de betekenis van "ik heb er argumenten voor".
Helaas, dogma verstarde tot een "Vasomlynde (kerklike) leerstuk waaroor nie meer geredeneer kan word nie."
Op die manier kwam "dogma" lijnrecht tegenover wetenschap te staan, wetenschap is geredeneerschap bij uitstek.
Wetenschap gaat de onderliggende factoren bloot(!)leggen.
Wetenschap gaat de mechanismen beschrijven.
Een mechanisme is een constructie van onderling beweegbaar aan elkaar verbonden delen.
http://nl.wikipedia.org/wiki/Mechanisme
De onderdelen zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden.
Maar dogma is inmiddels achterhaald. De regisseurs zijn - in ieder geval voor een groot deel - terug gekomen op hun principes. Steeds vaker werden de gouden dogma-regels door de regisseurs overtreden. Zelfs Lars von Trier overtrad zo´n beetje alle regels met de film ´Dancer in the dark´. Zo eenvoudig en leuk is het niet om films te draaien volgens de pure regels. Daarmee is de anti-beweging inmiddels een cliché geworden. De definitieve nekslag is de sluiting van het secretariaat van Dogma in 2002.
http://www.cultkanaal.nl/Film/dogma-95.html
Een mechanisme van de wetenschap: logica.
Een feest is een feest, dat is logica.
Maar een feest is niet altijd een feest.
Een moment is nu éénmaal een moment.
Wanneer wetenschappelijk onderzoek gevaarlijk is.
Fascinerend onderwerp vind ik dat.
Ik laat het geheel aan u over.
Wanneer wetenschappelijk onderzoek gevaarlijk wordt.
Wanneer ik het zeg.
zondag 11 november 2012
Humpty Dumpty
Salmon fishing in the Yemen.
Een fraai staaltje taalfilosofie gisteren.
Taalfilosofie is vliegvissen.
Hoe ver reikt de impact van een woord?
Zo ver als de visser het werpt.
Spelen met woorden.
Het is een spelletje.
http://www.literature.org/authors/carroll-lewis/through-the-looking-glass/chapter-06.html
`In that case we start fresh,' said Humpty Dumpty, `and it's my turn to choose a subject -- ' (`He talks about it just as if it was a game!' thought Alice.) `So here's a question for you. How old did you say you were?' Alice made a short calculation, and said `Seven years and six months.' `Wrong!' Humpty Dumpty exclaimed triumphantly. `You never said a word like it!' `I though you meant "How old are you?"' Alice explained. `If I'd meant that, I'd have said it,' said Humpty Dumpty. Alice didn't want to begin another argument, so she said nothing. `Seven years and six months!' Humpty Dumpty repeated thoughtfully. `An uncomfortable sort of age. Now if you'd asked my advice, I'd have said "Leave off at seven" -- but it's too late now.' `I never ask advice about growing,' Alice said Indignantly. `Too proud?' the other inquired. Alice felt even more indignant at this suggestion. `I mean,' she said, `that one can't help growing older.' `One can't, perhaps,' said Humpty Dumpty, `but two can. With proper assistance, you might have left off at seven.' `What a beautiful belt you've got on!' Alice suddenly remarked. (They had had quite enough of the subject of age, she thought: and if they really were to take turns in choosing subjects, it was her turn now.) `At least,' she corrected herself on second thoughts, `a beautiful cravat, I should have said -- no, a belt, I mean -- I beg your pardon!' she added in dismay, for Humpty Dumpty looked thoroughly offended, and she began to wish she hadn't chosen that subject. `If I only knew,' the thought to herself, 'which was neck and which was waist!' Evidently Humpty Dumpty was very angry, though he said nothing for a minute or two. When he did speak again, it was in a deep growl. `It is a -- most -- provoking -- thing,' he said at last, `when a person doesn't know a cravat from a belt!' `I know it's very ignorant of me,' Alice said, in so humble a tone that Humpty Dumpty relented. `It's a cravat, child, and a beautiful one, as you say. It's a present from the White King and Queen. There now!' `Is it really?' said Alice, quite pleased to find that she had chosen a good subject, after all. `They gave it me,' Humpty Dumpty continued thoughtfully, as he crossed one knee over the other and clasped his hands round it, `they gave it me -- for an un-birthday present.' `I beg your pardon?' Alice said with a puzzled air. `I'm not offended,' said Humpty Dumpty. `I mean, what is and un-birthday present?' `A present given when it isn't your birthday, of course.' Alice considered a little. `I like birthday presents best,' she said at last. `You don't know what you're talking about!' cried Humpty Dumpty. `How many days are there in a year?' `Three hundred and sixty-five,' said Alice. `And how many birthdays have you?' `One.' `And if you take one from three hundred and sixty-five, what remains?' `Three hundred and sixty-four, of course.' Humpty Dumpty looked doubtful. `I'd rather see that done on paper,' he said. Alice couldn't help smiling as she took out her memorandum- book, and worked the sum for him:
365
1
___
364
___
Humpty Dumpty took the book, and looked at it carefully. `That seems to be done right -- ' he began. `You're holding it upside down!' Alice interrupted. `To be sure I was!' Humpty Dumpty said gaily, as she turned it round for him. `I thought it looked a little queer. As I was saying, that seems to be done right -- though I haven't time to look it over thoroughly just now -- and that shows that there are three hundred and sixty-four days when you might get un-birthday presents -- ' `Certainly,' said Alice. `And only one for birthday presents, you know. There's glory for you!' `I don't know what you mean by "glory,"' Alice said. Humpty Dumpty smiled contemptuously. `Of course you don't -- till I tell you. I meant "there's a nice knock-down argument for you!"' `But "glory" doesn't mean "a nice knock-down argument,"' Alice objected. `When I use a word,' Humpty Dumpty said in rather a scornful tone, `it means just what I choose it to mean -- neither more nor less.' `The question is,' said Alice, `whether you can make words mean so many different things.' `The question is,' said Humpty Dumpty, `which is to be master - - that's all.'
http://www.literature.org/authors/carroll-lewis/through-the-looking-glass/chapter-01.html
JABBERWOCKY.
`Twas brillig, and the slithy toves
Did gyre and gimble in the wabe;
All mimsy were the borogoves,
And the mome raths outgrabe. `Beware the Jabberwock, my son!
The jaws that bite, the claws that catch!
Beware the Jubjub bird, and shun
The frumious Bandersnatch!' He took his vorpal sword in hand:
Long time the manxome foe he sought --
So rested he by the Tumtum tree,
And stood awhile in thought. And as in uffish thought he stood,
The Jabberwock, with eyes of flame,
Came whiffling through the tulgey wood,
And burbled as it came! One, two! One, two! And through and through
The vorpal blade went snicker-snack!
He left it dead, and with its head
He went galumphing back. `And has thou slain the Jabberwock?
Come to my arms, my beamish boy!
O frabjous day! Callooh! Callay!
He chortled in his joy. `Twas brillig, and the slithy toves
Did gyre and gimble in the wabe;
All mimsy were the borogoves,
And the mome raths outgrabe.
`It seems very pretty,' she said when she had finished it, `but it's rather hard to understand!' (You see she didn't like to confess, ever to herself, that she couldn't make it out at all.) `Somehow it seems to fill my head with ideas -- only I don't exactly know what they are! However, somebody killed something: that's clear, at any rate -- '
Als ik meester ben over een woord, dan ben ik meester over een interpretatie.
Jabberwocky is het monster van de logica, het monster dat alleen verschijnt als je denkt.
Long time the manxome foe he sought --
So rested he by the Tumtum tree,
And stood awhile in thought. And as in uffish thought he stood,
The Jabberwock, with eyes of flame,
Came whiffling through the tulgey wood,
Een woord als "zinloos" reikt net zo ver als de visser het werpt.
Een logische (of "zinloze") zinsconstructie zo u wil:
Als er geen logica meer is, dan zijn er alleen nog spelletjes, spelletjes met woorden...
Jabberwocky
is een moppie
of toch nie
een grijze ragebol
een ladder in een donker hol
de ladder brakte woorden
in stillere oorden
Spelliography:
http://www.bu.edu/wcp/Papers/Inte/InteDudd.htm
zaterdag 10 november 2012
Paul Torday
Dr. Alfred Jones: No. No, I'm not.
Sheikh Muhammed: But you're a fisherman, Dr. Jones.
Dr. Alfred Jones: I'm sorry, I don't follow.
Sheikh Muhammed: How many hours do you fish before you catch something? Dozens?
Dr. Alfred Jones: Gosh, hundreds sometimes.
Sheikh Muhammed: Is that a good use of your time for a facts-and-figures man? But you persist in the wind and the rain and the cold with such poor odds of success. Why? Because you're a man of faith, Dr. Alfred.
Dr. Alfred Jones: With due respect, fishing and religion are hardly the same thing.
Sheikh Muhammed: With equal respect, I have to disagree.
Abonneren op:
Posts (Atom)
Geloof je dat?
Zo geloof ik ook dat "een vraag geen antwoord is".
"Gelukkig weet je dan wel wat je gelooft. Ik niet".
In eerste instantie was er een uitspraak van jou waar ik op reageerde met een vraag.
Het ging dus om jou uitspraak, niet om die van mij.
In je laatste reactie heb je de rollen omgedraaid. Daar gaat het om een standpunt van mij waar je op reageert met een vraag.
Als ik je laatste reactie reduceer tot jou standpunt schrijf je: "ik weet niet wat ik geloof".
Naar mijn mening is dat een heel andere uitspraak dan ""Ik weet niet wat ik moet geloven, dus geloof ik maar niets"
Wat is het verschil?
Het verschil is "dus".
En dat is precies het woordje waar ik jou op vastzette.
Net zoals jij mij vast zet op het woordje "dus".
Maar ik heb er helemaal geen probleem mee om toe te geven dat ik een onlogisch discours ten berde breng. Ik ben een zot, een dwaas.
Beste Kweetal,
"Ik weet niet wat ik moet geloven, dus geloof ik maar niets"
Geloof je dat?
In de logica kan deze vraag alleen met een "ja" of een "nee" beantwoord worden.
Korte zinnen voorwaar.