zaterdag 14 januari 2012

Oskar Kokoschka

Ik...
Ik lig...
Ik lieg...
Ik vlieg...


                                                     
Karl Kraus


                                                       
Oskar Kokoschka



Alice in wordenland




vrijdag 13 januari 2012

Karl Kraus

"Ich bin der Vogel  den sein Nest beschmutzt."

Logica, ik kan het niet laten:
http://www.dewereldmorgen.be/blogs/thomasvanderelst/2012/01/12/durf-zwenken-over-schuinsfilosofeerders-en-dwarsdenkers

Nog ééntje die het niet kan laten:
http://banneling.wordpress.com/2012/01/04/pullologie-vanologie-verplichte-vakken-voor-wie-solliciteert-bij-mark-zark/
“Subjectieve mening en objectieve waarheid
verhouden zich als werkelijkheid en droom.”

Essay van het jaar. (In januari! Commercieel gezien is dat geen verstandige zet.)
Een vreemde vogel toch, die Eric Rosseel.
Zolang hij me niet poogt te verleiden om in de afgrond te kijken lees ik hem graag.

http://www.maximen.nl/auteur/kraus
Dit vond ik een hele mooie:
"Een van de meest verspreide ziekten is de diagnose. "

Logica.
Schuinsfilosoferen.
Iedereen doet het.
Weinigen geloven dat ze het doen.

woensdag 11 januari 2012

Bobby Fisher

http://www.etiennevermeersch.be/artikels/wetenschappen/etienne-vermeersch-over-pseudowetenschappen
http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2011/12/30/wetenschapsfilosofie-en-rechtschapenheid

Beste Etienne,

Mag ik u Etienne noemen?
Ik ben Johan, ik ben een zot.
Dat zeg ik vooraf om u een beetje op uw gemak te stellen.
Geen stress aan uw lijf, dat is toch belangrijk voor een mens van respectabele leeftijd.

Ik vermoed dat u bij het lezen van de vorige zinnen al een zweem van irritatie hebt moeten onderdrukken. Die licht ironische toon, dat ruikt naar "ad hominem". Irritatie is een allergische reactie.
Maar "is" het ironisch?
Ironie (uit het Grieks: εἰρωνεία (eirooneia) = geveinsde onwetendheid) is een stijlfiguur waarbij dat wat klaarblijkelijk gezegd wordt, afwijkt van dat wat bedoeld wordt.
http://nl.wikipedia.org/wiki/Ironie
Weet u wat er bedoeld wordt?
Ik kan u verzekeren (ik weet wat er bedoeld wordt) dat het geen ironie is.

Met grote aandacht heb ik van op afstand de discussie over wetenschap gevolgd.
" In verband met intellectuele discussies veronderstelt zoiets dat men de relevante teksten van de opponent gelezen heeft en dat men duidelijk maakt waarmee men het oneens is, en waarom."
Tegen beter weten in - een zot in een intellectuele discussie, dat is om problemen vragen -, wens ik hier op in te gaan.

De relevante tekst van de opponent, die heb ik gelezen.
"Wij noemen 'pseudowetenschappen', die verzamelingen van beweringen die a priori zo onwaarschijnlijk lijken, dat materiaal van die aard nodig is vooraleer men er geloof aan kan hechten."
Dat is de relevante tekst van de opponent.

Ik ben het daar niet mee eens.
Waarom niet?
Zin in een spelletje schaak?

Gelooft u in de klassieke logica?
Is het onderscheid WAAR-NIET WAAR het wezenlijke onderdeel van de logica?
Gelooft u dat de ene mening beter is dan de andere?
Gelooft u in de "ALS... DAN..." constructie?
Is pseudo-wetenschap het tegenovergestelde van wetenschap?
Is pseudo-wetenschap waar?
Is wetenschap die verzameling van beweringen die 'a priori' zo waarschijnlijk lijken dat er geen materiaal van die aard nodig is vooraleer men er geloof aan kan hechten?
Geloof me, als ik mij een doel voor ogen heb gesteld kan ik een verschrikkelijk irritante pitbull zijn. Ik zal u altijd weer naar één van die hoeken drijven. Op eenvoudig verzoek kan ik u mijn referenties geven.
Niet doen, dat spelletje schaak, u gaat er stress van krijgen.
En bovendien doet u mij er een plezier mee, ik speel namelijk helemaal niet graag schaak.

Beste Etienne,
Mag ik u Etienne noemen?
Denkt u ook niet dat in deze aanspreking de essentie van ons denken vervat ligt?

P.S.
Hans Ree vroeg Fischer hoe hij tegen God zou spelen. Hij antwoordde: "Met zwart zou ik geen schijn van kans tegen Hem maken, maar met wit speel ik gewoon Spaans. Dat is zo'n uitgebalanceerde opening. Dan maakt Hij me niets. Maar misschien speelt Hij wel Siciliaans. Dan speel ik toch de variant met loper c4. Daarmee moet ik remise kunnen maken."
Een zot speelt AL-TIJD met zwart en biedt AL-TIJD remise aan.

the game:
http://forum.skepp.be/viewtopic.php?f=7&t=2906

zaterdag 7 januari 2012

Joël De Ceulaer

Ik hou me niet meer bezig met dualiteit.
Er is geen dualiteit.
Niet dat ik me tot de mystiek bekeerd heb.
Neen, ook in de mystiek creëert men een dualiteit.

"The problem with assumptions is that we believe they are truth."

Een stelling waar ik mij perfect in kan vinden.
Het is een uitspraak van Don Ruiz Miguel.
En wat blijkt?
'After exploring the human mind from a Toltec as well as scientific perspective, Don Miguel has combined old wisdom with modern insights and created a new message for all mankind, based in truth and common sense.'
Het is één of andere sjamaan leraar.
http://www.miguelruiz.com/index.php
Alleen de veronderstellingen die anderen maken zijn problematisch, niet deze die we zelf maken.
Dat is mystiek.
Dat is ook logica trouwens.
Er is de stelling, of de suggestie of de opinie.
Dat is natuurlijk niet de waarheid, neen de waarheid bestaat niet.
De stelling of de suggestie of de opinie is een constructie, een bouwsel.
En de constructie wordt onderbouwd met argumenten, proposities en premissen. Als het maar gewichtig klinkt, gewicht is een belangrijke factor bij een bouwsel. Het nodige gewicht zorgt er voor dat het bouwsel niet weggeblazen wordt.
Na al het bouwen is de ene stelling of suggestie of opinie beter dan de andere.
"Argument", "propositie", "premisse", het zijn allemaal synoniemen van "het kan waar zijn", het is potentieel waar.
Na al het bouwen is de ene stelling of suggestie of opinie potentieel beter dan de andere.
Want die andere veronderstellingen zijn problematisch, niet deze die we zelf maken.
Logica is mystiek met een omweg.
Er is geen dualiteit.
Maar af en toe is de verleiding te groot....

 http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=VT3KJ7UC

Kijk mama, zonder inhoud!

In zijn kerstessay voor deze krant betreurde Marc Reugebrink het dat schrijvers niet meer in het centrum van het maatschappelijk debat staan, zoals vroeger. Uit het vorige week weer opflakkerende verlangen naar een boekenprogramma op Canvas spreekt dezelfde heimwee naar het tijdperk van de volksverheffing. Maar kúnnen schrijvers dat wel, het volk verheffen?
Intellectueel Vlaanderen mag de champagne alvast koud zetten, want een van hun vroomste wensen gaat weldra in vervulling. Mark Coenen had het eerder al beloofd en heeft het vorige week nog eens bevestigd in een interview met De Morgen: er komt weer een boekenprogramma op Canvas. Een boeiend boekenprogramma zelfs, maakt de netmanager zich sterk. 'We gaan daar zeker iets voor ontwikkelen, en het mag voor mijn part lachen met boeken zijn', zei hij. 'Je mag alleen geen gesprekken doen met auteurs die reclame komen maken voor hun nieuwe boek. Je moet mensen goesting geven om te lezen.'

Daarmee komt de Canvasbaas tenminste een beetje tegemoet aan het ongenoegen dat al jaren knaagt bij Vlaamse schrijvers en uitgevers: sinds Koning Kijkcijfer regeert bij de openbare omroep, worden programma's zoals Wie schrijft die blijft niet meer gemaakt, zelfs niet voor de meerwaardezoeker, zelfs niet in de late uurtjes. Als het nog geen honderdduizend kijkers haalt, zo luidt de redenering, is het onverantwoord om er belastinggeld in te pompen.

Daar valt iets voor te zeggen. De openbare omroep maakt evenmin gespecialiseerde programma's voor vinkenzetters, kaatsfanaten of bloemschikinstructrices, nochtans ook drie doelgroepen met hun eigen verzuchtingen en hun eigen plek in deze samenleving. Al heeft de literator natuurlijk wel het voordeel dat hij aan volksverheffing doet.

Toch is dat voor de sector niet het belangrijkste argument. Als Coenen zegt dat hij méér wil dan een programma als reclameplatform voor auteurs die een boek te verkopen hebben, raakt hij een gevoelige zenuw: om die propaganda is het schrijvers en uitgevers immers te doen. Daar maken ze ook geen geheim van: een boekenprogramma, klinkt het geregeld, kan boeken doen verkopen, kan de boekenmarkt aanzwengelen. Volksverheffing? Mja. Maar toch vooral: volksomzet, volkswinst, volksgeld.

En dat is vreemd. Als er moet worden gefulmineerd tegen de markt, tegen de winst, tegen dat vermaledijde neoliberalisme, dan staan schrijvers altijd op de eerste rij. Laatst deed Marc Reugebrink het nog, in zijn kerstessay in deze krant. De markt, schreef hij, heeft zelfs de letteren gekaapt: 'Literatuur maakt hoogstens nog deel uit van marktgedreven amusementsindustrie en is alleen van belang voor zover men binnen die industrie bereid is haar amusant te vinden.' Reugebrink heeft heimwee naar de tijd dat literatuur nog een rol speelde bij 'de totstandkoming van de politieke en culturele synthese binnen een samenleving', naar de tijd dat literatuur nog 'een humaniseringsmedium' was. 'Een schrijver kan bijna alles zeggen wat hij wil', schreef hij. 'Er is alleen niemand meer die er nog naar luistert.'

Luister naar Reugebrink, want hij heeft gelijk. De schrijver bevindt zich niet langer in het centrum van het maatschappelijke debat. De vraag luidt nu: is dat erg? Het korte antwoord: nee.

Het zesde zintuig

Laten wij eerst een mogelijk misverstand de nek omwringen: er is niets mis met literatuur. Wel zeer integendeel: leve de schone letteren en haar immer sympathieke vervaardigers! Alleen berust zowel het verlangen naar een boekenprogramma op Canvas als dat heimwee van Marc Reugebrink óók op een misverstand. Het misverstand dat schrijvers een soort visionaire lieden zijn, die over een bevoorrechte kennis van de werkelijkheid beschikken.

Dat denken veel mensen dus. Soms denken die schrijvers dat zélf. Dat zij hun volk kunnen gidsen en leiden en verheffen. Dat zij zich mede in het centrum van het maatschappelijk debat moeten bevinden. En elke week op de kijkpijp (copyright: Jeroen Brouwers) moeten verschijnen in een boekenprogramma. Omdat ze ons kunnen waarschuwen voor de gebreken van onze tijd, voor de dreigingen van morgen. Omdat ze gevoeliger zijn, omdat ze dieper en verder zien dan ons, gewone stervelingen. Omdat ze een zesde zintuig hebben voor wat echt belangrijk is. Welnu, ook dat misverstand moet dringend de nek worden omgewrongen.

Ja, soms verheffen schrijvers hun volk. De geschiedenis leert ons dat ze er vaak staan als het erop aankomt: Vaclav Havel, Ken Saro-Wiwa, Aleksandr Solzjenitsyn, de namen zijn talrijk. Maar hún daden hebben meer met moed te maken dan met inzicht. En wie niet in een dictatuur leeft of anderszins wordt verknecht, heeft geen moed nodig. In onze knusse en vrije consumptiemaatschappij tekeergaan tegen het neoliberalisme, is niet bepaald een heldendaad. En het getuigt niet noodzakelijk van een diep inzicht in de werkelijkheid. Soms dreigt dat verzet tegen de markt zelfs een oppervlakkig cliché te worden - een schrijver die de marktwerking vurig verdedigt, dáár zouden wij nog eens van opkijken.

Nee, als wij hunkeren naar een dieper inzicht in de werkelijkheid, naar de waarheid over deze wereld, dan is de schrijver wel de laatste medemens bij wie wij moeten aankloppen. En als we dat toch doen, zal hij vriendelijk opendoen en zeggen: 'De waarheid bestaat niet.' Nog zo'n dooddoener waar men nauwelijks voor moet hebben doorgeleerd.

Boeken lezen, dat moet men wél doen om de wereld te leren doorgronden. Uiteraard. Maar of dat literatuur moet zijn? De kunst kan de wereld niet doorgronden, laat staan redden. De kunst is daar niet voor gemaakt. De kunst doet iets met het onzegbare, dat wel. Een beetje zoals religie dat doet. Kunst helpt ons omgaan met het mysterie van het bestaan, met de steken en de stoten van het lot. Fictie kan emoties fiksen.

Maar inzicht? Daarvoor moeten wij ons wenden tot de non-fictie, tot de wetenschap. Wetenschap maakt het complexe eenvoudig. Kunst maakt het eenvoudige complex. Madame Bovary en Anna Karenina zijn twee totaal verschillende romans, maar qua ondergrondse verklaring snel samengevat: getormenteerde vrouw pleegt eerst overspel en daarna zelfmoord.

In de kunst primeert de vorm, in de kennis primeert de inhoud.

De twee culturen

Het zal u al opgevallen zijn dat wij geen namen noemen. Dat hoeft ook helemaal niet. Dit stuk gaat niet over deze of gene schrijver, dit stuk gaat zelfs niet in de eerste plaats over schrijvers, maar over de literaire cultuur, over het soort van intellectuelen dat zich vooral laat voorstaan op fanatiek museumbezoek en literaire belezenheid. In dat universum doet men niet in de eerste plaats aan kennisvergaring. Men pronkt er soms zelfs met onwetendheid.

Een prachtige anekdote die ons werd verteld door de Nederlandse natuurkundige Robbert Dijkgraaf: de Nederlandse minister van Onderwijs opende ooit de Nationale Wetenschapsweek met een speech waarin ze toegaf dat wiskunde nooit haar sterke punt was geweest, en dat ze voor wetenschappen meestal zelfs gezakt was - niemand die zich eraan stoorde, aan die speech. Stel u voor, zei Dijkgraaf, dat een minister de Nationale Literatuurweek zou openen met een speech waarin hij toegeeft dat spelling nooit zijn sterke punt is geweest, en dat hij eigenlijk helemaal niet zo graag leest - 's lands intellectuelen zouden met hun verontwaardiging geen blijf weten. In Vlaanderen weet Joke Schauvliege daarvan mee te spreken.

Over die kloof tussen de veeleer literaire en de veeleer wetenschappelijk georiënteerde intellectuelen heeft een Britse schrijver-wetenschapper, wijlen C.P. Snow, in 1959 een legendarische lezing gegeven met als titel: 'The two cultures'. In grote trekken is een van de centrale klachten van Snow vandaag nog altijd geldig: literaire intellectuelen zijn doorgaans te slecht geïnformeerd om het maatschappelijk debat te mogen domineren. Omdat ze onvoldoende inzicht hebben in wetenschap, markt en industrie is hun blik op de wereld te troebel om ons op een ordentelijke en onderbouwde manier naar de toekomst te gidsen.

De leukste tip uit 'The two cultures' is genoegzaam bekend: vraag eens op een literair feestje wie de tweede wet van de thermodynamica kan uitleggen. Een loden stilte zal uw deel zijn. Terwijl die vraag zowat het wetenschappelijke equivalent is van de vraag of iemand ooit iets heeft gelezen van ene William Shakespeare.

Snow hield zijn lezing precies honderd jaar na de publicatie van On the origin of species. Hij had evengoed Darwin kunnen vergelijken met Shakespeare. Wie mens en wereld echt wil leren doorgronden, verdiept zich beter in de evolutietheorie dan in Hamlet of Macbeth. Wijlen José Saramago, de Portugese Nobelprijswinnaar voor de Literatuur, bekende ooit in een interview dat één groot mysterie voor hem altijd onopgehelderd zou blijven: waarom mensen toch zo wreed kunnen zijn voor mekaar. Het is tragisch dat Saramago daar zo mee worstelde. Wie die vraag stelt aan de eerste de beste bioloog, krijgt in vijf minuten tijd een helder antwoord.

Wetenschappers of wetenschapsfilosofen, zo hoort men weleens beweren, denken veel te snel dat wetenschap zaligmakend is, dat alleen de wetenschap de waarheid in pacht heeft - en wie dat denkt, lijdt aan sciëntisme. Misschien moet men er in artistieke kringen ook eens rekening mee houden dat een te eenzijdig vertrouwen in de kunst al even ongezond is - wie dat heeft, lijdt aan, hoe zullen we dat eens noemen, artritis. Intellectuele artritis.

Dus ja, waarom niet: kome er een boekenprogramma op Canvas! Maar als het volk moet verheven of de waarheid moet gezocht worden, dan niet alleen aandacht voor literatuur, maar graag ook voor boeken met inhoud. (Teken hier zelf uw knipoog-smiley.)

Kijk mama, zonder inhoud!

In een reactie op het kerstessay voor de krant betreurde Joël De Ceulaer het dat wetenschappers niet meer in het centrum van het maatschappelijk debat staan, zoals vroeger. Uit het vorige week weer opflakkerende verlangen naar een wetenschap programma op Canvas spreekt dezelfde heimwee naar het tijdperk van de volksverheffing. Maar kúnnen wetenschappers dat wel, het volk verheffen?
Intellectueel Vlaanderen mag de champagne alvast koud zetten, want een van hun vroomste wensen gaat weldra in vervulling. Mark Coenen had het eerder al beloofd en heeft het vorige week nog eens bevestigd in een interview met De Morgen: er komt weer een wetenschap programma op Canvas. Een boeiend wetenschappelijk programma zelfs, maakt de netmanager zich sterk. 'We gaan daar zeker iets voor ontwikkelen, en het mag voor mijn part lachen met wetenschap zijn', zei hij. 'Je mag alleen geen gesprekken doen met wetenschappers die reclame komen maken voor hun nieuwe onderzoek. Je moet mensen goesting geven om te leren.'

Daarmee komt de Canvasbaas tenminste een beetje tegemoet aan het ongenoegen dat al jaren knaagt bij Vlaamse wetenschappers: sinds Koning Kijkcijfer regeert bij de openbare omroep, worden programma's zoals Hoe? Zo! niet meer gemaakt, zelfs niet voor de meerwaardezoeker, zelfs niet in de late uurtjes. Als het nog geen honderdduizend kijkers haalt, zo luidt de redenering, is het onverantwoord om er belastinggeld in te pompen.

Daar valt iets voor te zeggen. De openbare omroep maakt evenmin gespecialiseerde programma's voor vinkenzetters, kaatsfanaten of bloemschikinstructrices, nochtans ook drie doelgroepen met hun eigen verzuchtingen en hun eigen plek in deze samenleving. Al heeft de wetenschapper natuurlijk wel het voordeel dat hij aan volksverheffing doet.

Toch is dat voor de sector niet het belangrijkste argument. Als Coenen zegt dat hij méér wil dan een programma als reclameplatform voor wetenschappers die een onderzoek te promoten hebben, raakt hij een gevoelige zenuw: om die propaganda is het de wetenschappers immers te doen. Daar maken ze ook geen geheim van: een wetenschap programma, klinkt het geregeld, kan onderzoeken stimuleren, kan de beurzen aanzwengelen. Volksverheffing? Mja. Maar toch vooral: volksomzet, volkswinst, volksgeld.

En dat is vreemd. Als er moet worden gefulmineerd tegen de markt, tegen de winst, tegen dat vermaledijde neoliberalisme, dan staan wetenschappers altijd op de eerste rij. Laatst deed Joël De Ceulaer het nog, in een reactie op het kerstessay in deze krant. De markt, schreef hij, heeft zelfs de wetenschap gekaapt: 'Wetenschap maakt hoogstens nog deel uit van marktgedreven industrie en is alleen van belang voor zover men binnen die industrie bereid is haar rendabel te vinden.' De Ceulaer heeft heimwee naar de tijd dat wetenschap nog een rol speelde bij 'de totstandkoming van de politieke en culturele synthese binnen een samenleving', naar de tijd dat wetenschap nog 'een humaniseringsmedium' was. 'Een wetenschapper kan bijna alles zeggen wat hij wil', schreef hij. 'Er is alleen niemand meer die er nog naar luistert.'

Luister naar De Ceulaer, want hij heeft gelijk. De wetenschapper bevindt zich niet langer in het centrum van het maatschappelijke debat. De vraag luidt nu: is dat erg? Het korte antwoord: nee.

Het zesde zintuig

Laten wij eerst een mogelijk misverstand de nek omwringen: er is niets mis met wetenschap. Wel zeer integendeel: leve de wetenschap en haar immer sympathieke vervaardigers! Alleen berust zowel het verlangen naar een wetenschap programma op Canvas als dat heimwee van Joël De Ceulaer óók op een misverstand. Het misverstand dat wetenschappers een soort visionaire lieden zijn, die over een bevoorrechte kennis van de werkelijkheid beschikken.

Dat denken veel mensen dus. Soms denken die wetenschappers dat zélf. Dat zij hun volk kunnen gidsen en leiden en verheffen. Dat zij zich mede in het centrum van het maatschappelijk debat moeten bevinden. En elke week op de kijkbuis (copyright: Hans Lippershey) moeten verschijnen in een wetenschap programma. Omdat ze ons kunnen waarschuwen voor de gebreken van onze tijd, voor de dreigingen van morgen. Omdat ze gevoeliger zijn, omdat ze dieper en verder zien dan ons, gewone stervelingen. Omdat ze een zesde zintuig hebben voor wat echt belangrijk is. Welnu, ook dat misverstand moet dringend de nek worden omgewrongen.

Ja, soms verheffen wetenschappers hun volk. De geschiedenis leert ons dat ze er vaak staan als het erop aankomt: Albert Einstein, Richard Feynman, Kurt Gödel, de namen zijn talrijk. Maar hún daden hebben meer met moed te maken dan met inzicht. En wie niet in een dictatuur leeft of anderszins wordt verknecht, heeft geen moed nodig. In onze knusse en vrije consumptiemaatschappij tekeergaan tegen het neoliberalisme, is niet bepaald een heldendaad. En het getuigt niet noodzakelijk van een diep inzicht in de werkelijkheid. Soms dreigt dat verzet tegen de markt zelfs een oppervlakkig cliché te worden - een wetenschapper die de marktwerking vurig verdedigt, dáár zouden wij nog eens van opkijken.

Nee, als wij hunkeren naar een dieper inzicht in de werkelijkheid, naar de waarheid over deze wereld, dan is de wetenschapper wel de laatste medemens bij wie wij moeten aankloppen. En als we dat toch doen, zal hij vriendelijk opendoen en zeggen: 'De waarheid bestaat niet.' Nog zo'n dooddoener waar men nauwelijks voor moet hebben doorgeleerd.

Boeken lezen, dat moet men wél doen om de wereld te leren doorgronden. Uiteraard. Maar of dat wetenschappelijke literatuur moet zijn? De wetenschap kan de wereld niet doorgronden, laat staan redden. De wetenschap is daar niet voor gemaakt. De wetenschap doet iets met het zegbare, dat wel. Een beetje zoals recht dat doet. Wetenschap helpt ons omgaan met de afspraken van het bestaan, met de dagelijkse beslomeringen van wie nu eerst de straat mag oversteken. Wetenschap kan verstand rationaliseren.

Maar inzicht? Daarvoor moeten wij ons wenden tot de fictie, tot de literatuur. Literatuur maakt het complexe eenvoudig. Wetenschap maakt het eenvoudige complex. Relativiteitstheorie en de onvolledigheidsstellingen zijn twee totaal verschillende wetenschappelijke werken, maar qua ondergrondse verklaring snel samengevat: alles is relatief.
In de wetenschap primeert de vorm, in de literatuur primeert de inhoud.

De twee culturen

Het zal u al opgevallen zijn dat wij geen namen noemen. Dat hoeft ook helemaal niet. Dit stuk gaat niet over deze of gene wetenschapper, dit stuk gaat zelfs niet in de eerste plaats over wetenschappers, maar over de wetenschappelijke cultuur, over het soort van intellectuelen dat zich vooral laat voorstaan op fanatieke waarneming en wetenschappelijke belezenheid. In dat universum doet men niet in de eerste plaats aan onderzoek. Men pronkt er soms zelfs met de waarheid.

Een prachtige anekdote die ons werd verteld door de Nederlandse schrijver Jan Terlouw: de Nederlandse minister van cultuur opende ooit de Nationale dansweek met een speech waarin hij toegaf dat moderne dans nooit zijn sterke punt was geweest, en dat hij voor dans meestal zelfs gezakt was - niemand die zich eraan stoorde, aan die speech. Stel u voor, zei Terlouw, dat een minister de Nationale Wetenschapsweek zou openen met een speech waarin hij toegeeft dat tellen nooit zijn sterke punt is geweest, en dat hij eigenlijk helemaal niet zo graag weet - 's lands intellectuelen zouden met hun verontwaardiging geen blijf weten. In Vlaanderen weet Marcel Colla daarvan mee te spreken.

Over die kloof tussen de veeleer literaire en de veeleer wetenschappelijk georiënteerde intellectuelen heeft een Britse schrijver-wetenschapper, wijlen C.P. Snow, in 1959 een legendarische lezing gegeven met als titel: 'The two cultures'. In grote trekken is een van de centrale klachten van Snow vandaag nog altijd geldig: wetenschappelijke intellectuelen zijn doorgaans te slecht geïnformeerd om het maatschappelijk debat te mogen domineren. Omdat ze onvoldoende inzicht hebben in literatuur, filosofie en kunst is hun blik op de wereld te troebel om ons op een ordentelijke en onderbouwde manier naar de toekomst te gidsen.

De leukste tip uit 'The two cultures' is genoegzaam bekend: vraag eens op een wetenschappelijk feestje wie de zin "To be or not to be, that's the question" kan uitleggen. Een loden stilte zal uw deel zijn. Terwijl die vraag zowat het filosofisch equivalent is van de vraag "Hoeveel is één plus één".

Snow hield zijn lezing precies honderd jaar na de publicatie van On the origin of species. Hij had evengoed Shakespeare kunnen vergelijken met Darwin. Wie mens en wereld echt wil leren doorgronden, verdiept zich beter in Hamlet of Macbeth dan in de evolutietheorie. Wijlen John Nash, de Amerikaanse Nobelprijswinnaar voor de Economie, bekende ooit in een interview dat één groot mysterie voor hem altijd onopgehelderd zou blijven: waarom mensen toch kunnen samenleven. Het is tragisch dat Nash daar zo mee worstelde. Wie die vraag stelt aan de eerste de beste schrijver, krijgt in vijf minuten tijd een helder antwoord.

Schrijvers, zo hoort men weleens beweren, denken veel te snel dat literatuur zaligmakend is, dat alleen de literatuur de waarheid in pacht heeft - en wie dat denkt, lijdt aan liturgisme. Misschien moet men er in wetenschappelijke kringen ook eens rekening mee houden dat een te eenzijdig vertrouwen in de wetenschap al even ongezond is - wie dat heeft, lijdt aan, hoe zullen we dat eens noemen, artritis. Intellectuele artritis.

Dus ja, waarom niet: kome er een wetenschap programma op Canvas! Maar als het volk moet verheven of de waarheid moet gezocht worden, dan niet alleen aandacht voor wetenschap, maar graag ook voor boeken met inhoud. (Teken hier zelf uw definitie van "inhoud".)




Richard Dawkins

Twee wetenschappelijke stellingen:
Stelling 1: Evolutie is eindeloze vooruitgang
Stelling 2: Hersenen beginnen al te verslijten vanf 45 jaar.

Welke stelling gelooft u?
P.S. Niet dat ik u wil beïnvloeden, maar gewoon een wist-je-dat-je, dat maakt het geheel toch altijd wat luchtiger: Wist je dat Richard Dawkins dit jaar 71 wordt. Hip-hip-hip, hoera.



vrijdag 6 januari 2012

April Wheeler

FRANK: Maybe we are running. We're running from the hopeless emptiness of the whole life here, right?
JOHN: The hopeless emptiness? Now you've said it. Plenty of people are on to the emptiness, but it takes real guts to see the hopelessness.
APRIL: You know, he's the first person who seemed to know what we were talking about.
FRANK: That's true. Maybe we are just as crazy as he is.
APRIL: If being crazy means living life as if it matters, then I don't care if we are completely insane. Do you?

Uit de film "revolutionary road" naar de gelijknamige roman van Richard Yates.

Hoop ligt in de zotheid omdat het onmogelijk in de zekerheid kan liggen.
Hoop is de onzekere verwachting dat een bepaalde gewenste gebeurtenis zal plaatsvinden.
http://nl.wikipedia.org/wiki/Hoop
Als hoop de onzekere verwachting is, dan is er met de zekerheid geen hoop meer.

P.S. "Hopeless" wordt hier gebruikt in de betekenis van "endless".
Er is geen hoop dat de leegheid ooit iets anders zal zijn dan leegheid (dan zou het geen leegheid meer zijn). De leegheid is eindeloos.

donderdag 5 januari 2012

Edvard Munch

Verboden te verbieden?


05/01/12, 06u54
Jean Paul Van Bendegem reageert op de wildgroei aan verbodsbepalingen. Van Bendegem is als hoogleraar logica en wetenschapsfilosofie verbonden aan de Vrije Universiteit Brussel.
  • Wie meer kennis heeft, wordt vaker voor meer keuzes wordt geplaatst. Om een kras voorbeeld te geven: een middeleeuwer zal nooit wakker gelegen hebben des nachts, piekerend over de vraag of een abonnement bij Telenet nu echt wel voordeliger is dan eentje bij Belgacom. Wij hebben die keuzes wel en we moeten kiezen
Het is, gegeven mijn leeftijd, immens verleidelijk om deze column te openen met de gevleugelde mei '68-woorden: "Verboden te verbieden!". Maar ik zal het niet doen, want ondertussen hebben we allemaal met vallen en opstaan geleerd dat zoveel vrijheid ook best een overdaad kan zijn en dat de boel een beetje reguleren echt geen slechte zaak hoeft te zijn. Wie reguleren zegt, zegt onvermijdelijk ook verbieden (naast andere dingen natuurlijk). Het verkeersreglement is een meer dan nuttig instrument om mij als voetganger zoveel zekerheid te beloven dat ik de straat durf op te gaan. Niemand, denk ik, zal tegen het idee zelf van een verbod bezwaar aantekenen. Waar het wel om gaat, zoals gisteren in deze krant te lezen viel, is de overdrijving, de 'wildgroei': de verbodsregel(tje)s stapelen zich op. Ik zal hier niet de analyse van Toon Braeckman herhalen (DM 4/1), want daar kan ik mij probleemloos in vinden, maar wel de aandacht trekken op een aanvullend fenomeen, namelijk de merkwaardige impact van (wetenschappelijke) kennis in deze zaak.

Laat ik beginnen met de vaststelling dat wie meer kennis heeft, vaker voor meer keuzes wordt geplaatst. Om een kras voorbeeld te geven: een middeleeuwer zal nooit wakker gelegen hebben des nachts, piekerend over de vraag of een abonnement bij Telenet nu echt wel voordeliger is dan eentje bij Belgacom. Het is niet dat onze voorouder de keuze afwees, er was niet eens een keuze te maken. Wij hebben die keuzes wel en we moeten kiezen. Als je in een grootwarenhuis staat en je moet kiezen tussen twintig ontbijtgranen, dan moet je iets doen, anders ga je met lege handen naar huis (overigens ook een keuze natuurlijk).

Volgende vaststelling: diezelfde 'meerkennis' brengt met zich mee dat je die keuzes kunt verantwoorden en dus worden we ook gevraagd om dat te doen. Waarom dat ontbijtgraan en geen ander? Ik vermoed dat wie antwoordt dat het de eerste doos was die je tegenkwam bij het binnenkomen, raar zal bekeken worden, maar wie stelt dat Test-Aankoop dit merk heeft aanbevolen, die plant zijn of haar leven goed. Dus de conclusie dringt zich op: de ene verantwoording is al beter dan de andere. Dus kan er ook een beste verantwoording zijn en dan is het normaal dat iedereen zich in principe moet scharen achter die keuze. Dat is wat we vandaag vaak zien gebeuren in het geval die "meerkennis" een wetenschappelijke basis heeft. Want die kennis wordt verondersteld objectief te zijn en dus in die zin persoonsonafhankelijk. Het voorbeeld bij uitstek: medische kennis maakt duidelijk - en daar hoeft geen discussie over te bestaan - dat roken ongezond is, dus als de keuze moet gemaakt worden tussen roken en niet roken, dan kan je eigenlijk maar op één antwoord uitkomen: niet roken. Neem je toch de andere optie, dan krijg je al snel het etiket asociaal opgekleefd. Dit vertaalt zich dan in een verbodsregel en dus is er eigenlijk geen keuze meer. Zo bekeken produceert 'meerkennis' 'minderkeus'. (Waarschuwing: mijn uitspraken over wetenschap zijn zelf niet noodzakelijk objectief).

Muntstuk opgooien
De zaak eindigt hier niet, want 'meerkennis' wil zoveel mogelijk domeinen verkennen. Willen we idealiter niet alles weten? Misschien wel, maar het gevolg is dat over bijna ieder aspect van ons leven iets te zeggen valt in termen van keuzes en verantwoordingen. Dus moet het wel verbodsregel(tje)s regenen, het kan niet anders. Sla eten is gezond, dus je eet sla, maar, naarmate onze kennis verbetert over sla, is niet meer alle sla gezond, maar wel dit type sla, dus suggererend dat je de andere types best achterwege laat. Behalve natuurlijk indien het erom gaat de juiste vitamines binnen te krijgen, want voor A is die sla goed, voor B die en voor E nog een andere. (De kans is groot dat er een lezer zal reageren dat die vitamines in sla niet voorkomen, waarmee mijn punt zeker is aangetoond). 'Meerkennis' produceert 'minderkeus' waaruit de wildgroei van verbodsregel(tje)s ontstaat.

Ben ik nu aan het pleiten voor 'minderkennis'? Neen, want die garandeert in geen geval een 'meerkeus'. Dus is de vraag hoe om te gaan met die overvloed aan keuzes en de erbij horende verantwoordingen. Suggestie: als eerste stap stel ik voor sommige keuzes - ontbijtgranen bijvoorbeeld - te beslechten door een muntstuk op te gooien. Ben je al van die verantwoording verlost.
bron:

Iedereen wil er uit lijkt het wel.
Maar waar is de uitgang?
Suggestie: misschien de deur eens proberen, de deur waarlangs je bent binnen gekomen.
Is de ene suggestie al beter dan de andere?

vrijdag 30 december 2011

Kweetal


Ietsisme


De term “ietsisme” is ooit bedacht door Ronald Plasterk, toen hij nog wetenschapper was. Een ietsist zou niet geloven in God, maar wel “dat er iets is”. Voor Plasterk was dat maar een halfzachte houding. Je was gelovig, of je was het niet, maar zeggen dat er iets is, zonder aan te geven wat, dat was vlees noch vis, en je kon je op die manier aan elke positieve uitspraak onttrekken. Maar is dat wel zo erg? Ik denk dat de vraag niet is of je denkt dat er nog iets is, want je moet wel heel kortzichtig zijn om ervan uit te gaan dat de wetenschap zo onderhand wel weet hoe de wereld in elkaar steekt. Trouwens ook als je denkt dat je je leven kunt laten bepalen door niets meer dan de bijbel.
De vraag waar het in feite om gaat is: Zijn wij mensen op termijn in staat om de werkelijkheid in al zijn aspecten te doorgronden, of zijn we dat niet? Zullen we ooit in de toekomst kunnen zeggen: de wetenschap is af, we weten alles wat er te weten valt over hoe de wereld in elkaar steekt? Of zullen we ooit moeten toegeven dat we beperkte wezens zijn, die wat betreft sommige zaken maar beter kunnen zwijgen? Ik denk dat het laatste het geval is. Ik denk dat we fundamenteel vreemden zijn voor de wereld, en de wereld voor ons. We zullen altijd met verwondering blijven kijken naar wat er zich om ons heen afspeelt, en als we die verwondering ooit niet meer kunnen opbrengen betekent dat het einde van de mensheid.
Dat we niet naadloos in de natuur passen blijkt al uit de vele kunstmatige hulpmiddelen die we in de loop der tijden voor onszelf hebben geconstrueerd. We zijn afhankelijk van kleding, van zelfgebouwde huisvesting, van communicatiemedia, transportmiddelen, en energie-opwekkers als olie, kolen, gas en uranium. We hebben voor onszelf een wereld in de wereld gebouwd, een wereld die zich niet verdraagt met de natuurlijke wereld. Een wereld waarin planten en dieren maar beperkt worden toegelaten, en alleen in gedomesticeerde vorm. Onze wereld bevat zaken die je in de natuur nergens aantreft, zoals zuivere metalen, roterende mechanismen, elektrische energie en digitale gegevensverwerking. Wat dat betreft zijn we scheppers van een eigen wereld.
Maar ook intellectueel bouwen we eigen werelden. Taal, logica en wiskunde zijn menselijke bedenksels, met behulp waarvan we proberen die onbegrijpelijke wereld om ons heen een betekenis te geven, in de vorm van religie en wetenschap. We willen de wereld begrijpen, maar dat moet dan wel in onze eigen termen. Daarvoor hebben we principes, regels en theorieën bedacht. En entiteiten als goden en natuurwetten. En die kennen we dan eigenschappen toe die ze voor ons beredeneerbaar, of in ieder geval voorstelbaar moeten maken.
We zijn vreemden in onze natuurlijke omgeving. Zonder tal van hulpmiddelen voor ons denken en handelen kunnen we er ons niet handhaven. Tussen ons en de wereld staat een barrière. Voordat we ergens mee om kunnen gaan moeten we het ons eerst toe-eigenen. We moeten het in onze levenssfeer binnenhalen, ons er er een beeld van vormen, er een betekenis aan hechten, voordat we het kunnen vertrouwen. We moeten het kunnen benoemen en beschrijven. We hebben zaken als religie en wetenschap nodig om onze eigen plaats te bepalen en onze eigen weg te vinden. En om de vreemde wereld om ons heen een menselijke gezicht te geven hebben we ooit een mens-achtige schepper bedacht.
Het idee van een schepper lijkt erg voor de hand te liggen. Immers, wij maken dingen naar eigen ideeën. Waarom zouden de dingen om ons heen, die er zomaar zijn, zonder dat wij daar de hand in hebben gehad, niet ook gemaakt zijn? En waarom zou daar niet ook een bepaald idee achter zitten? Inmiddels weten we door eigen onderzoek dat baby's niet door een hogere macht in de buik van hun moeder worden geplaatst, dat onweer niet door een god wordt veroorzaakt, dat wij in feite van apen afstammen en dat de wereld 13,5 miljard jaar geleden is ontstaan in één enkel punt. Dat alles verschilt ingrijpend van de manier waarop wij onze wereld construeren. En dat maakt een schepper, die net als wij doelen stelt en plannen maakt toch wat minder voor de hand liggend. Maar dan blijven we toch zitten met die vraag: waar komt het allemaal vandaan?
Fysici hopen binnen afzienbare tijd over een theorie van alles te beschikken, een theorie die alle natuurkrachten en hun onderlinge verbanden exact beschrijft. Maar als we over die theorie beschikken, weten we dan alles? Kunnen we dan de Big Bang verklaren, en het ontstaan van het leven, en het grillige verloop van de economie? In de verste verte niet. Ook al begrijpen we alle fundamentele natuurkrachten, dan nog is de wetenschap niet af, en blijven er nog talloze zaken onduidelijk. En het is de vraag of daar ooit een einde aan komt. De wereld is zo groot en zo complex dat we haar waarschijnlijk nooit met onze geest zullen kunnen omvatten. Er blijft altijd wel 'iets' dat buiten ons bereik valt.
Zoals gezegd: een schepper met doelen en plannen is te antropocentrisch gedacht. De manier waarop wij te werk gaan verschilt radicaal van die van de natuur. En blijkbaar is het ons niet gegeven die natuur naadloos in onze termen te vertalen, noch religieus, noch wetenschappelijk. Dan is het maar het beste je eigen beperkingen accepteren en je leven daar naar in te richten. Ervan uitgaan dat er meer is dan je kunt overzien en begrijpen. En dat je leven ooit tot een einde komt, waarbij iets overgaat in niets. Ik denk dat dat de grondslag is van het ietsisme. En als Plasterk het ietsisme voor zinloos verklaart dan gelooft hij blijkbaar dat we ooit alles zullen begrijpen. Ik geloof daar niets van.
http://www.filosofieblog.nl/blog/kweetal/3268/ietsisme/

De vraag waar het in feite om gaat is: Als er iets is, waar is het dan?
In de werkelijkheid?







Walter Verdin
er is iets

Ik wil een liedje zingen zonder pijn
Een liedje met een mooi refrein
Ik wil vliegen naar een wereld
van hoe 't hier nooit zal zijn

En ik wil tuimelen van de bergen
En zweven in de dalen
Ik wil plonsen in een zee van groen gras

Er is iets hier vanbinnen
Er is iets binnenin
Alles wat ik gisteren verloren had
Dat vind ik nu terug

Ik wil me nu eens laten gaan
En met m'n handen op m'n billen slaan
Ik wil opzettelijk m'n paraplu vergeten als het regent

En op de toppen van m'n tenen staan
Ja, morgen vliegen naar de maan
Ik laat me vallen in het stro, ik heb hooikoorts

Er is iets hier vanbinnen
Er is iets binnenin
Alles wat ik gisteren verloren had
Dat vind ik nu terug
Oh ja

Café cognac
Cognac cognac
Café cognac

Noem mij nu maar een rare vent
Want wat ik doe dat ben ik niet gewend
M'n televisietoestel heb ik opgesloten in het hondekot

Ik voel me goed, 't is niet te doen
Ik geef aan iedereen een zoen
Maar er is iets hier vanbinnen en het komt eruit

Er is iets hier vanbinnen
Er is iets binnenin
Alles wat ik gisteren verloren had
Dat vind ik nu terug

Bij mezelf hier vanbinnen
Bij mezelf binnenin
Alles wat ik gisteren verloren had
Dat vind ik nu terug

Bij mezelf hier vanbinnen
Bij mezelf binnenin
Alles wat ik gisteren verloren had
Dat vind ik nu terug

Bij mezelf hier vanbinnen
Bij mezelf binnenin
Alles wat ik gisteren verloren had
Dat vind ik nu terug


De auteur van "ietsisme" is de filosoof met de nickname Kweetal.
Ik begrijp niet wat hij bedoelt.
Dat heeft eerder met mij te maken dan met hem.
Er schijnt namelijk een fout in mijn denkraam te zijn.

Denkraam



Het woord denkraam debuteerde op 7 januari 1950 in de Nederlandse taal, in aflevering 870 van verhaal 38 Tom Poes en Kwetal, de Breinbaas. Heer Bommel ontmoet Kwetal en vraagt hoe hij heet, maar Kwetal begrijpt hem verkeerd.
,,Neem me niet kwalijk!'', mompelde de oude, ,,er schijnt een fout in mijn denkraam te zijn! Ik volg u niet. Ik heb daar trouwens meer last van, van mijn denkraam bedoel ik.''
Kwetal gebruikt denkraam in de betekenis 'verstand, brein, geest', maar in de omgangstaal werd het al snel gebezigd voor 'denktrant, kader waarbinnen iemands denken zich afspeelt'. Mogelijk is het Engelse frame of mind van invloed geweest. Van Dale vermeldt denkraam sinds 1970. Het wordt nog zeer regelmatig gebruikt, vaak in combinatie met een bijvoeglijk naamwoord. Een kleine greep uit recente krantenberichten: 'het theoretisch denkraam' (van Einstein), 'het middeleeuwse denkraam', 'het astrale denkraam', 'het neogotische denkraam' en het 'religieuze denkraam'. Kortom: een volledig ingeburgerd Toonderwoord.

http://retro.nrc.nl/W2/Lab/Profiel/Bommel/begrippen.html

dinsdag 27 december 2011

Howard Beale

http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=8A3JVKIP
http://reugebrink.skynetblogs.be/archive/2011/12/24/dwaaltaal.html

Ik ben een mens godverdomme

Kerstessay De afgeschafte mens (1)








Wie is de mens nog in een samenleving die gedicteerd wordt door de 'moodswings' van Standard & Poor's? Of is dat eerder een wat-vraag geworden, in onze ontmenselijkende 'computer says no'-maatschappij, waar wie niet rendeert of in het format past ongewenst is? Dat die vragen al gesteld moeten worden, lijkt MARC REUGEBRINK te duiden op een fundamenteel gebrek aan fatsoen. Men zou voor minder uit zijn vel springen.
Weet u wat het is? Eigenlijk ben ik het zat. Meer dan zat. Mijn hele leven ben ik een trouwe krantenlezer geweest. Maar vandaag is het lezen van de krant een vorm van zelfkwelling geworden. Niet per se omdat de kranten slechter geworden zijn - al zouden we het daar ook nog eens over moeten hebben. Nee, het gaat om het nieuws zelf. Ik kan tegenwoordig de krant niet openslaan (de tv of radio niet aanzetten, het internet niet opstarten) zonder onmiddellijk in een colère te schieten.

De eindeloze, in velerlei opzichten pathetische, destructieve, om niet te zeggen politiek-suïcidale onderhandelingen over een nieuwe Belgische regering hebben natuurlijk niet geholpen om 's ochtends bij de koffie en het bladeren in de krant een vrolijk humeur te krijgen: zoveel kinderachtigheid en incompetentie bij elkaar verdraagt zelfs een kleuterjuf niet. Maar ook de simpele mededeling dat de boekenbeurs dit jaar weer een groot succes was, en in het verlengde daarvan: dat het met het boek in Vlaanderen nog zo slecht niet gaat, doet me onmiddellijk overkoken - en dat in een tijd waarin 'boek' en 'kookboek' synoniemen zijn geworden.

Ik kan al die opiniebijdragen niet meer lezen van economen die nu bakzeil halen en zeggen dat - oeps! - de markt dan toch niet zo alleenzaligmakend en zelfregulerend en vooral 'wetmatig' is als ze jaren geleden met veel aplomb beweerden. Daarmee speelden ze politici in de kaart die - oeps! - nu soms tot dezelfde conclusies komen. Meestal als ze voor de directe gevolgen van hun eigen beleid niet langer bevoegd heten te zijn en ergens in de provincie de gouverneur uithangen. Of in veel te grote, erg vervuilende auto's tussen Brussel en Straatsburg heen en weer racen. Sorry hé, maar ik wist dat tien jaar, wat zeg ik, twintig jaar geleden al. Zoals ik al sinds het rapport van de Club van Rome uit 1972 weet dat ongeremde groei uiteindelijk ontaardt in kanker.

En dan zwijg ik nog over wat een springkonijn als minister Pascal Smet bijna dagelijks aan onzinnigs en vooral desastreus verzint om het Vlaamse onderwijs nog wat verder de dieperik in te duwen. Een zich socialist noemende mediabestormer is het, die zijn wijsheid vooral haalt bij organisaties met een louter marktgedreven achtergrond als de Oeso en die het onderwijs voornamelijk beschouwt als een hypermarché waar men als shoppers precies afgebakende, op de markt toegesneden kenniselementen kan inslaan. En daarin wordt hij toegejuicht door iemand als André Oosterlinck, een man die men al jaren voor zijn pensionering ontoerekeningsvatbaar had moeten verklaren, iemand die er in zijn eentje verantwoordelijk voor is dat de K van de KU Leuven vooral de K van Kul is geworden.

Twaalf seconden

Zat ben ik het. Zo zat dat ik mezelf soms nauwelijks meer kan onderscheiden van het gajes dat dagelijks de internetsites teistert met van niets dan ressentiment en eigenbelang getuigende scheldkannonades tegen alles en iedereen. En dat is dan ook weer mijn eer te na. Datzelfde eergevoel geeft me in dat het niet juist is om persoonlijk te worden in mijn afkeer van door specifieke ministers en emeritus hoogleraren gevoerd en verdedigd beleid. Pascal Smets onzinnige voorstellen zijn slechts de uitkomst van een reeks tragische vergissingen die beleidsverantwoordelijken en de politieke families waartoe zij behoren in de afgelopen decennia hebben begaan. Zoals André Oosterlinck het product is van een mentaliteit die universiteiten in heel Europa hebben omgevormd tot leerfabrieken die hun belangrijkste taak - het voeren van onafhankelijk onderzoek in dienst van de waarheid (jazeker, de waarheid!) - hebben verkwanseld aan het bedrijfsleven. Geen enkele door een universiteit gepote aardappel is sindsdien nog onschuldig.

Ook dat maakt van het lezen van de krant 'sochtends bepaald geen sinecure: die moeizame weg terug naar de redelijkheid die ik vervolgens moet afleggen om niet ook mijzelf meteen maar af te schrijven als iemand met enkel een onderbuik en een overvloed aan gal. En daar hoort ook bij dat je je bij berichtgeving in de media, zelfs in de spreekwoordelijke kwaliteitskranten, altijd bewust moet zijn van de eisen die het medium oplegt aan de werkelijkheid die het zegt te verslaan. Die werkelijkheid is minstens ten dele het resultaat van wat de media, gedreven door hun eigen belangen, ervan hebben gemaakt. Televisie is op dat punt ongetwijfeld het allerergste: de ongeschreven 12 seconden-regel. Het is de tijd die men gemiddeld krijgt om te antwoorden op vragen van een journalist. Die reageert daar vervolgens vaak in heuse Siegfried Bracke-stijl op met: 'Ik onthoud dus dat…', en blijkt dan meestal iets onthouden te hebben wat niet werd gezegd. Ruimte voor nuancering is er bij de snelle media eigenlijk niet. En nuance kost gewoonlijk meer ruimte dan zelfs de geschreven media beschikbaar hebben.

En daar zit men dan 's ochtends boven zijn kopje koffie en zijn half verfrommelde krant, met de alweer deels ingeslikte woede en een beginnend hoofdpijntje ten gevolge van de zelfopgelegde verplichting dan toch in ieder geval persoonlijk de nuance te blijven inzetten tegen de soundbites. In gedachten bladert men door boekwerken die veel te dik en ingewikkeld zijn om ooit kans te maken uitvoerig besproken te worden in welke krant dan ook. Men haalt na enige tijd uiteindelijk zijn nutteloze gelijk in de vorm van een uiterst boeiend, bij een tweede koffietje voor zich uit gelispeld betoog over, zeg maar: 'de ideologische bepaaldheid van de als niet-ideologisch voorgestelde ruimte in een wereld waarin beeldvorming voor werkelijkheid doorgaat' - zoiets. En dan moet men nog aan zijn werkdag beginnen.

Legbatterij

Ik voel me 's ochtends soms net een Howard Beale, een personage uit de film Network (1976) van Sidney Lumet. Beroemd is de scène waarin dit doorgeslagen nieuwsanker tijdens een live-uitzending de kijkers oproept om op te staan uit hun zetel, het raam te openen en uit alle macht te roepen: 'I'm as mad as hell, and I'm not going to take this anymore'. Daar wordt massaal gehoor aan gegeven. Het levert een huiveringwekkend beeld op. Overal hangen mensen schreeuwend uit hun ramen. Woedend. Wanhopig vooral. Een bende kippen in een legbatterij, zich niet zozeer verzettend tegen iets specifieks, maar tegen alles tegelijk.

Opvallend aan Beales tirade is dat hij nadrukkelijk niet zoekt naar oplossingen of nuancering. 'Ik weet niet wat ik moet doen aan de depressie en de inflatie en de Russen en de misdaad op straat', zegt hij (1976 was de tijd van de oliecrisis, van economische recessie, hoge werkloosheid en van de Koude Oorlog). En ook: 'I don't want you to protest. I don't want you to riot - I don't want you to write to your congressman because I wouldn't know what to tell you to write. All I know,' zo stelt hij, 'is that first you've got to get mad. You've got to say, “I'm a human being, God damn it! My life has value!,'

Ik ben een mens godverdomme. Mijn leven heeft waarde. Vager kan het niet. Het is pathetisch ook. Maar het verwoordt precies wat ik 'sochtends tegen mijn krant en tegen de wereld zou willen roepen.

De scène uit 'Network' is terug te vinden opwww.standaard.be/network

http://reugebrink.skynetblogs.be

Het kerstdiner.
Daar heb ik altijd al een keer een essay willen over schrijven.
Het lijkt me het gepaste ogenblik om dat in deze periode te doen.
Over het hapje vooraf valt eigenlijk niet bijzonder veel te vertellen.
Ik vond dat lekker.
Daarmee is de essentie toch zo wat weergegeven dacht ik.
Ik begon mij al heimelijk te verheugen op een rustige eindejaarsperiode, een paar ogenblikken zonder sores aan mijn hoofd.
Maar dat was helaas buiten de waard gerekend.
Als voorgerecht was er garnalencoctail, waarop mijn moeder ten berde bracht dat de Belgische garnalen vandaag de dag naar Marokko verscheept worden om daar gepeld te worden en dan weer terug naar België komen.
Op zich is daar helemaal niets mis mee, ware het niet dat die garnalen daar onderweg nogal capsones van krijgen. Een garnaal is en blijft nu eenmaal een garnaal, ongeacht het feit of die nu gepeld of ongepeld is, laat staan of er een verschil zou zijn tussen een garnaal die gepeld is in Marokko of een garnaal die gepeld is in België.

"Wat is de relevantie van dit alles?", vraagt u zich af met recht en rede (jazeker, met recht en rede).
Het barbarisme (what's in a word) en meer bepaald het neerlandisme, dat is de relevantie.

"De lof der Zotheid."
Laat ons eens veronderstellen dat "de lof der Zotheid" een Belgische (of Nederlandse zo u wil meneer Reugebrink) garnaal is.
Die Belgische (of Nederlandse) garnaal die gaat naar de Verenigde Staten van Amerika en als die Belgische (of Nederlandse) garnaal dan terugkomt, dan is dat plots "A praise of madness".
Ik vind dat jammer.
"Madness" in de betekenis van "Zotheid" is een suggestie van oplossing.
"Madness" in de betekenis van "Boosheid" kan nooit een suggestie van oplossing zijn.
Waarom niet?
Een oplossing is een poging tot wijziging van een toestand.
"Boosheid" is alleen maar de vaststelling van de toestand. Iedereen is verongelijkt, iedereen is boos.
Niemand heeft de waarheid in pacht (welnee, de waarheid bestaat immers niet), maar we weten het allemaal wel beter.
Jazeker, daar hebben we wel degelijk argumenten voor.

zondag 25 december 2011

Patricia De Martelaere

Moet men krabben waar het jeukt?

In een van zijn beroemde korte opmerkingen stelt de filosoof Ludwig Wittgenstein de vraag, zoals zovelen voor en na hem dat deden, of de filosofie, berooide koningin der wetenschappen, in de loop der tijden enige vooruitgang heeft geboekt. Wanneer iemand krabt waar het jeukt - zo vraagt hij zich af - telt dat dan als vooruitgang? En zo niet, betekent dat dan dat het geen écht krabben was, of geen échte jeuk? En zou deze reactie op de prikkel niet een hele tijd kunnen doorgaan, totdat er een echte remedie voor het jeuken was gevonden?
Er zijn natuurlijk veel vormen van jeuk, en veel manieren om te krabben. Bij sommige vormen van jeuk is het krabben zelf de remedie, omdat de jeuk dan zonder meer meteen verdwijnt. Bij andere soorten jeuk is het krabben echter merkelijk een achteruitgang, omdat de jeuk eerst dan pas werkelijk lijkt te beginnen. Er is de vage kriebeling tussen de schouderbladen of onder de oksel, die in een verstrooide handomdraai kan worden weggewreven. Er is de uitbundige jeuk van muggebeten, die meerdere hartstochtelijke krabpartijen vergt. Er is de pijnlijke tinteling van brandnetels, die niet goed weet of ze wel om krabben vraagt. Er is de jeuk van huideczeem, van ontstekingen, van zonnebrand en van genezende wonden. Soms kan het zelfs een weldaad zijn te krabben zonder dat het jeukt, zoals de Chinezen zo goed wisten toen ze hun befaamde ruggekrabbers ontwierpen.
Maar er is meer. Bezonnen moeders manen hun kinderen steevast aan vooral niet te beginnen te krabben wanneer het jeukt. Krabben doet immers ook jeuken, waarna opnieuw, en harder, moet worden gekrabd, het jeuken opnieuw toeneemt, het krabben almaar razender wordt, het jeuken almaar indringender - tot krabben en jeuk volledig zijn verenigd in een waanzinnige wedloop tussen kwelling en genot. Van krabben houdt men bovendien zijn leven lang de littekens, terwijl de jeuk, op zich, en ongekrabd, genadevol en spoorloos kan verdwijnen.
Heeft de filosofie vooruitgang geboekt? Dat ligt eraan - zo lijkt het - voor wélk soort jeuk de filosofie het krabben is. Beschouwen we het jeuken als een situatie van existentieel onbehagen, dan ligt het voor de hand een filosofie die, al krabbend, dit onbehagen doet verdwijnen, als een vooruitgang te bestempelen tegenover een filosofie die dat niet doet. Tenzij natuurlijk het jeuken zélf al een subtiele vorm van genot zou inhouden, die liever door het krabben zou worden bestendigd dan erdoor te worden uitgeschakeld. Elk krabben dat de jeuk zonder meer doet ophouden zou dan, ofschoon wel degelijk een remedie, onmiskenbaar tegelijk ook een existentieel verlies betekenen. Filosofisch krabben brengt echter in de praktijk (misschien gelukkig maar) slechts zelden het jeuken tot bedaren - en zo het dat al doet, dan is het prompt geen filosofie meer, maar eensklaps ‘wetenschap’ geworden. Het zijn de wetenschappen, met hun antwoorden op vragen, met hun verklaringen, voorspellingen en therapieën, die bij uitstek moeten zorgen voor een jeukvrij bestaan.
Een jeukvrij bestaan kent natuurlijk talloze vormen van genot die de door jeuk geplaagde niet kan kennen. Daarom valt er wel wat te zeggen voor zekerheden, remedies en therapieën. En onze moeders hadden gelijk ons het krabben te verbieden om ons voor de jeuk te behoeden. Het is beter niet te krabben wanneer het jeukt. Het beste is dat het niet jeukt natuurlijk, of anders dat we de jeuk kunnen vergeten, dat we gewoon doen alsof het niet jeukt, net zo lang tot de jeuk ook werkelijk is verdwenen.
Filosofisch krabben is krabben dat jeuk teweegbrengt. Het begint op een onooglijk plekje, achter het oor of op de voetzool, maar het breidt zich onder het krabben uit totdat het helehoofd, de benen en het hele lichaam zijn ingenomen - tot de handen toe die zoeken te krabben waar het jeukt. Daar is niets mee gewonnen.
Het is beter niet te krabben. Maar wie nooit heeft gekrabd, op een zwoele zomernacht, nat van het zweet, uitgeput en slapeloos, met het scherp van de nagels en tot bloedens toe, hopeloos en zonder verlichting - wie nooit heeft ondervonden hoe het genot uiteindelijk toch nog een gestalte kan worden van de kwelling - die heeft misschien ook wel een kleinigheid gemist.

bron:
http://www.dbnl.org/tekst/mart003verl01_01/mart003verl01_01_0012.php