zondag 27 april 2014
Petra Blaisse
Gevangenis van Nieuwegein: Kronkelende paden om de illusie van continuïteit te creëren
Petra Blaisse.
Soms voel ik mij gevangen in een wereld die de mijne niet is.
De illusie "is" niet, de illusie is niet werkelijk.
Dat lijkt mij waterdicht.
Als de illusie wel zou zijn, dan zou het geen illusie zijn, dan zou het werkelijkheid zijn.
De illusie kan dus alleen gecreëerd worden.
Als de illusie van continuïteit gecreëerd wordt impliceert dat dat de continuïteit niet is.
De continuïteit is geen werkelijkheid.
Dat is een mooie troost voor de gevangene.
Maar het blijft de vraag of de gevangene er behoefte aan heeft dat er continuïteit, al is het dan slechts in de vorm van een illusie, zou gecreëerd worden.
Eén ding is zeker: in de gevangenis heb je tijd zat om daar over na te denken.
zaterdag 26 april 2014
De correspondent
"De correspondent" is een medicijn tegen de waan van de dag.
https://decorrespondent.nl/home
Een "dagelijks" medicijn tegen de waan van de dag.
Je moet er betalen om dingen te lezen die de waan van de dag overstijgen.
Hier lees je alleen maar de waan van de dag.
Het is gratis.
Van een omgekeerde wereld gesproken.
Bij wijze van protest gaan we daar vandaag komaf mee maken.
Over volgende fascinerende quotes moet u dus zelf maar een verhaal bedenken.
"Taal heeft niets met identiteit te maken". Siegfried Bracke.
Wat iemand (ik weet niet wie of wat, ik moet er voor betalen in "De Standard") de reaktie ontlokte:
Bracke zou Wittgenstein moeten lezen.
Dat deed mij dan weer denken aan het verhaal van Russell, Wittgenstein en het nijlpaard.
"Some of his early views made the decision difficult. He maintained, for example, at one time that all existential propositions are meaningless. This was in a lecture room, and I invited him to consider the proposition: 'There is no hippopotamus in this room at present.' When he refused to believe this, I looked under all the desks without finding one; but he remained unconvinced."
Trouwens een mooie test of u op dezelfde lijn zit als Wittgenstein.
Ik alvast wel.
"Het leven primeert op de leer". Paus Franciscus.
Of althans een uitspraak die de paus wordt toegedicht door Jurgen Mettepenningen.
"Hij spreekt een taal die intrigeert, van het hart en zegt dat het leven primeert op de leer".
Over Freya Pirijns valt ook wel een mooi verhaal te bedenken.
Een vrouw waar ik wel mee zou kunnen samenleven, niet met de schooljuf evenwel.
"Ik leef niet samen met de politicus Willem-Frederik, het is de mens die ik graag zie".
Tussen haakjes, ik ben nog één van die zwevende kiezers die nog niet weet wie mijn felbegeerde stem krijgt.
Ik zie eenvoudig geen partij die bij mij hoort.
"Groen" is het alvast niet volgens Freya.
"Ik heb voor Agalev gekozen. Omdat ik vond, en nog altijd vind, dat het een partij is die een visie heeft die verder reikt dan alleen maar het hier en het nu."
Veel succes gewenst.
Sta me toe om u nog één tip te geven.
Vergeet nooit dat het een "verhaal" is.
“Is not literature meant to speak of our being a thousand different kinds of things, at times creating even this diversity? If literature gives up this purpose, this duty, it renounces all claim to legitimacy. I am Hungarian. I am Slovene. I am Serbian. You do not need literature for sentences like that. A bureaucrat will do, and a rubber stamp. A border guard. An Army.”
Peter Esterhazy.
En omdat "één tip" aankondigen en effectief ook maar één tip geven mij net iets te logisch lijkt geef ik ook nog het volgende mee:
"Het leven (existence) is de rode draad in het leven."
woensdag 23 april 2014
Alvaro De Campos
Een heus cultuurdebat.
Jammer dat Luc Tuymans Lucebert verkeerd citeert.
"Alles van waarde is weerloos".
Misschien had hij ook geen tijd om de rest van Pessoa te lezen.
Om maar te zeggen, ik durf gewoon niet te vragen aan Luc Tuymans wat de aangehaalde citaten voor hem betekenen.
Bang van het gevoel van eenzaamheid dat me te beurt zal vallen.
Álvaro de Campos - Sigarenwinkel
Sigarenwinkel
Ik ben niets.
Ik zal nooit iets zijn.
Ik kan ook niet iets willen zijn.
Afgezien daarvan koester ik alle dromen van de wereld.
Vensters van mijn kamer,
Kamer van een der miljoenen op aarde van wie geen mens weet wie hij is
(En als ze zouden weten wie hij is, wat zouden ze dan weten?),
Ge ziet uit op het mysterie van een straat waardoor voortdurend mensen lopen,
Op een straat voor iedere gedachte ontoegankelijk,
Werkelijk, onmogelijkerwijze werkelijk, zeker, ongekenderwijze zeker,
Waar het mysterie der dingen onder de stenen en de wezens ligt,
Waar de dood vocht legt op de muren en op de mensen witte haren,
Waar het Lot de kar van alles stuurt over de weg van niets.
Ik ben vandaag verslagen, alsof ik de waarheid wist.
Ik ben vandaag lucide, alsof ik op het punt van sterven stond,
En niet meer broederschap had met de dingen
Dan een afscheid, dat dit huis en deze straatkant transformeert
In een rij treinwagons, het fluitsignaal van een vertrek
Gegeven in mijn hersens,
En een schokken van mijn zenuwen en een geknars van botten bij het rijden.
Ik ben vandaag perplex, als wie heeft nagedacht, gevonden en vergeten.
Ik ben vandaag verdeeld tussen de trouw die ik verschuldigd ben
Aan de Sigarenwinkel aan de overkant, als uiterlijke werkelijkheid,
En de gewaarwording dat alles droom is, innerlijke werkelijkheid.
Ik heb gefaald in alles.
Daar ik nooit één plan gemaakt heb, was alles misschien niets.
De wijze lessen die men mij gegeven heeft,
Heb ik verlaten door het achterraam.
Ik ging het land op vol van grote plannen.
Maar daar vond ik alleen gras en bomen,
En als er mensen waren, waren die net als de anderen.
Ik ga weg van het raam af, ga zitten in een stoel. Waar zal ik eens aan denken?
Wat weet ik van wat ik zal zijn, ik die niet weet wat ik ben?
Zijn wat ik denk te zijn? Maar ik denk zo veel te zijn!
En er zijn zo velen die denken hetzelfde te zijn dat er nooit zo velen kunnen zijn!
Genie? Op dit moment
Wanen honderdduizend breinen zich in droom genie als ik,
En de geschiedenis zal er, wie weet?, niet één vermelden,
En nets anders zal resten dan mest van hun toekomstige veroveringen.
Nee, ik geloof niet in mijzelf.
In alle gekkenhuizen zijn volslagen idioten vol van zekerheden!
Ik, die geen zekerheid heb, ben ik onzekerder of zekerder?
Nee, zelfs niet in mijzelf ...
In hoeveel zolderkamers en niet-zolderkamers op de wereld
Zitten niet op dit moment genieën-voor-zichzelf te dromen?
Hoeveel verheven, nobele, lucide aspiraties -
Ja, waarlijk verheven, nobel en lucide -,
En wie weet realiseerbaar,
Zullen nooit het werkelijke zonlicht zien noch oren om te horen vinden?
De wereld is voor wie geboren wordt haar te veroveren
En niet voor hem die droomt dat hij haar kan veroveren, ook al heeft hij gelijk.
Ik heb meer gedroomd dan Napoleon heeft verricht.
Ik heb aan mijn veronderstelde hart meer mensdommen gedrukt dan Christus,
Ik heb filosofieën in 't geheim ontwikkeld die geen Kant geschreven heeft.
Maar ik ben, en zal wel altijd zijn, die van de zolderkamer,
Ook al woon ik daarin niet;
Ik zal altijd zijn degeen die daarvoor niet geboren was;
Ik zal altijd enkel zijn degeen die zo begaafd was;
Ik zal altijd degene zijn die hoopte dat men hem de deur zou opendoen voor een muur zonder deur,
En die het lied van het Oneindige zong in een kippenren,
En de stem Gods hoorde in een gedempte put.
Geloven in mijzelf? Nee, noch in wat dan ook.
Laat de Natuur over mijn koortsig hoofd
Haar zon uitstorten en haar regen, de wind die mijn haren weet te vinden,
En laat de rest maar komen als het komt, of komen moet, of anders komt het niet.
Hartlijdende slaven van de sterren,
Hebben wij de wereld al veroverd vóór uit ons bed te komen;
Maar we ontwaken en ze is ondoorzichtig,
We staan op en zij is vreemd,
We gaan het huis uit en ze is de hele aarde,
Plus het zonnestelsel en de Melkweg en het Onbegrensde.
(Eet die chocolaatjes, kleine meid; Eet op!
Heus, er is op de wereld niet meer metafysica dan chocolaatjes.
Heus, alle religie samen leert ons niet meer dan snoepgoed.
Eet op, mormel, eet op!
Kon ik maar chocolaatjes eten met dezelfde authenticiteit waarmee jij eet!
Ik echter denk, en als ik het zilverpapier eraf haal, dat van tin is,
Gooi ik alles op de grond, zoals ik ook mijn leven heb vergooid.)
Maar althans blijft van de bitterheid om wat ik nooit zal zijn
Het vlugge handschrift dezer verzen,
In puin gevallen poort tot het Onmogelijke.
Maar althans draag ik mijzelf verachting zonder tranen toe,
Nobel tenminste in het waardige gebaar waarmee ik
Zonder waslijst in der dingen loop de vuile was werp die ik ben,
En thuisblijf zonder hemd.
(Gij die vertroost, die niet bestaat en daarom troost vertroost,
Hetzij Griekse godin, gedacht als standbeeld maar dan levend,
Of Romeins patriciërsvrouw, ondenkbaar nobel en noodlottig,
Of prinses der troubadours, gracieus in kleurige gewaden,
Of markiezin uit de achttiende eeuw, gedecolleteerd, gedistancieerd,
Of beroemde cocotte uit de tijd van onze vaders,
Of iets moderns - hoewel ik niet zou weten wát-,
Dat alles, wat het zij, wat gij ook zijt, als het kan inspireren, dat het inspirere!
Mijn hart is een leeggegooide emmer.
Zoals zij die geesten oproepen geesten oproepen roep ik
Mijzelf op en vind niets.
Ik ga voor het raam staan en ik zie de straat met absolute duidelijkheid.
Ik zie de winkels, ik zie de trottoirs, ik zie de auto's die voorbijgaan,
Ik zie de levende en aangeklede wezens die elkaar passeren;
Ik zie de honden die, ook zij, bestaan,
En dit alles deprimeert me als een vonnis tot verbanning,
En dit alles is vreemd, als alles.)
Ik heb geleefd, heb gestudeerd, heb liefgehad en zelfs geloofd,
En thans is er geen bedelaar die ik niet benijd alleen omdat hij mij niet is.
Ik zie van elk de lompen en de wonden en de leugens,
En ik denk: je hebt misschien nooit gestudeerd, geleefd, geloofd of liefgehad
(Want dit alles kunnen we in werkelijkheid doen zonder het echt te doen);
Je hebt misschien alleen bestaan, zoals een hagedis met afgeknipte staart
En die op kronkelende wijze staart is zonder hagedis.
Ik ben geworden wat ik niet kon zijn,
En wat ik zijn kon ben ik niet geworden.
De domino die ik aantrok was de verkeerde.
Men herkende mij meteen als de persoon die ik niet was en ik ontkende niet, en was verloren.
Toen ik het masker wilde afdoen,
Zat het vast aan mijn gezicht.
Toen ik het afdeed en mij in de spiegel zag,
Was ik reeds oud geworden.
Ik was dronken, kon de domino niet aan die ik niet uitgetrokken had.
Ik wierp het masker weg en ik ging slapen in de vestiaire
Als een hond die wordt getolereerd door de directie
Omdat hij ongevaarlijk is
En ik schrijf deze verhaal om te bewijzen hoe subliem ik ben.
Muzikale kern van mijn onnutte verzen,
Kon ik u slechts zien als iets wat ik zelf maakte,
In plaats van als maar tegenover de Sigarenwinkel tegenover mij te zitten,
Met voeten het bewustzijn tredend te bestaan,
Gelijk een vloerkleed waar een dronkaard over struikelt
Of een deurmat die, gestolen door zigeuners, bleek niets waard te zijn.
Maar de Sigarenhandelaar is in de deur gekomen en hij blijft daar staan.
Ik bezie hem met het onbehagen van het half gedraaide hoofd
En met het onbehagen van de ziel die half begrijpt.
Hij zal sterven en ik zal sterven.
Hij zal zijn uithangbord nalaten, ik zal poëzie nalaten.
Te zijner tijd zal ook het uithangbord vergaan, en ook de poëzie.
Later zal de straat vergaan waar het uithangbord gehangen heeft,
En ook de taal waarin de poëzie geschreven was.
Nog later zal de tollende planeet vergaan waarop dit alles plaatsvond.
Op andere satellieten van andere stelsels zal zo iets als mensen
Voortgaan zoiets als poëzie te maken en te leven onder zoiets als uithangborden,
Steeds het een tegenover het ander,
Steeds het een zo zinloos als het ander,
Steeds het onmogelijke zo stompzinnig als het werkelijke,
Steeds het mysterie van de diepte even zeker als de slaap van mysterie aan het oppervlak,
Steeds dit of steeds iets anders of anders noch het een noch het ander.
Maar een man is de Sigarenwinkel ingegaan (om sigaren te kopen?)
En eensklaps overvalt mij de plausibele realiteit.
Ik kom half overeind, vol energie en overtuiging, als een mens,
En ga proberen dit gedicht te schrijven waarin ik het tegendeel beweer.
Ik steek een sigaret op, denkend aan het schrijven
En in de sigaret proef ik bevrijding van alle gedachten.
Ik volg de rook gelijk een eigen weg,
En in een passend en gevoelvol ogenblik geniet ik
De bevrijding van alle bespiegelingen
En het besef dat metafysica een gevolg van zich niet lekker voelen is.
Dan ga ik achterover liggen in mijn stoel
En ik ga door met roken.
Zolang het Lot het mij vergunt, zal ik doorgaan met roken.
(Wanneer ik met de dochter van mijn wasvrouw trouwde
Was ik misschien gelukkig.)
Dit begrepen hebbend, sta ik uit mijn stoel op. Ik ga naar het raam.
De man is de Sigarenwinkel uitgekomen (kleingeld in zijn broekzak stekend?).
O, ik ken hem; het is Steven zonder metafysica.
(De Baas van de Sigarenwinkel is in de deur gaan staan.)
Als gedreven door een goddelijk instinct draaide Steven zich om en zag mij.
Hij zwaaide naar me, en ik riep Dag, Steven!, en het universum
Kreeg voor mij zijn vorm weer zonder hoop noch ideaal, en de Baas van de Sigarenwinkel
glimlachte.
Fernando Pessoa via zijn heteroniem Álvaro de Campos, 15-1-1928
Vertaling August Willemsen
Tabacaria
Não sou nada.
Nunca serei nada.
Não posso querer ser nada.
À parte isso, tenho em mim todos os sonhos do mundo.
Janelas do meu quarto,
Do meu quarto de um dos milhões do mundo que ninguém sabe quem é
(E se soubessem quem é, o que saberiam?),
Dais para o mistério de uma rua cruzada constantemente por gente,
Para uma rua inacessível a todos os pensamentos,
Real, impossivelmente real, certa, desconhecidamente certa,
Com o mistério das coisas por baixo das pedras e dos seres,
Com a morte a pôr humidade nas paredes e cabelos brancos nos homens,
Com o Destino a conduzir a carroça de tudo pela estrada de nada.
Estou hoje vencido, como se soubesse a verdade.
Estou hoje lúcido, como se estivesse para morrer,
E não tivesse mais irmandade com as coisas
Senão uma despedida, tornando-se esta casa e este lado da rua
A fileira de carruagens de um comboio, e uma partida apitada
De dentro da minha cabeça,
E uma sacudidela dos meus nervos e um ranger de ossos na ida.
Estou hoje perplexo, como quem pensou e achou e esqueceu.
Estou hoje dividido entre a lealdade que devo
À Tabacaria do outro lado da rua, como coisa real por fora,
E à sensação de que tudo é sonho, como coisa real por dentro.
Falhei em tudo.
Como não fiz propósito nenhum, talvez tudo fosse nada.
A aprendizagem que me deram,
Desci dela pela janela das traseiras da casa.
Fui até ao campo com grandes propósitos.
Mas lá encontrei só ervas e árvores,
E quando havia gente era igual à outra.
Saio da janela, sento-me numa cadeira. Em que hei-de pensar?
Que sei eu do que serei, eu que não sei o que sou?
Ser o que penso? Mas penso ser tanta coisa!
E há tantos que pensam ser a mesma coisa que não pode haver tantos!
Génio? Neste momento
Cem mil cérebros se concebem em sonho génios como eu,
E a história não marcará, quem sabe?, nem um,
Nem haverá senão estrume de tantas conquistas futuras.
Não, não creio em mim.
Em todos os manicómios há doidos malucos com tantas certezas!
Eu, que não tenho nenhuma certeza, sou mais certo ou menos certo?
Não, nem em mim...
Em quantas mansardas e não-mansardas do mundo
Não estão nesta hora génios-para-si-mesmos sonhando?
Quantas aspirações altas e nobres e lúcidas -
Sim, verdadeiramente altas e nobres e lúcidas -,
E quem sabe se realizáveis,
Nunca verão a luz do sol real nem acharão ouvidos de gente?
O mundo é para quem nasce para o conquistar
E não para quem sonha que pode conquistá-lo, ainda que tenha razão.
Tenho sonhado mais que o que Napoleão fez.
Tenho apertado ao peito hipotético mais humanidades do que Cristo,
Tenho feito filosofias em segredo que nenhum Kant escreveu.
Mas sou, e talvez serei sempre, o da mansarda,
Ainda que não more nela;
Serei sempre o que não nasceu para isso;
Serei sempre só o que tinha qualidades;
Serei sempre o que esperou que lhe abrissem a porta ao pé de uma parede sem porta,
E cantou a cantiga do Infinito numa capoeira,
E ouviu a voz de Deus num poço tapado.
Crer em mim? Não, nem em nada.
Derrame-me a Natureza sobre a cabeça ardente
O seu sol, a sua chuva, o vento que me acha o cabelo,
E o resto que venha se vier, ou tiver que vir, ou não venha.
Escravos cardíacos das estrelas,
Conquistámos todo o mundo antes de nos levantar da cama;
Mas acordamos e ele é opaco,
Levantámo-nos e ele é alheio,
Saímos de casa e ele é a terra inteira,
Mais o sistema solar e a Via Láctea e o Indefinido.
(Come chocolates, pequena;
Come chocolates!
Olha que não há mais metafísica no mundo senão chocolates.
Olha que as religiões todas não ensinam mais que a confeitaria.
Come, pequena suja, come!
Pudesse eu comer chocolates com a mesma verdade com que comes!
Mas eu penso e, ao tirar o papel de prata, que é de folha de estanho,
Deito tudo para o chão, como tenho deitado a vida.)
Mas ao menos fica da amargura do que nunca serei
A caligrafia rápida destes versos,
Pórtico partido para o Impossível.
Mas ao menos consagro a mim mesmo um desprezo sem lágrimas,
Nobre ao menos no gesto largo com que atiro
A roupa suja que sou, em rol, pra o decurso das coisas,
E fico em casa sem camisa.
(Tu que consolas, que não existes e por isso consolas,
Ou deusa grega, concebida como estátua que fosse viva,
Ou patrícia romana, impossivelmente nobre e nefasta,
Ou princesa de trovadores, gentilíssima e colorida,
Ou marquesa do século dezoito, decotada e longínqua,
Ou cocote célebre do tempo dos nossos pais,
Ou não sei quê moderno - não concebo bem o quê -
Tudo isso, seja o que for, que sejas, se pode inspirar que inspire!
Meu coração é um balde despejado.
Como os que invocam espíritos invocam espíritos invoco
A mim mesmo e não encontro nada.
Chego à janela e vejo a rua com uma nitidez absoluta.
Vejo as lojas, vejo os passeios, vejo os carros que passam,
Vejo os entes vivos vestidos que se cruzam,
Vejo os cães que também existem,
E tudo isto me pesa como uma condenação ao degredo,
E tudo isto é estrangeiro, como tudo.)
Vivi, estudei, amei e até cri,
E hoje não há mendigo que eu não inveje só por não ser eu.
Olho a cada um os andrajos e as chagas e a mentira,
E penso: talvez nunca vivesses nem estudasses nem amasses nem cresses
(Porque é possível fazer a realidade de tudo isso sem fazer nada disso);
Talvez tenhas existido apenas, como um lagarto a quem cortam o rabo
E que é rabo para aquém do lagarto remexidamente
Fiz de mim o que não soube
E o que podia fazer de mim não o fiz.
O dominó que vesti era errado.
Conheceram-me logo por quem não era e não desmenti, e perdi-me.
Quando quis tirar a máscara,
Estava pegada à cara.
Quando a tirei e me vi ao espelho,
Já tinha envelhecido.
Estava bêbado, já não sabia vestir o dominó que não tinha tirado.
Deitei fora a máscara e dormi no vestiário
Como um cão tolerado pela gerência
Por ser inofensivo
E vou escrever esta história para provar que sou sublime.
Essência musical dos meus versos inúteis,
Quem me dera encontrar-me como coisa que eu fizesse,
E não ficasse sempre defronte da Tabacaria de defronte,
Calcando aos pés a consciência de estar existindo,
Como um tapete em que um bêbado tropeça
Ou um capacho que os ciganos roubaram e não valia nada.
Mas o Dono da Tabacaria chegou à porta e ficou à porta.
Olho-o com o desconforto da cabeça mal voltada
E com o desconforto da alma mal-entendendo.
Ele morrerá e eu morrerei.
Ele deixará a tabuleta, eu deixarei os versos.
A certa altura morrerá a tabuleta também, os versos também.
Depois de certa altura morrerá a rua onde esteve a tabuleta,
E a língua em que foram escritos os versos.
Morrerá depois o planeta girante em que tudo isto se deu.
Em outros satélites de outros sistemas qualquer coisa como gente
Continuará fazendo coisas como versos e vivendo por baixo de coisas como tabuletas,
Sempre uma coisa defronte da outra,
Sempre uma coisa tão inútil como a outra,
Sempre o impossível tão estúpido como o real,
Sempre o mistério do fundo tão certo como o sono de mistério da superfície,
Sempre isto ou sempre outra coisa ou nem uma coisa nem outra.
Mas um homem entrou na Tabacaria (para comprar tabaco?)
E a realidade plausível caí de repente em cima de mim.
Semiergo-me enérgico, convencido, humano,
E vou tencionar escrever estes versos em que digo o contrário.
Acendo um cigarro ao pensar em escrevê-los
E saboreio no cigarro a libertação de todos os pensamentos.
Sigo o fumo como uma rota própria,
E gozo, num momento sensitivo e competente,
A libertação de todas as especulações
E a consciência de que a metafísica é uma consequência de estar mal disposto.
Depois deito-me para trás na cadeira
E continuo fumando.
Enquanto o Destino mo conceder, continuarei fumando.
(Se eu casasse com a filha da minha lavadeira
Talvez fosse feliz.)
Visto isto, levanto-me da cadeira. Vou à janela.
O homem saiu da Tabacaria (metendo troco na algibeira das calças?).
Ah, conheço-o; é o Esteves sem metafísica.
(O Dono da Tabacaria chegou à porta.)
Como por um instinto divino o Esteves voltou-se e viu-me.
Acenou-me adeus, gritei-lhe Adeus ó Esteves!, e o universo
Reconstruiu-se-me sem ideal nem esperança, e o Dono da Tabacaria sorriu.
Álvaro de Campos, 15-1-1928
Ik ben niets.
Ik zal nooit iets zijn.
Ik kan ook niet iets willen zijn.
Afgezien daarvan koester ik alle dromen van de wereld.
Vensters van mijn kamer,
Kamer van een der miljoenen op aarde van wie geen mens weet wie hij is
(En als ze zouden weten wie hij is, wat zouden ze dan weten?),
Ge ziet uit op het mysterie van een straat waardoor voortdurend mensen lopen,
Op een straat voor iedere gedachte ontoegankelijk,
Werkelijk, onmogelijkerwijze werkelijk, zeker, ongekenderwijze zeker,
Waar het mysterie der dingen onder de stenen en de wezens ligt,
Waar de dood vocht legt op de muren en op de mensen witte haren,
Waar het Lot de kar van alles stuurt over de weg van niets.
Ik ben vandaag verslagen, alsof ik de waarheid wist.
Ik ben vandaag lucide, alsof ik op het punt van sterven stond,
En niet meer broederschap had met de dingen
Dan een afscheid, dat dit huis en deze straatkant transformeert
In een rij treinwagons, het fluitsignaal van een vertrek
Gegeven in mijn hersens,
En een schokken van mijn zenuwen en een geknars van botten bij het rijden.
Ik ben vandaag perplex, als wie heeft nagedacht, gevonden en vergeten.
Ik ben vandaag verdeeld tussen de trouw die ik verschuldigd ben
Aan de Sigarenwinkel aan de overkant, als uiterlijke werkelijkheid,
En de gewaarwording dat alles droom is, innerlijke werkelijkheid.
Ik heb gefaald in alles.
Daar ik nooit één plan gemaakt heb, was alles misschien niets.
De wijze lessen die men mij gegeven heeft,
Heb ik verlaten door het achterraam.
Ik ging het land op vol van grote plannen.
Maar daar vond ik alleen gras en bomen,
En als er mensen waren, waren die net als de anderen.
Ik ga weg van het raam af, ga zitten in een stoel. Waar zal ik eens aan denken?
Wat weet ik van wat ik zal zijn, ik die niet weet wat ik ben?
Zijn wat ik denk te zijn? Maar ik denk zo veel te zijn!
En er zijn zo velen die denken hetzelfde te zijn dat er nooit zo velen kunnen zijn!
Genie? Op dit moment
Wanen honderdduizend breinen zich in droom genie als ik,
En de geschiedenis zal er, wie weet?, niet één vermelden,
En nets anders zal resten dan mest van hun toekomstige veroveringen.
Nee, ik geloof niet in mijzelf.
In alle gekkenhuizen zijn volslagen idioten vol van zekerheden!
Ik, die geen zekerheid heb, ben ik onzekerder of zekerder?
Nee, zelfs niet in mijzelf ...
In hoeveel zolderkamers en niet-zolderkamers op de wereld
Zitten niet op dit moment genieën-voor-zichzelf te dromen?
Hoeveel verheven, nobele, lucide aspiraties -
Ja, waarlijk verheven, nobel en lucide -,
En wie weet realiseerbaar,
Zullen nooit het werkelijke zonlicht zien noch oren om te horen vinden?
De wereld is voor wie geboren wordt haar te veroveren
En niet voor hem die droomt dat hij haar kan veroveren, ook al heeft hij gelijk.
Ik heb meer gedroomd dan Napoleon heeft verricht.
Ik heb aan mijn veronderstelde hart meer mensdommen gedrukt dan Christus,
Ik heb filosofieën in 't geheim ontwikkeld die geen Kant geschreven heeft.
Maar ik ben, en zal wel altijd zijn, die van de zolderkamer,
Ook al woon ik daarin niet;
Ik zal altijd zijn degeen die daarvoor niet geboren was;
Ik zal altijd enkel zijn degeen die zo begaafd was;
Ik zal altijd degene zijn die hoopte dat men hem de deur zou opendoen voor een muur zonder deur,
En die het lied van het Oneindige zong in een kippenren,
En de stem Gods hoorde in een gedempte put.
Geloven in mijzelf? Nee, noch in wat dan ook.
Laat de Natuur over mijn koortsig hoofd
Haar zon uitstorten en haar regen, de wind die mijn haren weet te vinden,
En laat de rest maar komen als het komt, of komen moet, of anders komt het niet.
Hartlijdende slaven van de sterren,
Hebben wij de wereld al veroverd vóór uit ons bed te komen;
Maar we ontwaken en ze is ondoorzichtig,
We staan op en zij is vreemd,
We gaan het huis uit en ze is de hele aarde,
Plus het zonnestelsel en de Melkweg en het Onbegrensde.
(Eet die chocolaatjes, kleine meid; Eet op!
Heus, er is op de wereld niet meer metafysica dan chocolaatjes.
Heus, alle religie samen leert ons niet meer dan snoepgoed.
Eet op, mormel, eet op!
Kon ik maar chocolaatjes eten met dezelfde authenticiteit waarmee jij eet!
Ik echter denk, en als ik het zilverpapier eraf haal, dat van tin is,
Gooi ik alles op de grond, zoals ik ook mijn leven heb vergooid.)
Maar althans blijft van de bitterheid om wat ik nooit zal zijn
Het vlugge handschrift dezer verzen,
In puin gevallen poort tot het Onmogelijke.
Maar althans draag ik mijzelf verachting zonder tranen toe,
Nobel tenminste in het waardige gebaar waarmee ik
Zonder waslijst in der dingen loop de vuile was werp die ik ben,
En thuisblijf zonder hemd.
(Gij die vertroost, die niet bestaat en daarom troost vertroost,
Hetzij Griekse godin, gedacht als standbeeld maar dan levend,
Of Romeins patriciërsvrouw, ondenkbaar nobel en noodlottig,
Of prinses der troubadours, gracieus in kleurige gewaden,
Of markiezin uit de achttiende eeuw, gedecolleteerd, gedistancieerd,
Of beroemde cocotte uit de tijd van onze vaders,
Of iets moderns - hoewel ik niet zou weten wát-,
Dat alles, wat het zij, wat gij ook zijt, als het kan inspireren, dat het inspirere!
Mijn hart is een leeggegooide emmer.
Zoals zij die geesten oproepen geesten oproepen roep ik
Mijzelf op en vind niets.
Ik ga voor het raam staan en ik zie de straat met absolute duidelijkheid.
Ik zie de winkels, ik zie de trottoirs, ik zie de auto's die voorbijgaan,
Ik zie de levende en aangeklede wezens die elkaar passeren;
Ik zie de honden die, ook zij, bestaan,
En dit alles deprimeert me als een vonnis tot verbanning,
En dit alles is vreemd, als alles.)
Ik heb geleefd, heb gestudeerd, heb liefgehad en zelfs geloofd,
En thans is er geen bedelaar die ik niet benijd alleen omdat hij mij niet is.
Ik zie van elk de lompen en de wonden en de leugens,
En ik denk: je hebt misschien nooit gestudeerd, geleefd, geloofd of liefgehad
(Want dit alles kunnen we in werkelijkheid doen zonder het echt te doen);
Je hebt misschien alleen bestaan, zoals een hagedis met afgeknipte staart
En die op kronkelende wijze staart is zonder hagedis.
Ik ben geworden wat ik niet kon zijn,
En wat ik zijn kon ben ik niet geworden.
De domino die ik aantrok was de verkeerde.
Men herkende mij meteen als de persoon die ik niet was en ik ontkende niet, en was verloren.
Toen ik het masker wilde afdoen,
Zat het vast aan mijn gezicht.
Toen ik het afdeed en mij in de spiegel zag,
Was ik reeds oud geworden.
Ik was dronken, kon de domino niet aan die ik niet uitgetrokken had.
Ik wierp het masker weg en ik ging slapen in de vestiaire
Als een hond die wordt getolereerd door de directie
Omdat hij ongevaarlijk is
En ik schrijf deze verhaal om te bewijzen hoe subliem ik ben.
Muzikale kern van mijn onnutte verzen,
Kon ik u slechts zien als iets wat ik zelf maakte,
In plaats van als maar tegenover de Sigarenwinkel tegenover mij te zitten,
Met voeten het bewustzijn tredend te bestaan,
Gelijk een vloerkleed waar een dronkaard over struikelt
Of een deurmat die, gestolen door zigeuners, bleek niets waard te zijn.
Maar de Sigarenhandelaar is in de deur gekomen en hij blijft daar staan.
Ik bezie hem met het onbehagen van het half gedraaide hoofd
En met het onbehagen van de ziel die half begrijpt.
Hij zal sterven en ik zal sterven.
Hij zal zijn uithangbord nalaten, ik zal poëzie nalaten.
Te zijner tijd zal ook het uithangbord vergaan, en ook de poëzie.
Later zal de straat vergaan waar het uithangbord gehangen heeft,
En ook de taal waarin de poëzie geschreven was.
Nog later zal de tollende planeet vergaan waarop dit alles plaatsvond.
Op andere satellieten van andere stelsels zal zo iets als mensen
Voortgaan zoiets als poëzie te maken en te leven onder zoiets als uithangborden,
Steeds het een tegenover het ander,
Steeds het een zo zinloos als het ander,
Steeds het onmogelijke zo stompzinnig als het werkelijke,
Steeds het mysterie van de diepte even zeker als de slaap van mysterie aan het oppervlak,
Steeds dit of steeds iets anders of anders noch het een noch het ander.
Maar een man is de Sigarenwinkel ingegaan (om sigaren te kopen?)
En eensklaps overvalt mij de plausibele realiteit.
Ik kom half overeind, vol energie en overtuiging, als een mens,
En ga proberen dit gedicht te schrijven waarin ik het tegendeel beweer.
Ik steek een sigaret op, denkend aan het schrijven
En in de sigaret proef ik bevrijding van alle gedachten.
Ik volg de rook gelijk een eigen weg,
En in een passend en gevoelvol ogenblik geniet ik
De bevrijding van alle bespiegelingen
En het besef dat metafysica een gevolg van zich niet lekker voelen is.
Dan ga ik achterover liggen in mijn stoel
En ik ga door met roken.
Zolang het Lot het mij vergunt, zal ik doorgaan met roken.
(Wanneer ik met de dochter van mijn wasvrouw trouwde
Was ik misschien gelukkig.)
Dit begrepen hebbend, sta ik uit mijn stoel op. Ik ga naar het raam.
De man is de Sigarenwinkel uitgekomen (kleingeld in zijn broekzak stekend?).
O, ik ken hem; het is Steven zonder metafysica.
(De Baas van de Sigarenwinkel is in de deur gaan staan.)
Als gedreven door een goddelijk instinct draaide Steven zich om en zag mij.
Hij zwaaide naar me, en ik riep Dag, Steven!, en het universum
Kreeg voor mij zijn vorm weer zonder hoop noch ideaal, en de Baas van de Sigarenwinkel
glimlachte.
Fernando Pessoa via zijn heteroniem Álvaro de Campos, 15-1-1928
Vertaling August Willemsen
Tabacaria
Não sou nada.
Nunca serei nada.
Não posso querer ser nada.
À parte isso, tenho em mim todos os sonhos do mundo.
Janelas do meu quarto,
Do meu quarto de um dos milhões do mundo que ninguém sabe quem é
(E se soubessem quem é, o que saberiam?),
Dais para o mistério de uma rua cruzada constantemente por gente,
Para uma rua inacessível a todos os pensamentos,
Real, impossivelmente real, certa, desconhecidamente certa,
Com o mistério das coisas por baixo das pedras e dos seres,
Com a morte a pôr humidade nas paredes e cabelos brancos nos homens,
Com o Destino a conduzir a carroça de tudo pela estrada de nada.
Estou hoje vencido, como se soubesse a verdade.
Estou hoje lúcido, como se estivesse para morrer,
E não tivesse mais irmandade com as coisas
Senão uma despedida, tornando-se esta casa e este lado da rua
A fileira de carruagens de um comboio, e uma partida apitada
De dentro da minha cabeça,
E uma sacudidela dos meus nervos e um ranger de ossos na ida.
Estou hoje perplexo, como quem pensou e achou e esqueceu.
Estou hoje dividido entre a lealdade que devo
À Tabacaria do outro lado da rua, como coisa real por fora,
E à sensação de que tudo é sonho, como coisa real por dentro.
Falhei em tudo.
Como não fiz propósito nenhum, talvez tudo fosse nada.
A aprendizagem que me deram,
Desci dela pela janela das traseiras da casa.
Fui até ao campo com grandes propósitos.
Mas lá encontrei só ervas e árvores,
E quando havia gente era igual à outra.
Saio da janela, sento-me numa cadeira. Em que hei-de pensar?
Que sei eu do que serei, eu que não sei o que sou?
Ser o que penso? Mas penso ser tanta coisa!
E há tantos que pensam ser a mesma coisa que não pode haver tantos!
Génio? Neste momento
Cem mil cérebros se concebem em sonho génios como eu,
E a história não marcará, quem sabe?, nem um,
Nem haverá senão estrume de tantas conquistas futuras.
Não, não creio em mim.
Em todos os manicómios há doidos malucos com tantas certezas!
Eu, que não tenho nenhuma certeza, sou mais certo ou menos certo?
Não, nem em mim...
Em quantas mansardas e não-mansardas do mundo
Não estão nesta hora génios-para-si-mesmos sonhando?
Quantas aspirações altas e nobres e lúcidas -
Sim, verdadeiramente altas e nobres e lúcidas -,
E quem sabe se realizáveis,
Nunca verão a luz do sol real nem acharão ouvidos de gente?
O mundo é para quem nasce para o conquistar
E não para quem sonha que pode conquistá-lo, ainda que tenha razão.
Tenho sonhado mais que o que Napoleão fez.
Tenho apertado ao peito hipotético mais humanidades do que Cristo,
Tenho feito filosofias em segredo que nenhum Kant escreveu.
Mas sou, e talvez serei sempre, o da mansarda,
Ainda que não more nela;
Serei sempre o que não nasceu para isso;
Serei sempre só o que tinha qualidades;
Serei sempre o que esperou que lhe abrissem a porta ao pé de uma parede sem porta,
E cantou a cantiga do Infinito numa capoeira,
E ouviu a voz de Deus num poço tapado.
Crer em mim? Não, nem em nada.
Derrame-me a Natureza sobre a cabeça ardente
O seu sol, a sua chuva, o vento que me acha o cabelo,
E o resto que venha se vier, ou tiver que vir, ou não venha.
Escravos cardíacos das estrelas,
Conquistámos todo o mundo antes de nos levantar da cama;
Mas acordamos e ele é opaco,
Levantámo-nos e ele é alheio,
Saímos de casa e ele é a terra inteira,
Mais o sistema solar e a Via Láctea e o Indefinido.
(Come chocolates, pequena;
Come chocolates!
Olha que não há mais metafísica no mundo senão chocolates.
Olha que as religiões todas não ensinam mais que a confeitaria.
Come, pequena suja, come!
Pudesse eu comer chocolates com a mesma verdade com que comes!
Mas eu penso e, ao tirar o papel de prata, que é de folha de estanho,
Deito tudo para o chão, como tenho deitado a vida.)
Mas ao menos fica da amargura do que nunca serei
A caligrafia rápida destes versos,
Pórtico partido para o Impossível.
Mas ao menos consagro a mim mesmo um desprezo sem lágrimas,
Nobre ao menos no gesto largo com que atiro
A roupa suja que sou, em rol, pra o decurso das coisas,
E fico em casa sem camisa.
(Tu que consolas, que não existes e por isso consolas,
Ou deusa grega, concebida como estátua que fosse viva,
Ou patrícia romana, impossivelmente nobre e nefasta,
Ou princesa de trovadores, gentilíssima e colorida,
Ou marquesa do século dezoito, decotada e longínqua,
Ou cocote célebre do tempo dos nossos pais,
Ou não sei quê moderno - não concebo bem o quê -
Tudo isso, seja o que for, que sejas, se pode inspirar que inspire!
Meu coração é um balde despejado.
Como os que invocam espíritos invocam espíritos invoco
A mim mesmo e não encontro nada.
Chego à janela e vejo a rua com uma nitidez absoluta.
Vejo as lojas, vejo os passeios, vejo os carros que passam,
Vejo os entes vivos vestidos que se cruzam,
Vejo os cães que também existem,
E tudo isto me pesa como uma condenação ao degredo,
E tudo isto é estrangeiro, como tudo.)
Vivi, estudei, amei e até cri,
E hoje não há mendigo que eu não inveje só por não ser eu.
Olho a cada um os andrajos e as chagas e a mentira,
E penso: talvez nunca vivesses nem estudasses nem amasses nem cresses
(Porque é possível fazer a realidade de tudo isso sem fazer nada disso);
Talvez tenhas existido apenas, como um lagarto a quem cortam o rabo
E que é rabo para aquém do lagarto remexidamente
Fiz de mim o que não soube
E o que podia fazer de mim não o fiz.
O dominó que vesti era errado.
Conheceram-me logo por quem não era e não desmenti, e perdi-me.
Quando quis tirar a máscara,
Estava pegada à cara.
Quando a tirei e me vi ao espelho,
Já tinha envelhecido.
Estava bêbado, já não sabia vestir o dominó que não tinha tirado.
Deitei fora a máscara e dormi no vestiário
Como um cão tolerado pela gerência
Por ser inofensivo
E vou escrever esta história para provar que sou sublime.
Essência musical dos meus versos inúteis,
Quem me dera encontrar-me como coisa que eu fizesse,
E não ficasse sempre defronte da Tabacaria de defronte,
Calcando aos pés a consciência de estar existindo,
Como um tapete em que um bêbado tropeça
Ou um capacho que os ciganos roubaram e não valia nada.
Mas o Dono da Tabacaria chegou à porta e ficou à porta.
Olho-o com o desconforto da cabeça mal voltada
E com o desconforto da alma mal-entendendo.
Ele morrerá e eu morrerei.
Ele deixará a tabuleta, eu deixarei os versos.
A certa altura morrerá a tabuleta também, os versos também.
Depois de certa altura morrerá a rua onde esteve a tabuleta,
E a língua em que foram escritos os versos.
Morrerá depois o planeta girante em que tudo isto se deu.
Em outros satélites de outros sistemas qualquer coisa como gente
Continuará fazendo coisas como versos e vivendo por baixo de coisas como tabuletas,
Sempre uma coisa defronte da outra,
Sempre uma coisa tão inútil como a outra,
Sempre o impossível tão estúpido como o real,
Sempre o mistério do fundo tão certo como o sono de mistério da superfície,
Sempre isto ou sempre outra coisa ou nem uma coisa nem outra.
Mas um homem entrou na Tabacaria (para comprar tabaco?)
E a realidade plausível caí de repente em cima de mim.
Semiergo-me enérgico, convencido, humano,
E vou tencionar escrever estes versos em que digo o contrário.
Acendo um cigarro ao pensar em escrevê-los
E saboreio no cigarro a libertação de todos os pensamentos.
Sigo o fumo como uma rota própria,
E gozo, num momento sensitivo e competente,
A libertação de todas as especulações
E a consciência de que a metafísica é uma consequência de estar mal disposto.
Depois deito-me para trás na cadeira
E continuo fumando.
Enquanto o Destino mo conceder, continuarei fumando.
(Se eu casasse com a filha da minha lavadeira
Talvez fosse feliz.)
Visto isto, levanto-me da cadeira. Vou à janela.
O homem saiu da Tabacaria (metendo troco na algibeira das calças?).
Ah, conheço-o; é o Esteves sem metafísica.
(O Dono da Tabacaria chegou à porta.)
Como por um instinto divino o Esteves voltou-se e viu-me.
Acenou-me adeus, gritei-lhe Adeus ó Esteves!, e o universo
Reconstruiu-se-me sem ideal nem esperança, e o Dono da Tabacaria sorriu.
Álvaro de Campos, 15-1-1928
gepikt van deze site: http://portugese-poezie.blogspot.be/2010/12/alvaro-de-campos-sigarenwinkel.html
zaterdag 5 april 2014
Henri Bergson
Het boek "Le rire, essai sur la signification du comique" begint als volgt:
Que signifie le
rire ? Qu’y a-t-il au fond du risible ? Que trouverait-on de commun
entre une grimace de pitre, un jeu de mots, un quiproquo de vaudeville, une
scène de fine comédie ? Quelle distillation nous donnera l’essence, toujours
la même, à laquelle tant de produits divers empruntent ou leur indiscrète odeur
ou leur parfum délicat ? Les plus grands penseurs, depuis Aristote, se
sont attaqués à ce petit problème, qui toujours se dérobe sous l’effort,
glisse, s’échappe, se redresse, impertinent défi jeté à la spéculation
philosophique.
Precies op dat punt zou ik stoppen met mijn essay.
Wat kan er meer gezegd worden over het leven dan dat het leeft?
Van zodra er iets "vast" gelegd wordt kan het niet meer bewegen, kan het niet meer leven.
Laat het leven.
Erg grappig:
Karel De Gucht schrijft een opinie over identiteit.
http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/Opinie/article/detail/1842307/2014/04/05/Nogal-wat-mensen-gaan-in-Vlaanderen-te-verkrampt-en-zelfs-foutief-om-met-hun-identiteit.dhtml
"Mensen verdienen het niet om door een collectieve bril te worden bekeken".
Dat zou een mooi einde zijn.
Helaas, Karel De Gucht leidt aan het Bergson syndroom.
"We kunnen onszelf perfect besturen, en de instellingen als nodig hervormen, zonder van onze identiteit een splijtzwam te maken."
Dat is het einde van zijn betoog.
"Mensen verdienen het niet om door een collectieve bril te worden bekeken. We kunnen onszelf perfect besturen, en de instellingen als nodig hervormen, zonder van onze identiteit een splijtzwam te maken."
zondag 30 maart 2014
Tom Vandyck
Ik ben een beetje balorig vandaag.
"We weten niet meer wat racistisch is".
Dat was de titel van een column van Tom Vandyck.
Maar ik vertik het om die column hier een plaats te geven of om er een "gefundeerde" commentaar op te schrijven.
De eerlijkheid gebiedt me om toe te geven dat ik geen inspiratie heb op dit ogenblik.
Ik ben te serieus. Ik kan er de relativiteit niet meer van inzien.
Kan je nagaan hoe erg het met me gesteld is op dit ogenblik.
Maar geen nood!
We vragen gewoon een hulplijn!
http://www.dbnl.org/tekst/braa002poli01_01/
De verloochening van de grammatica schijnt den mensch bijzonder zwaar te vallen; hij schijnt niet te mogen erkennen, dat de grammatici en de levensbezinners, de philosophen, een belangengroep vertegenwoordigen zooals de bakkers en de geschutfabrikanten, en dat de geest doorgaans als hun octrooi dienst moet doen. En reeds hoor ik de philosophen ietwat zuur, maar ondanks alles welwillend en meerwaardig opmerken, dat ik zelf, de bestrijder van den geest, het woord en den zin, zonder dien geest, dat woord en dien zin niet eens zou kunnen argumenteeren, dat ik de grammatica, in plaats van haar te verloochenen, uitbuit met alle middelen, die mij ter beschikking staan. Zouden zij daarin geen gelijk hebben, deze zuurpruimen den geest met hun geoctroyeerde consequentie? Natuurlijk hebben zij gelijk: ik val den geest aan met geestelijke middelen, ik attaqueer woorden met woorden en zinnen met zinnen! Maar er is dit kleine verschil: ik weet, dat ik voor vrienden schrijf, die mijn woorden voelen als een lichamelijk contact en mijn zinnen als een ontmoeting, een teeken van verwantschap; ik weet (ja, ik weet, grammatische woordspeling), dat diezelfde woorden en zinnen als een aanmatigend en volslagen krankzinnig klankgeknetter over de hoofden van het ‘publiek’ zullen gaan, van dit door de verheffing des geestes zoo veelzijdige en beschaafde publiek; ik geloof als een onverzettelijke calvinist in den onzin van mijn zinnen, als ik maar één oogenblik overweeg, dat het ‘logische denken’ mijn woorden voor het publiek zou moeten rechtvaardigen. Voor mij zijn de gebruikelijke woorden van het dagelijksch leven middelen, om mijn belangen te behartigen; de woorden, die ik op dit papier gebruik, behartigen niet minder mijn belangen; in beide gevallen is het ‘logische denken’ slechts een schakel, een omzetting van de gebarentaal der apen en visschen in zoogenaamde begrippen, die mij nu eenmaal in zekere omstandigheden beter dienen dan gekrijsch, bijten of verkleuren. De ‘logica’ van dit boek bestaat dan ook alleen voor hen, die in de logica nog het gekrijsch hooren, het bijten voelen en het verkleuren waarnemen, d.w.z. voor hen, die zich reeds met zenuwen en ingewanden van den cultus des geestes,van de verhevenheid, het ‘hoogere’ en de grammatica hebben losgemaakt en alleen tegenover de deftige woorden nog aarzelen; mijn ‘logica’ heeft alleen vat op degenen, die elk pedant apriori tegenover de dieren willen afleggen en zèlfs het feit der geestelijkheid tegen den mensch wagen uit te spelen, als het noodzakelijk is; voor alle anderen, van den predikant tot den professor, ben ik - en wil ik zijn - onlogisch, en hoogstens... geestig!
http://tvolen.be/2013/01/09/turkse-vrouw-akkoord-met-weigering-antwerpse-snorrenclub/ Een Turkse vrouw die klacht had ingediend bij het centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding omdat de Antwerpse snorrenclub haar weigerde toe te laten, komt na overleg terug op haar beslissing.Volgens de vrouw lag machogedrag aan de basis van de weigering. Enkele dagen geleden verklaarde ze: ‘Het valt op dat de club volledig uit mannen bestaat, terwijl de helft van de Antwerpenaren toch vrouwen zijn, sommigen met een snor, zoals ikzelf. Mijn weigering bewijst overduidelijk dat de snorrenclub niet openstaat voor emancipatie van de vrouw.’ Bij de snorrenclub klonk het daarop enigszins anders. ‘Wij willen deze vrouw graag toelaten in onze club, we hebben dat in het verleden trouwens al voor meer vrouwen gedaan, hoe meer snorren hoe beter. Maar wij hebben liever geen Turken of andere buitenlanders in onze club, man of vrouw, snor of geen snor.’ De Turkse vrouw geeft nu toe dat ze die argumentie kan begrijpen en besluit daarop haar klacht terug in te trekken. |
zaterdag 29 maart 2014
Menno ter Braak
Ik tracht daarom niet langer het persoonlijk voornaamwoord van den eersten persoon te vermijden. Het kost mij overigens telkens nog moeite, om rondweg ik te schrijven, waar de journalist wij, de man der wetenschap men en de politicus de Natie pleegt te gebruiken; het herinnert mij nog steeds bij momenten pijnlijk aan de spreektaal en den persoonlijken brief. Pijnlijk: een bewijs, dat de litterator in mij, die een afkeer heeft van net ongeprivilegieerde schrijven der niet-clerken, nog altijd prat wil gaan op zijn middeleeuwsche bevoorrechting, nog altijd meent vulgair te zijn door zichzelf openlijk verantwoordelijk te stellen voor zijn uitspraken. En niet geheel ten onrechte; ‘ik’ sleept meermalen de ongelimiteerde mededeelzaamheid van zelfgenoegzame praatvaars achter zich aan, het kan behept zijn met alle opdringerigheid der spreektaal en alle familierelazen uit de vertrouwelijke brieven van moeders aan dochters. Daartegenover heeft het onpartijdige ‘men’ het voordeel van een aristocratische afzijdigheid en onpersoonlijkheid; de schrijver, die ‘men’ zegt, houdt nog eenige troeven in de hand door zich niet bij het eerste treffen klakkeloos te vereenzelvigen met zijn uitspraak. ‘Waarom men schrijft’ is iets anders dan ‘waarom ik schrijf’; in het eerste geval blijft een aftocht naar een veronderstelde achterhoede van gelijkgezinden mogelijk, in het tweede geval staat de schrijver openlijk alleen; hoe hij zich ook draait, hij heeft zijn schepen achter zich verbrand, hij heeft geen collegae en geen landgenooten meer. ‘Men’ is, om zijn aristocratische reserves, een verleidelijk pronomen voor hen, die nog niet voldoende op hun ‘ik’ vertrouwen en daarom hun woorden flatteus willen beschaduwen met afzijdigheid en heimelijke ironie (‘de lezer weet, dat ik het ben en ik ben het toch niet geheel’); ‘men’ is een woord voor afstammelingen der wetenschap, die uit hun wetenschappelijken tijd de neiging tot objectief verstoppertje-spelen hebben overgehouden. Ik heb van de effecten van dit ‘men’ genoten, zòòzeer, dat het bijna een stopwoord voor mij werd, als ik een persoonlijk oordeel den laatsten zwakken schijn van objectiviteit wilde meegeven: het miste de kleverige camaraderie van ‘wij’ en het reclame-achtige van ‘ik’, terwijl het van beide een charmant amalgama kon zijn. Bijna mathematisch algemeen door zijn vorm, was het tevens prikkelend subjectief door zijn ironie.
De aristocratie van ‘men’ heeft echter, zooals alle aristocratie, naast een aspect van voornaamheid een aspect van gewildheid. Er komt een tijd, die niet meer van ontsnappen en afzijdigheid wil weten, de ware tijd voor het ‘ik’. Er komt een oogenblik, waarin de veronderstelde achterhoede der gelijkgezinde ‘men’ hinderlijk wordt en ‘ik’ den auteur niet meer als reclame klinkt. Met ‘ik’ is een ander spel te spelen dan met ‘men’, al is het dan niet bij uitstek het spel van eerlijkheid en moed; de schrijver verbergt zich even goed achter zijn ‘ik’ als achter zijn ‘men’, hij blijft evenzeer naar algemeenheden trachten en de aandacht afleiden van zijn eigen toevallige levenshistorie; want iemand moet wel zeer naïef zijn om te gelooven, dat in ik-romans en autobiographieën de schrijver zich ‘geeft’. Ik geef mij niet, ik heb niet de minste reden mij te geven in de chaotische, tegenstrijdige veelheid, die ik ‘ben’; ik heb er belang bij een ‘ik’ te toonen, dat zich als een solide schild en een snel aanvalswapen voor mij verdienstelijk maakt; dit geharnaste ‘ik’ vertoonen wil niet zeggen, dat ik alle moeite doe om in mijn hemd te gaan staan, want een kind kan zien, dat dit een averechtsche tactiek is. Ik blijf tacticus, maar mijn tactiek wijzigt zich. Ik vestig de aandacht op het officieuze en onvoltooide, op feiten, die mij betreffen en niemand anders, omdat ik mijn conclusies niet langer den schijn wil meegeven, dat zij mij als gave geschenken in den schoot zijn gevallen. Ik wil mijn algemeene resultaten niet langer de wereld inzenden zonder tevens te bekennen uit welke persoonlijke gebaren zij zijn voortgekomen; een waarheid heeft voor mij geen bekoring meer, als ik niet eerst ontdekt heb, waar zij haar naam ‘waarheid’ heeft opgedaan. Pragmatisme en waarheidsvereering verdraag ik niet als tegenstellingen, voor ik mijn ‘waarheden’ radicaal tegen mijn ‘ik’ heb uitgespeeld. Ik schrijf, met de eerzucht mij aan anderen te verraden... maar met nog grooter eerzucht om een duivelsch bedrog te plegen tegenover hen, die meenen in mijn schrijvers-ik mij gevangen te hebben. Mijn ik is een vorm van polemiek, evenals mijn schrijven; of zij waarachtig of onwaarachtig zijn, wat doet het er toe, als de waarheid mijn eerste probleem is?
Menno Ter Braak
Politicus zonder partij.
Luise Pusch
Er stond vandaag een kort artikel in de krant over taal.
Duitsland worstelt met zijn taal.
Ik had de intentie om daar een mooi stuk over te schrijven.
Zo was ik begonnen:
(de titel was "u")
Duitsland worstelt met zijn taal.
Het "wordt" symptomatisch voor onze maatschappij.
U moet neutraal zijn.
Niet alleen genderneutraal, maar ook rasneutraal. Wee uw gebeente indien u de woorden neger of allochtoon in de vuile mond neemt.
"Zwette" mag vooralsnog. Dat is een kwestie van tijd.
"Neutraal" is uiteraard onlosmakelijk verbonden met "discriminatie".
Het niet maken van onderscheid versus het wel maken van onderscheid.
Hoe wordt het onderscheid gemaakt?
Door de taal, door het onderscheid te benoemen.
"Larie" zal u zeggen. Het onderscheid bestond al voor u het benoemde. U bent ziende blind indien u beweert dat het onderscheid tussen man en vrouw, het onderscheid tussen blanke en gekleurde, het onderscheid tussen gelovige en atheïst, het onderscheid tussen jongere en oudere, het onderscheid tussen valide en mindervalide er al niet was voor ik het benoemde.
Let wel, schrijven en schrappen gebeurt in één vloeiende beweging.
Dikwijls sta ik er zelf versteld van hoe de aanvankelijke idee gemeanderd is tot de uiteindelijke tekst.
Het zou dus best mogelijk zijn dat er van dit begin niets zou zijn overgebleven in de uiteindelijke versie.
Soit, feit is dat ik er niet meer aan verder werk.
Dat blijft dan staan als "concept" in mijn blogoverzicht en het zal nooit gepubliceerd worden.
Het enige wat mij is bijgebleven is een fait divers.
Dit is de originele tekst in "the guardian".
http://www.theguardian.com/world/2014/mar/24/germans-get-tongues-around-gender-neutral-language?CMP=fb_gu
Germans try to get their tongues around gender-neutral language
Der, die or das? For centuries, the seemingly arbitrary allocation of masculine, feminine and neutral gender articles in German has driven non-native speakers to despair. "In German, a young lady has no sex, while a turnip has," the American writer Mark Twain once complained. "Think what overwrought reverence that shows for the turnip, and what callous disrespect for the girl."
But hope may finally be in sight. Changing attitudes to gender are increasingly transforming the German language, and some theorists argue that scrapping the gendered articles altogether may be the most logical outcome.
Predictions vary: one suggestion is that Angela Merkel will eventually no longer be die Bundeskanzlerin but a neutral das Bundeskanzler, as she would be in English. Others believe that the feminine gender, already the most common fallback form used by non-native speakers, will become the default article: a policeman would no longer be der Polizist but die Polizist.
The changing nature of German is particularly noticeable at university campuses. Addressing groups of students in German has been problematic ever since universities stopped being bastions of male privilege. Should they be sehr geehrte Studenten or sehr geehrte Studentinnen?
In official documents, such as job advertisements, administrators used to get around the problem with typographical hybrid forms such as Student(inn)en or StudentInnen – an unfair compromise, some say, which still treats the archetype of any profession as masculine.
Now, with the federal justice ministry emphasising that all state bodies should stick to "gender-neutral" formulations in their paperwork, things are changing again. Increasingly, job ads use the feminine form as the root of a noun, so that even a male professor may be referred to as der Professorin. Lecturers are advised to address their students not as Studenten but Studierende ("those that study"), thus sidestepping the gender question altogether.
In the long run, such solutions would prove too complicated, linguists such as Luise Pusch argue. She told the Guardian that men would eventually get so frustrated with the current compromises that they would clock on to the fundamental problem, and the German language would gradually simplify its gender articles, just as English has managed to do since the Middle Ages.
"Language should be comfortable and fair," said Pusch. "At the moment, German is a very comfortable language, but a very unfair one."
Many linguists question whether language can be changed through human will. "It's hard to transform grammar through legislation, and even if so, such changes often happen over centuries," said Anatol Stefanowitsch, a linguist at Berlin's Free University.
But he also points out that some dialects, such as Niederdeutsch (Low German), have lost the cumbersome distinction between der and die already: in Low German, for example, both men and women are simply referred to as de.
But hope may finally be in sight. Changing attitudes to gender are increasingly transforming the German language, and some theorists argue that scrapping the gendered articles altogether may be the most logical outcome.
Predictions vary: one suggestion is that Angela Merkel will eventually no longer be die Bundeskanzlerin but a neutral das Bundeskanzler, as she would be in English. Others believe that the feminine gender, already the most common fallback form used by non-native speakers, will become the default article: a policeman would no longer be der Polizist but die Polizist.
The changing nature of German is particularly noticeable at university campuses. Addressing groups of students in German has been problematic ever since universities stopped being bastions of male privilege. Should they be sehr geehrte Studenten or sehr geehrte Studentinnen?
In official documents, such as job advertisements, administrators used to get around the problem with typographical hybrid forms such as Student(inn)en or StudentInnen – an unfair compromise, some say, which still treats the archetype of any profession as masculine.
Now, with the federal justice ministry emphasising that all state bodies should stick to "gender-neutral" formulations in their paperwork, things are changing again. Increasingly, job ads use the feminine form as the root of a noun, so that even a male professor may be referred to as der Professorin. Lecturers are advised to address their students not as Studenten but Studierende ("those that study"), thus sidestepping the gender question altogether.
In the long run, such solutions would prove too complicated, linguists such as Luise Pusch argue. She told the Guardian that men would eventually get so frustrated with the current compromises that they would clock on to the fundamental problem, and the German language would gradually simplify its gender articles, just as English has managed to do since the Middle Ages.
"Language should be comfortable and fair," said Pusch. "At the moment, German is a very comfortable language, but a very unfair one."
Many linguists question whether language can be changed through human will. "It's hard to transform grammar through legislation, and even if so, such changes often happen over centuries," said Anatol Stefanowitsch, a linguist at Berlin's Free University.
But he also points out that some dialects, such as Niederdeutsch (Low German), have lost the cumbersome distinction between der and die already: in Low German, for example, both men and women are simply referred to as de.
Het artikel werd ook overgenomen door Hat Laatste Nieuws
http://www.hln.be/hln/nl/961/Wetenschap/article/detail/1828629/2014/03/25/Geslachtsneutraal-Duitse-taal-worstelt-met-der-en-die.dhtml
De Duitse taal zit middenin een transformatie, zo schrijft de Britse krant The Guardian. Sinds in het land een wet werd aangenomen dat alle officiële communicatie via geslachtsneutrale briefvorm moet, komt die transformatie in een stroomversnelling. Er gaan steeds meer stemmen op om 'der' en 'die' gewoonweg af te schaffen.
Compromissen
Maar op lange termijn zouden dergelijke oplossingen te ingewikkeld worden, menen taalkundigen zoals Luise Pusch. Zij vertelde The Guardian dat mannen uiteindelijk zo gefrustreerd zouden geraken door al die compromissen dat ze uiteindelijk de grond van het probleem zouden aanklagen, zijnde de Duitse taal. Dat zou uiteindelijk leiden tot het vereenvoudigen van het Duits, iets wat bij het Engels bijvoorbeeld tijdens de middeleeuwen al gebeurde.
Maar andere linguïsten vragen zich dan weer af of taal wel zomaar door mensen aangepast kan worden. "Het is moeilijk om de grammatica aan te passen door middel van wetten. En zelfs als dat gebeurt, gebeuren zulke veranderingen door de eeuwen heen", zegt Anatol Stefanowitsch, taalkundige aan de Vrije Universiteit van Berlijn. Toch wijst hij erop dat het verschil tussen het mannelijke 'der' en het vrouwelijke 'die' in sommige dialecten al verloren is gegaan.
Vanuit mijn initiële interesse was de meest fascinerende zin de uitspraak van Luise Pusch.
"Volgens taalkundige Luise Pusch zouden mensen zo gefrustreerd raken dat ze uiteindelijk de grond van het probleem zouden aanklagen, zijnde de Duitse taal."
Taal als uiteindelijke grond van het probleem.
Daar wou ik het over hebben, maar daar ben ik dus intussen van afgestapt.
Zoals altijd gaat het over het verschil tussen "zijn" en "bestaan", maar dat is oud nieuws.
Geef mij maar het fait divers: het merkwaardige onderscheid tussen mensen en mannen.
Ik ga me ver weg houden van wat het nu eigenlijk "is".
Geraken "de mensen" gefrustreerd of geraken "de mannen" gefrustreerd?
P.S.
De Franse filosoof Roland Barthes wees op het "immanente" karakter van de rubriek der fait divers.
maandag 24 maart 2014
Chika Unigwe
Lachen, lachen, lachen!
Niet met de gephotoshopte foto van de Obama's, die vond ik niet grappig.
Wel met heel de heisa die er over ontstaan is.
http://www.demorgen.be/dm/nl/16340/Media/article/detail/1826785/2014/03/24/Is-De-Morgen-racistisch.dhtml
Is De Morgen racistisch?
Bart Eeckhout − 24/03/14, 06u00
© DM.
Je zal het altijd zien. Net wanneer De Morgen uitpakt met een
journalistiek werkstuk van een extra katern over Barack Obama, vangt de krant
internationale tegenwind met één, toegegeven, smakeloze grap over de Amerikaanse
president.
Het was zaterdagmiddag rond vier uur toen de Nigeriaans-Belgische schrijfster
Chika Unigwe de tweet rondstuurde: "We hebben nog veel werk aan de winkel. Shame
on @demorgen." Het bericht was vergezeld van een foto met een fragment uit 'The
Daily Herald', de wekelijkse satirische bijdrage in deze krant. 'De Herald' was
dit weekend, net als het 'Reporter'-katern dat eraan voorafgaat, volledig gewijd
aan president Obama, naar aanleiding van zijn komst naar België deze week. In
het betreffende onderdeel zie je hoe president Poetin een foto ingestuurd zou
hebben waarin hij het Amerikaanse presidentenpaar een apengezicht
geeft.Dat was uiteraard als grap bedoeld, maar het pakte helemaal verkeerd uit. "Een poging tot anti-Poetingrap die compleet de verkeerde kant uit schiet", vat EU-correspondent Michiel Van Hulten het, ook al op Twitter, adequaat samen. Velen zien er een banalisering van racisme in.
Zo rolt de bal van protest verder. Chika Unigwe, die ook in de Angelsaksische wereld een grote renommee heeft als auteur, tweet haar woedende reacties in het Engels en het Nederlands de wereld in. Ze krijgt behoorlijk wat bijval. Een beetje in Vlaanderen, veel in Nederland, en heel veel in de VS. Ook mensen uit Nigeria en andere Afrikaanse landen uiten hun verontwaardiging en beschuldigen de krant van racisme. De Nederlandse nieuwssite Joop.nl, verbonden aan omroep Vara, wijdt er een stukje aan dat deelt in de verontwaardiging.
In eigen land blijft de toon kalmer. Omdat Belgen/Vlamingen nu eenmaal stiekem allemaal racisten zijn? Of omdat velen menen dat De Morgen, toch bekend om haar onverdacht antiracistisch standpunt, niet plots van koers is gewijzigd, maar een moment van slechte smaak heeft gehad? De tweede verklaring klinkt aannemelijker. Ze biedt ook een uitleg voor de hevige emotionele reacties uit de rest van de wereld. Ontdoe je het fragment van zijn context van satirische pagina in een voorts doorwrochte themabijlage, dan komt inderdaad in plaats van een aangebrande grap een beeld van onversneden racisme naar voor. Dat risico is vooraf onvoldoende ingeschat, beseft de redactie nu.
Dunne lijn
Toen De Morgen begin deze maand naar aanleiding van Vrouwendag uitpakte met een gelijksoortige thematische bijlage over gendergelijkheid, stond daar een bijdrage in over de terugkeer van seksisme onder een vaak ironisch omhulsel. Veel van de argumenten die toen werden aangehaald om dat seksisme te ontmaskeren, zijn - helaas - ook van toepassing op de manier waarop in dit geval met racisme is omgesprongen. Alles, en zeker ook de eigen kernwaarden, moet in principe met satire gerelativeerd kunnen worden. Maar dan moet de grap wel werken.
De denkfout die ook ditmaal gemaakt werd, is de overtuiging dat racisme algemeen niet meer aanvaard wordt en dat er dus veilig mee kan gelachen worden. Het kan als absurde grap bedoeld zijn om een zwarte president te doen veranderen in een aap, maar te licht wordt hier vergeten dat, met name in de VS, de schandelijke gelijkstelling tussen zwarten en apen nog geregeld opduikt. En dan is het niet om te lachen bedoeld. Het maakt het erg begrijpelijk dat sommigen zich gekwetst voelen door de poging tot satire in de krant.
Lachen met racisme blijft, zo blijkt nu weer, een dunne lijn. Dat gaat niet eens over vrije meningsuiting, maar over goede smaak. Juist op een moment waarop de Nederlandse politicus Geert Wilders zich te buiten gaat aan ernstige racistische provocaties, ligt dit thema ook bij ons weer gevoeliger. Het verklaart ten dele waarom de mislukte Obama-grap ook vanuit Nederland zoveel hevige reacties uitlokt.
De Morgen biedt haar verontschuldigingen aan aan al wie zich beledigd voelt door de betreffende passage in de krant. Sorry. Wij pleiten in dit geval schuldig aan slechte smaak. Met even grote overtuiging als altijd blijven wij ons aan de kant scharen van al wie tegen elke vorm van racisme strijdt. Zoals de rest van de Obama-bijlage dit weekend al illustreerde, zullen wij dat dagelijks in onze journalistieke praktijk proberen duidelijk te maken.
Aarzel niet om ons erop te wijzen als we een keer uit de bocht gaan.
https://twitter.com/chikaunigwe
"it was offensive. It was racist. Satire is no excuse"
Misschien is Nietzsche uit de vorige blogpost dat toch letterlijk te nemen:
Das Weib zum Beispiel ist rachsüchtig: das ist in seiner Schwäche bedingt, so gut
wie seine Reizbarkeit für fremde Noth.
Meer dan een glimp van de essentie krijgen we voorlopig niet te zien.
Love Ending
Clean washing
Hung to dry but forgotten
Is how you make me feel
Feel me
Why do chains soften weaken whither whatever
Where is the love
You promised me
Will last foreverandeverandever
Is this how long how short
A forever lasts
Is our forever over
Was it ever?
Copyright © 2004 Chika Unigwe
Vraag: Is de morgen racistisch?
Antwoord: Het was racistisch.
Er is een -toegegeven, het is niet gemakkelijk- denkfout gemaakt.
vrijdag 21 maart 2014
Geert Wilders
"Willen jullie in deze stad en in Nederland meer of minder aanhangers van Geert Wilders?"
Ein ander Ding ist der Krieg. Ich bin meiner Art nach kriegerisch.
Angreifen gehört zu meinen Instinkten. Feind sein können, Feind sein
- das setzt vielleicht eine starke Natur voraus, jedenfalls ist es
bedingt in jeder starken Natur. Sie braucht Widerstände, folglich
sucht sie Widerstand: das aggressive Pathos gehört ebenso nothwendig
zur Stärke als das Rach- und Nachgefühl zur Schwäche. Das Weib zum
Beispiel ist rachsüchtig: das ist in seiner Schwäche bedingt, so gut
wie seine Reizbarkeit für fremde Noth. - Die Stärke des Angreifenden
hat in der Gegnerschaft, die er nöthig hat, eine Art Maass; jedes
Wachsthum verräth sich im Aufsuchen eines gewaltigeren Gegners -
oder Problems: denn ein Philosoph, der kriegerisch ist, fordert auch
Probleme zum Zweikampf heraus. Die Aufgabe ist nicht, überhaupt über
Widerstände Herr zu werden, sondern über solche, an denen man seine
ganze Kraft, Geschmeidigkeit und Waffen-Meisterschaft einzusetzen
hat, - über gleiche Gegner... Gleichheit vor dem Feinde - erste
Voraussetzung zu einem rechtschaffnen Duell. Wo man verachtet, kann
man nicht Krieg führen; wo man befiehlt, wo man Etwas unter sich
sieht, hat man nicht Krieg zu führen.
"Willen jullie in deze stad en in Nederland meer of minder aanhangers van Geert Wilders?"
en
"Willen jullie in deze stad en in Nederland meer of minder Marokkanen?"
Wat is het verschil?
Geert Wilders discrimineert op basis van een nationaliteit.
Discriminatie op basis van nationaliteit, geloof, ras en geslacht is niet geoorloofd.
De opposant van Wilders discrimineert op basis van een overtuiging.
Discriminatie op basis van een overtuiging is geoorloofd.
Meer nog, het is zelfs wenselijk. Anders zouden we in een gevaarlijk relativisme terecht komen.
De ene overtuiging is beter dan de andere omdat die gebaseerd is op feiten, op de werkelijkheid.
Alle mensen zijn gelijkwaardig, maar niet alle overtuigingen.
Geert Wilders heeft ondertussen wat gas terug genomen. Hij bedoelde "criminele Marokkanen".
Dat is immers geoorloofd.
Dat is discriminatie op basis van een overtuiging. Een overtuiging die gemakkelijk kracht kan bijgezet worden door feiten in de vorm van veroordelingen.
Dat was een teleurstelling. Als ik Geert Wilders was geweest had ik die nuance niet gemaakt.
Ik zou gezegd hebben "met Marokkanen bedoelde ik moslims."
"Willen jullie in deze stad en in Nederland meer of minder moslims?"
Dat is niet geoorloofd.
Dat is discriminatie op basis van geloof.
Maar de grens wordt al gauw veel minder duidelijk.
Ik zou gezegd hebben "met Marokkanen bedoelde ik islam", "met Marokkanen bedoelde ik de overtuigingen van de Marokkanen".
"Willen jullie in deze stad en in Nederland meer of minder islam?"
Deze vraag is heel legitiem. Er worden immers geen mensen meer geviseerd. Er wordt een overtuiging geviseerd.
Discriminatie op basis van een overtuiging is immers geoorloofd.
Meer nog, het is zelfs wenselijk. Anders zouden we in een gevaarlijk relativisme terecht komen.
De ene overtuiging is beter dan de andere omdat die gebaseerd is op feiten, op de werkelijkheid.
Zo zijn er zeer intellectuele mensen (veel intellectueler dan Geert Wilders) die het recht opeisen om te stellen dat de islam "achterlijk" is.
Dat is geoorloofd omdat het kan gestaafd worden door feiten.
De islam discrimineert namelijk op basis van geslacht.
Discriminatie op basis van geslacht is niet geoorloofd.
Dat is een sluitend discours.
Dat is een sluitend discours, althans voor de aanhangers van dat discours.
De tegenstanders van dat discours zullen aanhalen dat deze discriminatie cultureel bepaald is, dat de gehanteerde definitie van het aangehaalde seksisme cultureel bepaald is.
Discriminatie op basis van cultuur.
Dat is ongeoorloofd.
Of dat is wel geoorloofd.
Dat hangt er van af.
Dat hangt er van af of u een aanhanger bent van een cultuurrelativisme of van een cultuurabsolutisme.
"Waar hangt dat op zijn beurt dan weer van af", zou men zich zo langzaam aan wanhopig kunnen afvragen.
"Dat hangt af van de aanhanger", is een mogelijk antwoord.
Maar dat is een relativisme, dus daar schieten we niet mee op.
Het verplicht ons tot het herformuleren van de vraag.
Zijn er universele waarden en normen?
Waar zou dat van afhangen?
Dat hangt er van af of er een Zijn is.
Waar zou dat van afhangen?
Dat hangt af van de natuur, dat moet duidelijk zijn.
Per slot van rekening "zijn" we geen relativisten.
Ik voer oorlog.
Maar ik zie niets onder mij.
Ik veracht niet.
Ik voer oorlog.
Maar ik vecht met de blote vuist.
Abonneren op:
Posts (Atom)



