dinsdag 3 juni 2014

Russell Blackford



Er is een winnaar in de wedstrijd die Sam Harris had uitgeschreven en waar ik heb aan deelgenomen.
Uit het juryrapport (Er werd gejureerd door Russell Blackford):

"The criticisms put forward in the essays varied considerably, although there were some popular themes. Some entrants attacked the validity of The Moral Landscape’s central argument as Sam represented and summarized it on his website in announcing the challenge. For me, this raises an interesting question as to whether the book’s actual argument may be more complex and subtle than the website suggests. Even if the argument as presented there is invalid, that is not necessarily fatal to the book or its overall thesis."

Even in herinnering brengen:

1. You have said that these essays must attack the “central argument” of your book. What do you consider that to be?
Here it is: Morality and values depend on the existence of conscious minds—and specifically on the fact that such minds can experience various forms of well-being and suffering in this universe. Conscious minds and their states are natural phenomena, fully constrained by the laws of the universe (whatever these turn out to be in the end). Therefore, questions of morality and values must have right and wrong answers that fall within the purview of science (in principle, if not in practice). Consequently, some people and cultures will be right (to a greater or lesser degree), and some will be wrong, with respect to what they deem important in life.


"Ben" ik een slechte verliezer?
Mijn God nee. Ik leef !
(ik zou ook nooit een gelukkige winnaar "zijn")

@Russell Blackford
"The book's actual argument may be more complex and subtle than the website suggests."
I think Sam Harris will rephrase this as:
"The book's actual argument must be more complex and subtle than the website suggests."

woensdag 28 mei 2014

Ingrid Van Alphen

'Meisje' is nu ook een scheldwoord, zegt BBC

 

De BBC schrapte het Engelse woord voor 'meisje' uit de herhaling van een documentaire over de Commonwealth Games. In de docu daagt reporter Mark Beaumont (31) judokampioene Cynthia Rahming uit voor een ludieke oefenmatch, en wordt hij meteen gevloerd. "Ik denk niet dat ik hier ooit overheen raak", zegt de reporter na zijn nederlaag. "Verslagen door een negentienjarig meisje."

Eieren lopen
"Mark mag het dan wel niet beledigend bedoeld hebben, het woord is eruit gehaald voor in geval het zo zou overkomen", meldt de BBC. Een beslissing die over het Kanaal voor de nodige ophef zorgt. Critici spreken van censuur. Temeer omdat judoka Cynthia Rahming er zelf geen aanstoot aan nam. Onnodige muggenzifterij ook. Een signaal dat we afstevenen op een hypercorrecte maatschappij waar iedereen op eieren moet lopen.

Tegelijk haalt menig vrouw opgelucht adem. Eindelijk: de bevestiging dat het woord 'meisje' niet zo onschuldig is als het lijkt. Dat er een zekere minachting achter schuilgaat. Net als 'juffrouwtje' overigens. "Zeggen dat iemand 'een bal gooit als een meisje' of 'huilt als een meisje' impliceert dat er niets of niemand zo zwak of slecht is als een meisje", schrijft Guardian-columniste Naomi McAuliffe. En: "Het is niet erger om door een meisje verslagen te worden dan door een jongen. Zeker niet als het meisje in kwestie een zwarte gordel heeft."

'Meisje': seksistisch of goedbedoeld? Veel hangt af van de context, zeggen linguïsten. En van wie het zegt. Woorden op zich hebben immers geen connotatie. Bij vrouwen onderling stoort het niet. Dankzij de Spice Girls en hun 'girl power' wordt het zelfs als een geuzennaam gezien. Bij mannen ligt het een stuk moeilijker. Van je vader kun je het gerust verdragen als hij je op pakweg 30-jarige leeftijd nog aanspreekt met 'meisje'. Zij het liefdevol of vermanend. Van je baas iets minder. Zeker als het geen 'slip of the tongue' betreft, maar dag in dag uit gebeurt. Dan voel je je niet ernstig genomen. Gekleineerd zelfs.

En dat heeft niets te maken met overgevoeligheid, zegt Ingrid van Alphen, die aan de Universiteit van Amsterdam onderzoek doet naar taal en gender. "'Meisje' wordt in het algemeen te vaak gebruikt voor volwassen vrouwen. Vaak onbewust, vrees ik. In een bepaalde context is zo'n verkleinwoord wel degelijk denigrerend. Je zet als man de vrouw onder je, brengt ze terug tot een kind. Al zijn er ook vrouwen die, eens ze een zekere leeftijd hebben, het fijn vinden om nog eens als meisje of jongedame aangesproken te worden. Maar persoonlijk gruw ik daarvan."

Tijdgeest
Het is dus ook niet altijd even evident. Bijkomende moeilijkheid voor mannen is als de vrouw in kwestie, zoals de judoka in de BBC-docu, 19 jaar is. Is dat een vrouw, een tiener of toch nog een meisje? De meningen zijn verdeeld.

Tijdgeest speelt ook mee. Terwijl 'vrouw' nu een neutrale, geprefereerde term is, was er ooit een tijd dat het allesbehalve in dank werd afgenomen. Vrouw had een boerenbetekenis, legt van Alphen uit. Iedereen wilde toen een dame zijn, een stempel die nu vaak met oubollig wordt geassocieerd.

En wat met het woord 'jongen'? "Dat wordt veel minder gebruikt. En heeft niet dezelfde negatieve bijklank." Het belangrijkste, concluderen linguïsten, is dat er gelijkheid is. Zeg niet 'mannen en meisjes' of 'mannen en dames', maar 'jongens en meisjes' en 'heren en dames'. Mannen zijn dus best voorzichtig. Tenzij ze Raymond van het Groenewoud heten.
http://www.demorgen.be/dm/nl/2909/tv/article/detail/1901638/2014/05/28/Meisje-is-nu-ook-een-scheldwoord-zegt-BBC.dhtml

In een bepaalde context is zo'n verkleinwoord wel degelijk denigrerend. Je zet als man de vrouw onder je, brengt ze terug tot een kind
Ingrid Van Alphen, Universiteit Amsterdam

Paradoxaal genoeg is "bepaald" een onbepaald begrip.
De beste manier om dat "bepaald" nader te omschrijven lijkt mij "denigrerend".
"In een denigrerende context" dus.


zaterdag 24 mei 2014

homo politicus



De droom is wat ik wil.
De realiteit is wat de andere wil.
Of is het omgekeerd?

zaterdag 17 mei 2014

Patrik Ourednik






"Maar als alle meningen dezelfde waarde hebben, hoe kom je dan tot een besluit? Ook tot de conclusie dat de meerderheid beslist moet iemand gekomen zijn, een geleerde of een filosoof, en degeen die als eerste dat idee heeft gekregen, was op dat moment de enige die dat vond. Ik had ook nog iets anders gemerkt, namelijk mensen die vinden dat ze vrij zijn, zijn het nooit ergens over eens, terwijl mensen die dat niet vinden, bijna altijd tot overeenstemming komen.
En hoe weet ik of ik vrij ben?"
Het geschikte moment, 1855

Aforisme:
Hoe word je vrij?
Door te lachen met de vraag "wat is vrijheid?"

donderdag 15 mei 2014

Alberto Caeiro




Soms, op dagen van volmaakt en zeer scherp licht.
Waarop de dingen zo werkelijk zijn als ze maar kunnen zijn,
Vraag ik mij langzaam af
Waarom ik schoonheid toeken
Aan de dingen.
Een bloem bijvoorbeeld, heeft die schoonheid?
Is er soms schoonheid in een vrucht?
Nee, ze hebben kleur en vorm
En ze bestaan, meer niet.
Schoonheid is de naam van iets dat niet bestaat
En die ik aan de dingen geef in ruil voor het genot dat zij mij geven.
Hij betekent niets.
Waarom dan zeg ik van de dingen: ze zijn mooi?
Ja, zelfs mij, die alleen van leven leeft,
Bezoeken, onzichtbaar, de leugens der mensen
Met betrekking tot de dingen,
Met betrekking tot de dingen die eenvoudigeweg bestaan.
Hoe moeilijk is het jezelf te zijn en slechts het zichtbare te zien!
(11-3-1914)

© Fernando Pessoa
Uit: Alberto Caeiro/De Hoeder van de Kudden
De Arbeiderspers 2003
vertaald door August Willemsen

zondag 27 april 2014

Petra Blaisse





Gevangenis van Nieuwegein: Kronkelende paden om de illusie van continuïteit te creëren
Petra Blaisse.



Soms voel ik mij gevangen in een wereld die de mijne niet is.

De illusie "is" niet, de illusie is niet werkelijk.
Dat lijkt mij waterdicht.
Als de illusie wel zou zijn, dan zou het geen illusie zijn, dan zou het werkelijkheid zijn.

De illusie kan dus alleen gecreëerd worden.
Als de illusie van continuïteit gecreëerd wordt impliceert dat dat de continuïteit niet is.
De continuïteit is geen werkelijkheid.

Dat is een mooie troost voor de gevangene.

Maar het blijft de vraag of de gevangene er behoefte aan heeft dat er continuïteit, al is het dan slechts in de vorm van een illusie, zou gecreëerd worden.

Eén ding is zeker: in de gevangenis heb je tijd zat om daar over na te denken.

zaterdag 26 april 2014

Gloria


De correspondent



"De correspondent" is een medicijn tegen de waan van de dag.
https://decorrespondent.nl/home

Een "dagelijks" medicijn tegen de waan van de dag.
Je moet er betalen om dingen te lezen die de waan van de dag overstijgen.

Hier lees je alleen maar de waan van de dag.
Het is gratis.
Van een omgekeerde wereld gesproken.

Bij wijze van protest gaan we daar vandaag komaf mee maken.
Over volgende fascinerende quotes moet u dus zelf maar een verhaal bedenken.

"Taal heeft niets met identiteit te maken". Siegfried Bracke.
Wat iemand (ik weet niet wie of wat, ik moet er voor betalen in "De Standard") de reaktie ontlokte:
Bracke zou Wittgenstein moeten lezen.
Dat deed mij dan weer denken aan het verhaal van Russell, Wittgenstein en het nijlpaard.
"Some of his early views made the decision difficult. He maintained, for example, at one time that all existential propositions are meaningless. This was in a lecture room, and I invited him to consider the proposition: 'There is no hippopotamus in this room at present.' When he refused to believe this, I looked under all the desks without finding one; but he remained unconvinced."
Trouwens een mooie test of u op dezelfde lijn zit als Wittgenstein.
Ik alvast wel.

"Het leven primeert op de leer". Paus Franciscus.
Of althans een uitspraak die de paus wordt toegedicht door Jurgen Mettepenningen.
"Hij spreekt een taal die intrigeert, van het hart en zegt dat het leven primeert op de leer".

Over Freya Pirijns valt ook wel een mooi verhaal te bedenken.
Een vrouw waar ik wel mee zou kunnen samenleven, niet met de schooljuf evenwel.
"Ik leef niet samen met de politicus Willem-Frederik, het is de mens die ik graag zie".
Tussen haakjes, ik ben nog één van die zwevende kiezers die nog niet weet wie mijn felbegeerde stem krijgt.
Ik zie eenvoudig geen partij die bij mij hoort.
"Groen" is het alvast niet volgens Freya.
"Ik heb voor Agalev gekozen. Omdat ik vond, en nog altijd vind, dat het een partij is die een visie heeft die verder reikt dan alleen maar het hier en het nu."

Veel succes gewenst.
Sta me toe om u nog één tip te geven.
Vergeet nooit dat het een "verhaal" is.

“Is not literature meant to speak of our being a thousand different kinds of things, at times creating even this diversity? If literature gives up this purpose, this duty, it renounces all claim to legitimacy. I am Hungarian. I am Slovene. I am Serbian. You do not need literature for sentences like that. A bureaucrat will do, and a rubber stamp. A border guard. An Army.”
Peter Esterhazy.

En omdat "één tip" aankondigen en effectief ook maar één tip geven mij net iets te logisch lijkt geef ik ook nog het volgende mee:
"Het leven (existence) is de rode draad in het leven."

woensdag 23 april 2014

Alvaro De Campos





Een heus cultuurdebat.
Jammer dat Luc Tuymans Lucebert verkeerd citeert.
"Alles van waarde is weerloos".
Misschien had hij ook geen tijd om de rest van Pessoa te lezen.

Om maar te zeggen, ik durf gewoon niet te vragen aan Luc Tuymans wat de aangehaalde citaten voor hem betekenen.
Bang van het gevoel van eenzaamheid dat me te beurt zal vallen.






Álvaro de Campos - Sigarenwinkel
Sigarenwinkel



Ik ben niets.
Ik zal nooit iets zijn.
Ik kan ook niet iets willen zijn.
Afgezien daarvan koester ik alle dromen van de wereld.

Vensters van mijn kamer,
Kamer van een der miljoenen op aarde van wie geen mens weet wie hij is
(En als ze zouden weten wie hij is, wat zouden ze dan weten?),
Ge ziet uit op het mysterie van een straat waardoor voortdurend mensen lopen,
Op een straat voor iedere gedachte ontoegankelijk,
Werkelijk, onmogelijkerwijze werkelijk, zeker, ongekenderwijze zeker,
Waar het mysterie der dingen onder de stenen en de wezens ligt,
Waar de dood vocht legt op de muren en op de mensen witte haren,
Waar het Lot de kar van alles stuurt over de weg van niets.

Ik ben vandaag verslagen, alsof ik de waarheid wist.
Ik ben vandaag lucide, alsof ik op het punt van sterven stond,
En niet meer broederschap had met de dingen
Dan een afscheid, dat dit huis en deze straatkant transformeert
In een rij treinwagons, het fluitsignaal van een vertrek
Gegeven in mijn hersens,
En een schokken van mijn zenuwen en een geknars van botten bij het rijden.

Ik ben vandaag perplex, als wie heeft nagedacht, gevonden en vergeten.
Ik ben vandaag verdeeld tussen de trouw die ik verschuldigd ben
Aan de Sigarenwinkel aan de overkant, als uiterlijke werkelijkheid,
En de gewaarwording dat alles droom is, innerlijke werkelijkheid.

Ik heb gefaald in alles.
Daar ik nooit één plan gemaakt heb, was alles misschien niets.
De wijze lessen die men mij gegeven heeft,
Heb ik verlaten door het achterraam.
Ik ging het land op vol van grote plannen.
Maar daar vond ik alleen gras en bomen,
En als er mensen waren, waren die net als de anderen.
Ik ga weg van het raam af, ga zitten in een stoel. Waar zal ik eens aan denken?

Wat weet ik van wat ik zal zijn, ik die niet weet wat ik ben?
Zijn wat ik denk te zijn? Maar ik denk zo veel te zijn!
En er zijn zo velen die denken hetzelfde te zijn dat er nooit zo velen kunnen zijn!
Genie? Op dit moment
Wanen honderdduizend breinen zich in droom genie als ik,
En de geschiedenis zal er, wie weet?, niet één vermelden,
En nets anders zal resten dan mest van hun toekomstige veroveringen.
Nee, ik geloof niet in mijzelf.
In alle gekkenhuizen zijn volslagen idioten vol van zekerheden!
Ik, die geen zekerheid heb, ben ik onzekerder of zekerder?
Nee, zelfs niet in mijzelf ...
In hoeveel zolderkamers en niet-zolderkamers op de wereld
Zitten niet op dit moment genieën-voor-zichzelf te dromen?
Hoeveel verheven, nobele, lucide aspiraties -
Ja, waarlijk verheven, nobel en lucide -,
En wie weet realiseerbaar,
Zullen nooit het werkelijke zonlicht zien noch oren om te horen vinden?
De wereld is voor wie geboren wordt haar te veroveren
En niet voor hem die droomt dat hij haar kan veroveren, ook al heeft hij gelijk.
Ik heb meer gedroomd dan Napoleon heeft verricht.
Ik heb aan mijn veronderstelde hart meer mensdommen gedrukt dan Christus,
Ik heb filosofieën in 't geheim ontwikkeld die geen Kant geschreven heeft.
Maar ik ben, en zal wel altijd zijn, die van de zolderkamer,
Ook al woon ik daarin niet;
Ik zal altijd zijn degeen die daarvoor niet geboren was;
Ik zal altijd enkel zijn degeen die zo begaafd was;
Ik zal altijd degene zijn die hoopte dat men hem de deur zou opendoen voor een muur zonder deur,
En die het lied van het Oneindige zong in een kippenren,
En de stem Gods hoorde in een gedempte put.

Geloven in mijzelf? Nee, noch in wat dan ook.
Laat de Natuur over mijn koortsig hoofd
Haar zon uitstorten en haar regen, de wind die mijn haren weet te vinden,
En laat de rest maar komen als het komt, of komen moet, of anders komt het niet.
Hartlijdende slaven van de sterren,
Hebben wij de wereld al veroverd vóór uit ons bed te komen;
Maar we ontwaken en ze is ondoorzichtig,
We staan op en zij is vreemd,
We gaan het huis uit en ze is de hele aarde,
Plus het zonnestelsel en de Melkweg en het Onbegrensde.

(Eet die chocolaatjes, kleine meid; Eet op!
Heus, er is op de wereld niet meer metafysica dan chocolaatjes.
Heus, alle religie samen leert ons niet meer dan snoepgoed.
Eet op, mormel, eet op!
Kon ik maar chocolaatjes eten met dezelfde authenticiteit waarmee jij eet!
Ik echter denk, en als ik het zilverpapier eraf haal, dat van tin is,
Gooi ik alles op de grond, zoals ik ook mijn leven heb vergooid.)

Maar althans blijft van de bitterheid om wat ik nooit zal zijn
Het vlugge handschrift dezer verzen,
In puin gevallen poort tot het Onmogelijke.
Maar althans draag ik mijzelf verachting zonder tranen toe,
Nobel tenminste in het waardige gebaar waarmee ik
Zonder waslijst in der dingen loop de vuile was werp die ik ben,
En thuisblijf zonder hemd.

(Gij die vertroost, die niet bestaat en daarom troost vertroost,
Hetzij Griekse godin, gedacht als standbeeld maar dan levend,
Of Romeins patriciërsvrouw, ondenkbaar nobel en noodlottig,
Of prinses der troubadours, gracieus in kleurige gewaden,
Of markiezin uit de achttiende eeuw, gedecolleteerd, gedistancieerd,
Of beroemde cocotte uit de tijd van onze vaders,
Of iets moderns - hoewel ik niet zou weten wát-,
Dat alles, wat het zij, wat gij ook zijt, als het kan inspireren, dat het inspirere!
Mijn hart is een leeggegooide emmer.
Zoals zij die geesten oproepen geesten oproepen roep ik
Mijzelf op en vind niets.
Ik ga voor het raam staan en ik zie de straat met absolute duidelijkheid.
Ik zie de winkels, ik zie de trottoirs, ik zie de auto's die voorbijgaan,
Ik zie de levende en aangeklede wezens die elkaar passeren;
Ik zie de honden die, ook zij, bestaan,
En dit alles deprimeert me als een vonnis tot verbanning,
En dit alles is vreemd, als alles.)

Ik heb geleefd, heb gestudeerd, heb liefgehad en zelfs geloofd,
En thans is er geen bedelaar die ik niet benijd alleen omdat hij mij niet is.
Ik zie van elk de lompen en de wonden en de leugens,
En ik denk: je hebt misschien nooit gestudeerd, geleefd, geloofd of liefgehad
(Want dit alles kunnen we in werkelijkheid doen zonder het echt te doen);
Je hebt misschien alleen bestaan, zoals een hagedis met afgeknipte staart
En die op kronkelende wijze staart is zonder hagedis.

Ik ben geworden wat ik niet kon zijn,
En wat ik zijn kon ben ik niet geworden.
De domino die ik aantrok was de verkeerde.
Men herkende mij meteen als de persoon die ik niet was en ik ontkende niet, en was verloren.
Toen ik het masker wilde afdoen,
Zat het vast aan mijn gezicht.
Toen ik het afdeed en mij in de spiegel zag,
Was ik reeds oud geworden.
Ik was dronken, kon de domino niet aan die ik niet uitgetrokken had.
Ik wierp het masker weg en ik ging slapen in de vestiaire
Als een hond die wordt getolereerd door de directie
Omdat hij ongevaarlijk is
En ik schrijf deze verhaal om te bewijzen hoe subliem ik ben.

Muzikale kern van mijn onnutte verzen,
Kon ik u slechts zien als iets wat ik zelf maakte,
In plaats van als maar tegenover de Sigarenwinkel tegenover mij te zitten,
Met voeten het bewustzijn tredend te bestaan,
Gelijk een vloerkleed waar een dronkaard over struikelt
Of een deurmat die, gestolen door zigeuners, bleek niets waard te zijn.

Maar de Sigarenhandelaar is in de deur gekomen en hij blijft daar staan.
Ik bezie hem met het onbehagen van het half gedraaide hoofd
En met het onbehagen van de ziel die half begrijpt.
Hij zal sterven en ik zal sterven.
Hij zal zijn uithangbord nalaten, ik zal poëzie nalaten.
Te zijner tijd zal ook het uithangbord vergaan, en ook de poëzie.
Later zal de straat vergaan waar het uithangbord gehangen heeft,
En ook de taal waarin de poëzie geschreven was.
Nog later zal de tollende planeet vergaan waarop dit alles plaatsvond.
Op andere satellieten van andere stelsels zal zo iets als mensen
Voortgaan zoiets als poëzie te maken en te leven onder zoiets als uithangborden,

Steeds het een tegenover het ander,
Steeds het een zo zinloos als het ander,
Steeds het onmogelijke zo stompzinnig als het werkelijke,
Steeds het mysterie van de diepte even zeker als de slaap van mysterie aan het oppervlak,
Steeds dit of steeds iets anders of anders noch het een noch het ander.

Maar een man is de Sigarenwinkel ingegaan (om sigaren te kopen?)
En eensklaps overvalt mij de plausibele realiteit.
Ik kom half overeind, vol energie en overtuiging, als een mens,
En ga proberen dit gedicht te schrijven waarin ik het tegendeel beweer.
Ik steek een sigaret op, denkend aan het schrijven
En in de sigaret proef ik bevrijding van alle gedachten.
Ik volg de rook gelijk een eigen weg,
En in een passend en gevoelvol ogenblik geniet ik
De bevrijding van alle bespiegelingen
En het besef dat metafysica een gevolg van zich niet lekker voelen is.

Dan ga ik achterover liggen in mijn stoel
En ik ga door met roken.
Zolang het Lot het mij vergunt, zal ik doorgaan met roken.

(Wanneer ik met de dochter van mijn wasvrouw trouwde
Was ik misschien gelukkig.)
Dit begrepen hebbend, sta ik uit mijn stoel op. Ik ga naar het raam.

De man is de Sigarenwinkel uitgekomen (kleingeld in zijn broekzak stekend?).
O, ik ken hem; het is Steven zonder metafysica.
(De Baas van de Sigarenwinkel is in de deur gaan staan.)
Als gedreven door een goddelijk instinct draaide Steven zich om en zag mij.
Hij zwaaide naar me, en ik riep Dag, Steven!, en het universum
Kreeg voor mij zijn vorm weer zonder hoop noch ideaal, en de Baas van de Sigarenwinkel
glimlachte.

Fernando Pessoa via zijn heteroniem Álvaro de Campos, 15-1-1928
Vertaling August Willemsen

Tabacaria
Não sou nada.
Nunca serei nada.
Não posso querer ser nada.
À parte isso, tenho em mim todos os sonhos do mundo.
Janelas do meu quarto,
Do meu quarto de um dos milhões do mundo que ninguém sabe quem é
(E se soubessem quem é, o que saberiam?),
Dais para o mistério de uma rua cruzada constantemente por gente,
Para uma rua inacessível a todos os pensamentos,
Real, impossivelmente real, certa, desconhecidamente certa,
Com o mistério das coisas por baixo das pedras e dos seres,
Com a morte a pôr humidade nas paredes e cabelos brancos nos homens,
Com o Destino a conduzir a carroça de tudo pela estrada de nada.
Estou hoje vencido, como se soubesse a verdade.
Estou hoje lúcido, como se estivesse para morrer,
E não tivesse mais irmandade com as coisas
Senão uma despedida, tornando-se esta casa e este lado da rua
A fileira de carruagens de um comboio, e uma partida apitada
De dentro da minha cabeça,
E uma sacudidela dos meus nervos e um ranger de ossos na ida.
Estou hoje perplexo, como quem pensou e achou e esqueceu.
Estou hoje dividido entre a lealdade que devo
À Tabacaria do outro lado da rua, como coisa real por fora,
E à sensação de que tudo é sonho, como coisa real por dentro.
Falhei em tudo.
Como não fiz propósito nenhum, talvez tudo fosse nada.
A aprendizagem que me deram,
Desci dela pela janela das traseiras da casa.
Fui até ao campo com grandes propósitos.
Mas lá encontrei só ervas e árvores,
E quando havia gente era igual à outra.
Saio da janela, sento-me numa cadeira. Em que hei-de pensar?
Que sei eu do que serei, eu que não sei o que sou?
Ser o que penso? Mas penso ser tanta coisa!
E há tantos que pensam ser a mesma coisa que não pode haver tantos!
Génio? Neste momento
Cem mil cérebros se concebem em sonho génios como eu,
E a história não marcará, quem sabe?, nem um,
Nem haverá senão estrume de tantas conquistas futuras.
Não, não creio em mim.
Em todos os manicómios há doidos malucos com tantas certezas!
Eu, que não tenho nenhuma certeza, sou mais certo ou menos certo?
Não, nem em mim...
Em quantas mansardas e não-mansardas do mundo
Não estão nesta hora génios-para-si-mesmos sonhando?
Quantas aspirações altas e nobres e lúcidas -
Sim, verdadeiramente altas e nobres e lúcidas -,
E quem sabe se realizáveis,
Nunca verão a luz do sol real nem acharão ouvidos de gente?
O mundo é para quem nasce para o conquistar
E não para quem sonha que pode conquistá-lo, ainda que tenha razão.
Tenho sonhado mais que o que Napoleão fez.
Tenho apertado ao peito hipotético mais humanidades do que Cristo,
Tenho feito filosofias em segredo que nenhum Kant escreveu.
Mas sou, e talvez serei sempre, o da mansarda,
Ainda que não more nela;
Serei sempre o que não nasceu para isso;
Serei sempre só o que tinha qualidades;
Serei sempre o que esperou que lhe abrissem a porta ao pé de uma parede sem porta,
E cantou a cantiga do Infinito numa capoeira,
E ouviu a voz de Deus num poço tapado.

Crer em mim? Não, nem em nada.
Derrame-me a Natureza sobre a cabeça ardente
O seu sol, a sua chuva, o vento que me acha o cabelo,
E o resto que venha se vier, ou tiver que vir, ou não venha.
Escravos cardíacos das estrelas,
Conquistámos todo o mundo antes de nos levantar da cama;
Mas acordamos e ele é opaco,
Levantámo-nos e ele é alheio,
Saímos de casa e ele é a terra inteira,
Mais o sistema solar e a Via Láctea e o Indefinido.
(Come chocolates, pequena;
Come chocolates!
Olha que não há mais metafísica no mundo senão chocolates.
Olha que as religiões todas não ensinam mais que a confeitaria.
Come, pequena suja, come!
Pudesse eu comer chocolates com a mesma verdade com que comes!
Mas eu penso e, ao tirar o papel de prata, que é de folha de estanho,
Deito tudo para o chão, como tenho deitado a vida.)
Mas ao menos fica da amargura do que nunca serei
A caligrafia rápida destes versos,
Pórtico partido para o Impossível.
Mas ao menos consagro a mim mesmo um desprezo sem lágrimas,
Nobre ao menos no gesto largo com que atiro
A roupa suja que sou, em rol, pra o decurso das coisas,
E fico em casa sem camisa.
(Tu que consolas, que não existes e por isso consolas,
Ou deusa grega, concebida como estátua que fosse viva,
Ou patrícia romana, impossivelmente nobre e nefasta,
Ou princesa de trovadores, gentilíssima e colorida,
Ou marquesa do século dezoito, decotada e longínqua,
Ou cocote célebre do tempo dos nossos pais,
Ou não sei quê moderno - não concebo bem o quê -
Tudo isso, seja o que for, que sejas, se pode inspirar que inspire!
Meu coração é um balde despejado.
Como os que invocam espíritos invocam espíritos invoco
A mim mesmo e não encontro nada.
Chego à janela e vejo a rua com uma nitidez absoluta.
Vejo as lojas, vejo os passeios, vejo os carros que passam,
Vejo os entes vivos vestidos que se cruzam,
Vejo os cães que também existem,
E tudo isto me pesa como uma condenação ao degredo,
E tudo isto é estrangeiro, como tudo.)
Vivi, estudei, amei e até cri,
E hoje não há mendigo que eu não inveje só por não ser eu.
Olho a cada um os andrajos e as chagas e a mentira,
E penso: talvez nunca vivesses nem estudasses nem amasses nem cresses
(Porque é possível fazer a realidade de tudo isso sem fazer nada disso);
Talvez tenhas existido apenas, como um lagarto a quem cortam o rabo
E que é rabo para aquém do lagarto remexidamente
Fiz de mim o que não soube
E o que podia fazer de mim não o fiz.
O dominó que vesti era errado.
Conheceram-me logo por quem não era e não desmenti, e perdi-me.
Quando quis tirar a máscara,
Estava pegada à cara.
Quando a tirei e me vi ao espelho,
Já tinha envelhecido.
Estava bêbado, já não sabia vestir o dominó que não tinha tirado.

Deitei fora a máscara e dormi no vestiário
Como um cão tolerado pela gerência
Por ser inofensivo
E vou escrever esta história para provar que sou sublime.
Essência musical dos meus versos inúteis,
Quem me dera encontrar-me como coisa que eu fizesse,
E não ficasse sempre defronte da Tabacaria de defronte,
Calcando aos pés a consciência de estar existindo,
Como um tapete em que um bêbado tropeça
Ou um capacho que os ciganos roubaram e não valia nada.
Mas o Dono da Tabacaria chegou à porta e ficou à porta.
Olho-o com o desconforto da cabeça mal voltada
E com o desconforto da alma mal-entendendo.
Ele morrerá e eu morrerei.
Ele deixará a tabuleta, eu deixarei os versos.
A certa altura morrerá a tabuleta também, os versos também.
Depois de certa altura morrerá a rua onde esteve a tabuleta,
E a língua em que foram escritos os versos.
Morrerá depois o planeta girante em que tudo isto se deu.
Em outros satélites de outros sistemas qualquer coisa como gente
Continuará fazendo coisas como versos e vivendo por baixo de coisas como tabuletas,
Sempre uma coisa defronte da outra,
Sempre uma coisa tão inútil como a outra,
Sempre o impossível tão estúpido como o real,
Sempre o mistério do fundo tão certo como o sono de mistério da superfície,
Sempre isto ou sempre outra coisa ou nem uma coisa nem outra.
Mas um homem entrou na Tabacaria (para comprar tabaco?)
E a realidade plausível caí de repente em cima de mim.
Semiergo-me enérgico, convencido, humano,
E vou tencionar escrever estes versos em que digo o contrário.
Acendo um cigarro ao pensar em escrevê-los
E saboreio no cigarro a libertação de todos os pensamentos.
Sigo o fumo como uma rota própria,
E gozo, num momento sensitivo e competente,
A libertação de todas as especulações
E a consciência de que a metafísica é uma consequência de estar mal disposto.
Depois deito-me para trás na cadeira
E continuo fumando.
Enquanto o Destino mo conceder, continuarei fumando.
(Se eu casasse com a filha da minha lavadeira
Talvez fosse feliz.)
Visto isto, levanto-me da cadeira. Vou à janela.
O homem saiu da Tabacaria (metendo troco na algibeira das calças?).
Ah, conheço-o; é o Esteves sem metafísica.
(O Dono da Tabacaria chegou à porta.)
Como por um instinto divino o Esteves voltou-se e viu-me.
Acenou-me adeus, gritei-lhe Adeus ó Esteves!, e o universo
Reconstruiu-se-me sem ideal nem esperança, e o Dono da Tabacaria sorriu.
Álvaro de Campos, 15-1-1928
 
gepikt van deze site: http://portugese-poezie.blogspot.be/2010/12/alvaro-de-campos-sigarenwinkel.html

zaterdag 5 april 2014

Henri Bergson



Het boek "Le rire, essai sur la signification du comique" begint als volgt:

Que signifie le rire ? Qu’y a-t-il au fond du risible ? Que trouverait-on de commun entre une grimace de pitre, un jeu de mots, un quiproquo de vaude­ville, une scène de fine comédie ? Quelle distillation nous donnera l’essence, toujours la même, à laquelle tant de produits divers empruntent ou leur indiscrète odeur ou leur parfum délicat ? Les plus grands penseurs, depuis Aristote, se sont attaqués à ce petit problème, qui toujours se dérobe sous l’effort, glisse, s’échappe, se redresse, impertinent défi jeté à la spéculation philosophique.

 
Notre excuse, pour aborder le problème à notre tour, est que nous ne vise­rons pas à enfermer la fantaisie comique dans une définition. Nous voyons en elle, avant tout, quelque chose de vivant.

Precies op dat punt zou ik stoppen met mijn essay.
Wat kan er meer gezegd worden over het leven dan dat het leeft?
Van zodra er iets "vast" gelegd wordt kan het niet meer bewegen, kan het niet meer leven.
Laat het leven.

Erg grappig:
Karel De Gucht schrijft een opinie over identiteit.
http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/Opinie/article/detail/1842307/2014/04/05/Nogal-wat-mensen-gaan-in-Vlaanderen-te-verkrampt-en-zelfs-foutief-om-met-hun-identiteit.dhtml

"Mensen verdienen het niet om door een collectieve bril te worden bekeken".
Dat zou een mooi einde zijn.
Helaas, Karel De Gucht leidt aan het Bergson syndroom.
"We kunnen onszelf perfect besturen, en de instellingen als nodig hervormen, zonder van onze identiteit een splijtzwam te maken."
Dat is het einde van zijn betoog.

"Mensen verdienen het niet om door een collectieve bril te worden bekeken. We kunnen onszelf perfect besturen, en de instellingen als nodig hervormen, zonder van onze identiteit een splijtzwam te maken."