maandag 10 augustus 2020

Stefan Hertmans

 

 https://zwijgenisgeenoptie.be/stefan-hertmans/

 Zwijgen is geen optie. 

“Voor Nietzsche is de mens inherent slecht.”

Volgens Stefan Hertmans dan toch. (deel 2, minuut 4)

 Maar hield Nietzsche zich bezig met moraal?

Definitie van de moraal: Moraal – de idiosyncrasie van decadenten, met de bedoeling zich op het leven te wreken – en met succes.

(Definition der Moral: Moral - die Idiosynkrasie von décadents, mit der Hinterabsicht, sich am Leben zu rächen - und mit Erfolg. Ecce homo)

 Heeft men hem begrepen?

 

woensdag 5 augustus 2020

Leo Tolstoj

“If we admit that human life can be ruled by reason, then all possibility of life is destroyed.”

woensdag 8 juli 2020

W.B. Yeats


Now that my ladder's gone,
I must lie down where all the ladders start
In the foul rag and bone shop of the heart.

maandag 6 juli 2020

De onmens


Bas Heijne schreef een essay: mens/onmens.

Ik heb goed nieuws/slecht nieuws.
Goed nieuws: Het is een kort essay.
Slecht nieuws: Het essay is nog te lang.
Goed nieuws: Het essay begint met een mooi citaat van Camus.
"Ik ben geen filosoof. Ik geloof niet genoeg in de rede om in een systeem te geloven. Waar het mij om gaat, is erachter te komen hoe je moet leven. En meer precies, hoe je kunt leven wanneer je niet in God gelooft én niet in de rede."
 Slecht nieuws: In de rest van het essay is er geen enkele verwijzing naar het citaat van Camus, er is geen enkel verband tussen het citaat en de tekst.
Goed nieuws: Bas Heijne piekert al zeven jaar over het citaat. En voorwaar, hij vertaalt het al juist.
Slecht nieuws: Ik vrees dat hij nog zeven jaar zal worstelen met Camus.

donderdag 25 juni 2020

De filosoof


De filosoof.
We waren hopeloos verdwaald toen we er terecht kwamen. Ik was een beetje chagrijnig op mijn vrouw omdat zij de weg had uitgestippeld en ergens verkeerd was gereden. En mijn vrouw was een beetje chagrijnig op mij omdat ik niet had willen terugkeren naar het laatste herkenningspunt maar via via wel weer op de juiste route zou geraken. Niet dus. We wilden allebei weer naar ons vakantieverblijf, het was een leuke tocht geweest, maar het was ook genoeg geweest.
Plots was het daar, het bord.
“Hier het heerlijkste ijs.”
Het kwam wel weer goed, het kwam altijd weer goed.
Plots was hij daar, de man.
“Welgekomen, welgekomen”, zei de man in groene overall. Hij droeg ook een groene legerpet en korte, groene laarzen. De enige reden die ik kon bedenken waarom de man in die specifieke klederdracht gehuld was op deze zwoele zomerdag, was dat hij altijd een groene overall, een groene legerpet en korte groene laarzen droeg.
“Welgekomen”, zei de man nog een keer, “staat u me toe dat ik u even rondleid”.
Hij opende een tuinhekje dat in het midden van een lange beukenhaag uitgespaard was en duwde ons bijna letterlijk naar binnen. Niet dat we daar veel bezwaar tegen hadden, de tuin die zich voor onze ogen openbaarde was een juweeltje. Het was alsof God een pannenkoek had gebakken. Struiken, gazon, verschillende grote eiken en bloemenweides vormden het pannenkoekendeeg. In de pan wisselden de gelige kleur van het gras, de bruinere plekken van de bloemenweides en de stippen van de struiken en bomen elkaar af op volstrekt chaotische wijze.

“Maak hier je keuze.”
Ruw gebeitelde letters op een ruwe plank. Het bord stond naast een primitieve bank, een halve stam op twee boomschijven. Geen franjes, geen tierlantijntjes. Een bank is een bank.
Er stond nog een bord.

 bolletje vanille + bolletje - chocolade
                                           - mokka
                                            - stracciatella

“Hier kan je nadenken over de keuze van je tweede bolletje”, sprak de man.
“Chocolade, mokka of stracciatella”, verduidelijkte hij.
“Je eerste bolletje is vanille, maar met wat ga je dat combineren? Ik kan me inbeelden dat die keuze gepaard gaat met een diep nadenken, een basale …”
Mijn vrouw die zichtbaar zin had in een bolletje mango trok een wenkbrauw op, een veeg teken.
De man had het ook gezien.
“Misschien dat er op termijn nog wat smaken bijkomen, maar aan al die gekke smaken als cookies en smarties gaan we niet meedoen, het moet wel een beetje puur blijven allemaal.”
Nog een wenkbrauw.
“Waar willen jullie zitten, in de zon of in de schaduw?”, probeerde de man het over een andere boeg te gooien.
Ik keek naar mijn vrouw. Zij keek naar mij.
“Ik merk het al”, zei de man, “meneer wil in de schaduw, mevrouw wil in de zon.”
Hij keek even in de tuin.
“Geen probleem”, zei hij, “volg me maar”
Hij wandelde naar de dichtstbijzijnde bloemenweide. Daar stond een fraai geschaafde bank. Aan het ene uiteinde had de bank twee handbomen en aan het andere uiteinde waren er twee boomschijven onder gemonteerd als wielen. Het was een bankkruiwagen. Of een kruiwagenbank.  Op de bovenste plank van de leuning was er een tekst gegraveerd.

IJSBANK IN DE ZON

De man manoeuvreerde de bank behendig naar een eik en plaatste ze zodanig dat ze nog net in de zon stond. Vervolgens slenterde hij naar de buurboom waar een gelijkaardige bank stond. Hij reed het vehikel naar ons en plaatste het naast de andere bank, maar dan in de schaduw. Het was een gelijkaardige bank, maar met een andere inscriptie.

IJSBANK IN DE SCHADUW

Zelf nam de man plaats op de bank in de schaduw. Hij nam zijn groene pet van zijn hoofd en wreef door zijn rechtopstaande witte haren. Met zijn andere arm veegde hij het zweet van zijn aangezicht aan de mouw van zijn groene overall. Hij zette zijn pet weer op en keek in de richting van de zon.
“Het zou best kunnen dat we de banken straks een beetje moeten opschuiven”, zei hij.

Mijn vrouw wees naar de muur van een bouwvallige schuur. De muur was helemaal overwoekerd met klimop. In het midden van de muur was de klimop weggesnoeid in de vorm van een boog. In de boog was een muurschildering aangebracht. Er was een kleuter, een jongen met een beteuterde blik, die een potje schuin op ooghoogte hield. Er hing een druppel wit aan het potje klaar om op de grond te vallen. In zijn andere hand hield hij een geel plastic ijslepeltje. Zijn mond was helemaal plakkerig van het gemorste ijs. Naast hem stond een tienermeisje met een geruit rokje dat naar hem wees. Boven het meisje was een tekstballonnetje geschilderd.

"Ik had er eerlijk gezegd ook iets meer van verwacht."

“Heb jij dat geschilderd”, vroeg mijn vrouw.
Het hoofd van de man volgde de vinger van mijn vrouw.
“Ja”, zei hij glunderend, “en daar, daar in dat schuurtje komt het winkeltje waar ik mijn ijs zal draaien.”