vrijdag 30 december 2011

Kweetal


Ietsisme


De term “ietsisme” is ooit bedacht door Ronald Plasterk, toen hij nog wetenschapper was. Een ietsist zou niet geloven in God, maar wel “dat er iets is”. Voor Plasterk was dat maar een halfzachte houding. Je was gelovig, of je was het niet, maar zeggen dat er iets is, zonder aan te geven wat, dat was vlees noch vis, en je kon je op die manier aan elke positieve uitspraak onttrekken. Maar is dat wel zo erg? Ik denk dat de vraag niet is of je denkt dat er nog iets is, want je moet wel heel kortzichtig zijn om ervan uit te gaan dat de wetenschap zo onderhand wel weet hoe de wereld in elkaar steekt. Trouwens ook als je denkt dat je je leven kunt laten bepalen door niets meer dan de bijbel.
De vraag waar het in feite om gaat is: Zijn wij mensen op termijn in staat om de werkelijkheid in al zijn aspecten te doorgronden, of zijn we dat niet? Zullen we ooit in de toekomst kunnen zeggen: de wetenschap is af, we weten alles wat er te weten valt over hoe de wereld in elkaar steekt? Of zullen we ooit moeten toegeven dat we beperkte wezens zijn, die wat betreft sommige zaken maar beter kunnen zwijgen? Ik denk dat het laatste het geval is. Ik denk dat we fundamenteel vreemden zijn voor de wereld, en de wereld voor ons. We zullen altijd met verwondering blijven kijken naar wat er zich om ons heen afspeelt, en als we die verwondering ooit niet meer kunnen opbrengen betekent dat het einde van de mensheid.
Dat we niet naadloos in de natuur passen blijkt al uit de vele kunstmatige hulpmiddelen die we in de loop der tijden voor onszelf hebben geconstrueerd. We zijn afhankelijk van kleding, van zelfgebouwde huisvesting, van communicatiemedia, transportmiddelen, en energie-opwekkers als olie, kolen, gas en uranium. We hebben voor onszelf een wereld in de wereld gebouwd, een wereld die zich niet verdraagt met de natuurlijke wereld. Een wereld waarin planten en dieren maar beperkt worden toegelaten, en alleen in gedomesticeerde vorm. Onze wereld bevat zaken die je in de natuur nergens aantreft, zoals zuivere metalen, roterende mechanismen, elektrische energie en digitale gegevensverwerking. Wat dat betreft zijn we scheppers van een eigen wereld.
Maar ook intellectueel bouwen we eigen werelden. Taal, logica en wiskunde zijn menselijke bedenksels, met behulp waarvan we proberen die onbegrijpelijke wereld om ons heen een betekenis te geven, in de vorm van religie en wetenschap. We willen de wereld begrijpen, maar dat moet dan wel in onze eigen termen. Daarvoor hebben we principes, regels en theorieën bedacht. En entiteiten als goden en natuurwetten. En die kennen we dan eigenschappen toe die ze voor ons beredeneerbaar, of in ieder geval voorstelbaar moeten maken.
We zijn vreemden in onze natuurlijke omgeving. Zonder tal van hulpmiddelen voor ons denken en handelen kunnen we er ons niet handhaven. Tussen ons en de wereld staat een barrière. Voordat we ergens mee om kunnen gaan moeten we het ons eerst toe-eigenen. We moeten het in onze levenssfeer binnenhalen, ons er er een beeld van vormen, er een betekenis aan hechten, voordat we het kunnen vertrouwen. We moeten het kunnen benoemen en beschrijven. We hebben zaken als religie en wetenschap nodig om onze eigen plaats te bepalen en onze eigen weg te vinden. En om de vreemde wereld om ons heen een menselijke gezicht te geven hebben we ooit een mens-achtige schepper bedacht.
Het idee van een schepper lijkt erg voor de hand te liggen. Immers, wij maken dingen naar eigen ideeën. Waarom zouden de dingen om ons heen, die er zomaar zijn, zonder dat wij daar de hand in hebben gehad, niet ook gemaakt zijn? En waarom zou daar niet ook een bepaald idee achter zitten? Inmiddels weten we door eigen onderzoek dat baby's niet door een hogere macht in de buik van hun moeder worden geplaatst, dat onweer niet door een god wordt veroorzaakt, dat wij in feite van apen afstammen en dat de wereld 13,5 miljard jaar geleden is ontstaan in één enkel punt. Dat alles verschilt ingrijpend van de manier waarop wij onze wereld construeren. En dat maakt een schepper, die net als wij doelen stelt en plannen maakt toch wat minder voor de hand liggend. Maar dan blijven we toch zitten met die vraag: waar komt het allemaal vandaan?
Fysici hopen binnen afzienbare tijd over een theorie van alles te beschikken, een theorie die alle natuurkrachten en hun onderlinge verbanden exact beschrijft. Maar als we over die theorie beschikken, weten we dan alles? Kunnen we dan de Big Bang verklaren, en het ontstaan van het leven, en het grillige verloop van de economie? In de verste verte niet. Ook al begrijpen we alle fundamentele natuurkrachten, dan nog is de wetenschap niet af, en blijven er nog talloze zaken onduidelijk. En het is de vraag of daar ooit een einde aan komt. De wereld is zo groot en zo complex dat we haar waarschijnlijk nooit met onze geest zullen kunnen omvatten. Er blijft altijd wel 'iets' dat buiten ons bereik valt.
Zoals gezegd: een schepper met doelen en plannen is te antropocentrisch gedacht. De manier waarop wij te werk gaan verschilt radicaal van die van de natuur. En blijkbaar is het ons niet gegeven die natuur naadloos in onze termen te vertalen, noch religieus, noch wetenschappelijk. Dan is het maar het beste je eigen beperkingen accepteren en je leven daar naar in te richten. Ervan uitgaan dat er meer is dan je kunt overzien en begrijpen. En dat je leven ooit tot een einde komt, waarbij iets overgaat in niets. Ik denk dat dat de grondslag is van het ietsisme. En als Plasterk het ietsisme voor zinloos verklaart dan gelooft hij blijkbaar dat we ooit alles zullen begrijpen. Ik geloof daar niets van.
http://www.filosofieblog.nl/blog/kweetal/3268/ietsisme/

De vraag waar het in feite om gaat is: Als er iets is, waar is het dan?
In de werkelijkheid?







Walter Verdin
er is iets

Ik wil een liedje zingen zonder pijn
Een liedje met een mooi refrein
Ik wil vliegen naar een wereld
van hoe 't hier nooit zal zijn

En ik wil tuimelen van de bergen
En zweven in de dalen
Ik wil plonsen in een zee van groen gras

Er is iets hier vanbinnen
Er is iets binnenin
Alles wat ik gisteren verloren had
Dat vind ik nu terug

Ik wil me nu eens laten gaan
En met m'n handen op m'n billen slaan
Ik wil opzettelijk m'n paraplu vergeten als het regent

En op de toppen van m'n tenen staan
Ja, morgen vliegen naar de maan
Ik laat me vallen in het stro, ik heb hooikoorts

Er is iets hier vanbinnen
Er is iets binnenin
Alles wat ik gisteren verloren had
Dat vind ik nu terug
Oh ja

Café cognac
Cognac cognac
Café cognac

Noem mij nu maar een rare vent
Want wat ik doe dat ben ik niet gewend
M'n televisietoestel heb ik opgesloten in het hondekot

Ik voel me goed, 't is niet te doen
Ik geef aan iedereen een zoen
Maar er is iets hier vanbinnen en het komt eruit

Er is iets hier vanbinnen
Er is iets binnenin
Alles wat ik gisteren verloren had
Dat vind ik nu terug

Bij mezelf hier vanbinnen
Bij mezelf binnenin
Alles wat ik gisteren verloren had
Dat vind ik nu terug

Bij mezelf hier vanbinnen
Bij mezelf binnenin
Alles wat ik gisteren verloren had
Dat vind ik nu terug

Bij mezelf hier vanbinnen
Bij mezelf binnenin
Alles wat ik gisteren verloren had
Dat vind ik nu terug


De auteur van "ietsisme" is de filosoof met de nickname Kweetal.
Ik begrijp niet wat hij bedoelt.
Dat heeft eerder met mij te maken dan met hem.
Er schijnt namelijk een fout in mijn denkraam te zijn.

Denkraam



Het woord denkraam debuteerde op 7 januari 1950 in de Nederlandse taal, in aflevering 870 van verhaal 38 Tom Poes en Kwetal, de Breinbaas. Heer Bommel ontmoet Kwetal en vraagt hoe hij heet, maar Kwetal begrijpt hem verkeerd.
,,Neem me niet kwalijk!'', mompelde de oude, ,,er schijnt een fout in mijn denkraam te zijn! Ik volg u niet. Ik heb daar trouwens meer last van, van mijn denkraam bedoel ik.''
Kwetal gebruikt denkraam in de betekenis 'verstand, brein, geest', maar in de omgangstaal werd het al snel gebezigd voor 'denktrant, kader waarbinnen iemands denken zich afspeelt'. Mogelijk is het Engelse frame of mind van invloed geweest. Van Dale vermeldt denkraam sinds 1970. Het wordt nog zeer regelmatig gebruikt, vaak in combinatie met een bijvoeglijk naamwoord. Een kleine greep uit recente krantenberichten: 'het theoretisch denkraam' (van Einstein), 'het middeleeuwse denkraam', 'het astrale denkraam', 'het neogotische denkraam' en het 'religieuze denkraam'. Kortom: een volledig ingeburgerd Toonderwoord.

http://retro.nrc.nl/W2/Lab/Profiel/Bommel/begrippen.html

dinsdag 27 december 2011

Howard Beale

http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=8A3JVKIP
http://reugebrink.skynetblogs.be/archive/2011/12/24/dwaaltaal.html

Ik ben een mens godverdomme

Kerstessay De afgeschafte mens (1)








Wie is de mens nog in een samenleving die gedicteerd wordt door de 'moodswings' van Standard & Poor's? Of is dat eerder een wat-vraag geworden, in onze ontmenselijkende 'computer says no'-maatschappij, waar wie niet rendeert of in het format past ongewenst is? Dat die vragen al gesteld moeten worden, lijkt MARC REUGEBRINK te duiden op een fundamenteel gebrek aan fatsoen. Men zou voor minder uit zijn vel springen.
Weet u wat het is? Eigenlijk ben ik het zat. Meer dan zat. Mijn hele leven ben ik een trouwe krantenlezer geweest. Maar vandaag is het lezen van de krant een vorm van zelfkwelling geworden. Niet per se omdat de kranten slechter geworden zijn - al zouden we het daar ook nog eens over moeten hebben. Nee, het gaat om het nieuws zelf. Ik kan tegenwoordig de krant niet openslaan (de tv of radio niet aanzetten, het internet niet opstarten) zonder onmiddellijk in een colère te schieten.

De eindeloze, in velerlei opzichten pathetische, destructieve, om niet te zeggen politiek-suïcidale onderhandelingen over een nieuwe Belgische regering hebben natuurlijk niet geholpen om 's ochtends bij de koffie en het bladeren in de krant een vrolijk humeur te krijgen: zoveel kinderachtigheid en incompetentie bij elkaar verdraagt zelfs een kleuterjuf niet. Maar ook de simpele mededeling dat de boekenbeurs dit jaar weer een groot succes was, en in het verlengde daarvan: dat het met het boek in Vlaanderen nog zo slecht niet gaat, doet me onmiddellijk overkoken - en dat in een tijd waarin 'boek' en 'kookboek' synoniemen zijn geworden.

Ik kan al die opiniebijdragen niet meer lezen van economen die nu bakzeil halen en zeggen dat - oeps! - de markt dan toch niet zo alleenzaligmakend en zelfregulerend en vooral 'wetmatig' is als ze jaren geleden met veel aplomb beweerden. Daarmee speelden ze politici in de kaart die - oeps! - nu soms tot dezelfde conclusies komen. Meestal als ze voor de directe gevolgen van hun eigen beleid niet langer bevoegd heten te zijn en ergens in de provincie de gouverneur uithangen. Of in veel te grote, erg vervuilende auto's tussen Brussel en Straatsburg heen en weer racen. Sorry hé, maar ik wist dat tien jaar, wat zeg ik, twintig jaar geleden al. Zoals ik al sinds het rapport van de Club van Rome uit 1972 weet dat ongeremde groei uiteindelijk ontaardt in kanker.

En dan zwijg ik nog over wat een springkonijn als minister Pascal Smet bijna dagelijks aan onzinnigs en vooral desastreus verzint om het Vlaamse onderwijs nog wat verder de dieperik in te duwen. Een zich socialist noemende mediabestormer is het, die zijn wijsheid vooral haalt bij organisaties met een louter marktgedreven achtergrond als de Oeso en die het onderwijs voornamelijk beschouwt als een hypermarché waar men als shoppers precies afgebakende, op de markt toegesneden kenniselementen kan inslaan. En daarin wordt hij toegejuicht door iemand als André Oosterlinck, een man die men al jaren voor zijn pensionering ontoerekeningsvatbaar had moeten verklaren, iemand die er in zijn eentje verantwoordelijk voor is dat de K van de KU Leuven vooral de K van Kul is geworden.

Twaalf seconden

Zat ben ik het. Zo zat dat ik mezelf soms nauwelijks meer kan onderscheiden van het gajes dat dagelijks de internetsites teistert met van niets dan ressentiment en eigenbelang getuigende scheldkannonades tegen alles en iedereen. En dat is dan ook weer mijn eer te na. Datzelfde eergevoel geeft me in dat het niet juist is om persoonlijk te worden in mijn afkeer van door specifieke ministers en emeritus hoogleraren gevoerd en verdedigd beleid. Pascal Smets onzinnige voorstellen zijn slechts de uitkomst van een reeks tragische vergissingen die beleidsverantwoordelijken en de politieke families waartoe zij behoren in de afgelopen decennia hebben begaan. Zoals André Oosterlinck het product is van een mentaliteit die universiteiten in heel Europa hebben omgevormd tot leerfabrieken die hun belangrijkste taak - het voeren van onafhankelijk onderzoek in dienst van de waarheid (jazeker, de waarheid!) - hebben verkwanseld aan het bedrijfsleven. Geen enkele door een universiteit gepote aardappel is sindsdien nog onschuldig.

Ook dat maakt van het lezen van de krant 'sochtends bepaald geen sinecure: die moeizame weg terug naar de redelijkheid die ik vervolgens moet afleggen om niet ook mijzelf meteen maar af te schrijven als iemand met enkel een onderbuik en een overvloed aan gal. En daar hoort ook bij dat je je bij berichtgeving in de media, zelfs in de spreekwoordelijke kwaliteitskranten, altijd bewust moet zijn van de eisen die het medium oplegt aan de werkelijkheid die het zegt te verslaan. Die werkelijkheid is minstens ten dele het resultaat van wat de media, gedreven door hun eigen belangen, ervan hebben gemaakt. Televisie is op dat punt ongetwijfeld het allerergste: de ongeschreven 12 seconden-regel. Het is de tijd die men gemiddeld krijgt om te antwoorden op vragen van een journalist. Die reageert daar vervolgens vaak in heuse Siegfried Bracke-stijl op met: 'Ik onthoud dus dat…', en blijkt dan meestal iets onthouden te hebben wat niet werd gezegd. Ruimte voor nuancering is er bij de snelle media eigenlijk niet. En nuance kost gewoonlijk meer ruimte dan zelfs de geschreven media beschikbaar hebben.

En daar zit men dan 's ochtends boven zijn kopje koffie en zijn half verfrommelde krant, met de alweer deels ingeslikte woede en een beginnend hoofdpijntje ten gevolge van de zelfopgelegde verplichting dan toch in ieder geval persoonlijk de nuance te blijven inzetten tegen de soundbites. In gedachten bladert men door boekwerken die veel te dik en ingewikkeld zijn om ooit kans te maken uitvoerig besproken te worden in welke krant dan ook. Men haalt na enige tijd uiteindelijk zijn nutteloze gelijk in de vorm van een uiterst boeiend, bij een tweede koffietje voor zich uit gelispeld betoog over, zeg maar: 'de ideologische bepaaldheid van de als niet-ideologisch voorgestelde ruimte in een wereld waarin beeldvorming voor werkelijkheid doorgaat' - zoiets. En dan moet men nog aan zijn werkdag beginnen.

Legbatterij

Ik voel me 's ochtends soms net een Howard Beale, een personage uit de film Network (1976) van Sidney Lumet. Beroemd is de scène waarin dit doorgeslagen nieuwsanker tijdens een live-uitzending de kijkers oproept om op te staan uit hun zetel, het raam te openen en uit alle macht te roepen: 'I'm as mad as hell, and I'm not going to take this anymore'. Daar wordt massaal gehoor aan gegeven. Het levert een huiveringwekkend beeld op. Overal hangen mensen schreeuwend uit hun ramen. Woedend. Wanhopig vooral. Een bende kippen in een legbatterij, zich niet zozeer verzettend tegen iets specifieks, maar tegen alles tegelijk.

Opvallend aan Beales tirade is dat hij nadrukkelijk niet zoekt naar oplossingen of nuancering. 'Ik weet niet wat ik moet doen aan de depressie en de inflatie en de Russen en de misdaad op straat', zegt hij (1976 was de tijd van de oliecrisis, van economische recessie, hoge werkloosheid en van de Koude Oorlog). En ook: 'I don't want you to protest. I don't want you to riot - I don't want you to write to your congressman because I wouldn't know what to tell you to write. All I know,' zo stelt hij, 'is that first you've got to get mad. You've got to say, “I'm a human being, God damn it! My life has value!,'

Ik ben een mens godverdomme. Mijn leven heeft waarde. Vager kan het niet. Het is pathetisch ook. Maar het verwoordt precies wat ik 'sochtends tegen mijn krant en tegen de wereld zou willen roepen.

De scène uit 'Network' is terug te vinden opwww.standaard.be/network

http://reugebrink.skynetblogs.be

Het kerstdiner.
Daar heb ik altijd al een keer een essay willen over schrijven.
Het lijkt me het gepaste ogenblik om dat in deze periode te doen.
Over het hapje vooraf valt eigenlijk niet bijzonder veel te vertellen.
Ik vond dat lekker.
Daarmee is de essentie toch zo wat weergegeven dacht ik.
Ik begon mij al heimelijk te verheugen op een rustige eindejaarsperiode, een paar ogenblikken zonder sores aan mijn hoofd.
Maar dat was helaas buiten de waard gerekend.
Als voorgerecht was er garnalencoctail, waarop mijn moeder ten berde bracht dat de Belgische garnalen vandaag de dag naar Marokko verscheept worden om daar gepeld te worden en dan weer terug naar België komen.
Op zich is daar helemaal niets mis mee, ware het niet dat die garnalen daar onderweg nogal capsones van krijgen. Een garnaal is en blijft nu eenmaal een garnaal, ongeacht het feit of die nu gepeld of ongepeld is, laat staan of er een verschil zou zijn tussen een garnaal die gepeld is in Marokko of een garnaal die gepeld is in België.

"Wat is de relevantie van dit alles?", vraagt u zich af met recht en rede (jazeker, met recht en rede).
Het barbarisme (what's in a word) en meer bepaald het neerlandisme, dat is de relevantie.

"De lof der Zotheid."
Laat ons eens veronderstellen dat "de lof der Zotheid" een Belgische (of Nederlandse zo u wil meneer Reugebrink) garnaal is.
Die Belgische (of Nederlandse) garnaal die gaat naar de Verenigde Staten van Amerika en als die Belgische (of Nederlandse) garnaal dan terugkomt, dan is dat plots "A praise of madness".
Ik vind dat jammer.
"Madness" in de betekenis van "Zotheid" is een suggestie van oplossing.
"Madness" in de betekenis van "Boosheid" kan nooit een suggestie van oplossing zijn.
Waarom niet?
Een oplossing is een poging tot wijziging van een toestand.
"Boosheid" is alleen maar de vaststelling van de toestand. Iedereen is verongelijkt, iedereen is boos.
Niemand heeft de waarheid in pacht (welnee, de waarheid bestaat immers niet), maar we weten het allemaal wel beter.
Jazeker, daar hebben we wel degelijk argumenten voor.

zondag 25 december 2011

Patricia De Martelaere

Moet men krabben waar het jeukt?

In een van zijn beroemde korte opmerkingen stelt de filosoof Ludwig Wittgenstein de vraag, zoals zovelen voor en na hem dat deden, of de filosofie, berooide koningin der wetenschappen, in de loop der tijden enige vooruitgang heeft geboekt. Wanneer iemand krabt waar het jeukt - zo vraagt hij zich af - telt dat dan als vooruitgang? En zo niet, betekent dat dan dat het geen écht krabben was, of geen échte jeuk? En zou deze reactie op de prikkel niet een hele tijd kunnen doorgaan, totdat er een echte remedie voor het jeuken was gevonden?
Er zijn natuurlijk veel vormen van jeuk, en veel manieren om te krabben. Bij sommige vormen van jeuk is het krabben zelf de remedie, omdat de jeuk dan zonder meer meteen verdwijnt. Bij andere soorten jeuk is het krabben echter merkelijk een achteruitgang, omdat de jeuk eerst dan pas werkelijk lijkt te beginnen. Er is de vage kriebeling tussen de schouderbladen of onder de oksel, die in een verstrooide handomdraai kan worden weggewreven. Er is de uitbundige jeuk van muggebeten, die meerdere hartstochtelijke krabpartijen vergt. Er is de pijnlijke tinteling van brandnetels, die niet goed weet of ze wel om krabben vraagt. Er is de jeuk van huideczeem, van ontstekingen, van zonnebrand en van genezende wonden. Soms kan het zelfs een weldaad zijn te krabben zonder dat het jeukt, zoals de Chinezen zo goed wisten toen ze hun befaamde ruggekrabbers ontwierpen.
Maar er is meer. Bezonnen moeders manen hun kinderen steevast aan vooral niet te beginnen te krabben wanneer het jeukt. Krabben doet immers ook jeuken, waarna opnieuw, en harder, moet worden gekrabd, het jeuken opnieuw toeneemt, het krabben almaar razender wordt, het jeuken almaar indringender - tot krabben en jeuk volledig zijn verenigd in een waanzinnige wedloop tussen kwelling en genot. Van krabben houdt men bovendien zijn leven lang de littekens, terwijl de jeuk, op zich, en ongekrabd, genadevol en spoorloos kan verdwijnen.
Heeft de filosofie vooruitgang geboekt? Dat ligt eraan - zo lijkt het - voor wélk soort jeuk de filosofie het krabben is. Beschouwen we het jeuken als een situatie van existentieel onbehagen, dan ligt het voor de hand een filosofie die, al krabbend, dit onbehagen doet verdwijnen, als een vooruitgang te bestempelen tegenover een filosofie die dat niet doet. Tenzij natuurlijk het jeuken zélf al een subtiele vorm van genot zou inhouden, die liever door het krabben zou worden bestendigd dan erdoor te worden uitgeschakeld. Elk krabben dat de jeuk zonder meer doet ophouden zou dan, ofschoon wel degelijk een remedie, onmiskenbaar tegelijk ook een existentieel verlies betekenen. Filosofisch krabben brengt echter in de praktijk (misschien gelukkig maar) slechts zelden het jeuken tot bedaren - en zo het dat al doet, dan is het prompt geen filosofie meer, maar eensklaps ‘wetenschap’ geworden. Het zijn de wetenschappen, met hun antwoorden op vragen, met hun verklaringen, voorspellingen en therapieën, die bij uitstek moeten zorgen voor een jeukvrij bestaan.
Een jeukvrij bestaan kent natuurlijk talloze vormen van genot die de door jeuk geplaagde niet kan kennen. Daarom valt er wel wat te zeggen voor zekerheden, remedies en therapieën. En onze moeders hadden gelijk ons het krabben te verbieden om ons voor de jeuk te behoeden. Het is beter niet te krabben wanneer het jeukt. Het beste is dat het niet jeukt natuurlijk, of anders dat we de jeuk kunnen vergeten, dat we gewoon doen alsof het niet jeukt, net zo lang tot de jeuk ook werkelijk is verdwenen.
Filosofisch krabben is krabben dat jeuk teweegbrengt. Het begint op een onooglijk plekje, achter het oor of op de voetzool, maar het breidt zich onder het krabben uit totdat het helehoofd, de benen en het hele lichaam zijn ingenomen - tot de handen toe die zoeken te krabben waar het jeukt. Daar is niets mee gewonnen.
Het is beter niet te krabben. Maar wie nooit heeft gekrabd, op een zwoele zomernacht, nat van het zweet, uitgeput en slapeloos, met het scherp van de nagels en tot bloedens toe, hopeloos en zonder verlichting - wie nooit heeft ondervonden hoe het genot uiteindelijk toch nog een gestalte kan worden van de kwelling - die heeft misschien ook wel een kleinigheid gemist.

bron:
http://www.dbnl.org/tekst/mart003verl01_01/mart003verl01_01_0012.php

zaterdag 17 december 2011

Jean-Luc Dehaene

Jean-Luc Dehaene antwoordt nooit op hypothetische vragen.
"Wat als je de tijd kon terugdraaien" is geen hypothetische vraag.
Hilarisch filmpje.

Jammer genoeg nog niet te vinden op internet. Ik hoop op beterschap.

Misschien in afwachting een opwarmertje:
http://www.2be.be/wat-als/video.html#videoplayer

De nieuwe comedy show “WAT ALS?” sleurt je mee in een nieuwe realiteit, in het leven zoals het nét niet is. Nu eens compleet van de pot gerukt, dan weer beangstigend realistisch.

Elke sketch is het antwoord op een hypothetische vraag. Elke vraag begint met “Wat Als”. “WAT ALS?” is een rollercoaster aan sketches, met slechts één zekerheid: er zijn geen zekerheden meer.

Vergeet je vertrouwde realiteit, vergeet alles wat je kent.
WAT ALS?” is the end of the world as we know it.

http://www.2be.be/wat-als/items/47485.php

Francisco de Goya

Laat me u eens verbazen.


Dit vind ik mooi.
Dat had u niet gedacht hé.
Het schilderijtje dat op het wapenschild van de rationalisten is gegraveerd, en deze jongen vindt het mooi.
El Sueno de la razon produce monstruos.
De slaap van de rede brengt monsters voort.
Dat lijkt me zo klaar als een klontje.
Als je niet meer nadenkt, dan kan je niet bedenken dat de rede een illusie is.

"De ets beeldt Francisco de Goya zelf uit, die zijn hoofd begraaft in zijn armen terwijl uilen en vleermuizen hem omringen en aan lijken te vallen. De uilen staan symbool voor dwaasheid en de vleermuizen staan symbool voor onwetendheid. De afbeelding toont mogelijk wat er kan gebeuren als rede wordt onderdrukt."
http://nl.wikipedia.org/wiki/De_slaap_van_de_rede_brengt_monsters_voort

Francisco de Goya slaapt, zijn hoofd begraven in zijn armen.
Francisco de Goya is volledig teruggetrokken in zijn eigen leefwereld.
Volledig teruggetrokken in zijn eigen leefwereld...
De rede is niet meer beïnvloedbaar, het is de zuivere rede, de rede neemt het roer volledig over...
Dan nemen de monsters het over...

"Ik ben de broer van een monster" (Abdelhak Amrani)
http://www.hbvl.be/nieuws/binnenland/aid1099838/ik-ben-de-broer-van-een-monster.aspx

VOLVER.

Dit was de schets die hoorde bij de ets.



"El autor soñando. Su yntento solo es desterrar bulgaridades perjudiciales, y perpetuar con esta obra de caprichos, el testimonio solido de la verdad"
De enige intentie van de auteur is het vastleggen van grillen, de solide getuigenis van de waarheid.
De rede is een gril.

VOLVER
Deze schets is de bron.
Geen spoor meer van een inscriptie...



P.S.
Welke van beide verkiest u?



(P.S. Maya doet me denken aan Eva. Eva Brems bedoel ik dan)

zondag 11 december 2011

Ivan Van de Cloot

Ik geef eerlijk toe dat ik weinig kaas heb gegeten van economie.
Macro-economie is al helemaal de ver van mijn bed show.
Ik ben niet zo macro.
Micro is meer mijn ding.
Kleinschalig.
Maar uiteraard volg ik de monetaire crisis in Europa wel.
Alleen heb ik altijd de neiging om dat grootschalige, dat "Europa" te minimaliseren.

Dat komt omat ik last heb van een speciale vorm van dyslexie. Sommige woorden sla ik gewoon over, ik ben woordblind voor bepaalde woorden.
Dat is geen grap. Dat staat allemaal netjes neergepend in mijn medisch dossier bij Dokter House.
Om u een voorbeeld te geven: Een zin als "Ik word kwaad als men zegt dat de vrede in Europa op het spel staat. Dat is een vals argument" wordt bij mij "Ik word kwaad als men zegt dat de vrede op het spel staat. Dat is een vals argument."

Ik heb die selectieve woordblindheid (dat is de geëigende medische term) altijd nogal luchtig opgevat, maar een mens staat toch af en toe stil bij wat een niet zo voor de hand liggende zware gevolgen die op het eerste zicht niet noemenswaardige kwaal als selectieve woordblindheid kunnen hebben.
Een mens zijn logica wordt er door aangetast!
Als er iemand kwaad wordt staat de vrede op het spel in mijn logica.
En als er iemand kwaad wordt als ik zeg dat de vrede op het spel staat, dan staat de vrede op het spel in mijn logica.
En als ik dan zeg dat de vrede op het spel staat, dan is dat een geldig argument!
Ik moet toch dringend eens informeren of daar geen pilletjes voor bestaan.

Emanuel Rutten

Waarheidsmakers van historische waarheden

In de blog: Emanuel Rutten reacties: 7PDFprint

Wat zijn waarheidsmakers? En wat zijn de waarheidsmakers van historische waarheden? Daarover gaat onderstaande bijdrage.
De uitspraak 'Mijn auto is blauw' wordt waargemaakt door mijn blauwe auto. Mijn blauwe auto kan daarom de waarheidsmaker van genoemde uitspraak worden genoemd. Welnu, het lijkt niet onredelijk om te beweren dat meer in het algemeen uiteindelijk iedere ware uitspraak een waarheidsmaker moet hebben [1]. Zo'n waarheidsmaker moet dan natuurlijk wel bestaan. Iets dat niet bestaat kan immers niets, en dus ook niet iets waarmaken.
Neem nu historische uitspraken, zoals de uitspraak dat Nederland in 1974 de WK finale verloor. Deze uitspraak is ontegenzeggelijk waar. Daarvoor is immers meer dan voldoende bewijsmateriaal. Het zou volstrekt onzinnig zijn om, gegeven al dit bewijsmateriaal, te betwijfelen of Nederland in 1974 het WK verloor [2]. Maar, wat is dan haar waarheidsmaker? Welke bestaande stand van zaken maakt deze uitspraak op dit moment waar? Iemand die meent dat het verleden niet minder reëel is dan het heden, dat wil zeggen, niet minder bestaat dan het heden, zou kunnen beweren dat het verleden genoemde uitspraak nu rechtstreeks waarmaakt. Het ook nu nog werkelijk bestaande verleden is in dat geval op dit moment de waarheidsmaker van deze en van alle andere ware historische uitspraken. Kortom, wie zegt dat het verleden zelf ware historische uitspraken waarmaakt veronderstelt dat het verleden ook nu nog bestaat. Iets dat niet bestaat kan immers zoals gezegd helemaal niets waarmaken. Het lijkt echter nogal implausibel om te beweren dat het verleden ook nu nog bestaat. Immers, het verleden was ooit, maar is niet meer. Het 'nu' bestaat, maar het 'toen' bestaat niet meer. Het antwoord dat het verleden optreedt als waarheidsmaker is daarom niet echt overtuigend.
Zijn er andere antwoorden mogelijk? Welnu, een determinist zou kunnen beweren dat de huidige configuratie van alle elementaire deeltjes in het universum de waarheidsmaker betreft van alle ware historische uitspraken. We kunnen immers in beginsel vanuit de huidige configuratie terugrekenen naar iedere willekeurige gebeurtenis uit het verleden, aldus de determinist. Dit lijkt mij echter evenmin een houdbaar antwoord. Zo meen ik dat er vrije wilsacten bestaan. Het bestaan van dergelijke acten is echter in tegenspraak met het determinisme. Terugrekenen is gegeven het bestaan van vrije wilsacten onmogelijk, zelfs in principe.
Maar wat is dan datgene op grond waarvan alle ware historische uitspraken op dit moment waar zijn? Er moet toch iets zijn dat deze waarheid nu objectief waarborgt? Er moet iets zijn dat er nu in objectieve zin voor zorgt dat mijn uitspraak dat Nederland in 1974 het WK verloor inderdaad waar en niet onwaar is. Theïsten kunnen wellicht wijzen op God. God herinnert zich het verleden perfect, en kan bovendien niet anders dan zich het verleden perfect herinneren. Precies daarom zijn Gods herinneringen, aldus de theïst, op z'n minst in indirecte zin te begrijpen als de waarheidsmakers van historische uitspraken. Iemand die vandaag zegt dat Nederland in 1974 de WK finale verloren heeft spreekt de waarheid. En de enige objectieve grond voor het vandaag waar zijn van zijn of haar uitspraak is dat zijn of haar uitspraak in overeenstemming is met de herinneringen van God.

[1] Waarheidsmakers kunnen in plaats van standen van zaken ook gebeurtenissen zijn. Zo is de waarheidsmaker van de ware uitspraak 'Jij bent aan het lezen' de gebeurtenis dat jij aan het lezen bent.
[2] Het gaat hier dan ook niet om de epistemische vraag naar het rechtvaardigen van beweringen op grond van bewijsmateriaal. Het gaat daarentegen om een volstrekt andere vraag, namelijk de ontologische vraag naar dat wat er in objectieve zin voor zorgt dat een bewering überhaupt waar is, ofwel de vraag naar dat wat een bewering in de eerste plaats waarmaakt, geheel los van de vraag of wij al dan niet over afdoende bewijsmateriaal voor deze bewering beschikken.

http://www.filosofieblog.nl/blog/emanuel-rutten/3257/waarheidsmakers-van-historische-waarheden/

Beste Emanuel,
Een mooie tekst.
Een korte tektst, een verademing, voor herhaling vatbaar.
Een mooie tekst.
Wat zeg ik, een mooi kunstwerkje!
Een perpetuum mobile.

Wat is de waarheidsmaker?
De waarheidsmaker is God.
Wat is God?
God is de waarheidsmaker
Wat is de waarheidsmaker?
De waarheidsmaker is God.
Wat is God?
God is de waarheidsmaker
Wat is de waarheidsmaker?
De waarheidsmaker is God.
Wat is God?
God is de waarheidsmaker
Wat is de waarheidsmaker?
De waarheidsmaker is God.
Wat is God?
God is de waarheidsmaker.

Ad infinitum.

Logica is een rad, een waterrad.
Zolang je in het rad zit moet je blijven stappen.
Wordt u daar niet moe van?

Nu, toevallig heb ik ooit nog een cursus "etymologie van de verkeersborden" gevolgd.
Dat was best wel interessant.


Zo weten weinig mensen waar een eenvoudig verkeerbord als "verboden toegang voor voetgangers", waar dat eigenlijk vandaan komt. Volgens die cursus is dat bord meer dan waarschijnlijk één van de oudste verkeersborden ooit, het bord waar alle andere verbodsborden van zijn afgeleid.
Waar komt dat rondje nu eigenlijk vandaan?
Wel, dat stond vroeger dus naast zo'n rad.
"Verboden het rad te betreden."

dinsdag 6 december 2011

Samuel Beckett


Nu ben ik toch eens benieuwd wat ze gaan weten te zeggen!


Zeg Albert, hebt gij daar iets van gehoord, dat dat roken mishandeling is?


Wablieft? Roken mishandeling?


Allé hij weet weer van niks zenne.


Awel da's straf. Nu dat ge 't zegt, da staat hier allemaal op papier.


Daar moeten we toch eens over nadenken.


Heel diep nadenken.


Ik geef het op Albert.


Ge zegt daar iets.


Maar dat ze binnenkort niks komen zeggen over nagelbijten hé.


Als ge da maar weet!


Allee mannen seg (begint te lachen), een beetje serieus blijven hé...


Nu dacht ik dat dat hier over mij zou gaan!
Ik zou hier begot nog lang kunnen wachten...

zondag 4 december 2011

Frank De Bleekere

In die gevallen waar er discussie is over de betekenis van een woord, zal steeds 'Van Dale' als referentie gelden.
viewtopic.php?f=22&t=107

mis·han·de·ling de; v -en het toebrengen van lichamelijk letsel: dierenmishandeling, kindermishandeling

http://www.vandale.nl/vandale/zoekServi ... shandeling

Stelling:
"roken in het bijzijn van kinderen is kindermishandeling."
Jean-Jacques Cassiman. (niet onbekend bij Skepp)

Uiteraard onderschrijft Skepp deze stelling.
(Het gaat me louter en alleen om de stelling, niet over bepaalde consequenties die aan de stelling verbonden worden)

Willem Betz:
"roken in het bijzijn van kinderen is kindermishandeling."
Jean-Jacques Cassiman. (niet onbekend bij Skepp)

Uiteraard onderschrijft Skepp deze stelling.
(Het gaat me louter en alleen om de stelling, niet over bepaalde consequenties die aan de stelling verbonden worden)


Ik kan me niet herinneren dat het bestuur van SKEPP hierover een standpunt heeft ingenomen, dus: slik weer in aub.
Even serieus: die stelling is veel te ongenuanceerd om door skepp te worden aanvaard.
In eigen naam: het blootstellen van kinderen aan potentieel gevaarlijke atmosfeer moet zoveel mogelijk vermeden worden, maar hoe giet je dit in een vorm zonder absurde gevolgen te verwekken ? Spelen hierbij een rol: de soort pollutie (tabak, dieselwalmen, kampvuur, open haard...) maar ook de duur van de blootstelling, de concentratie...spelen een rol. Zou het kijken naar een dieselautobus aan de overkant van de straat ook mishandeling zijn ?
Zoals ik hierboven uitgebreider schreef, er is ook een rolmodel of voorbeeldrol die negatief kan zijn, maar om dat nu mishandeling te noemen, dat lijkt me eerder iets voor de vriendjes van de taliban.



Johan Bosmans:
willem_betz schreef:Even serieus: die stelling is veel te ongenuanceerd om door skepp te worden aanvaard.


Sinds wanneer hebben "nuances" iets te maken met logica?
Er zijn twee premissen en één conclusie.
premisse 1: roken in het bijzijn van kinderen veroorzaakt lichamelijk letsel.
premisse 2: het toebrengen van lichamelijk letsel is mishandeling.

conclusie: roken in het bijzijn van kinderen is kindermishandeling.

Concreet blijven meneer Betz:
is de redenering fout?
is premisse 1 fout?
is premisse 2 fout?

Willem Betz:
johan bosmans schreef:
Sinds wanneer hebben "nuances" iets te maken met logica?
WB: sinds eeuwen:zo zou je kunnen zeggen "water doodt kinderen" dat klopt als ze er in verdrinken, niet als ze het drinken. Snappie ?
Er zijn twee premissen en één conclusie.
premisse 1: roken in het bijzijn van kinderen veroorzaakt lichamelijk letsel.
premisse 2: het toebrengen van lichamelijk letsel is mishandeling.

conclusie: roken in het bijzijn van kinderen is kindermishandeling.

Concreet blijven meneer Betz:
is de redenering fout?
is premisse 1 fout? WB: soms wel, soms niet, zie nuance hierboven
is premisse 2 fout? WB: soms wel, soms niet, denk bijv aan sommige medische ingrepen. Uit premisses die soms fout zijn kan je geen universeel valabele conclusies trekken. Snappie ?


Johan Bosmans:
willem_betz schreef:Uit premisses die soms fout zijn kan je geen universeel valabele conclusies trekken. Snappie ?


Ik denk dat ik het snappie.
En u?
Is de driedeling van een hoek mogelijk?


Willem Betz:

 

bosmans heeft het er blijkbaar nogal moeilijk mee om toe te geven dat hij fout was. Zijn vriendelijke vraag of ik mijn eigen teksten wel begrijp is ontroerend lief :wink:


Johan Bosmans:

willem_betz schreef:bosmans heeft het er blijkbaar nogal moeilijk mee om toe te geven dat hij fout was. Zijn vriendelijke vraag of ik mijn eigen teksten wel begrijp is ontroerend lief :wink:



Beste meneer Betz,
Ik moet u helaas teleur stellen. Ik ben niet lief.
U antwoordt niet op mijn vraag. Dat is verstandig.
viewtopic.php?f=7&t=2662#p71910
Ik speel schaak meneer Betz.
Omdat ik het er nogal moeilijk mee heb om te verliezen heb ik de onhebbelijke gewoonte om pas beginnen te spelen als de tegenpartij al schaakmat staat.
U antwoordt niet omdat u een verstandig man bent en omdat u een aantal zetten vooruit kan denken. U weet waar ik u naar toe zal drijven als u antwoordt.
"Why do you want to play. You are dead."
Geen fatsoenlijk spel zonder fatsoenlijke regels.
Geen discussie zonder duidelijke definities. Ik denk dat u zich daar toch wel kan in vinden.
Definities van "soms wel, soms niet", daar geraken we geen stap mee vooruit. In dat geval belanden we in een oeverloos geëmmer waarin de definitie een weergave is van een opinie. Er is geen "mishandeling" versus "juisthandeling". Voor de ene is het geven van een tik aan een kind "mishandeling", voor de andere is het "juisthandeling". Voor de aanhanger van de sharia is het afhakken van de hand van de dief geen "mishandeling" maar "juisthandeling".
"Het toebrengen van lichamelijk letsel is mishandeling"
Dat is de definitie.
Dat is de definitie omdat u in uw huisregels hebt vastgelegd dat "Van Dale" de definitie van een woord vastlegt.
Misschien kan u meneer Cassiman eens uitnodigen voor een spelletje schaak.
"chirurgie is mishandeling".
Schaakmat meneer Cassiman.
 

Willem Betz:

jb,
Ik speel schaak

Als het voor jou onmogelijk is om de forumregels te begrijpen, ga dan elders spelen of hoeken delen.
Dit is een verwittiging = gele kaart !

zaterdag 3 december 2011

Hugo Matthysen

 

http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/De-Gedachte/article/detail/1357405/2011/12/03/Wie-zoet-is-krijgt-lekkers-wie-stout-is-Rilatine.dhtml

Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is Rilatine


03/12/11, 09u44
Wie zoet is krijgt lekkers, dat is bekend, maar wat moet de goedheiligman in moderne tijden met stoute kinderen aan? Hugo Matthysen adviseert. Matthysen is schrijver, filosoof en columnist. Hij is scenarist van de tv-serie Dag Sinterklaas.
  • Als er nu toch stoute kinderen zouden zijn, hoe zou de Sint die dan moeten straffen? Met de roe? Geen hond die nog weet wat dat is. Er zijn nog slechts twee roeden in omloop: de gordijnroe, en de traploperroe
Iemand vertelde mij over een heftige discussie met een Hollandse mevrouw. Waar het om draaide was: "Wat die Belgische Sint doet is helemaal fout. Zomaar even komen vertellen dat er dit jaar geen stoute kinderen zijn. Pedagogisch totaal onverantwoord, want stoute kinderen bestaan nu eenmaal!" Er kwam verder nog wat 'besodemieterd' en 'is die Sint nou helemààl!' aan te pas. Toen ik dat hoorde dacht ik: ja, daar zit misschien wel wat in. Het opent interessante vertelperspectieven. Volgend jaar kan de Sint, op het balkon van het Antwerpse stadhuis, misschien het volgende zeggen: "Ik ga nu even in mijn boek kijken. Oei! Wat zie ik? Zwarte Piet, zeg dat het niet waar is. Er zijn dit jaar maar liefst achtendertig stoute kinderen. Achtendertig! Ik ga geen namen noemen, maar de kinderen weten goed genoeg over wie het gaat!" Wees maar zeker dat menig kind dan schuldbewust in het ijle zal beginnen staren, en nog een week lang met hangende schouders zal rondlopen. Het is een truuk die zo oud is als de straat. Ongeveer even oud als de katholieke kerk dus.

Eén van de vele voordelen van een katholieke opvoeding is dat je daar zulke technieken leert. Toen een priester ons met enige wellust in zijn stem seksuele voorlichting gaf in de tweede middelbare klas, zei hij op het einde van de lessenreeks haast terloops: "O ja, er is nog één ding dat we niet hebben besproken: de zonde van de zelfbevrediging. Maar ik geloof niet dat er in deze klas één jongen zit die tot dergelijke laaghartige, weerzinwekkende dingen in staat is! Handelingen die van een mens nog minder dan een beest maken, want een beest heeft geen geweten!" Daarna liet de man een stilte vallen, waarbij hij zijn blik over de aanwezige dertienjarigen liet dwalen. Als dertienjarigen één hobby hebben, dan is het wel dat. En als je een geestelijke bent, dan is geestelijke terreur natuurlijk een kolfje naar je hand. Daarbij vergeleken was de leraar biologie maar niks. De sukkel moest in dezelfde periode raar genoeg ook de voortplanting behandelen. Hij begon zijn les met de woorden: "Vandaag gaan we het hebben over de voortplanting van het konijn." Bij het woord 'konijn' kreeg hij al een kleur. Hij had nochtans een vrouw en kinderen. Maar het moest nog 1970 worden.

We zijn al stevig afgedwaald, zult u zeggen. Maar u vergist zich, het gaat om die geestelijke terreur. Toen de Sint dit jaar zijn grote boek opensloeg om de Grote Vraag te beantwoorden (zijn er dit jaar stoute kinderen?), was er een kleintje dat vanop de eerste rij met een fijn stemmetje riep: 'Ik ben braaf geweest!' En het hoera-geroep dat opstijgt na de mededeling dat er dus géén stoute kinderen waren, komt uit de grond van het hart. Ook dat van de volwassenen, die meevoelen met hun kroost. Ik heb al vaak hoera-geroep en andere toejuichingen gehoord, maar nooit met die emotionele diepgang. Ik kan mij wel voorstellen dat de vreugdekreten bij de bevrijding van de Chileense mijnwerkers vorig jaar vergelijkbaar waren, maar daar was ik niet bij, dus daar ga ik geen oordeel over vellen. Moet de Sint al die lieve kindertjes platbombarderen met koude feiten over jeugdig wangedrag? Ik denk van niet.

En trouwens, als er nu toch stoute kinderen zouden zijn, hoe zou de Sint die dan moeten straffen? Met de roe? Geen hond die nog weet wat dat is. Er zijn nog slechts twee roeden in omloop: de gordijnroe, en de traploperroe. Moet je dan tegen je kind zeggen: "Als je stout bent krijg je zo'n lange dikke bezemsteel waar je gordijnen aan kan ophangen, en als je héél stout bent krijg je daar nog eens een koperen staaf van vijftig centimeter bovenop, en als je jarenlang stout blijft kan je op den duur een traploper op zijn plaats houden met je collectie!"?

Overigens is het woord stout niet meer van deze tijd. Ik denk niet dat je daar bij een schoolpsycholoog mee moet afkomen. Kinderen zijn hyperactief, ze hebben concentratieproblemen, gedragsstoornissen, ze kunnen niet met gezag omgaan. Of ze kunnen hun gevoelens niet uiten en lijden aan opgekropte boosheid. Moet de boodschap dan zijn: wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is Rilatine? Om te beginnen is dat moeilijk zingbaar, want Rilatine heeft twee lettergrepen meer dan 'de roe'. En het stigmatiseert kinderen die Rilatine slikken: ze worden voor stout versleten. Terwijl ze net niét stout zijn, want ze slikken Rilatine! Nee, de Sint zou zich op erg glad ijs begeven als hij daar over zou beginnen. En dan heb je nog ouders die de homeopatische godsdienst aanhangen. Voor hun kinderen moet de mededeling dan luiden: wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is een Bachbloesemtherapie. Als we aannemen dat de doelgroep pakweg twee tot zeven jaar oud is, lijkt mij dat allemaal veel te ingewikkeld.

Het is ook onpraktisch. De kinderen zouden dan voorafgaand aan het Sinterklaasbezoek een briefje meekrijgen, waarop de ouders moeten aanduiden of ze voor de klassieke geneeskunde zijn, of voor de alternatieve. Als de Sint dan op school komt worden de kinderen in twee groepen verdeeld, die elk een andere versie van de stoomboot zingen... Alsof de leerkrachten al niet genoeg rompslomp aan hun hoofd hebben.

Laat ons het maar bij die roe houden, al zijn er heel wat kinderen die denken dat het een eigennaam is: Deroe. Wie stout is mag volgens hen bezoek verwachten van een zekere Deroe: ongetwijfeld een nare, wat oudere man met een voornaam die geen slechtheid doet vermoeden, want dat maakt het alleen nog maar erger. Bert Deroe. Thomas Deroe. Hendrik Deroe. Ik heb net even gegoogeld, kwestie van geen Vlaamse Deroes tegen het hoofd te stoten, en in Amerika lopen er een paar rond. Bij ons niet. Er bestaat zelfs een Deroe Technologies Group in Tennessee. Dat is eigenlijk goed nieuws voor de kinderen. Die kerels gaan nooit helemaal van de US naar hier komen om wat kinderen die rijp zijn voor de Bachbloesemtherapie te komen treiteren, die hebben namelijk een bedrijf te runnen.

Vroeger hadden wij onze eigen Vlaamse versie van Bert Deroe - die dus eerder James of Robert zal heten. Wij hadden de Bietebauw. 'Kleine, kleine stouterik! Durft gij moeder tergen? Wacht, ik zal hem roep, ik! Uit de zwarte bergen!' dat zongen kinderen voor hun moeder, en dat kwam ongetwijfeld aan. In het eerste leerjaar kregen wij naast lezen en rekenen ook onderricht over de levenswijze van Moorke Pek. Dat was een gemeen zwart ventje dat in de hel woonde en langs een tunnel naar boven kon. Zijn geheime wapen was een anker met een lang touw. Als je stout was (ander gedrag was nog niet uitgevonden) kwam Moorke Pek 's nachts in je slaapkamer. Hij sloeg het anker in je buik, en met dat lange touw trokken de duivels je dan de hel in. Moorke Pek sloeg zich daarbij op de knieën van de pret, en zijn akelig gelach weerklonk tot aan eenzame hoeven aan verre steenwegen. Vergeleken bij deze twee afgrondelijke griezels zijn de Deroes gewoon lachwekkende sukkels.

Het is tijd om conclusies vast te knopen aan deze bescheiden studie. Ik zou zeggen: misschien moet de Sint maar blijven volhouden dat er geen stoute kinderen zijn. Om het simpel te houden. En laat die roe ook maar voor wat hij is.


HUGO MATTHYSEN FOR SINTERKLAAS !!!!

    vrijdag 2 december 2011

    Jean-Jacques Cassiman

    Filip Dewinter zegt wat u denkt.
    Dat staat op zijn website.
    Nooit gedacht dat ik Filip Dewinter ooit gelijk zou geven.
    “De waarheid mag gezegd worden”.
    Dat is wat u denkt.
    Of “de waarheid moet gezegd worden” zelfs.
    http://www.deredactie.be/permalink/1.1079227

    "De waarheid mag gezegd worden."
    Staat dat op de website van Filip Dewinter?
    Neen, dat was een grapje.
    “Wat niet lachend gezegd kan worden is de waarheid niet.”
    Dat is wel één van zijn uitspraken.
    http://www.filipdewinter.be/category/interviews/page/3

    Nu associeerde ik Filip Dewinter niet meteen met een lachebekje, dus dat is een aangename verrassing. 
    Wat mij ook verraste (Ja, de wegen van het brein blijven moeilijk om volgen) was de nieuwe campagne van de Vlaamse Liga tegen kanker.




    Nu, als ik er niet zo rotsvast van overtuigd zou zijn dat de waarheid een illusie is, ik zou Filip Dewinter gelijk geven.


    P.S. @ Jean-Jacques Cassiman.
    "Een kankerdiagnose behoort tot wat men in vaktermen "medisch bedreigende informatie" noemt. Slecht nieuws, zeg maar, een bericht dat nooit welkom is. En toch, eens de waarheid gekend is, moet ze gezegd worden. Meteen? Helemaal? Aan wie wél? Aan wie niet? Het zijn vragen waarvoor geen pasklare antwoorden bestaan. "
    http://www.tegenkanker.be/als_het_slecht_nieuws_de_waarheidsmededeling

    "Vragen waarvoor geen pasklare antwoorden bestaan."
    Is dit een lachertje?

    donderdag 1 december 2011

    Charles-Ferdinand Nothomb

    Er is nog hoop!


    http://www.boekenlurk.nl/a-7996483/geschiedenis/charles-ferdinand-nothomb-de-waarheid-mag-gezegd-worden




    De waarheid mag gezegd worden. Politici in Belgie.
    "Door zijn ontslag als vice-premier en minister van Binnenlandse Zaken na de
    affaire Happart heeft Charles-Ferdinand Nothomb de kans gekregen om op 50-jarige leeftijd even op adem te komen en de dingen eens rustig van een zekere afstand te bekijken. Hij is een eerlijk en rondborstig man. De waarheid moest hem van het hart en dat is dan ook het centrale thema van het boek geworden. De publieke opinie heeft zich twee vragen over hem gesteld: Wat is er precies gebeurd op die tragische nacht in het Heizelstadion, waarbij sommigen hem hebben verzocht zijn ontslag als minister te geven? Wat is in zijn ogen de betekenis en de draagwijdte van de affaire Happart? De auteur gaat deze vragen niet uit de weg. (...) Een
    ontwapenend en vrijmoedig boek van een rechtschapen en integer man."

    Paperback, 287 p., uitgave van Elsevier Brussel, 1987.
    Wat vergeeld maar verder prima.

    In dat laatste zinnetje ligt al mijn hoop.
    Het is toch al een beetje vergeeld!
    Wist u al wat mijn lievelingskleur was?
    Nee?
    Ik ook niet.
    Het "wordt" geel!

    dinsdag 29 november 2011

    Dries Van Dijck & Jan Paternoster

    Er is me de afgelopen dagen iets vreemds overkomen.

    Zoals een topsporter die er alles aan doet om te pieken op dat ene moment.
    Het WK of het EK of de olympische spelen of welk doel dan ook.
    Op dat ene moment moet en zal hij er staan.

    Nog een betere vergelijking misschien:
    Zoals een brandweerman die elke dag zijn brandslang keurt, die zijn fysiek onderhoudt om in sneltempo die paal af te glijden, die het rampenplan uit het hoofd heeft geleerd en die zijn Eerste Hulp Bij Ongevallen beter onder de knie heeft dan een chirurg.
    Want op dat ene moment moet en zal hij er staan.

    Zo voelde ik me.
    En toen was er het snerpende geluid van de sirene.
    Plots was er filosofie in de krant en op TV, naar aanleiding van een lezing door Zizek stond "relativisme" plots in de actualiteit.
    Het moment was aangebroken.

    http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=VF3IR2TO
    http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=2S3IS0LJ
    http://kristienbonneure.deredactie.be/2011/11/29/over-de-negende-van-beethoven-een-starbucksgeweten-en-the-sound-of-music-als-walgelijkste-film-aller-tijden/

    En...
    En...
    En zo goed als niets kreeg ik over mijn lippen. Mijn pen was uitgedroogd.
    Of waren het mijn hersenen?
    Ik wilde heuse opstellen schrijven.
    Maar meer dan een paar woorden kreeg ik niet op papier.
    Echt wel vreemd, een akelige stilte.
    Zoals de stilte die valt in een groep van mensen die aan het discussiëren zijn over welke soort van wit het gaat, de stilte die valt wanneer er iemand, als een duivel uit een doosje een paar woorden laat vallen: volgens mij is het zwart.

    Mijn brein is de zwarte doos waarin de laatste woorden zijn geregistreerd.
    Mijn brein wordt geteisterd door een deuntje dat alle andere gedachten de kop indrukt.

    All that I got
    My perception
    All that I got
    My perception
    All that I got
    My perception
    All that I got
    My perception
    All that I got
    My perception
    All that I got
    My perception
    All that I got
    My perception
    All that I got
    My perception
    All that I got
    My perception
    All that I got
    My perception
    All that I got
    My perception
    All that I got
    My perception

    http://blackboxrevelation.com/lyrics/my-perception/my-perception/
    http://blackboxrevelation.com/




    Toch even checken bij dokter House.

    zondag 27 november 2011

    Herman Finkers

    Zondag vandaag.
    De dag des heren.
    U gelooft het nooit, maar het is tijd voor de zondagsmis:



    'De veertigste van Mozart en de liedjes van Jacques Brel
    zijn ook ooit verzonnen', zei ik, 'toch bestaan ze wel.
    Iets kan zijn verzonnen en daardoor juist bestaan.
    Dat soms iets niet verzonnen is, neemt men zomaar aan.'

    Dus daarboven in de hemel zien wij elkander weer,
    daar maakt Andries Knevel ruzie met de Heer:
    'Zoals 't er hier aan toe gaat', zegt hij, 'strookt niet met de leer.'
    'Dat klopt,' zegt God,
    'en daarom heerst er hier zo'n fijne sfeer.'

    zaterdag 26 november 2011

    Jean-Pierre Rondas

    http://opinie.deredactie.be/2011/11/26/de-g1000-en-het-democratisch-verdriet-van-belgie/

    De G1000 en het democratisch verdriet van België 26 / 11 / 2011
    Het wordt wel snel stil rond de G1000, het goedbedoelde burgerinitiatief op het getouw gezet door David van Reybrouck. Te snel. We weten ook bitter weinig over wat er op de G1000-dag op 11 november nu eigenlijk door de 704 participanten werd aanbevolen. Ik vind dat jammer, want ik had zelf een heel goeie reden om daar veel van te verwachten.
    Deze reden had te maken met mijn opvatting van de natie. Voor mij is de natie immers helemaal niet de homogeniseringsmachine waartoe men ze vaak wil reduceren. In deze interpretatie zou een natie gewoon alle lidmaten tot assimilatie willen dwingen. Er zou geen plaats zijn voor diversiteit. Het is eerder omgekeerd: de natie is de conflictzone, het oord waar de antagonisten (tegenstanders, geen vijanden) elkaar politiek kunnen en mogen bestrijden. De plek waar het georganiseerde meningsverschil plaatsvindt, is juist de natie. Waar anders?
    Overleg
    Daarom is het helemaal geen onzinnig idee om ruimte te bieden aan dat andere facet van de parlementaire democratie, namelijk de deliberatie. Daarmee is de democratie historisch ook begonnen: met het gezamenlijke overleg van de kiesgerechtigde burgers op de Atheense agora of op het Zwitserse dorpsplein. Deliberatieve democratie niet als alternatief voor de volksvertegenwoordigende democratie, maar als aanvulling ervan, net zoals er soms golven van directe democratie (onder de vorm van referenda) nodig zijn om zaken recht te trekken die zowel in de deliberatie als in de representatie krom zijn gebleven. Komt daar nog bij dat de natie zelf een soort doorlopende deliberatie is of idealiter zou moeten zijn.
    Deelname
    Wie zoals ik dat alles gelooft, gelooft ook in de noodzaak van meer participatie in de privébedrijven en overheidsbedrijven (zoals bijvoorbeeld de VRT), van meer inspraak van de basis in de politieke partijen, en van democratisering van de Rooms-Katholieke kerk. Allemaal organisaties die ons er bij tijd en wijle terdege aan herinneren dat ze ‘geen democratieën’ zijn. Jammer genoeg beschouwt men daar de democratie als een soort anarchie waarmee het bestuur hoegenaamd niet kan werken of niet snel genoeg beslissingen kan nemen. Democratie heeft een slechte naam in dergelijke beslissingspiramides. Het zou goed zijn voor de democratische opvoeding van de burger als overal van onderuit werd gewerkt: het zou meteen ook afverven op de politieke democratie. Wat wil men ook van de burger? Er is in de hele maatschappij nauwelijks een plek waar hij of zij de democratie aan den lijve kan ondervinden!
    De troebele hoogdag
    Ik was dus erg nieuwsgierig naar het verloop van de G1000, en meer specifiek naar de G1000-dag zelf op 11 november 2011. Tenslotte had de Groep zelf de democratie tot zijn onderwerp en zijn voorwerp uitgeroepen. Op dit domein hebben deze mensen wel degelijk verwachtingen geschapen, bij zoverre dat de overlegdemocratische vorm soms als belangrijker werd voorgesteld dan de besproken inhoud.
    Ik heb dit fenomeen met een democratische blik willen bekijken. Ik heb geprobeerd niet op mijn luie oog over te schakelen, maar juist afwisselend verrekijkers en microscopen in te zetten. Maar het lag niet aan de lenzen of de glazen. Wat ik zag was zelf troebel. De G1000 zegt te geloven dat mensen iets te vertellen hebben over de samenleving. Maar wat exact de 704 aanwezigen op de G1000-dag over die samenleving te vertellen hadden, dat komen we niet te weten, ook niet op de webstek van de G1000. Die zwijgt daarover in alle talen. Daarom is de burger wat betreft de aanbevelingen van zijn 704 vertegenwoordigers grotendeels afhankelijk van de externe berichtgeving en de sfeerbeelden in Franstalige, Nederlandse en Vlaamse media. Wat men daar leest en hoort is merkwaardig.
    Zouden de geruchten kloppen dat één van de aanbevelingen luidde, dat de verpakkingen van geneesmiddelen kleiner moesten? Dat men komaf moest maken met het profitariaat? Dat de werkloosheidsduur korter moest? Dat immigratie beperkt hoorde te worden? Dan rijst de vraag, of het niet voorspelbaar was dat uit dit zogenaamd wetenschappelijk begeleide systeem, dit soort verzuchtingen boven zou komen drijven. Samen met de nog veel prangender vraag naar wat het opvolgcomité van 32 burgers (volgens de initiatiefnemer vooral gekozen op basis van de diversiteit) met dit materiaal kan beginnen. Maar wat me werkelijk verontrustte, was de afwezigheid van twee belangrijke onderwerpen: de democratie zelf, en de ruimte waarin deze zich afspeelt.
    De afwezige democratie
    Uit een eerste vragenronde die honderden suggesties opleverde werden 25 vragen geselecteerd. Daaruit koos het bestuur dan weer drie dagthema’s ter deliberatie. Bij deze 25 vragen waren er zes over het communautaire probleem in België, vijf over de democratie zelf, en vier over openbare financiën. De overblijvende tien waren moeilijk in te delen varia. Maar de dagthema’s werden niet uit de voornoemde meerderheidsclusters gekozen, dus ook niet uit de wetenschappelijk geoogste vragen over democratie, terwijl de problematisering van de democratie toch de bestaansreden van dit burgerinitiatief was. Waarom wou men daarover dan niet reflecteren?
    Het was al begonnen met een zeer dubbelzinnige communicatie over het wenselijk aantal verkiezingen in België. De boodschap was duidelijk: er waren of er zijn er teveel. In de uitgebreide versie van het manifest staat als punt 13 de ondertussen in alle hoofden gebeitelde zin, dat onze democratie ‘verworden’ is tot ‘een dictatuur van de verkiezingen’ (in de samenvattende versie staat diezelfde zin onder punt 6). Een nogal grove uitspraak die niet alleen aantoonbaar onjuist is (er zijn hier, in vergelijking met andere staten, zeker niet meer verkiezingen), maar die ook een loopje neemt met het wezen van het federalisme. Mensen die vinden dat er teveel verkiezingen zijn, zowel van het standpunt van de kiezende burger als van de te verkiezen politicus, vinden namelijk meestal dat de regionale en de federale verkiezingen moeten samenvallen, zodat de uitslagen tot parallel samengestelde regeringen kunnen leiden. Dit is zeker geen federalistische optie, integendeel. Men geeft hier de indruk dat het federalisme van artikel 1 van de grondwet in de praktijk omzeild mag worden.
    Dubbelzinnigheid
    Daarover is de G1000 nooit met zichzelf in het reine gekomen. Tijdens de hoogdag in de turnzaal van Thurn & Taxis te Brussel vroeg een journalist aan de woordvoerster of dit evenement voor herhaling vatbaar was. Natuurlijk gaan we daarmee door, antwoordde ze, ‘want verkiezingen zijn er maar om de vier, euh, vijf jaar’. Ik vond dit een veelzeggende verspreking. In één beweging gaf ze aan dat er nu eenmaal slechts om de zoveel tijd verkiezingen zijn, maar ook dat ze op de hoogte was van Di Rupo’s plan om die tijd tot vijf jaar te verlengen. Enerzijds waren er dus te weinig volksraadplegingen (‘slechts om de vier jaar’), maar anderzijds dan toch nog teveel (‘euh, vijf’).
    Dezelfde dubbelzinnigheid bij de initiatiefnemer zelf: na afloop beweerde hij dat het initiatief zich helemaal niet tegen een vermeend teveel aan verkiezingen had gericht. Het bleef niet bij deze ene ondemocratische reflux. Niet alleen wat betreft het aantal, maar ook wat betreft de kostprijs van de verkiezingen kon men in die entourage bedenkelijke uitspraken noteren. Zoals de oprisping, dat dit toonbeeld van deliberatieve democratie a rato van 500 € de man, toch goedkoper was dan gewone verkiezingen. De deliberatieve democratie werd hier wel degelijk tegen de representatieve uitgespeeld. Vooral die ene zin over de ‘dictatuur van de verkiezingen’ heeft onnoemelijk veel kwaad gedaan. Sommige politicologen voelen zich erdoor gesteund om nu maar gelijk verkiezingen om de zeven jaar te vragen.
    Slijtage van het parlementarisme
    Had de G1000-dag dus überhaupt iets te melden over democratie? Helemaal niet. Het is een onderwerp dat hen niet ligt. Tijdens de fysieke deliberatie zelf werd daarover niet gedelibereerd. Was er misschien al voldoende over gezegd tijdens de sensibiliseringscampagne? Werd de reclamemededeling dat hier een alternatief werd aangeboord, als voldoende debat beschouwd? Nochtans wordt vandaag de Europese parlementaire democratie van alle kanten belaagd. Daarom had ik verwacht dat de G1000 zich zou bezinnen over de echte gevaren voor de volksvertegenwoordigende democratie, zoals de alreeds ten uitvoer gebrachte ideetjes over zakenkabinetten, alsmede de nog niet ten uitvoer gebrachte over gaullistische machtsovernames en vijfde republieken. Anderzijds: hadden de initiatiefnemers zich aan zo’n reflectie begeven, dan was al snel de aap uit de mouw gekomen. De democratie is hen namelijk niet zoveel waard als de Belgische constructie. Eerst komt België als staat, dan pas komt de democratie. Maar dat is geen historisch nieuws: dat is sinds 1830 altijd zo geweest. Overal ter wereld zien we vandaag betogingen van systeemcritici. Bij ons scharen hun Vlaamse collega’s zich achter het inert systeem ‘België’, dat de democratie met een serieuze handicap opzadelt. Getuige de 530 dagen ‘onderhandelingen’.
    Het komt er dus niet zozeer op aan een chimerische deliberatieve democratie te installeren, dan wel de representatieve en parlementaire democratie te herstellen. Doordat de burgers de particratie hebben laten begaan, hebben ze de belangrijkste schakel van het representatieve systeem tot brekens toe verzwakt. De uitschakeling van het parlement is de belangrijkste oorzaak van de berucht geworden kloof tussen de burger en zijn politiek. Daarom gaat het eerder om een parlementair deficit. Daaraan is niet alleen de partijtucht schuldig, maar evenzeer de manie om regeringsonderhandelingen te organiseren waarin de belachelijkste details tot de laatste puntjes worden afgeregeld – waardoor het parlement gereduceerd is tot een collectief, machinaal stemhok. Wie het democratische deficit wil aanpakken, moet eerst en vooral het parlement restaureren.
    De slijtageverschijnselen van het parlementarisme, afkomstig van interne en externe wrijving, doen zich overal in de democratische wereld voor. In België echter lijkt de slijtage tot op het bot doorgeschoten. De democratie zit hier op haar rauw vlees. Daarom moet er niet zozeer over de dictatuur van de verkiezingen worden nagedacht, dan wel over de dictatuur van de Belgische structuur.
    De plaats van de democratie in België
    Dat brengt me op het tweede niet ter sprake gekomen onderwerp, dat in de oorspronkelijke vragenlijst van 25 vragen weliswaar het hoogst van alle clusters heeft gescoord, maar dat men toch niet ter behandeling heeft weerhouden. Het gaat om het onderwerp waarvan de burger volgens onze editorialisten niet wakker ligt, en dat is uiteraard het communautaire. Het gaat om de vraag waar de democratie zich afspeelt. Waar bevindt zich de plek van het georganiseerde meningsverschil?
    Het democratisch verdriet van België is het communautair deficit ten koste van Vlaanderen. De stelling van Jules Destrée, straks honderd jaar geleden geformuleerd, dat er ‘geen Belgen’ zijn, heeft geleid tot het reactionaire antwoord dat er inderdaad geen Belgen zijn die gelijk zijn voor de wet. De afschaffing van de parlementaire democratie door de grendelgrondwet van 1970 moest de Belgische staat redden. De Belgische staat kon slechts gered worden doordat men op zijn altaar de democratie offerde.
    Het probleem met de G1000 was dat hij daarover niet kon of wou reflecteren, omdat hij dan eerst had moeten ingaan op zijn statuut zelf. Het ging immers om een Belgisch forum, met een derde tweetalige tafels (met tolk: een aanfluiting van de ware Belgitude dus). De G1000 deed alsof de Belgische politieke ruimte een evidentie is – terwijl zo’n ruimte niet eens bestaat. De G1000 deed alsof de legitimatie van de Belgische constructie géén probleem vormt – terwijl deze staat straks vijf volle jaren verlamd is. Jamaar, zei Van Reybrouck, het communautaire probleem is, dank zij Di Rupo’s Vlinderakkoord, opgelost, dus hoefden we daar gelukkig niet meer over te praten. Zou hij dat echt geloven? Niets is opgelost. De G1000 speelde het klaar om te doen alsof de Vlaamse politieke ruimte niet bestaat. Dat is de dimensie die de G1000 wel ziet, maar die hem tegelijkertijd niet zint, en waarvan deze G1000 dus de aandacht wenst af te leiden. Het gaat in laatste instantie over (naar het woord van politoloog Wilfried Dewachter) de mythe van de Belgische parlementaire democratie. Logisch dat de G1000 dit ‘nationale’ probleem niet op zijn agenda kon zetten: het zou gewoon zelfvernietigend zijn geweest. Nochtans had volgens een Nederlandse verslaggever de teleurstellende opkomst (704 in plaats van de voorziene en bezworen 1000) precies met het communautaire feit te maken: volgens deze bron zijn het voornamelijk Franstaligen geweest die om een of andere reden waren afgehaakt. Ook daarover kregen we jammer genoeg geen cijfers.
    In het licht van deze overwegingen spreekt de keuze voor de drie onderwerpen die wel aan de 704 werden voorgelegd, eveneens boekdelen. Het zijn onderwerpen die het in zich hebben om het forum van de democratie Belgisch te houden. Het eerste onderwerp was de sociale zekerheid. Zoals bekend biedt de sociale zekerheid met zijn ‘interpersoonlijke solidariteit’ de enige inhoud die men nog aan een definitie van België kan geven. Het tweede was de welvaart, en dat is dan weer een Europees verschijnsel, dat we nu eenmaal niet meer in handen hebben. Het derde was de immigratie, en dat gaat over het lidmaatschap van de staat. Zolang als enigszins mogelijk is, geeft de staat dit niet uit handen. De conclusies van het toetsingscomité van de 32 zullen wel in die richting moeten gaan.
    Nuttige vragen
    Twee nuttige vragen had de G aan de opgekomen burgers kunnen stellen. De eerste had moeten luiden: WAAR speelt zich het democratische gesprek af? Op welk forum, in welke arena? De G1000 heeft het niet aangedurfd deze vraag te stellen. Dit verzuim is de belangrijkste reden waarom dit initiatief een stille maar snelle dood zal sterven.
    De tweede nuttige vraag was niet zozeer een overwegingsvraag, dan wel een beslissingsvraag geweest. Ze had moeten luiden: ‘Bent u van mening, ja dan nee, dat een soeverein Vlaanderen 500 dagen op een regering had moeten wachten?’ Of, nog anders gesteld, maar dan in de vorm van een controlevraag bij een quiz: ‘Hoeveel dagen, denkt u, zouden de Vlaamse partijen onderling nodig hebben gehad om een regering te vormen? Kies: zes, zeven of acht dagen?’
    Wat dunkt u, beste lezer?
    Jean-Pierre Rondas

    Wat is het verschil tussen het verwijt (eerst België en dan de democratie) en het alternatief (eerst Vlaanderen en dan de democratie)?
    Wat dunkt u, beste schrijver?

    Hoe een dubbeltje rollen kan. Ik wou al lang iets schrijven over David Van Reybrouck en het initiatief van de G1000.
    Helaas, hij werd niet uitgeloot.
    En nu gaat Jean-Pierre Rondas toch wel niet met de eer lopen zeker.
    Je zal maar pech hebben, zo'n initiatief op poten zetten en dan niet eens vereeuwigd worden in dit blog!
    En wat nog erger is, en dat verwijt ik David Van Reybrouck toch wel een beetje, ik ben volledig mijn vertrouwen verloren in de loterij, ik speel zelfs niet meer op de lotto.

    http://www.nationaleloterij.be/nl/Spelen_en_Winnen/default.aspx
    "Spelen en winnen", dat is het motto van de lotto.
    Om de één of andere reden geloof ik er niet meer in.

    Slavoj Zizek

    http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=VF3IR2TO

    Hoed u voor Slavoj Zizek

    De donkere kantjes van een charlatan

    Denk toch maar even na voor u maandag aan de lippen van Slavoj Zizek hangt, schrijven FILIP BUEKENS en GEERDT MAGIELS. De Sloveense stand-upfilosoof houdt van provocerend gebral, maar dat is allesbehalve onschuldig.
    De rattenvanger van Hamelen leeft! En hij komt naar Bozar. Maandag 29 november zal in de uitverkochte Henri Leboeuf-zaal de intellectuele bourgeoisie zich aan de voeten vleien van de vermeende filosoof Slavoj Zizek. Deze intellectuele clown is een gevierd spreker van de Occupy-beweging en reist met zijn ‘vlijmscherpe analyses' de wereld rond. Hij zal ook in Brussel de culturele elite op sleeptouw nemen met een verhaal over Europa, de financiële crisis, en de naderende apocalyps. (Zizek is, zo zegt hij zelf, een pessimist.) Hij wordt daarbij niet gehinderd door enige kennis van zaken. Zizek heeft het ontegensprekelijke voordeel dat hij alles begrijpt. Dat laat hem toe de toestand van de wereld te verklaren aan de hand van diepzinnige interpretaties van bijvoorbeeld populaire films of consumptieartikelen.

    De voedingsbodem van al zijn inzichten is de ongekroonde keizer van de onduidelijke filosofen: Georg Wilhelm Friedrich Hegel. Alleen achter de dialectische en paradoxale omkering gaat het juiste inzicht schuil. Een tweede pijler van zijn denken zijn de geschriften van de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan. Hij zei het onlangs nog in een interview in deze krant: ‘De tegenstelling is de interne voorwaarde voor elke identiteit'. Zizeks ‘dierbaarste bezit' is het verzameld werk van Hegel, zijn favoriete instrument is een lacaniaans conceptueel surrealisme (DS 20 augustus).

    Gecombineerd met een flinke dosis Marx laat dit hem toe alles te duiden: het kapitalisme, The matrix, antisemitisme, Starbucks, het postmodernisme en de (financiële en ecologische) crisis. In zijn toespraken of optredens (kijk op Youtube) ronkt een breedsprakerige, feitenvrije filosofie. Hij debiteert meningen en intuïties die empirisch kant noch wal raken. Hij schiet in het wilde weg met hagel, en dan is er altijd wel iets dat geraakt wordt. Talloze triviale inzichten hebben we ook zonder Zizek al lang begrepen (jazeker, we leven in een complexe samenleving). Hij is een cut&paste-denker die zo snel van de hak op de tak springt dat men de draad al gauw kwijtraakt: ‘Ik denk zo snel dat ik mezelf wel moet tegenspreken.' Dat hij dit alles als stand-upcomedian presenteert, betekent niet dat we met onschuldige provocaties te maken hebben. Het probleem zit dieper.

    Luguber spookbeeld

    Een cultus van haat en geweld vormt de ondertoon van het discours van deze filosofische charlatan. Hij grossiert in perverse omkeringen: ‘de universele mensenrechten zijn slechts de rechten van westerse mannen', ‘stalinistische terreur is eindeloos beter dan progressief kapitalisme', ‘de strijd tegen racisme is bedekt racisme'. Daarmee cultiveert hij een van de meest manipuleerbare van alle menselijke emoties: ressentiment. Over Hitler beweerde hij dat diens gewelddadigheid ‘niet essentieel genoeg' was (In defence of lost causes). Wat betekent dat, ‘niet essentieel genoeg'? Je kunt dit afdoen als provocerend gebral, maar je kunt het ook als een pleidooi voor daadwerkelijk geweld lezen.

    Talloze Zizek-adepten vinden zijn omkeringen en provocaties ‘intellectueel uitdagend' of minstens ‘verfrissend', maar dat is een reactie waar Zizek zelf lak aan heeft. Je moet hem zorgvuldig lezen, en dan komt, zoals Adam Kirsch in The New Republic enkele jaren geleden heeft laten zien, een luguber spookbeeld naar voren. Onder het warrige discours schuilt een verdediging van het politieke geweld van Robespierre, Mao, Stalin en Lenin, en daarachter schuilt een nog gevaarlijker idee: dat van de politieke utopie die geweld niet uitsluit. ‘Alleen een revolutie brengt ons in contact met het reële.' De Culturele Revolutie van Mao liet ons ‘utopische mogelijkheden' zien. Wat die liet zien, is volgens velen echter wat onvermijdelijk met de dwaasheid van het utopisme verbonden is: terreur.

    Zizek koestert de perverse gedachte van eindeloze, desnoods met geweld afdwingbare verbetering van de wereld en de mens, een gedachte die juist in deze troebele tijden weer opgeld lijkt te maken en waar Zizek, zelfverklaard communist, expliciet ruimte voor creëert. Zonder de ‘Held' (de hoofdletter is van Zizek) is de Gebeurtenis niet mogelijk, schrijft hij in navolging van zijn Franse geestesgenoot Alain Badiou: ‘Terreur als voorwaarde voor vrijheid.' ‘Het domein van zuiver geweld, het domein buiten de wet, het domein van geweld dat noch het recht instelt, noch het recht handhaaft, is het domein van de liefde', staat op de achterflap van zijn boek Geweld uit 2009. Dit is vintage Zizek, dubbelzinnig en dubieus.

    Gevaarlijke nonsens

    Maar we zullen hem wel verkeerd begrijpen. Want zoals een kenner onlangs in De Groene Amsterdammer zei: ‘Zizek wordt door te veel mensen gelezen die hem niet goed begrijpen. Om zijn werk te doorgronden, is jaren studie nodig.'

    (Dat wordt ook van Lacan gezegd. Het is een beproefde techniek om zich te immuniseren tegen kritiek.)

    Diezelfde expert geeft trouwens de sleutel tot dit duistere gedachtegoed: ‘Hij heeft in wezen slechts één gedachte. Dat de realiteit gebouwd is op een probleem dat een probleem zal blijven: de werkelijkheid is een illusie die zichzelf aan haar eigen illusie optrekt. Een samenleving is niet in het “reële”, maar in het “fictieve” gefundeerd: in de betekenis die we er zelf aan geven. Een cultuur stoelt niet op zijn, maar op schijn.'

    De werkelijkheid is dus een constructie, van de Ideologie, die ons met zijn allen in de luren legt. Daarmee verzinkt Zizek in het moeras van het relativisme. Zijn grappen en paradoxen verhullen een diepgaande kritiekloosheid waarin hij alles kan goedpraten, ook gedweep met geweld en andere gevaarlijke nonsens.

    Dat weet Zizek zelf ook: ‘Veel van wat ik schrijf, is nonsens.' Hij maakt alleen niet duidelijk welk stukje dan misschien geen onzin is. En of hij zelf wel weet waar de nonsens ophoudt.
    Prima tekstje. Mijn enige bescheiden opmerking is van taalkundige aard. 'Een moeras is een overgangsgebied tussen water en land.' (wikipedia). Relativisme is geen moeras. Het is water. Men kan er niet in verzinken. Men kan alleen blijven drijven of verdrinken.

    donderdag 24 november 2011

    Madame Blanche

    Onder het motto "engagez-vous" blijven we doorgaan:
    http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/De-Gedachte/article/detail/1352702/2011/11/24/Vergeet-een-kabinet-van-economen.dhtml

    Vergeet een kabinet van economen


    24/11/11, 08u06
    Patrick Loobuyck, als moraalfilosoof verbonden aan de universiteiten van Antwerpen en Gent, ziet geen heil in regeringen die louter uit economische experts en technici bestaan.
    Door de crisis in de regeringsonderhandelingen en de druk die de eurocrisis veroorzaakt, klinkt de roep naar een zakenkabinet steeds luider. Zo een regering zou dan bestaan uit experts en technici, niet uit politici. Griekenland en Italië zijn met de benoeming van niet-politici als Lucas Papademos en Mario Monti alvast in de richting van de technocratie geëvolueerd. Moet België ook die kant op? De vraag is pertinent omdat onze politici op een schandelijke wijze niet in staat blijken om akkoorden te sluiten en tot besturen over te gaan. Het politieke gekrakeel, eerst over de staatshervorming nu over de begroting en het sociaal-economisch beleid is dusdanig uit de hand gelopen dat de indruk ontstaat dat politici het niet meer kunnen en dus maar beter even worden vervangen door nuchtere mensen met kennis van zaken. Technici moeten gewapend met wetenschappelijke feiten en niet gehinderd door electorale overwegingen en politieke ideologie beslissingen nemen om het land terug op het rechte pad te krijgen.

    Deze gedachte klinkt misschien aantrekkelijk, maar ze is bedrieglijk. De experts die nu vaak als opvolgers van de politici genoemd worden, blijken voornamelijk economen te zijn. Zij zouden weten wat we moeten doen om ons uit de crisis weg te leiden. Er wordt hier echter vaak van een verkeerd beeld van de economische wetenschap uitgegaan. Economie is geen positieve wetenschap waarin de werkelijkheid op basis van formules en wetmatigheden voorspeld kan worden. De economie is een gedragswetenschap en behoort tot de menswetenschappen - met alle gevolgen van dien. Wetmatigheden (de wet van vraag en aanbod bijvoorbeeld) en mechanismen die eigen zijn aan het menselijk gedrag kunnen er een voorspellende waarde hebben, maar dit is nooit even sluitend als in de positieve wetenschappen. Economen kunnen onmogelijk de werkelijkheid op een even objectieve manier begrijpen en voorspellen als natuurkundigen dat kunnen. Hoe zinvol economische modellen ook zijn, ze kunnen slechts tot economische prognoses leiden, niet tot wetenschappelijke voorspellingen. En dat economen in hun prognoses fout kunnen zitten, hebben we de laatste jaren aan den lijve moeten ervaren. Alle Nobelprijswinnaars voor economie ten spijt, heeft de economische wetenschap de economische crisis niet zien aankomen, laat staan kunnen vermijden. Een en ander heeft te maken met het feit dat het schier onmogelijk is om alle relevante variabelen in het model te verdisconteren. Maar er ligt ook een probleem bij het uitgangspunt van de economie. Economen vertrekken in hun modellen immers van een specifiek mensbeeld. Deze homo economicus bepaalt zijn keuzes op basis van kosten-batenanalyses in functie van individuele nutmaximalisering in een context van schaarste. Nobelprijswinnaar economie Amartya Sen wijst er echter op dat mensen niet die 'rationele gekken' zijn waarmee economen vaak aan de slag gaan. Menselijk gedrag wordt niet alleen gestuurd door kosten-batenanalyses, maar ook door waarden als vertrouwen en loyaliteit. De crisis in de financiële sector en de schommelingen op de beurs maken pijnlijk duidelijk hoezeer het economisch plaatje op een volstrekt irrationele manier in duigen kan vallen wegens een gebrek aan vertrouwen in partners, landen, aandelen of banken.

    Maar het idee van een zakenkabinet is ook nog om een andere reden bedrieglijk. Aan politiek doen is immers onwenselijk en onmogelijk. Niet alleen hebben de experts niet de noodzakelijke legitimiteit om als volksvertegenwoordiger te spreken, technische experts kunnen ook grondig van mening verschillen over welke richting we met de samenleving uit moeten. De kloof tussen feiten en normen, tussen is niet zomaar te dichten, ook niet door experts. Zij kunnen het over alle feiten eens zijn, maar toch van mening verschillen over de politieke keuzes die je aan die feiten moet verbinden. Politieke keuzes moeten liefst zo goed mogelijk alle wetenschappelijke feiten verdisconteren, maar het is een misvatting te denken dat uit die feiten zomaar politieke beslissingen zijn af te leiden. Men kan berekenen hoeveel extra belastingen opbrengen en wat er te besparen valt met het snoeien in de uitgaven van de welvaartsstaat, maar of men voornamelijk voor de eerste optie kiest dan wel voor de tweede is een politieke keuze.

    Rekenen en tellen

    Mogelijk zijn alle experts het erover eens dat België een stuk van de crisis kan opvangen door de sociale voorzieningen drastisch verder af te bouwen, de vraag blijft of we dat wel op die manier willen doen. Hier kunnen economen wiens hart sociaal-democratisch klopt fundamenteel van mening verschillen met neoliberale economen. Wie aan politiek doet, moet goed kunnen rekenen en tellen, maar rekenen en tellen alleen volstaat niet. Politici vertrekken idealiter van een idee over welke samenleving ze willen en vanuit een opvatting van wat rechtvaardigheid is. Zodra experts aan politiek doen, worden ook zij met politieke en normatieve vragen geconfronteerd.

    Er valt nog te discussiëren over de vraag of wetenschap waardevrij is; maar de vraag of er een waardevrije politiek bestaat is veel gemakkelijker te beantwoorden: nee dat bestaat niet. Economen kunnen een poging doen om naar amorele en apolitieke expertise te streven, maar deze 'positieve economie' die naar het woord van Milton Friedman 'principieel onafhankelijk moet zijn van particuliere ethische posities en normatieve oordelen', kan nooit samenvallen met politiek.

    Experts die aan politiek doen kunnen de schijn van onpartijdigheid en objectiviteit hoog proberen te houden, maar dat is mogelijks gevaarlijke window dressing. Ook wetenschappers kunnen een ideologische agenda hebben. Het lijkt me in dat verband niet onzinnig rekening te houden met de waarschuwing die Max Weber ons meegeeft in zijn bekende lezing Wetenschap als beroep en roeping (1919) dat "waar de wetenschapsbeoefenaar met zijn eigen waardeoordeel komt aandragen, het werkelijke begrip voor de feiten verdwijnt".
     
    Er valt nog te discussiëren over de vraag of wetenschap waardevrij is”
    Allee vooruit dan.
    Stel dat u de vraag met neen beantwoordt.
    In dat geval is uw mening als wetenschapper een waardeoordeel, niet meer of minder waard dan mijn mening.
    Stel dat u de vraag met ja beantwoordt.
    In dat geval stelt zich de vraag of filosofie een positieve wetenschap is.
    Voelt u hem komen?
    “De voorspellende waarde?”
    Voelt u hem komen?
    “Experts die columns schrijven kunnen de schijn van onpartijdigheid en objectiviteit hoog proberen te houden, maar dat is mogelijks gevaarlijke window dressing.”
    Overigens deel ik uw mening “vergeet een kabinet van economen”.
    Maar het lijkt me in dat verband niet onzinnig rekening te houden met de woorden van Desiderius Erasmus: “dat is alleenlick een wijsmakinge”