vrijdag 20 november 2015

Fleur Jongepier


http://bijnaderinzien.org/2015/11/20/waarom-de-vluchtelingenkwestie-geen-goud-wit-zwart-blauw-jurkje-is/#more-1489


Waarom de vluchtelingenkwestie geen goud-wit-zwart-blauw jurkje is


In een recente column stelt Rob Wijnberg dat onze ‘meningen’ over de vluchtelingenkwestie of de dramatische aanslagen in Parijs van dezelfde soort zijn als onze meningen over het goud-witte of blauw-zwarte jurkje (voor de digibeten onder ons, het gaat om dit jurkje—zie ook deze post van Helen de Cruz). Volgens Wijnberg bestaat er wat betreft onze meningen over de jurk geen waarheid, en over de vluchtelingenkwestie evenmin. Wijnberg is niet de enige die hier zo over denkt. Dergelijk relativisme lijkt inmiddels salonfähig te zijn geworden.
Als ik naar de foto met de jurk kijk, zie ik hem als blauw-met-zwart, en ik krijg het niet voor elkaar om hem als goud-met-wit te zien. Wanneer ik naar een foto kijk van Syriërs achter hoge hekken in Hongarije, zie ik vluchtelingen, en krijg ik het niet voor elkaar om hen als gelukszoekers of terroristen te zien. Volgens Wijnberg zijn deze uitspraken dus wezenlijk hetzelfde.
Ik ben het daar grondig mee oneens. En dat is niet zomaar ‘een meningsverschil’.

Onlangs publiceerde Wijnberg zijn column ‘Waarom de vluchtelingenkwestie een goud-wit-zwart-blauw jurkje is’. Hij schrijft:
Het is een fenomeen dat mij al jaren mateloos fascineert: hoe kan het dat wij enerzijds een realiteit delen en anderzijds zulke waanzinnig uiteenlopende dingen zien als wij naar die realiteit kijken?
Zich beroepend op Nietzsche schrijft Wijnberg vervolgens dat wij allemaal, ‘menselijk, al te menselijk’, de neiging hebben om:
onze blik voor waar aan te nemen: de realiteit is wat ik zie. Journalisten, politici en opiniemakers hebben daar zelfs hun beroep van gemaakt: hun perspectief als het juiste propageren.
Wijnberg noemt dit, wederom in navolging van Nietzsche, ‘perspectivisme’. Zonder verdere kwalificaties is dit precies hetzelfde als relativisme*: de positie die stelt dat er geen punt bestaat waarvandaan je de wereld kunt bekijken ‘zoals hij op zichzelf is’. We kunnen de wereld alleen maar begrijpen vanuit ons eigen perspectief. Als we naar een foto kijken zien we volgens Wijnberg ‘ons hele wereldbeeld erin weerspiegeld’. Er is niet één realiteit, er is slechts de realiteit die ik zie.
Waarheid als constructie
Nu steekt Wijnberg niet onder stoelen of banken waar zijn filosofische voorkeur naar uitgaat. In een eerder filosofisch essay over ‘waarheid’ bespreekt hij met sympathie denkers die gemeen hebben dat ze ‘allemaal op hun eigen manier het geloof in een kenbare danwel vindbare Waarheid aan gruzelementen sloegen’. Hieronder schaart hij onder andere Nietzsche, Richard Rorty, Derrida, Heidegger en Wittgenstein (het ontgaat mij overigens waarom de laatste in deze categorie thuis hoort). Volgens deze denkers is ‘waarheid een constructie’:
Waarheid, was de rode draad in hun denken, wordt gegeven noch gevonden: waarheid… wordt door de mens gemaakt.
Volgens relativisten is er strikt genomen geen waarheid – noch over jurkjes, noch over de vluchtelingenkwestie of de aanslagen in Parijs. Als Abe en Bea een foto van asielzoekers in Hongarije bekijken is het heel goed mogelijk dat Abe calculerende gelukszoekers ziet terwijl Bea staart naar vluchtelingen die recht hebben op onze hulp. Abe en Bea kunnen dus slechts hun eigen perspectief rapporteren—hun eigen wereldbeeld.
Het perspectivisme vergelijkt onze opvattingen met onze smaken. Als je zegt dat citroenijs vies is, maak je geen objectieve claim over citroenijs, maar geef je aan dat jij citroenijs vies vindt. Het heeft dus ook geen zin om als kleine kinderen over deze smaken te debatteren. We hebben allemaal gewoon een ander (moreel) smakenpallet.
Het feit dat Abe’s mening diametraal tegenover die van Bea staat is volgens Wijnberg dan ook ‘geen kwestie van ‘domheid,’ ‘naïviteit’ of ‘gebrek aan medemenselijkheid’. ‘Rechtse’ mensen, schrijft hij, ‘koesteren gewoon een ander perspectief, gebaseerd op fundamenteel verschillende – maar daarom niet minder legitieme – waarden. Iets meer empathie voor de andere kant is dus op zijn plaats.’
Problemen met relativisme
Wijnbergs opvatting over de waarde van onze (morele) uitspraken lijken me incoherent en onwenselijk.
Ten eerste zijn de uitspraken van Abe en Bea niet slechts ‘meningen’ (zoals we meningen hebben over citroenijs). Het is niet zo alsof ik ‘vind’ dat we vluchtelingen moeten opvangen en dat Geert Wilders nu eenmaal ‘vindt’ dat dat niet zo is, en dat we maar wat ‘meer empathie’ voor elkaars perspectieven moeten opbrengen. Het zijn geen meningen over twee wereldbeelden; het zijn twee normatieve uitspraken over één en dezelfde wereld.
Dat slavernij, homofobie, seksisme, racisme, moord of mishandeling slecht zijn, is dan ook niet simpelweg iets waarover we simpelweg een ‘meningsverschil’ kunnen hebben . Het gaat hier om een morele uitspraak met een objectiviteitsambitie. Hoe die objectiviteitsambitie gedacht moet worden is een volgende vraag, maar dat dergelijke uitspraken slechts meningen zijn is een controversiële positie die op zijn minst argumentatie behoeft en niet simpelweg kan worden aangenomen als een filosofisch respectabele positie.
Het tweede probleem is nog fundamenteler: relativisme is incoherent. De uitspraak dat ‘relativisme waar is’ kan zelf namelijk nooit waar zijn. Immers, als alles slechts een kwestie van perspectief is, dan is een verdediging van relativisme op haar beurt ook slechts een van de vele perspectieven. Dat de relativist dus wel of niet van citroenijs houdt, is dan net zo ‘waar’ of ‘belangrijk’ als dat hij of zij wel of niet denkt dat relativisme waar is. Het is slechts een weerspiegeling van iemands eigen wereldbeeld—niets meer, niets minder.
De relativist kan dus bijvoorbeeld ook niet zeggen dat Terreur alles met geloof te maken heeft. Tenminste, in zoverre een column meer pretendeert te doen dan één perspectief te laten zien die verder geen enkele (epistemische of normatieve) waarde heeft. Het betekent ook dat het nooit kan volgen dat ‘iets meer empathie’ voor andere perspectieven op zijn plaats zou zijn, zoals Wijnberg stelt. Dat is een namelijk een normatieve uitspraak over wat we zouden moeten doen, of wat ‘goed’ zou zijn. Maar de relativist is helemaal niet in de positie om dergelijke uitspraken te maken. Of, preciezer: de relativist kan misschien wel dergelijke (normatieve) uitspraken doen, maar kan de grond van deze normativiteit niet rechtvaardigen. De relativist kan niet uitleggen waarom anderen zijn of haar standpunt zouden moeten innemen.
Anti-fundamentalisme zonder relativisme?
Volgens een naïeve conceptie van relativisme zijn alle meningen even goed of fout, en is de hele theorie in feite zelf-ondermijnend, zoals hierboven beschreven. Maar hoewel het soms wel zo lijkt, beweert Wijnberg een ander soort relativisme te verdedigen. In het artikel ‘Waarom de pedovereniging niet verboden had mogen worden’ schrijft Wijnberg dat omdat er niet één “juiste” of “goede” interpretatie bestaat, ons niets anders rest dan ‘het oneindig herinterpreteren van wat wij op dit moment, in deze context en volgens de nu geldende maatstaven als juist en goed beschouwen’. Wijnberg geeft echter expliciet aan dat het een fout is om te denken dat anti-fundamentalisme relativisme impliceert. (Zie b.v. ook deze tweet.) Wijnberg wil  én zeggen dat onze uitspraken over vluchtelingen hetzelfde zijn als onze uitingen over de blauw-zwarte jurk, én hij wil het idee intact laten dat er zoiets kan bestaan als (morele) vooruitgang.Wijnberg wil dus een soort ‘normatief relativisme’ verdedigen:
Vooruitgang schuilt niet zozeer in het vervangen van de onjuiste ideeën of verkeerde opvattingen door de juiste en de goede, om zodoende steeds dichterbij het ‘eindpunt’ te geraken, maar in het oneindig uitbreiden van het palet aan ideeën en opvattingen dat we tot onze beschikking hebben. Of preciezer gezegd: vooruitgang bestaat eruit dat de mens niet zozeer steeds waardere, maar simpelweg steeds meer manieren van kijken naar (en dus begrijpen en beheersen van) de wereld heeft.
Helaas is Wijnberg’s versie van relativisme onhoudbaar. Want waarom zouden meer manieren van kijken tot grotere vooruitgang leiden? Hitler en Stalin hadden relatief ‘nieuwe’ perspectieven op de mens, maar dat bracht ons geen vooruitgang. Hoe je de zaak ook wendt of keert, we hebben uiteindelijk een maatstaf nodig die duidelijk maakt waarom het ene ‘perspectief’ juister of beter is dan het ander. Normativiteit haal je niet uit kwantiteit; normatief relativisme is dan ook een contradictie in termen.
De relativist, in welke hoedanigheid dan ook, kan het niet allebei hebben. Je kunt niet denken dat uitspraken over de vluchtelingenkwestie even ‘waar’ zijn als uitspraken over het blauw-zwarte jurkje en tegelijkertijd stellen dat zoiets vooruitgang bestaat. You can’t have your cake and eat it too.
Hoe dan wel?
De relativist lijkt als volgt te redeneren: omdat fundamentalisme (het idee dat er een objectieve waarheid is die ‘gevonden’ of ‘ontdekt’ kan worden) onacceptabel is, moeten we inzien dat waarheid uiteindelijk subjectief is; een kwestie van perspectieven. Ik ben het eens met de eerste stap (de afwijzing van fundamentalisme). Maar wat over het hoofd wordt gezien is dat de afwijzing van fundamentalisme meer opties overlaat dan de idee dat de ene uitspraak even ‘juist’, ‘waar’ of ‘gerechtvaardigd’ is als de ander. Relativisme volgt niet als fundamentalisme wordt afgewezen.
Als ik op de website van de Verenigde Naties lees: ‘homophobia is wrong’, dan denk ik: ‘juist!’ of: ‘dat klopt’. Hetzelfde geldt voor de uitspraak ‘Wat in Parijs gebeurde is gruwelijk’ of ‘Het is onacceptabel dat het aantal vrouwelijke hoogleraren nog maar 17 procent is’. In zekere zin kunnen we, denk ik, dergelijke uitspraken begrijpen als ‘waar’. Tegelijkertijd moeten we hier voorzichtig zijn: morele uitspraken hebben een speciale status. De uitspraak ‘je mag niet iemand vermoorden’ is op een andere manier ‘waar’ of ‘juist’ dan de uitspraak ‘voor mij staat een thermoskan’ of ‘Londen ligt ten westen van Amsterdam’.
Maar het feit dat morele uitspraken wezenlijk anders zijn dan uitspraken over de (fysieke) wereld, is nog geen reden om morele uitspraken relativistisch te begrijpen. Het is geen reden om het idee van objectiviteit dan maar te laten varen, maar een reden om objectiviteit anders te gaan begrijpen. Het lijkt mij dus veel eerder een reden om te proberen te articuleren op wat voor manier bovenstaande waarheidsuitspraken precies van elkaar verschillen, en meer specifiek, hoe ze verschillen van uitspraken over de wereld (thermoskan) aan de ene kant, en uitspraken over onze smaakbeleving (citroenijs) of jurkjesbeleving, aan de andere.
Opvallend is dan ook dat wanneer Wijnberg verschillende posities ten aanzien van het begrip ‘waarheid’ bespreekt, Kant en andere neo-Kantianen, die ‘objectiviteit’ precies proberen te herdefiniëren in het theoretische en praktische domein, schitteren in afwezigheid. De Kantiaanse positie past ook precies niet in Wijnberg’s schema waarin ‘subjectieve’ en ‘objectieve’ posities als enige mogelijkheid worden genoemd. Toen ik hem op Twitter hierover vroeg, gaf hij aan dat Kant er in eerste instantie in stond maar eruit moest door gebrek aan ruimte, en gaf toe dat Kant ‘feitelijk een brug vormt tussen Hume en Heidegger’ (ik weet niet precies wat dit betekent, maar Kant als ‘brug’ klinkt goed). Maar Kant zou de vluchtelingenkwestie beslist niet slechts beschreven hebben als een ‘social mess’.
Samengevat: onze morele uitspraken zijn, ten eerste, niet zomaar ‘meningen’. Ten tweede, relativisme ondermijnt zichzelf. Ten derde, als de relativist niettemin morele uitspraken doet, dan kan hij/zij hiervoor geen reden geven die door anderen geaccepteerd zouden moeten worden. We moeten niet al te gemakkelijk de relativist uit gaan hangen. Relativisme is bepaald niet evident, en ook niet ongevaarlijk. Het is nogal wat om te beweren dat vluchtelingenhaters en vluchtelingenhelpers even valide perspectieven hebben. En dat zou Wijnberg moeten weten.
Vind ik dan.

* Mijn punt is niet dat hiertussen geen onderscheid gemaakt kan worden; mijn punt is dat Wijnberg zichzelf niet als doel stelt om het onderscheid te verhelderen.

donderdag 19 november 2015

De fundamentist




http://maartenboudry.blogspot.be/2015/10/fundamentisme.html

 Fundamentisme


De antieke sceptici vonden dat we niets met zekerheid kunnen weten en dat we al onze oordelen moeten opschorten. De geliefkoosde strategie van filosofen om aan die universele scepsis te ontsnappen, is om te zoeken naar een of ander solide fundament voor onze kennis. Als die basis stevig is, kan je daarop verder bouwen. In de Angelsaksische literatuur staat die benadering bekend als “foundationalism”, in het Nederlands stel ik Filosofisch Fundamentisme voor (niet te verwarren met ‘fundamentalisme’, want doorgaans gaat het om vreedzame lieden).
Een Fundamentist vat menselijke kennis op als een soort omgekeerde piramide die steunt op enkele ultieme fundamenten, waarmee de hele constructie staat of valt. Daal naar beneden af en vind zo de ultieme grondslagen van onze kennis. Maar dat idee is even vruchteloos als achterhaald. Er bestaat geen onwankelbare sokkel waarop al onze kennis rust. Want waar staat die dan weer op? Of ze zweeft in het luchtledige, of ze steunt op een nog fundamenteler fundament. Dat lijkt op de oude Hindoe-kosmologie: onze aarde is plat en rust op de ruggen van vier enorme olifanten, die op hun beurt op een enorme schildpad staan. En waarop staat die schildpad dan? Op een nog grotere schildpad eronder natuurlijk. En zo gaat het voort, langs een toren van steeds grotere en sterkere schildpadden…

De drogreden van de Fundamentist is de gedachte dat, als je vertrekpunt niet volstrekt zeker is, de rest van de constructie in duigen valt. Alles of niets. Met mijn collega Michael Vlerick heb ik de filosoof en apologeet Alvin Plantinga betrapt op deze drogreden. Plantinga zoekt een volstrekt zekere basis voor de betrouwbaarheid van ons brein in de evolutietheorie. Uiteraard vindt hij die niet, waarna hij God inroept als kennisgarantie. Dat is natuurlijk een schijnoplossing, want hoe komt God aan die onfeilbare kennis? Krijgt hij die gratis en voor niets, krachtens de definities van theologen? 

Als er geen kennisfundamenten bestaat, hoe komen we dan iets te weten? Hebben de sceptici dan toch gelijk? Onze kennis is geen bouwwerk met fundamenten, maar een web waarvan de verschillende draden elkaar onderling versterken. De filosofe Susan Haack gebruikt het beeld van een kruiswoordraadsel. Hoe meer vakjes je invult, des te zekerder weet je dat je op de goede weg bent. Eerst in potlood, dan met inkt. Toch kan je geen enkel woord aanwijzen dat als ‘fundament’ dient van de puzzel, waarmee de hele puzzel staat of valt. Een kruiswoordpuzzel kan je in principe eender waar beginnen. Tenzij je een fundamentist bent natuurlijk.

(Column Filosofie Magazine - november 2015)


Sjonge jonge.
Maarten Boudry heeft een rubriekje in filosofiemagazine waarin hij drogredenen bespreekt.
Als ik hem niet beter kende zou ik zweren dat hij zich deze keer al te diep in de New Age boeken had verdiept. Of aan de paddo's had gezeten. Want hoewel u Maarten Boudry niet onmiddellijk associeert met een aan een toeter lurkende filosoof, het moet gezegd, een paddo bij tijd en wijle gaat er natuurlijk altijd wel in. Menselijk, al te menselijk.
"Onze kennis is een web waarvan de verschillende draden elkaar onderling versterken."
Sjonge jonge.
Stel je voor dat ik dat citaat aan enkele docenten filosofie zou voorleggen in de vorm van een meerkeuzevraag. Is dit citaat van
A. Elisabeth Sahtouris
B. Ken Wilber
C. Jacques Lacan
D. Maarten Boudry

Voorwaar, ik heb een stellig vermoeden dat zelfs Maarten Boudry hemzelve wel eens het verkeerde antwoord zou kunnen geven.
Om maar te zeggen, Maarten Boudry zou zich beter beperken tot voor de hand liggende drogredenen als "ad hominem".
Dat is een nogal gratuite bewering, dat geef ik toe. Het vraagt om een fundering.

De werkelijkheid bestaat.
Onze kennis is gebaseerd op de werkelijkheid.
"De werkelijkheid is de basis van onze kennis (de basist)" zou ik kunnen zeggen.
"De werkelijkheid is de grond van onze kennis (de grondist)" zou ik kunnen zeggen.
"De werkelijkheid is het web van onze kennis (de webbist)" zou ik zelfs kunnen zeggen mits ik enige paddo's tot mij zou genomen hebben.
Maar hé, dat vertik ik.
"De werkelijkheid is het fundament van onze kennis", zeg ik.
Ik ben een fundamentist en daar ben ik fier op.








zaterdag 14 november 2015

Simone van Saarloos



Simone van Saarloos schreef "het monogame drama".
Het pamflet verschijnt pas op 19 november, maar wat is er heerlijker dan te schrijven over iets wat nog niet is ?

Voor de liefhebbers (!), een voorpublicatie kan je wel al vinden op "de correspondent".
Zoals het een ware filosofe betaamt, inclusief "ad verecundiam" referenties naar een psycholoog (Robert Sternberg), een cultuurhistoricus (Johan Huizinga) en, godbetert, Plato !

Zelf heb ik geen enkele neiging om mij te mengen in deze discussie.
Maar in een interview met Simone in "De Morgen" was er wel een mooi citaat.

"Ik heb de totale ommekeer nodig om vrij te kunnen denken".

Een vrijheid die iets nodig heeft.
Een gebonden vrijheid, vastgeketend aan datgene wat ze nodig heeft.
Wel, wel.

"Het monogame drama" maakt deel uit van de Horzelreeks van De Bezige Bij, pamfletten die stof willen doen opwaaien.
Wel, wel.




(@Simone: Zullen we iets gaan drinken?)

dinsdag 10 november 2015

David Hand



De onontkoombaarheid van het toeval


Beetje moedeloos de laatste dagen.
Er was (alweer) een column van Johan Braeckman.
De titel in dikke vette letters:

De onontkoombaarheid van het toeval

Helemaal op het eind van de column was er een verwijzing naar "het onwaarschijnlijkheidsprincipe" van David Hand. 
Ik nam me voor om een stukje te schrijven met allemaal uitdrukkingen waarin het woord "hand" in voorkomt. 
(Van het genre "Braeckman heeft er een handje van weg om uit zijn nek te kletsen" ....)

Maar de moed ontbreekt me.

Het omgekeerde van het toeval lijkt mij de wetmatigheid.
Aan dergelijke wet kan je niet ontkomen. Anders zou het geen wet zijn.
Dat maakt dat het toeval echt wel ontkoombaar is.
Het toeval is immers toevallig.

Maar dat ligt (alweer) ongetwijfeld al te zeer voor de hand.