zaterdag 25 november 2017

Ruben Mersch

http://www.standaard.be/cnt/dmf20171121_03200640

Academici, stelde Patrick Loobuyck in deze krant, maken te vaak de fout hun feiten te presenteren op een bedje van ideologische of politieke voorkeur. Ze slagen er niet in om het onderscheid te maken tussen wetenschappelijke feiten enerzijds en morele opinies anderzijds (DS 21 november). Dat klopt. Maar misschien kunnen ze daar niets aan doen. Misschien is dat onderscheid niet zo glashelder als Loobuyck denkt. Je overtuigingen zijn geen jas die je als academicus even kan uitdoen ­zodra je aan wetenschap begint. Alleen als we dat erkennen, kunnen we samen de moeizame tocht naar meer zekerheid aanvatten.

Donkere vs. blanke spelers
Wat gebeurt er als je een grote groep wetenschappers dezelfde vraag laat beantwoorden op basis van dezelfde dataset? Komen ze dan uiteindelijk allemaal tot dezelfde conclusie? Dat probeerde Brian Nosek, een sociaal psycholoog verbonden aan de universiteit van Virginia, te weten te komen. Hij verzamelde alle data van de voetbalwedstrijden in de eerste klasse in Engeland, Duitsland, Spanje en Frankrijk en gaf die aan 29 verschillende onderzoeksgroepen. De vraag die ze moesten beantwoorden: krijgen donkere spelers vaker een rode kaart dan blanke spelers?
Negen van de 29 onderzoeksgroepen zagen geen verschil tussen het aantal kaarten bij blanke en donkere voetballers, twintig groepen concludeerden dat donkere voetballers vaker een rode kaart aangesmeerd kregen dan blanke spelers. Over hoeveel vaker dat gebeurde, verschilden ze dan weer van mening: van 20 procent meer kans tot, volgens één onderzoeksgroep, liefst 300 procent meer kans op een kaart. Doordat elk team totaal transparant was over de gebruikte methodologie, kon Nosek op zoek gaan naar de oorzaken van deze verschillen. Die werden niet veroorzaak door fraude of methodologische fouten, maar wel door op het eerste gezicht vrij triviale beslissingen. Hou je in je analyse rekening met de positie van de speler? Want verdedigers begaan vaker overtredingen dan aanvallers, en als verdedigers ook vaak donker zijn, vertekent dat je resultaat. Hou je rekening met de leeftijd van de spelers? Want misschien zijn jonge spelers wel impulsiever en krijgen ze daarom vaker kaarten? Neem je ook het gewicht van een speler mee in het onderzoek? Zijn lengte? Met welke van deze factoren de onderzoeksgroepen rekening hielden en hoe ze dat precies deden, had een grote invloed op de uiteindelijke conclusie.

De duivel en de details
De invloed van overtuigingen op wetenschappelijke resultaten komt niet, zoals we vaak denken, door bewuste misleiding. Niet door gegevens weg te laten of te vervalsen, maar door een hele reeks kleine beslissingen. Beslissingen die vanzelfsprekend en verdedigbaar lijken, maar toch een grote invloed hebben op het resultaat. In de werkelijke wereld is het aantal kleine beslissingen nog groter dan in het experiment van Nosek. Daar krijgen wetenschappers geen kant-en-klare datasets aangereikt. En dus moeten ze beslissingen nemen over definities (Hoe definieer je armoede? Wie is wel en wie is geen migrant?) en over hoe ze die dingen gaan meten (Hoe tel je het aantal migranten of armen?). Al die kleine beslissingen beïnvloeden de uiteindelijke conclusie. De duivel zit, ook in de wetenschap, in de details. En door die details kunnen ideologie en overtuigingen haast ongemerkt binnen sijpelen.
Betekent dat nu dat er geen feiten bestaan? Dat we de werkelijkheid, ook als wetenschapper, moeiteloos in elke vorm kunnen kneden? Gelukkig niet. Feiten bestaan, maar het is alleen door diverse onderzoekers een probleem te laten analyseren dat we ze kunnen ontdekken. Had Nosek maar één onderzoeksgroep gevraagd om de dataset te analyseren, dan hadden we, afhankelijk van de onderzoeksgroep, ten onrechte geconcludeerd dat scheidsrechters notoire racisten zijn dan wel dat ze absoluut niet discrimineren. Net door de diversiteit aan onderzoeksgroepen kunnen we een onderbouwde schatting maken van de invloed van de huidskleur op de kans dat een speler een kaart krijgt. En het is ook door die diversiteit dat elke groep de tekortkomingen van zijn analyse kon blootleggen. Ook wetenschappers zijn vaak blind voor de eigen blindheid. Door wetenschappers van diverse pluimage op een probleem los te laten, kunnen ze die blinde vlekken bij elkaar ontdekken en komt de waarheid, met horten en stoten, bovendrijven.
Die diversiteit is er niet altijd. Uit een grootschalige analyse van de overtuigingen van Amerikaanse sociaal psychologen bleek dat conservatieve wetenschappers duidelijk in de minderheid zijn. In 2010 waren er veertien keer meer zelfverklaarde progressieve dan conservatieve psychologen. Als dat resultaat ook geldt voor andere vakgebieden en andere landen, dan zitten we met een probleem. Want door dat gebrek aan diversiteit lopen we dan het risico dat we allemaal, waarschijnlijk onbewust, de werkelijkheid in één richting interpreteren. Zonder dat er iemand is die ons op die vertekening kan wijzen. Dus hebben we meer conservatieve wetenschappers nodig – hoe vreemd om dit als progressieve jongen te beweren. Tegengesproken worden is vervelend, maar wel noodzakelijk willen we kennis verwerven.

Ook ik heb vanzelfsprekend mijn blinde vlekken, en waarschijnlijk zijn deze binnen gesijpeld in bovenstaande tekst. Patrick, je weet wat je te doen staat.



Net door de diversiteit aan onderzoeksgroepen kunnen we een onderbouwde schatting maken van de invloed van de huidskleur op de kans dat een speler een kaart krijgt. En het is ook door die diversiteit dat elke groep de tekortkomingen van zijn analyse kon blootleggen. Ook wetenschappers zijn vaak blind voor de eigen blindheid. Door wetenschappers van diverse pluimage op een probleem los te laten, kunnen ze die blinde vlekken bij elkaar ontdekken en komt de waarheid, met horten en stoten, bovendrijven.

Het toeval wil dat ik de resultaten van deze onderzoeksgroepen aan een wetenschappelijk onderzoek onderworpen heb. Ik heb aan honderd verschillende wetenschappers gevraagd een onderbouwde schatting te maken van de invloed van de huidskleur op de kans dat een speler een kaart krijgt.
Let wel: de honderd verschillende wetenschappers kregen GEEN toegang tot de initiële dataset, ze konden zich uitsluitend baseren op het beschikbare uitgevoerde wetenschappelijke onderzoek. Vreemd genoeg kwam daar niet echt een eensluitende conclusie uit de bus, de onderbouwde schatting varieerde nagenoeg van 0% tot 100%. Opvallend was echter wel de uniformiteit in de antwoorden op de vraag naar het fundament van hun onderbouwing. Zonder uitzondering gaf iedereen aan zich gebaseerd te hebben op wetenschappelijk onderzoek. En dat is nog waar ook.
Zo zie je maar dat Ruben Mersch gelijk heeft. De waarheid komt inderdaad met horten en stoten bovendrijven. 

vrijdag 24 november 2017

De woordvoerder



Tot u spreekt de woordvoerder.
De woordvoerder van Max Stirner.
In tegenstelling tot andere woordvoerders word ik daarvoor niet betaald.
Dat maakt natuurlijk dat ik niet beïnvloedbaar ben en dat ik "objectief" kan schrijven.
"Wiens brood met eet, diens woord men spreekt", weet u wel.
Ik ben de woordvoerder van Max Stirner om de eenvoudige reden dat ik sprong.
(Als nota bene een schrijver niet de verbeelding heeft om een metafoor te begrijpen, dan breekt mijn klomp.)
Als woordvoerder van Max Stirner kan ik u met de hand op het hart meedelen dat u best niet Joachim Pohlmann leest als u geïnteresseerd bent in de sprong om de eenvoudige reden dat Joachim Pohlmann niet gesprongen heeft.

Wie met vragen zit over de herstelling van zijn klomp, kan terecht bij de Klomphersteller op het gratis nummer 666 en op deze website




https://www.demorgen.be/opinie/het-fascinerende-relaas-van-iemand-die-sprong-b4a83284/

 Wellicht hebt u al eens aan een afgrond gestaan met de onverklaarbare drang om te springen. Toch sprong u niet. U weet immers welk onheil onderaan op u wacht: een snelle dood of enorm veel spijt. Daarvoor hebt u geen dure theorieën of een barmhartige omstander nodig.


Voor wie desalniettemin nieuwsgierig is, bestaat er een boek dat beschrijft wat het betekent om te springen. De auteur schetst erin de sensatie van de val, de genadeloze smak tegen de grond, het afgrijzen van gebroken ledematen en uiteengespatte hersenen en besluit met de oproep om vooral zelf de sprong te wagen.
Dat boek heet Der Einzige und sein Eigentum en werd in 1844 geschreven door de Duitse filosoof Max Stirner. Hij was lid van het Jong-Hegeliaanse ‘Die Freien': een bont allegaartje van studenten, doctorandi en private professoren die wekelijks in Berlijn samenkwamen om te discussiëren over filosofie en politiek.
Op de universiteit waren ze paria’s, maar in café Hippel in de Friedrichstrasse voerden ze het hoge woord. Al zweeg Stirner. Hij absorbeerde elk argument zonder zich te mengen. Thuis op zijn zolderkamer schreef hij bij een olielampje eenzaam zijn antwoord neer in wat Der Einzige und sein Eigentum zou worden.

Egoïsme

In dat complexe boek, vol passages die vandaag alleen voor experts bevattelijk zijn, pleit Stirner voor niets minder dan egoïsme. Nu zijn we allemaal weleens egoïstisch. We staan aan de afgrond en laten onze voet over de reling bengelen. Maar Stirner, die duikt enthousiast de diepte in.
Waarom handelen we moreel? Om goed te zijn, omdat het nut heeft of omdat die moraal goddelijk, universeel of juist cultureel bepaald zou zijn? Fout. Volgens Stirner is het allemaal eigenbelang. Wij willen niet goed doen voor een ander, maar voor onszelf.


We willen beloond worden – met het hiernamaals of de goedkeuring van onze gelijken en superieuren – of op zijn minst niet bestraft worden. Belangeloosheid is onzin. We zijn ons enige criterium, en niemand kan ons vertellen wat we moeten doen of laten.
Dat lijkt wat op Nietzsche, maar Stirner is radicaler. Hij biedt in extremis geen uitweg via een herwaardering van alle waarden, een eeuwige wederkeer of een ter hulp schietende übermensch. Stirner trekt zijn denken door tot de uiterste consequentie: er is geen waarheid, alles is toegelaten.
Moord, verkrachting, geweld… Stirner krabt de beschaving weg en legt de hobbesiaanse oorlog van allen tegen allen bloot. Het zijn alinea’s waarbij je het boek wilt dichtslaan en wegsmijten. Ook al is Stirner van in het begin doodeerlijk: de val is misschien spectaculair, het resultaat is de brute botsing met de aarde.

Vele volgers

Der Einzige und sein Eigentum was een instantsucces en Stirner werd – kortstondig – een beroemdheid. Hij was evenwel een bliksemschicht. Iedereen zag het fenomeen, de enorme ontlading en de vernietigende impact. Maar even snel als het kwam, was het ook weer verdwenen.


Toch bleef Stirner de geesten beroeren. Karl Marx schreef bijvoorbeeld een antwoord dat langer is dan het boek zelf. En Stirner inspireerde talloze navolgers. Al gaven weinigen die zich aan hem laafden dat openlijk toe. Zo zou de eerder genoemde Nietzsche naar verluidt bij hem de mosterd gehaald hebben.
Maar het is geen lovenswaardig boek. In de handen van kwalijke geesten kan het enorm veel schade aanrichten. Het is wel het fascinerende relaas van iemand die sprong. En die ons leert dat het niet waard is om te springen. Ondanks alles hebben we dat laagje beschavingslak hard nodig.
Wie met vragen zit over zelfdoding, kan terecht bij de Zelfmoordlijn op het gratis nummer 1813 en op www.zelfmoord1813.be.

woensdag 22 november 2017

John Updike



Nota aan mezelf: "Why write" van John Updike lezen.
Daarin zou het volgende staan:

"Dat wat de schrijver optekent is in het beste geval net zo dubbelzinnig en ondoorzichtig als het leven zelf'."


zaterdag 11 november 2017

Bart De Pauw



Grensoverschrijdend gedrag.
Iedereen rechter.
Van zodra je ook maar iets te berde brengt ben je rechter. Je oordeelt, daar kan je niet aan ontsnappen. Zelfs "niets te berde brengen" zou al beschouwd kunnen worden als een oordeel. "De feiten" zouden in die mate bezwarend kunnen zijn dat een stilzwijgen moreel laakbaar is.
Iedereen rechter.
En terecht, want iedereen heeft wel een moeder (daar kan je niet aan ontsnappen) en misschien (ik wil niet op de feiten vooruitlopen) een vrouw, een zus, een vriendin, een dochter.
Iedereen rechter.
Voor sommigen is dat moeilijk. Er zijn maar weinig feiten bekend. Voor anderen vormt dat geen beletsel om de vermeende dader openlijk te verdedigen of aan te vallen. Nochtans hoort men een oordeel te vellen op basis van de feiten. Zoals Paul Lembrechts, de gedelegeerd bestuurder van de VRT. "De feiten zijn voldoende ernstig en erg voor de betrokkenen die het hebben meegemaakt."  
Waarop deze uitspraak op zich ook een "feit" wordt, een "feit" waarop men zich weer kan baseren om een oordeel te vellen. Zoals Sven Gatz, Vlaams minister van media. "Ik ga ervan uit dat de VRT niet over één nacht ijs is gegaan."
Iedereen rechter.
"Stalking" is de aanklacht. Dat is "de rust van iemand anders ernstig verstoren". Gelukkig vroeg Kathleen Cools aan John Maes in Terzake nog even door wat dat dan precies inhield. "Oh, maar dat is een pure appreciatie van de rechter."
Als we dan toch allemaal rechter zijn is het misschien goed om dat in het achterhoofd te houden.
De rechter oordeelt niet op basis van de feiten, de rechter oordeelt op basis van zijn appreciatie van de feiten.
Die laatste zin is een mooi voorbeeld van grensoverschrijdend gedrag: de illusie opwekken dat de zin mijzelf overstijgt, dat mijn zin bepalend is.