donderdag 28 juni 2012

Ronaldinho


Meer dan een week niets geschreven.
Dat kan alleen te wijten zijn aan een melancholie.
Een Kierkegaard melancholie, een melancholie die niet "begrepen" kan worden, van zodra u ze begrijpt begrijpt u ze immers niet meer, ze "wordt" je eigen.

http://www.filosofieblog.nl/blog/emanuel-rutten/3416/is-geloof-volgens-kierkegaard-onredelijk/



Zwaarmoedigheid kan alleen bestreden worden met lichtvoetigheid.
De Panenka penalty.



De Panenka penalty doet me denken aan een uitspraak van Kierkegaard.
"Life can only be understood backwards; but it must be lived forwards."


 
De Panenka penalty van Pirlo tegen Engeland was ook ontroerend mooi.
Zeker met de gedachte in het achterhoofd dat het ook grondig fout kan lopen.





Het kan niet fout lopen.
Er bestaat niet zoiets als de "Pirlo penalty" in de zin van "een slechte Panenka penalty".
Er bestaat alleen de magie van de "Panenka penalty". Of een "Pinto save".

Zo staat ook de Ronaldinho vrije trap in mijn geheugen gegrift.
Ronaldinho probeert niet om de bal in de winkelhaak te krullen zoals alom gevreesd...
Een moment dat het systeem verslagen wordt door de verbeelding.


woensdag 20 juni 2012

Milan Kundera



                                         "De ondraaglijke zwaarheid van het zijn."




U kan het niet lezen. Ik wel.
"de rede is de gevaarlijkste hartstocht omdat ze het verst verwijderd is van het hart"

Miguel de Unamuno

"Scepsis significa rebusca, no duda. El esceptico, en este sentido, se opone al dogmatico, como el hombre que busca se opone al hombre que afirma antes de toda rebusca. El esceptico estudia para ver que solucion pueda encontrar, y puede ser que no encuentre ninguna. El dogmatico no busca mas que pruebas para apoyar un dogma al que se ha adherido antes de encontrarlas. El uno quiere la caza; el otro, la presa."

Miguel de Unamuno, La Agonía del Cristianismo

"Skepsis betekent zoeken, niet twijfelen. De skepticus, in deze betekenis, kant zich tegen het dogmatische, aangezien wie zoekt zich kant tegen wie al op voorhand zeker is vóór elk zoeken. De skepticus studeert om te zien welke oplossing hij kan vinden, en het is goed mogelijk dat hij er geen enkele vindt. De dogmaticus zoekt niet méér dan bewijzen om een dogma te ondersteunen dat hij zich al aanhangt voordat hij de bewijzen vindt. De ene is het om de jacht te doen, de andere om de prooi."


Er is de jacht en er is de prooi.
Er is het zoeken en er is het bewijs.
En Miguel de Unamuno zit gevangen in zijn eigen strop.

dinsdag 19 juni 2012

Pythagoras

38
It is most interesting that Pythagoras supposed that εν is both περιττóν and αρτιον — it is, as it were, the being [Væren] which is both being and nonbeing — that is, motion.
http://www.naturalthinker.net/trl/texts/Kierkegaard,Soren/JournPapers/IV_A.html


Altijd weer zal ik u vragen te kiezen tussen Zijn en Worden.
Diapsalmata.
Dat is het refrein dat altijd herhaald wordt.
"Zijn" kan niet opgegeven worden in uw wereld.


435
I live and feel these days somewhat as a chessman must feel when the opponent says: That piece cannot be moved — like a useless spectator, since my time has not yet come
http://www.naturalthinker.net/trl/texts/Kierkegaard,Soren/JournPapers/II_A.html

Altijd weer zal ik u vragen te kiezen tussen "essentia" en "existentie"
"essentia involvit existentiam" zegt Kierkegaard.
http://philosophy.tamu.edu/~sdaniel/Notes/AbsoluteParadox.pdf
Waar hebben we dat nog gelezen?

"As long as I keep my hold on the proof, i.e., continue to demonstrate, the existence does not come out, if for no other reason than that I am engaged in proving it; but when I let the proof go, the existence is there." Philosophical Fragments p. 29-30, 32

103
My doubt is terrible. — Nothing is able to stop me — it is an accursed hunger — I am able to devour every argument, every consolation, and reassurance — I rush past every obstacle with the speed of 10,000 miles a second.
http://www.naturalthinker.net/trl/texts/Kierkegaard,Soren/JournPapers/III_A.html


Kierkegaard is een zot.


69
Un sot trouve toujours un plus sot, qui l'admire. Boileau.
http://www.naturalthinker.net/trl/texts/Kierkegaard,Soren/JournPapers/IV_A.html

Ik ben een zot+.




donderdag 14 juni 2012

Annemie Turtelboom



Annemie reageert.

http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/Opinie/article/detail/1453813/2012/06/14/Turtelboom-antwoordt-Desmet-Fraaie-clown-die-Belkacem-van-u.dhtml

"Wetten en regels moeten gelijk gelden voor iedereen, vanzelfsprekend, maar zoals elke rechtbank elke dag weer bewijst, is elk dossier anders, met andere feiten, die op basis van dezelfde regels tot andere conclusies kunnen leiden."

Een variatie op Yves Desmet:
"Elk dossier is anders, vanzelfsprekend, maar wetten en regels moeten voor iedereen gelden".

We zijn in een "maar" maatschappij beland.
(in het Engels klinkt het beter: "the butt society")

Altijd maar warm en koud tegelijk blazen.
Wist u trouwens dat dat spreekwoord uit het Chinees afkomstig is.
Meer bepaald van de filosoof Feng Zi  ()
Toen de keizer de wanhoop nabij was -mohisten, legalisten, confucianisten en andere tisten wedijverden om zijn steun- wendde hij zich tot Feng Zi om raad.

"Om de thee te maken moet men warme lucht blazen. (1)
En als hij geschonken is moet men koude lucht blazen.
Maar je kan pas drinken als je niet meer blaast."

(1)
verwijzing naar het verflenzen.
"Verflenzen (ook verwelken genoemd)
De thee wordt uitgespreid op roosters waarover een warme lucht (25-30°C) wordt geblazen gedurende 12-18 uur lang. Het theeblad verliest hierdoor 40-50% van haar vocht, waardoor het zacht en soepel wordt en gemakkelijk gerold kan worden"




woensdag 13 juni 2012

Han Fei Zi

http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/Opinie/article/detail/1453208/2012/06/13/Desmet-schrijft-Turtelboom-U-jaagt-mij-angst-aan.dhtml

Geachte mevrouw de minister van Justitie, beste Annemie,

Wij kennen elkaar. Ik heb u al een paar keer geïnterviewd, we zijn samen te gast geweest in tv-studio's. Daarbij heb ik u leren kennen als een oprecht, geëngageerd, pragmatisch en nuchter politicus. Met gevoel voor humor en zelfrelativering zelfs. Dat is goed, want daar lopen er te weinig van rond. Daarom spijt het mij u dit te moeten schrijven, maar u jaagt mij vandaag angst aan. Veel meer dan de clown Belkacem dat doet.

Laat me proberen u uit te leggen waarom.

Maandag gaat strafpleiter Sven Mary het dossier van zijn cliënt Belkacem inkijken. In de bundel vindt hij tot zijn stomme verbazing al het ontwerp van de beschikking die de raadkamer daags nadien gaat uitspreken. De rechtbank, gehoord de vordering van het openbaar ministerie, gehoord de argumenten van de verdediging, beslist tot de verlenging van de aanhouding van Belkacem. Ook al heeft de verdediging nog geen woord gezegd, ook al is er nog geen tegensprekelijk proces geweest, het ontwerp van vonnis ligt al klaar.

Dat is een manier van werken die me tot hiertoe alleen bekend was in voormalige Zuid-Amerikaanse dictatoriale regimes. En ook onder Stalin zijn er inderdaad showprocessen opgevoerd. Maar hier, in onze democratische rechtsstaat? Nooit eerder gezien.

Het document was niet ondertekend, zal u zeggen, en dus geen juridisch feit. En wie weet had ter zitting de rechter alsnog geluisterd naar de argumenten van de verdediging, en zijn beschikking alsnog veranderd. Wie weet? Maar u zal het met me eens moeten zijn dat hier minstens de schijn van vooringenomenheid en partijdigheid is gewekt. Dat is, zoals u weet, een van de grootste aanslagen die men op de rechtszekerheid van de burger kan plegen. Zelfs als die de naam Belkacem draagt.

Misschien zijn er zelfs complottheoretici die nu zullen beweren dat deze beschikking reeds klaar lag op uw bestelling, en dat er van de scheiding der machten, nog zo'n fundament van de rechtsstaat, geen sprake meer is. Dat weiger ik te geloven, maar ik moet u wel melden dat mijn rechtsgevoel door dit voorval fundamenteel geschokt is.

En niet alleen daardoor: u hebt eigenmachtig bepaald dat de clown Belkacem zes maanden in de cel zal blijven, en u hebt daartoe ook de bevoegdheid. Alleen kan u mij niet uitleggen waarom uitgerekend Belkacem de enige Belg is die een gevangenisstraf van minder dan drie jaar daadwerkelijk moet uitzitten, terwijl alle anderen daaraan ontsnappen. Versta me niet verkeerd: van mij mag iedereen die tot één dag cel is veroordeeld die ook daadwerkelijk gaan uitzitten, dat zou het rechtsgevoel alleen maar ten goede komen. Alleen hebt u daar de capaciteit niet voor, en is dus beslist alle straffen onder de drie jaar niet uit te voeren. Jammer, maar het is nu eenmaal zo.

Wel, dan moet die regel ook voor iedereen gelden, en kan het niet dat u, volgens uw eigen voorkeuren en inschattingen, en zonder enig gemotiveerd criterium, beslist dat één iemand niet onder die regel valt, alleen omdat er wat hysterische stemmen in de samenleving voor een schandpaaljustitie en onmiddellijke uitwijzing pleiten.

En dat is ook nog een punt: waarom juist Belkacem zijn nationaliteit dient afgenomen, hebt u ook nog steeds niet kunnen uitleggen. De man is hier geboren, heeft hier school gelopen, is hier geradicaliseerd, heeft hier zijn wetsovertredingen begaan. Het is de logica zelf dat hij dan ook hier berecht en veroordeeld wordt, en niet uitbesteed aan de goede zorgen van het land waar zijn ouders vandaan kwamen.

Maar zowel in zijn strafuitvoering als in zijn nationaliteit wordt Belkacem niet behandeld zoals iedereen, maar krijgt hij een unieke behandeling van u, die overigens volstrekt arbitrair want zeer vaag gemotiveerd is.

De enige motivatie, mevrouw de minister, die u in interviews geeft, is dat een dergelijke discriminerende uitzonderingsbehandeling gerechtvaardigd is voor mensen die - en ik citeer u - "de basiswaarden van dit land uitdagen".

Het spijt mij, maar als een raadkamer de indruk wekt in dit geval niet eens te willen luisteren naar de verdediging, als beschikkingen op voorhand klaar liggen zonder tegensprekelijk debat voor een onafhankelijk magistraat, als u arbitraire uitzonderingsmaatregelen neemt, zowel in strafuitvoering als in nationaliteitskwesties, dan bent u, en het spijt mij dit te moeten zeggen, meer de basiswaarden van dit land aan het uitdagen dan de clown Belkacem.

En dat is net het erge: u bent geen clown, maar de politiek verantwoordelijke voor het handhaven van de regels van een liberale, democratische rechtsstaat.

Met vriendelijke groet,

Yves Desmet



Geachte heer redacteur , beste Yves,


Wij kennen elkaar niet.
U leest mij niet, maar ik lees u wel.
Daarbij heb ik u leren kennen als een oprecht, geëngageerd, pragmatisch en nuchter journalist. Met gevoel voor humor en zelfrelativering zelfs. Dat is goed, want daar lopen er te weinig van rond. Daarom spijt het mij u dit te moeten schrijven, maar u jaagt mij vandaag angst aan. Evenveel als de heer Belkacem.


Laat me proberen u uit te leggen waarom.


"Wel, dan moet die regel ook voor iedereen gelden".
Met dit standpunt staat of valt heel uw betoog.
Met "die" regel bedoelt u "de" regel.
Alleen als "de" regel voor iedereen moet gelden is het een geldig argument.
Het is een geldig argument omdat het een universeel argument is.
Als het zou gaan om "die" regel is er sprake van willekeur.
Waarom deze regel wel en een andere regel niet?
"Volgens uw eigen voorkeuren en inschattingen, en zonder enig gemotiveerd criterium"?
De regel "een regel moet voor iedereen gelden" is geen regel die altijd moet gelden.
Dat is mijn standpunt. Dat is geen regel. Er zijn geen regels, regels bestaan. Een regel bestaat alleen bij gratie van de uitzondering.
Misschien is dat ook wel uw regel.
Ik herinner me een zeer oude column naar aanleiding van Marcel Colla die meehielp aan de euthanasie op zijn moeder. Ik herinner me niet dat er toen een pleidooi geschreven werd om de heer Colla van moord te betichten.
Niet erg consequent.

Ik ben niet consequent en ik ben er fier op.
Consequentie leidt tot legalisme.

Intrinsiek is daar uiteraard niets mis mee.
Zelf heb ik zeer goede herinneringen aan Han Fei Zi.
Ideaal om Chinees te leren. Het is namelijk allemaal zeer logisch en eenvoudig Chinees.
Echt een aanrader.
Als u ooit van plan bent om klassiek Chinees te leren wil ik u hem van harte aanbevelen.



"Le souverain éclairé n'approuve jamais une théorie stupide et trompeuse et une conduite désordonnée et contradictoire."
Prachtige definitie.

Rest er nog mijn stelling: u jaagt mij angst aan.
Dat is geen gratuite stelling, daar heb ik uiteraard argumenten voor.
U maakte namelijk een "analyse" van heel deze toestand. Altijd goed om je standpunt een wetenschappelijk tintje mee te geven vandaag de dag.
Het alternatief dat u voorstelde was "met misprijzen negeren."
"Met misprijzen".
Ik dacht dat dat eerder de aanleiding van het probleem was.
Maar ik ben geen denker, dus daar gaat mijn argument even mooi de mist in.


Met vriendelijke groet,

Johan Bosmans.

zondag 10 juni 2012

Katherine Coronel



Een moment is een ogenblik dat de tijd stil staat.
Er is geen verandering als de tijd stil staat.
Onveranderlijkheid is de waarheid, het eeuwige, het absolute.
Onveranderlijkheid is de basis van de logica.




zaterdag 9 juni 2012

Sören Kierkegaard


http://www.naturalthinker.net/trl/texts/Kierkegaard,Soren/JournPapers/index.html
Søren Kierkegaard's Journals & Papers

"Often when reading a good poem or some other work that bears the mark of genius, I have thought that it was good that I myself was not its author, for then I would not be allowed to express my joy without the fear of being accused of vanity." (1A 118)

Met blijdschap stel ik aan u voor: Sören Kierkegaard.

Een paradox.
Als ik het werk van Sören Kierkegaard zou lezen, dan kan het niet anders dan dat ik mijn eigen mening, mijn eigen filosofie in dat werk zou projecteren. Ik zou niet lezen wat Kierkegaard denkt, ik zou lezen wat ik denk.
Dat is mijn opvatting (en het maakt me niet uit of dat al door iemand anders bedacht was).
En toch wil ik weten wat Kierkegaard denkt.
Maar kan ik vertrouwen hebben in wat anderen over Kierkegaard schrijven?

"There are critics who, completely lacking an eye for the individual, try to regard everything from a universal point of view. Consequently, in order to become as universal as possible, they climb as high as possible until they see essentially nothing at all but a wide horizon — precisely because their viewing-point lies too high." (1A 106)
 "People understand me so little that they do not even understand my laments over their not understanding me." (1A 123)
"Following the path of the commentators is often like traveling to London; true, the road leads to London, but if one wants to get there, he has to turn around." (1A 55)


François De Keersmaecker

http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/Opinie/article/detail/1451287/2012/06/09/Er-hangt-een-parfum-van-antipolitiek-over-het-cultuurdebat.dhtml

Er hangt een parfum van antipolitiek over het cultuurdebat

OPINIE − 09/06/12, 09u54
Minister Schauvliege had er net zo goed voor kunnen kiezen haar verantwoordelijkheid op te nemen, vindt Bart Eeckhout. Eeckhout is chef M van deze krant.
Het probleem met Joke Schauvliege is niet dat ze geen schoenmaker van een Schoenaerts kan onderscheiden, wel dat ze geen inhoudelijke prioriteiten wil of durft stellen
Minister van Openbare Werken Hilde Crevits (CD&V) heeft zopas de lijst bekendgemaakt van de nieuwe wegen die de Vlaamse overheid de komende vier jaar zal aanleggen. De Brusselse ring krijgt een extra rijstrook, en ook de Antwerpse kaaien krijgen een nieuw wegdek. Heraanleg van de kustwegen en van de E313 wordt uitgesteld en voor nieuwe fietspaden in Limburg is er geen geld. De prioriteitenlijst komt er op advies van onafhankelijke commissies van aannemers, beton- en asfaltbedrijven en mobiliteitsexperts. Crevits heeft, zoals beloofd, hun advies onverkort uitgevoerd.

Voor u, in shock, in uw pen kruipt: bovenstaande paragraaf is pure fictie. Gelukkig maar. Vervang evenwel Hilde Crevits door Joke Schauvliege (CD&V), wegen door kunstenaars en aannemers door cultuurprofessionals en de fictie wordt werkelijkheid. In de lopende besluitvorming over de verdeling van overheidssubsidies volgens het kunstendecreet cijfert de bevoegde minister zich immers volledig weg.

Minister Schauvliege doet dat bewust en uiterst consequent. Ze heeft niet alleen bij herhaling beloofd de adviezen ongewijzigd aan de ministerraad voor te leggen, ze heeft die adviezen ook, zonder aankondiging, publiek gemaakt. Daardoor wordt de betrokken adviescommissie in de rol geduwd van hoogste beslissingsorgaan. Wie te klagen heeft over de voorgestelde verdeling van de middelen, moet boos zijn op de commissarissen. Wie klaagt over eventuele aanpassingen te elfder ure, weet dat het de schuld is van de Vlaamse regering, niet van de minister. Dat is inderdaad sluw bekeken van Schauvliege.

Populisme
Mogen we het ook merkwaardig en betreurenswaardig vinden? "Een abdicatie van de eigen politieke verantwoordelijkheid. Daar bestaat een woord voor: lafheid", schreven we daar vorige week al over. Dat is geen populair standpunt gebleken. Dat wil zeggen: de arme minister Schauvliege met alle zonden Israëls beladen, is natuurlijk wel populair, maar dat was het punt niet. Velen, waaronder schrijfster-columniste Saskia De Coster op deze pagina's, vinden het net goed dat de minister haar rol in de politieke besluitvorming beperkt tot die van een ceremoniële vorst. Ze kent immers toch niks van kunst en zou dus enkel geschikt zijn om lintjes te knippen en oorkondes uit te reiken. Nu weet Hilde Crevits vast ook niet wat de beste samenstelling van beton is. Zullen we de deskundige betonboeren dan ook maar laten beslissen waar er nieuwe wegen moeten komen, en vooral ook: waar niet?

Ook los van de kritiek op de publieke figuur Schauvliege zingt dezelfde houding doorheen de reacties op de bekendmaking van de subsidieadviezen. Het is, zo luidt het, goed dat 'de politiek' zich zo min mogelijk bemoeit met de verdeling van de subsidies. Politieke inmenging staat in die visie per definitie gelijk aan onkunde, of erger: belangenvermenging en nepotisme. Dat is een gevaarlijk antipolitiek uitgangspunt, dat neigt naar populisme of erger.

Tegenover die knoeiers in de Wetstraat wordt een blijkbaar alwetend en feilloos oordeel van experts gezet, waaruit dan weer een bijna Platoons verlangen naar een dictatuur van filosofen spreekt. Cultuurprofessionals weten toch het best welke kunstenaars steun verdienen? Is dat zo? Mij heeft men er nog niet van kunnen overtuigen dat lobbying, vriendjespolitiek en belangenvermenging uitgesloten zijn op het niveau van de beoordelingscommissies. Of noem het - beleefder - persoonlijke smaak.

En ja, die esthetische voorkeuren hebben een plaats in het besluitvormingsproces, maar dan wel als deskundig advies, niet als eindoordeel. Er zou niets verdacht mogen zijn aan een politieke deliberatie van die adviezen volgens vooraf bepaalde, transparante criteria. In sommige gevallen overstijgt het algemeen belang het compromis van smaakoordelen, en dan moet, welja, de politiek haar verantwoordelijkheid opnemen.

Krijtlijnen
Dat blijkt ook concreet als je de nu bekendgemaakte adviezen overloopt. Niets is zwart-wit, maar het is logisch dat commissies van kunstkenners in hun beoordeling de nadruk leggen op puur artistieke kwaliteiten. Daar hebben ze immers de competenties voor. Diversiteit, regionale spreiding, inplanting in de buurt of maatschappelijke participatie zijn minder van tel geweest. Dat is een legitieme keuze, maar het komt wel degelijk de overheid toe om die dan minstens expliciet te bevestigen en te verantwoorden.

Het komt de minister van Cultuur toe de krijtlijnen te bepalen van het kunstenbeleid waaraan zij ons belastinggeld besteedt. Als die lijnen fout getrokken zijn, wil ik daar als burger Joke Schauvliege rekenschap om kunnen vragen, niet de nochtans zeer deskundige Jerry Aerts of Patrick Allegaert. Het probleem met Joke Schauvliege is niet dat ze geen schoenmaker van een Schoenaerts kan onderscheiden, wel dat ze die inhoudelijke prioriteiten niet wil of durft stellen.

En ten slotte: be careful what you wish for: wie nu deze sluipende verfondsing van het kunstenbeleid toejuicht, moet weten wat de uiterste consequentie kan zijn. Van bij een privatisering van de besteding van belastinggeld is de stap klein naar een radicalere terugtrekking van overheidssteun uit het kunstenbeleid. Want als we er niet over mogen beslissen, waarom zouden we er dan geld aan besteden? Ook dat is geen fictie. Dat leren we dan weer in Nederland.


Vanuit de fictie een argument naar voor brengen.
Vanuit "iets dat niet werkelijk is, iets dat niet waar is", een argument naar voor brengen.
"Vanuit het ongerijmde"  zou je het kunnen noemen, "ex absurdo"
Merkwaardig genoeg is dat nog niet opgenomen in de lijst van "drogredenen".
http://nl.wikipedia.org/wiki/Drogreden
Er bestaat wel zoiets als "reductio ad absurdum".
Of in de rechtspraak kent men zoiets als "ab absurdo"
http://www.duhaime.org/LegalDictionary/A/AbAbsurdo.aspx

"Latin: an evidentiary suggestion or statutory interpretation that is, or leads to, an absurdity.
From absurdity, absurd; based on absurdity; used to describe an assertion that leads to an absurdity.
A pattern or set of suggested legal reasoning or interpretation that leads to an unacceptable conclusion because it results in a conclusion that is patently absurd.
The rules of statutory interpretation reject any proposed interpretation that would lead to an ab absurdo result."
Op zich is dat laatste redelijk problematisch.
"absurd" betekent "strijdig met de rede".
En hoe beoordeelt men of iets strijdig is met de rede?
Met de rede natuurlijk.
(En niemand die "belangenvermenging" durft te suggereren.)

Maar dit geheel terzijde.
Het gaat hier immers niet over "ab absurdo", maar over "ex absurdo".
Een "argumentum ex absurdo" is een argument waarvan de oorsprong in de fictie ligt.
Tot nader order is dit ook een geldig argument.
Het toeval wil nu dat ik gespecialiseerd ben in "argumentum ex absurdo".


De voorzitter van de Belgische voetbalbond François De Keersmaecker heeft zopas de ploegopstelling van de volgende wedstrijd van onze rode duivels bekendgemaakt.
Tijdens een druk bijgewoonde persconferentie gaf hij uitleg bij zijn keuze.
François De Keersmaecker gaat voor een 1-2-3-4 opstelling, dat lijkt hem het meest logische. Omdat hij vooral het gevaar uit de lucht vreest, krijgt in het doel Courtois de voorkeur boven Mignolet.
Achteraan acht De Keersmaecker Vincent Kompany nog niet fit genoeg na zijn blessure. Hij wordt vervangen door Daniël Van Buyten.
Op links rekent men op de snelheid van Vertonghen.
Opvallend nog, aan het eind stelde de kritische journalist Bart Eeckhout de bondsvoorzitter een vraag over de rol van de trainer.
"De trainer?", vroeg François De Keersmaecker verbaasd, " de trainer die is aan het trainen."


donderdag 7 juni 2012

Serge Gutwirth


http://works.bepress.com/cgi/viewcontent.cgi?article=1109&context=serge_gutwirth


Bange blanke mensen ?

(Gepubliceerd als lezersbrief in De Morgen, 7 juni 2012, 21)


In zijn bijdrage aan het boerkadebat argumenteert P. Loobuyck in deze krant dat het


algemeen boerkaverbod alleen kan gelegitimeerd worden door de vrijwaring van de


openbare orde en veiligheid. Dat is echter een gepasseerd station, want de wetgevers en


rechters hadden dat al lang begrepen. Juist omwille van de openbare orde en veiligheid


hadden sommige gemeente- en GASreglementen al vóór de wet ingrijpen tegen boerka’s


mogelijk gemaakt. De vraag nu is dus: wanneer laat de openbare orde een ingrijpen


tegen “gezichtsbedekking” toe: altijd of soms?


De boerkawet opteert voor “altijd”, en dat is juist het probleem: het is té


vrijheidsbeperkend en er moeten lachwekkend veel uitzonderingen worden bedacht


(voor karnavalvierders, motorrijders, imkers, rouwkappen, het Genkse stempotlood …).


Bovendien is het argument dat de onzichtbaarheid van het gelaat altijd een probleem


geeft van openbare veiligheid bedenkelijk, want het impliceert dat de politiediensten op


het gezicht moeten afgaan om iemand te controleren. Dit is nu juist niet zo:


politiediensten moeten iemand kunnen identificeren en controleren wanneer die iets


doet dat daartoe een legitieme aanleiding is, en dit uiteraard los van het feit of het


gezicht van die persoon bedekt is of niet. Zo stelde de Politierechter van Elsene in 2011


dat een boerkadragend persoon op de openbare weg moet gerespecteerd worden, omdat


er in dit concrete geval -“op zich” dus- geen verstoring van de openbare orde was. Of om


het met de woorden van de filosoof te zeggen: een “tent” is op zich geen bedreiging.


Zo komen we weer bij het startpunt : degenen die een algemeen boerkaverbod willen,


vinden eigenlijk dat de expressie van de geloofsovertuiging van draagsters van boerka’s


in het openbaar


altijd en zonder meer moet verboden worden. Censuur, dus. Wel : dat ze


daarvoor uitkomen, in plaats van te doen alsof ze objectieve argumenten hebben en alsof


ze niet tot het kamp van het eigen gelijk behoren. En de vraag is dan wat hun volgende


stap zal zijn, nà het algemeen boerkaverbod : het hoofddoekverbod terug op tafel ? Een


lange baardenverbod ? Een verbod op het openbaar dragen van djellaba's ... ? Toch


maar opletten dat ze de Taliban niet in de spiegel ontmoeten.

Serge Gutwirth en Paul De Hert





De boerka is back.
Ik had nog geen enkele bijdrage gelezen die we drie jaar geleden ook niet al een keer hadden gelezen.
Deze is op zoek naar het startpunt.
Het startpunt is het eindpunt:
Is dit argument (wanneer laat de openbare orde een ingrijpen toe)
"altijd" of "soms" van toepassing?


De tent "op zich", is dat een willekeurige tent of een concrete tent?











woensdag 6 juni 2012

Will Gardner







Alles is "naar mijn mening".
Dat komt zo sympathiek over.
Maar u meent het niet.
Of u dat nu achter elke zin plaatst of niet maakt helemaal niets uit.

Er zijn altijd de feiten.
Het essentiële is het object.
"I object"
Een contradictio in terminis.
Het blijft altijd "in my opinion"
"My objection"
Mijn mening wordt geobjectiveerd.
Helaas.
Een "objection" wordt gevolgd door "overruled".
Verworpen door een hogere macht.
Maar er bestaat geen hogere macht.
Er is altijd "a ruling I can appeal".


Denk daar maar eens over na.
One hour for lunch.


zaterdag 2 juni 2012

Frans Boenders

http://www.dbnl.org/tekst/boen002will01_01/boen002will01_01_0001.php

 

Willem Frederik Hermans en Ludwig Wittgenstein

Besser eine Philosophie ohne Praxis als eine Praxis ohne Philosophie.
Gerd Böttcher-Achenbach
In Nederland hebben de meeste schrijvers een ingewortelde hekel aan, dan wel een verbluffende onkunde van de filosofie. Wie het in Nederland niet simpel kan zeggen in de literatuur, wie complexe gedachten aanreikt of in zijn geschriften verwerkt, is verdacht. Men beschouwt hem niet als een schrijver, maar als een zeurpiet, een tobeer die de zaken nodeloos ingewikkeld maakt.
Ik wil hiermee niet suggereren dat de zaken er in de Belgische of Vlaamse letterkunde beter voorstaan, integendeel.
Wie in Nederland en België de schrijver die de pretentie heeft er een oorspronkelijke mening over wijsgerige figuren of kwesties op na te houden! Vakfilosofen, over wie niemand ooit heeft gehoord, beginnen zich dan plotseling te roeren en roepen verontwaardigd uit dat schrijvers van filosofie geen verstand hebben. Iets dergelijks gebeurde toen W.F. Hermans het artikel ‘Wittgenstein in de mode’ aan een filosofisch tijdschrift aanbood. Het stuk werd geplaatst, maar gevolgd door een reactie van Kazemier, een der redacteuren van het periodiek. Deze vond het nodig zich van ‘de geoloog en literator’ Hermans te distantiëren. De ‘literator’ nam zoete wraak door de tweede druk van zijn brochure de titel te geven Wittgenstein in de mode en Kazemier niet.
Wat interesseert Hermans zo in Wittgenstein? In een interview met Judy van Emmerik (Hollands Maandblad 19, 1978, nr. 365, april) heeft Hermans het over de ‘geheimzinnige structuur’ van de Tractatus - maar Hermans' eerste essay over de Oostenrijkse filosoof, ‘Wittgenstein's levensvorm’, gaat juist niet over de raadselachtige Tractatus maar over de veel toegankelijkere

illustratie
W.F. Hermans in Montreal, 1948. Foto Niemi Studio.


Philosophische Untersuchungen. Hermans heeft perfect begrepen dat de toegankelijkheid van Wittgensteins latere werk slechts schijn is: ‘De opgeloste problemen worden bij de latere Wittgenstein voortdurend vervangen door nieuwe onopgeloste problemen, problemen die ogenschijnlijk honderdmaal eenvoudiger zijn dan de schijnproblemen van de klassieke filosofie.’ (ik cursiveer ter verduidelijking zelf het woord ogenschijnlijk)
Hermans is meer dan waarschijnlijk aangetrokken door het radicale karakter van de Philosophische Untersuchungen, waarin Wittgenstein naar eigen zeggen niet meer beoogde dan het ‘overgaan van een niet klaarblijkelijke onzin tot een klaarblijkelijke.’ Dat laatste is erg nuttig aangezien, zo vertrouwt Hermans aan Emmerik toe, ‘het meeste wat op de wereld beweerd wordt onzin is, of zinloos is. En die overtuiging die ligt op de een of andere manier ook ten grondslag aan mijn romans en verhalen, zelfs al voordat ik Wittgenstein gelezen had. (...) Toen ik zijn werk leerde kennen en daar dingen in herkende die ik ook al bedacht had, wist ik dat dit een van de boeken is die ik niet had mogen missen.’
Heeft Hermans de vroege Wittgenstein, die van de Tractatus, goed gelezen- Heeft hij - begrijpelijk en vaak voorkomend mechanisme - zijn eigen wereldbeeld niet in de filosofie van de Oostenrijkse zonderling geprojecteerd?
De interpretatiemoeilijkheden met betrekking tot de Tractatus zijn amper te tellen. Wie zal beweren de juiste verklaring te kunnen leveren van fundamentele termen zoals ‘Tatsache’ en ‘Sachverhalt’? Wie kent àlle aspecten van de theorie van het logische atomisme en is voorts in staat de plaats van Wittgenstein ten opzichte van Russell en Frege haarfijn aan te duiden? Ik niet.
Wel staat het voor mij vast dat de Tractatus niet alleen een

illustratie
Ludwig Wittgenstein.


[p. 59]
grootse poging is om een universele en ideale logische taal te construeren. Ook lijkt mij evident dat het werkje niet uitsluitend als een taalanalyse te begrijpen valt. En, welke ook de technische verdiensten van Wittegensteins afbeeldingstheorie mogen wezen, het werk van een man, die in zijn Engelse jaren aan zijn vriend Drury toevertrouwde dat hij niets anders kon dan alles vanuit een religieus standpunt bekijken - zulk een werk mag men niet als een logisch tractaat alléén analyseren. Er zitten onmiskenbare aspecten aan vast van een transcendentale en ethisch-existentiële en cultuurkritische filosofie.
‘Wat Kraus' Fackel in de literaire kritiek, Loos in de architectuur en Schönberg in de muziek tot stand brachten, verwezenlijkte vervolgens Wittgenstein met de Tractatus in de filosofie: de bevrijding uit de leugenachtigheid en “weerzinwekkende onfatsoenlijkheid” (Kraus) van die tijd,’ schrijven Kurt Wuchterl en Adolf Hübner in hun Wittgenstein (Hamburg, 1979, p. 81).
Een bijkomend probleem in verband met de interpretatie van deze raadselachtige filosofie vormt de nauwe verbondenheid van leven en werk in het denken van Wittgenstein. Deze was niet zomaar een filosoof met een eigen theorie. Het is niet overdreven te stellen dat hij in feite geen theorie bezat en geen doctrine te verkondigen had. Het grote verschil tussen Wittgenstein en onverschillig welke andere begaafde wijsgeer ligt niet zozeer in de voor de hand liggende genialiteit van de Oostenrijker als wel in de omstandigheid dat Wittgenstein nooit helemaal samenvalt met zijn oeuvre, met de geschreven neerslag van zijn denken.
En dan is er het verschil tussen de ‘eerste’ en de ‘tweede’ Wittgenstein. De Tractatus, produkt van de eerste Wittgenstein, is geen verhandeling over de natuur van de menselijke taal. Wittgenstein beschouwt er de taal als een bijzonder geval van de logisch veel ruimere kategorie der afbeelding.
Terwijl in Kants theorie van de kennis het begrip van de rede als wezenlijk kenmerk van het menselijke denken centraal staat, is de centrale kategorie van de Tractatus de taal. Het nieuwe van Wittgensteins taalbenadering bestaat erin dat alles wat men kan zeggen over de taal ook kan gezegd worden over onverschillig welke taal, in de mate dat ze een manier is om iets af te beelden. Wat nu beeldt de taal af? De taal beeldt de wereld af. Aan de ene kant staat de wereld, aan de andere de taal. ‘De wereld is alles wat het geval is,’ schrijft Wittgenstein. Maar de elementen waaruit de wereld is samengesteld zijn geen voorwerpen - huizen, bomen, tafels - die, zouden we ze optellen, de wereld uitmaken.
Door een optelsom van voorwerpen te maken kan de wereld niet de structuur krijgen die ze heeft. Zonder kennis van de samenhangen tussen de voorwerpen kan men de wereld niet reconstrueren. De tafel is geen bloot voorwerp, ze staat altijd al in een context: ze staat in een kamer, haar blad is van hout, rond haar staan vijf stoelen etcetera. De verbinding tussen de tafel en de kamer, de stoelen, het uitzicht van het blad en zo meer vormt een element, een onderdeel van de wereld. Feiten zijn Sachverhalte, verhoudingen tussen voorwerpen of, zoals Hermans terecht vertaalt, connecties.
Een connectie is de constellatie van voorwerpen. Net zoals connecties elementen van de wereld zijn, vormen zinnen of proposities de elementen van de taal. Tegenover de wereld staat de taal; de wereld bestaat niet uit voorwerpen maar uit verhoudingen tussen voorwerpen; de taal bestaat niet uit woorden maar uit verhoudingen tussen woorden - uit zinnen, dus.
Men heeft veel geschreven over Wittgensteins beeldtheorie, alsof haar schepper had willen beweren dat zinnen een soort foto's zijn, de mentale beelden van connecties. Men gaat in deze voorstelling van de zaken voorbij aan de omstandigheid dat Wittgenstein de ‘beelden’ van de taal ziet als wel overwogen verbale constructies. Een zin is een actieve bechrijving van een verhouding tussen voorwerpen. De woorden van de zin vormen een constellatie, analoog aan die van de voorwerpen die de connectie uitmaken: zo produceren zij een beeld van de connectie. Een beeld nu kan alles afbeelden, behalve zijn eigen afbeeldende verhouding tot het afgebeelde. Ware zinnen vormen weliswaar een beeld van de wereld, ze zeggen evenwel niets over hun eigen relatie tot de wereld. Uiteindelijk zijn de betrekkingen tussen taal en wereld onuitsprekelijk.
Zinnen zijn wel degelijk in staat de werkelijkheid af te beelden en haar daardoor te beschrijven - dat doet de wetenschap -, ze kunnen onmogelijk terzelfder tijd beschrijven hoe ze dat doen zonder naar zich zelf te verwijzen en daardoor zinloos te worden - dat is het drama van de metafysica.
De filosofie eigent zich de paradoxale taak toe de grenzen van de taal met behulp van de taal te beschrijven. Hoe kunnen wij de grenzen van de taal in kaart brengen zonder ze te overschrijden? Hoe kunnen we vanuit de taal dingen tonen? Hoever kunnen we daarin gaan zonder vergissingen te maken?
In de Tractatus ontwerpt Wittgenstein modellen die de grenzen tonen van wat wij zeggen. Deze modellen beelden af hoe de dingen zijn en maken wetenschappelijke kennis mogelijk - maar méér kunnen zij niet. Taalmodellen kunnen enkel connecties afbeelden, geen waarden. ‘De ethiek gaat niet over de wereld,’ heet het in de Notebooks 1914-1916 (notitie van 24 juli 1916), ‘De ethiek moet een voorwaarde van de wereld zijn, zoals de logica.’
Volgens de Tractatus kan de ethiek niet in zinnen worden verduidelijkt. Waarden, ethiek, mystiek, religie kunnen enkel worden getoond. Wittgenstein wil in de Tractatus aantonen dat logica en wetenschap een eigen rol spelen binnen het gewone beschrijvende taalgebruik. Aangezien wij met de taal een voorstelling van de wereld geven is de taal vergelijkbaar met het wiskundige model van een natuurkundig verschijnsel. Doordat ethische vragen buiten de grenzen van het beschrijvende taalgebruik liggen kunnen zij ten hoogste beantwoord worden door een soort mystiek inzicht, waartoe de religie maar ook de kunst, de muziek en de literatuur kunnen bijdragen.
De Tractatus predikt alles behalve een positivisme. De positivist deelt de taal op in eensdeels zinvolle, controleerbare, op ervaring gesteunde uitspraken en, anderdeels, zinloze, oncontroleerbare, niet op ervaring gesteunde uitspraken. De eerste soort uitspraken vormen de wetenschap, de tweede de metafysica, de religie, de kunst en de literatuur.
De steile positivist ziet enkel het belang in van de eerste kategorie, voor hem heeft de tweede enkel misleiding te bieden of, op zijn best, een aangenaam tijdverdrijf. Voor Wittgenstein nu bestaat het waarlijk belangrijke uit datgene wat getoond wordt door de grenzen van de taal, maar waarover met de taal zelf niets te zeggen valt.
De Tractatus is, naast een logisch geschrift, ook een ehtische daad - zij het van een aparte soort: een daad die enkel uitzicht geeft op de wereld van de waarden. Iedereen, zo luidt de boodschap van de Tractatus, moet voor zich zelf ethisch inzicht bezitten of verwerven, alleen leent zich dat inzicht niet tot een rationele argumentatie. Dat lijkt me een juistere voorstelling dan degene die Hermans in Wittgenstein in de mode geeft: ‘Geen enkele ethiek kan, zoals Wittgenstein onderstreept, iets anders dan zinloze uitdrukkingen opleveren.’ (p. 57) Wie de zaken zo presenteert wekt de indruk dat alle ethische systemen zinloos zijn, terwijl Wittgenstein juist bedoelt dat elke ethiek zin heeft op voorwaarde dat hij wordt beleefd. De wereld is de verzameling van connecties, van feiten. In die wereld is er geen sprake van waarden.
‘De zin van de wereld moet buiten de wereld liggen,’ schrijft Wittgenstein. Hij ligt dus buiten het domein van de feiten, in het domein van de waarden waar geen proposities of connecties bestaan maar enkel paradox en poëzie. Men kan volgens Wittgenstein geen intellectuele grondslagen geven aan de ethiek. Ethiek wordt beleefd, nooit bewezen of gefundeerd.
Hermans is van mening ‘dat Wittgenstein zijn ideaal zou hebben bereikt, als zijn filosofie inderdaad een onpersoonlijke wetenschappelijke techniek was geworden, een controlemiddel op de gerechtvaardigheid van uitspraken, dat door iedereen zou kunnen worden toegepast die zich deze techniek had eigen gemaakt.’ (Wittgenstein in de mode p. 67) Dat is een volkomen misvatting.
In de Notebooks 1914-1916 schrijft Wittgenstein op 25 mei 1915: ‘De aandrift tot het mystieke komt doordat onze wensen door de wetenschap onbevredigd blijven. Wij voelen dat, zelfs als alle mogelijke wetenschappelijke vragen beantwoord zijn, ons probleem nog helemaal niet is aangeraakt.’ (cursivering in Wittgensteins tekst)
De Notebooks werden in 1961 gepubliceerd. Hermans schreef zijn Wittgenstein in de mode in 1966; daarin staat te lezen dat Wittgenstein ‘zich met betrekking tot god nooit in andere dan
[p. 60]
logisch-grammaticale zin (heeft) uitgelaten’ (p. 62).
Op 11 juni 1916 schrijft Wittgenstein in zijn dagboek:
Wat weet ik over God en de zin van het leven?
Ik weet dat deze wereld is.
Dat ik in haar sta zoals mijn oog in zijn gezichtsveld.
Dat aan haar iets problematisch is wat we haar zin noemen.
Dat deze zin niet in haar ligt maar buiten haar.
Dat het leven de wereld is.
Dat mijn wil de wereld doordringt.
Dat mijn wil goed of slecht is.
Dat dus goed en kwaad op de een of andere manier met de zin van de wereld samenhangt.
De zin van het leven, dat is de zin van de wereld, kunnen wij God noemen.
En daarmee de vergelijking verbinden van God als een vader.
Het gebed is de gedachte aan de zin van het leven.
Ik kan de gebeurtenissen van de wereld niet volgens mijn wil sturen, maar ik ben volkomen machteloos.
Ik kan mij enkel onafhankelijk van de wereld maken - en haar dus toch in zekere zin beheersen - doordat ik afzie van een invloed op de gebeurtenissen.
Zijn dat uitlatingen in ‘logisch-grammaticale zin’? Ik durf het betwijfelen. De zojuist geciteerde passage is beslist niet de enige waarin sprake is van zulke onlogisch-grammaticale zaken als God, de zin van het leven en het gebed. Op 8 juli 1916 luidt het ondubbelzinnig:
Aan een God geloven betekent de vraag naar de zin van het leven begrijpen.
Aan een God geloven betekent zien dat het met de feiten van de wereld nog niet gedaan is.
Aan God geloven betekent zien dat het leven een zin heeft.
Tot zover Wittgensteins ‘eerste’ filosofie. De gebalde duisterheid van de Tractatus - het enige filosofische boekje dat tijdens Wittgensteins leven verscheen - contrastreert op verbazingwekkende wijze met de ogenschijnlijk vlotte leesbaarheid van de geschriften uit Wittgensteins latere periode.
Op het eerste gezicht hebben de Philosophische Untersuchungen niets te maken met de Tractatus. De Britse periode, die inzet in 1929, lijkt waterdicht gescheiden van de periode daarvoor. Is de Tractatus voor velen een verhandeling over de logica, de filosofische onderzoekingen zijn niets anders dan een niet aflatend onderzoek, onsystematish en niet zelden in vragende vorm, naar de verschillende gebruiken die men van de dagelijkse omgangstaal maakt. Zo bekeken, is de Tractatus een rigoureuze bijdrage aan de mathematische logica, terwijl de Filosofische onderzoekingen meer liggen op de domeinen van antropologie, psychologie en linguïstiek. ‘Je kunt,’ zo vertrouwt Hermans zijn interviewer Fons Elders toe, ‘bij sommige schrijvers over Wittgenstein lezen dat de Tractatus in zijn Philosophische Untersuchungen woord voor woord wordt afgebroken, maar dat is helemaal niet waar.’ (Filosofie als sciencefiction, Amsterdam 1968, p. 116) Hermans ziet het hier juist. De band tussen beide boeken is reëel. Wittgenstein had in de Tractatus het domein en de grenzen van de taal bepaald, maar de betekenis van die taal voor de spreker, die haar op talloze manieren gebruikt, moest alsnog onderzocht worden. Voor de ‘tweede’ Wittgenstein betekent taal een bepaald gedrag en wil taal hetzelfde zeggen als praktisch taalgebruik. Hij concentreert zijn onderzoek op de regels waaraan het gebruik van verschillende uitdrukkingen onderworpen is, op de taalspelen waarin de regels functioneren, en op de meer algemene levensvormen die aan de taalspelen uiteindelijk hun betekenis verlenen.
Nu, welke opvatting men ook is toegedaan ten aanzien van de overeenkomsten en de verschillen tussen de vroege en de late filosofie, het is zonneklaar dat Wittgensteins schrijfstijl, en ook zijn methode, drastisch gewijzigd zijn.
De Tractatus bezit een weerbarstige dichtheid, maakt copieus gebruik van een technisch vocabularium, bevat veel assertieve tot dogmatische en generaliserende uitspraken en houdt niet van voorbeelden.
De Filosofische onderzoekingen kabbelen rustig voort in een taal die nauwelijks moeilijkheden schijnt op te roepen; de schrijver preciseert eindeloos, huivert voor algemene waarheden, heeft een voorliefde voor vragen en zoekt voortdurend naar geschikte voorbeelden. Daardoor lijken deze onderzoekingen zo verschillend van de Tractatus dat de vroege bewonderaar van Wittgenstein, ik bedoel Bertrand Russell - ‘Hij is de meest apostolische en knapste vent die ik ooit heb ontmoet sinds Moore,’ schreef Russell al in 1913 -, ongevraagd verklaarde dat hij er de filosofische betekenis niet van zag.
Inderdaad. Het is niet eenvoudig de samenhang te zien tussen de talloze opmerkingen en de verspreide waarnemingen van taaldaden. Verschijnt de Tractatus als een bijzonder moeilijk brok abstracte filosofie, dan zijn de Filosofische onderzoekingen oppervlakkig bekeken stukken eenvoudiger, ook al ziet men er de wijsgerige relevantie niet meteen van in. ‘Wittgenstein's Philosophische Untersuchungen,’ zo begint Hermans zijn knappe essay ‘Wittgenstein's levensvorm’, ‘is een boek om nagelbijter bij te worden.
Wittgenstein zal erin slagen taalgebruikers hetzelfde gevoel te geven dat iemand krijgen zou die, bij het op- en afdraven van trappen ertoe zou komen na te denken over elke stap, voordat hij zijn voet durft neer te zetten.’
Voor de ‘tweede’ Wittgenstein betekent filosofie inderdaad de onophoudelijke poging, die de taalgebruiker onderneemt om tot verheldering, plaatsbepaling en socratisch zelfbegrip te komen. De kortaangebonden aforisticus is nu een geduldig uitlegger geworden die niet ophoudt de gekste veronderstellingen te opperen en de pakkendste parabels te verzinnen. De filosofie is een verhaal geworden - maar dan een zonder begin of einde, een continu verhaal.
Het onderzoek van de Philosophische Untersuchungen heeft niets te maken met wetenschappelijk onderzoek dat resultaten afwerpt en vorderingen maakt. De filosofie kent geen echt onderzoek. Ook werpt ze geen resultaten af. De filosoof ontdekt geen nieuwe waarheden die andere mensen (nog) niet zouden weten. Wel wijst hij zich zelf en de anderen op onze tot wanhoop leidende onmacht om de taal goed, probleemloos en ondubbelzinnig te gebruiken.
Dit soort onmacht heeft Hermans uitstekend verwoord in ‘Wittgenstein's levensvorm’: ‘(Philosophische Untersuchungen) kan nog het beste een verzameling demonstraties worden genoemd, demonstraties van de permanente machteloosheid waarin mensen die proberen iets zinrijks tegen elkaar te zeggen, zich bevinden, demonstraties van het feit dat buiten de wiskunde, de symbolische logica, de natuurwetenschappen e.d. er geen spelen gespeeld worden maar eerder spelletjes en dat, trouwens, de wiskunde, de logica en de natuurwetenschappen niets te maken hebben met wat eeuwenlang voor de WAARHEID gehouden is en er nu nog door theologen en metafysici voor gehouden wordt, dat de wetenschappen alleen stellingen kunnen formuleren die binnen hun eigen systeem van regels goed zijn of verkeerd, maar daarbuiten niets nieuws aan ‘het licht kunnen brengen; die logische identiteiten zijn tautologieën en verder niet.’
Filosofen weten bepaald niet méér dan niet-filosofen. Wanneer zij over hun activiteit in gewone mensentaal met andere spreken dan klinkt het als een reeks lege truïsmen.
Welke waarde bezit de filosofie dan? Wat heeft de mensheid aan de wijsgerige bewijzen ‘van de permanente machteloosheid’? Filosofie mag dan al geen nieuwe kennis aanreiken, ze geeft wel een nieuw begrip van, en een nieuw inzicht in de zaken die men al op een bepaalde manier kent.
Terecht schrijft Hermans in ‘Wittgenstein's levensvorm’: ‘Wittgenstein antwoordt niet, maar belicht aspecten. Het vinden van nieuwe informatie is niet het doel van zijn filosofie, hij wil de problemen oplossen door dat, wat bekend is, anders te rangschikken.’
Wittgenstein sluit aan bij de oudste wortels van de Westerse filosofie: hij onderneemt een zoektocht naar inzicht die de vorm aanneemt van een mentale zelfdiscipline. Zowel in Wittgensteins leven als in zijn denken speelt de wil een buitengewoon belangrijke rol want, wil men de geest onder tucht brengen dan moet men gebruik maken van de wil. Het komt er in Wittgensteins filosofie op aan weerstand te bieden tegen allerhande verleidingen, die erin bestaan dingen te zeggen die groots klinken maar in feite nonsens zijn. Hermans drukt deze idee beeldrijk uit wanneer hij schrijft: ‘Wittgenstein toont dat de meeste verschillen tussen poppenkast en werkelijkheid in
[p. 61]
het niets verwaaien bij een nader onderzoek.’ Dat nader onderzoek impliceert een intensieve training in het vermijden van onzin. Wanneer de filosofische discipline geslaagd mag heten, volgt daaruit niet dat men iets nieuws te zeggen heeft maar dat men bepaalde dingen, die iemand zonder filosofische training in de verleiding kon komen te zeggen, niet meer zegt. Het lijkt er vooral op, schrijft Hermans, ‘of de Philosophische Untersuchungen niet gewijd zijn aan wat gezegd kan worden, maar aan wat niet kan worden gezegd; aan wat wel gezegd wordt, maar waarvan het op zijn minst twijfelachtig is of het zin heeft het te zeggen.’
Inderdaad: Wittgenstein's Philosphische Untersuchungen is een boek om nagelbijter bij te worden. Ook het centrale begrip ‘taalspel’ geeft weinig aanleiding tot de vreugde die echte spelen kunnen bezorgen.
De term duikt bij Wittgenstein voor het eerst op in juni 1930, in een discussie met Moritz Schlick, de grondlegger van de Wiener Kreis. Volgens Wittgenstein kan niet alleen het formalistische karakter van de wiskunde maar ook een ander formalisme zoals de syntaxis worden opgevat als een systeem van

illustratie
Huis door Wittgenstein gebouwd in de Kündmanngasse in Wenen, december 1982. Foto W.F. Hermans.


spelregels. Het verschil tussen de diverse spelsystemen ligt uitsluitend in hun toepassing. Zo is het gebruik van een pion in het formalistische systeem van het schaakspel gebonden aan zijn specifieke spelregels, terwijl de betekenis van een woord niets anders is dan het concrete gebruik ervan volgens de syntactische regels van de taal - Wittgenstein heeft het bij voorkeur over de grammatica van een woord. De diversiteit van de spelen wijzen op de veelheid van de linguïstische gebruiksmogelijkheden. Samen vormen de diverse taalspelen een ingewikkeld net van familiegelijkenissen. Aangezien deze laatste elkaar in ruime maar onduidelijke mate overlappen kan men de diverse taalspelen zelden zuiver in kaart brengen en nauwkeurig ten opzichte van elkaar afgrenzen. De taalspelen functioneren niet als op zich bestaande, autonome fenomenen, ze vormen de onderdelen van linguïstische en niet linguïstische handelingen.
‘Taalspel, taalspelen,’ schrijft Hermans in dat verband niet geheel correct, ‘zijn bij Wittgenstein termen die alleen betrekking hebben op de taal als zodanig, op de logische vorm van de taal; niet op de spelers. De spelers zullen na ettelijke eeuwen skeptische filosofie misschien gemakkelijker toegeven dat er met de taal een spel gespeeld wordt, zelfs dat er verschillende spelen mee gespeeld worden, maar vervolgens gaan zij over tot de orde van de dag.’ Taalspelen zijn in hoge mate veranderlijk. Nieuwe soorten ontstaan terwijl andere verdwijnen. Privé-taalspelen bestaan niet omdat de regels, die elk taalspel bezit, gebonden zijn aan bepaalde algemene conventies. Het zijn dus de conventies, geldig in een soort levensvorm, die kenmerkend zijn voor de taalspelen.
Al wat gezegd wordt, ook datgene wat men in stilte zich zelf toevertrouwt en nooit aan een ander meedeelt, heeft indirect zijn betekenis te danken aan het gemeenschappelijke gebruik van de taal, aan de linguïstische gemeenschapspraktijk in het sociale leven. Taalspelen vormen het kader en het richtsnoer zowel van ons taalgebruik als van onze inschatting der dingen - wanneer men bijvoorbeeld moet beslissen of iets wààr dan wel vals is.
Er zijn dingen die als vanzelfsprekend worden aanvaard en waaraan niet wordt getwijfeld. Wittgenstein acht dat noodzakelijk. Immers, tenzij men bepaalde zaken onvoorwaardelik aanvaardt, heeft het geen zin om de waarheid of de valsheid van iets te bepalen, sterker, men kàn niet eens twijfelen.
‘Ein Zweifel, der an allem zweifelte, wäre kein Zweifel,’ heet het in On Certainty - Ueber Gewissheit. De afwezigheid van de twijfel behoort met andere woorden tot het wezen van het taalspel. Evenzeer behoort het tot de logica van het wetenschappelijk onderzoek dat bepaalde dingen niet betwijfeld worden. Wie aan een proefneming begint kan aan veel dingen twijfelen, maar hij is bij voorbeeld zeker van het bestaan van het instrument dat zich voor hem bevindt. Binnen een aanvaard systeem heeft men zekerheden.
Op de achtergrond van elke menselijke activiteit met een intellectuele dimensie treft men aanvaarde, niet in twijfel te trekken taal- en denkvormen aan. Het zijn historisch ontwikkelde produkten van de maatschappij, via de opvoeding overgeleverd en doorgegeven. Ze vormen de basis van het spreken maar ook van het oordelen en van het onderscheid tussen wat waar, vals en twijfelachtig is. De ingraving van het individu en zijn ideeënwereld in een maatschappelijke bodem is een belangrijk facet van Wittgensteins latere denken, waaraan Hermans weinig aandacht schenkt. Daarom schrijft deze soms zulke misleidende zinnen als: ‘Alles wat niet logisch is, dwz. niet in een spel past, is daarom voor Wittgenstein onuitsprekelijk, niet denkbaar. Of zulke onlogische dingen bestaan dan wel niet bestaan is een zinledige vraag.’
Het moeilijkste punt in de theorie van de taalspelen wordt gevormd door de vraag in hoever de taalspelen met een sociaal karakter zijn verbonden met, of de weerspiegeling zijn van de Lebensformen. Een levensvorm omschrijft Wittgenstein als datgene wat gegeven is en men derhalve dient te accepteren. Hermans heeft aan dit cruciaal begrip een geheel eigen invulling gegeven. Voor de romancier is de levensvorm van ieder mens een, of liever de chaos. Daarbinnen kunnen zich, met veel moeite en tekorten, zulke gewaardeerde zaken als beschaving en orde ontwikkelen en zich trachten te handhaven. Maar aangezien uiteindelijk de chaos regeert, gaat het verschil tussen goed en kwaad slechts op binnen de beperkte levensvorm waar een aan normen en maatstaven gebonden systeem van regels en conventies - taalspelen - geldig is omdat het er toevallig wordt gerespecteerd.
Dank zij de conventie of de afspraak van de taalspelen is de mens in staat orde aan te brengen in de werkelijkheid. De ordening is enkel geldig binnen het taalspel. De solipsistische logica binnen een privé-taalspel kan een andere, meer algemeen aanvaarde logica totaal onzinnig en onlogisch voorkomen. In boeken als Paranoia en De donkere kamer van Damocles worden personages door dergelijke waandenkbeelden geteisterd.
Het aandeel van de orde in het geheel van de werkelijkheid is zoiets als de tuinen van Versailles ten opzichte van de wouden in Frankrijk: het zou gevaarlijk zijn de keurig gesnoeide en gekapte bomen van Versailles als representatief te beschouwen voor de opstand in de Franse bossen.
Wittgenstein moet nogal somber hebben aangekeken tegen de mogelijkheden, waarover het individu theoretisch beschikt om levensvormen en de gang van maatschappelijke processen - in het gunstigste geval: van chaos naar orde - te beïnvloeden. In dit aspect van zijn denken herkent Hermans zich vanzelfsprekend: ‘Wittgenstein meent niet dat, zoals hoopvolle predikers zeggen, de mensen zich van elkaar afsluiten - wat zij niet zouden behoren te doen - of dat zij, door egoïsme verblind, fout zouden leven. (...) Maar het is eer dat de mensen ook eigenlijk niet weten wat zij zouden moeten mededelen, zelfs als zij de (ondenkbare) betere communicatiemiddelen zouden bezitten, waarover gemediteerd wordt. Het onuitsprekelijke is niet zozeer onuitsprekelijk maar het is, zolang er geen woorden voor zijn, zelfs niet denkbaar. “Als een leeuw kon spreken, wij zouden hem niet kunnen verstaan,” leder menselijk individu is min of meer zo'n leeuw.’
[p. 62]
Wittgenstein dacht dat een strikt beschrijvende werkwijze zou aantonen hoe de filosofische problemen hun oorsprong vinden in het slecht functioneren of het verkeerde gebruik van de taalspelen. De eigenlijke functie van de taal bestaat immers in de beschrijving; taal beschrijft een stand van zaken uit de werkelijkheid; de functie van de grammatica is het beschrijven van het gebruik der tekens. De beschrijvende taak van de filosofie stemt geheel overeen met de descriptieve functie van de taal.
‘Alle verklaringen moeten terzijde geschoven worden en dienen plaats te maken voor beschrijvingen, en beschrijvingen alleen,’ heet het in de Philosophische Untersuchungen.
De door moeilijkheden belaagde filosoof kan zich bevrijden van het pijnlijke gevoel van onhelderheid door in te zien waar de problemen vandaan komen. Dan bereikt hij ‘Friede in den Gedanken’ (dagboeknotitie uit 1944, opgenomen in de Vermischte Bemerkungen), de gemoedsrust waarnaar iedere wijsgeer haakt. De feiten veranderen die de problemen veroorzaken gaat de kracht van de filosoof te boven. Dat impliceert namelijk dat hij de taalspelen zou veranderen die nu juist de weerspiegeling vormen van hoe de mensen geneigd zijn te denken. Taalspelen zijn het produkt van een historisch proces dat diepe wortels heeft in het verleden en dat wordt gesteund en omgeven door de manier waarop men is opgevoed, door de menselijke instellingen en zo meer. Het is evident dat de filosoof daaraan weinig kan sleutelen.
De filosoof die Wittgenstein heet kan volgens Hermans niet alleen niet bij de maatschappij en haar problemen - hij kan niet eens de vragen, die hij in zijn werk stelt, sluitend beantwoorden: ‘Als zich een taal voorstellen betekent zich een levensvorm voorstellen, rijst de vraag welke taal Wittgenstein zich op den duur voorstelde, dwz. welke levensvorm in de Philosphische Untersuchungen is belichaamd. (...) Het is een taal die voor het grootste deel uit vragen bestaat en het eigenaardige van deze vragen is hun simpelheid. Het zijn vragen schijnbaar zo onnozel, dat zij nooit worden gesteld, of waarop, als zij gesteld worden, het antwoord moeilijk gevonden kan worden. Maar zelfs als je er een antwoord op vindt- en dat lijkt soms bijzonder gemakkelijk - wekt dit antwoord niet de indruk afdoend te zijn.
Wittgenstein zelf heeft zo goed als nooit een antwoord op deze vragen en wanneer hij toch een antwoord geeft, wordt dit niet als een afdoend antwoord gepresenteerd, is het eerder een suggestie. Als ook dit inherent is aan zijn levensvorm, is deze er een van vragen waarop hij het antwoord schuldig blijft. Trouwens, ook de vraag wat een vraag is, blijft onbeslist.’
Hermans raakt hier de kern van Wittgensteins filosofie. De Oostenrijkse wijsgeer had een diep wantrouwen ten aanzien van filosofische systemen, algemene theorieën en universele waarheden. Zijn scepticisme leidde hem tot scherpe en directe waarnemingen die verklaringen achter zich lieten om zich te concentreren op de nauwgezette, zuivere beschrijving van het afzonderlijke verschijnsel, van het feit.
Wie enigszins vertrouwd is met de wereld van W.F. Hermans zal zich er niet over verbazen dat de kwaliteit, zich lucide op de feiten te richten en alle ideologieën te ontmaskeren, de Nederlandse grootmeester van het proza - de enige met een consistente visie op mens en wereld - heeft gebracht tot diepe waardering voor, en tot ontroerende identificatie met het denken van Ludwig Wittgenstein, nota bene op een ogenblik dat haast niemand in Nederland van de Oostenrijkse wijsgeer had gehoord.


Frans Boenders.



1.
"Il est toujours aisé d'être logique. Il est presque impossible d'être logique jusqu'au bout."
Wat is dat "jusqu'au bout"?

2.
"jusqu'au bout" betekent "tot op het eind"

3.
"Tot op het eind" betekent "tot waar het eindigt", "tot waar het stopt"...

4.
Het einde van de logica, er is geen "dus" meer, er is geen samenhang meer tussen één en twee, noch tussen twee en drie, noch tussen drie en vier.

5.


6.
Er zijn alleen maar flarden.

7.
Er is geen overkoepelend geheel meer.

8.
'het meeste wat op de wereld beweerd wordt onzin is, of zinloos is.'
Dat is niet "jusqu'au bout".
"Jusqu'au bout" is "alles wat op de wereld beweerd wordt onzin is, of zinloos is".

9.
"jusqu'au bout" is spelen zonder spelregels.

10.
Frans Boehoenders:
"Er zijn dingen die als vanzelfsprekend worden aanvaard en waaraan niet wordt getwijfeld. Wittgenstein acht dat noodzakelijk. Immers, tenzij men bepaalde zaken onvoorwaardelijk aanvaardt, heeft het geen zin om de waarheid of de valsheid van iets te bepalen, sterker, men kàn niet eens twijfelen.
"Ein Zweifel, der an allem zweifelte, wäre kein Zweifel"
Heeft Boenders Wittgenstein goed gelezen?
 Heeft hij - begrijpelijk en vaak voorkomend mechanisme - zijn eigen wereldbeeld niet in de filosofie van de Oostenrijkse zonderling geprojecteerd?

11.
'Ein Zweifel, der an allem zweifelte, wäre kein Zweifel'
Zoek het citaat:
http://a-kleber.narod.ru/lw/lw-gewissheit.pdf

12.
12 = 450
Het citaat wordt door Frans gepresenteerd als een soort leugenaarsparadox, als een vorm van de paradox van Epimenides. Het ultieme argument om de logica te handhaven.


13.
Dertien is een ongeluksgetal, dus dat slaan we even over.

14.
"Men kàn niet eens twijfelen" hengelt Frans naar een complimentje van Wittgenstein.
220: "Der vernünftige Mensch hat gewisse Zweifel nicht"

15.
Hoe kàn ik dat uitleggen?
400: "Ich bin hier geneigt gegen Windmühlen zu kämpfen, weil ich das noch nicht sagen kann, was ich eigentlich sagen will".

16.
"Men kan niet eens twijfelen". Dat is niet omdat er geen twijfel is, dat is omdat er geen "gewisse" is, dat is omdat er geen "zijn" is.
Ik kan het niet uitleggen omdat u daar nog niet "bent".

17.
"Ein Zweifel, der an allem zweifelte, wäre kein Zweifel"
Een twijfel die aan alles twijfelt is geen twijfel, dat is een zekerheid.
Dat "zou" de vertaling van Frans kunnen zijn.
Alleen staat er geen "is".
"wäre" is het sleutelwoord.
Zou zijn.
Een twijfel die aan alles twijfelt, dat zou geen zekerheid zijn.
"Op voorwaarde dat u in de logica gelooft", dat is de impliciete vooronderstelling.
115: das Spiel des Zweifelns selbst setzt schon Gewissheit voraus.

18.
"Wie enigszins vertrouwd is met de wereld van W.F. Hermans zal zich er niet over verbazen dat de kwaliteit, zich lucide op de feiten te richten en alle ideologieën te ontmaskeren, de Nederlandse grootmeester van het proza - de enige met een consistente visie op mens en wereld - heeft gebracht tot diepe waardering voor, en tot ontroerende identificatie met het denken van Ludwig Wittgenstein, nota bene op een ogenblik dat haast niemand in Nederland van de Oostenrijkse wijsgeer had gehoord."


19.
"Een mooie tijd om later te worden"
Dat vind ik een mooie zin.
Dat is een feit.