zondag 30 maart 2014

Tom Vandyck


Ik ben een beetje balorig vandaag.

"We weten niet meer wat racistisch is".
Dat was de titel van een column van Tom Vandyck.
Maar ik vertik het om die column hier een plaats te geven of om er een "gefundeerde" commentaar op te schrijven.
De eerlijkheid gebiedt me om toe te geven dat ik geen inspiratie heb op dit ogenblik.
Ik ben te serieus. Ik kan er de relativiteit niet meer van inzien.
Kan je nagaan hoe erg het met me gesteld is op dit ogenblik.

Maar geen nood!
We vragen gewoon een hulplijn!

http://www.dbnl.org/tekst/braa002poli01_01/
De verloochening van de grammatica schijnt den mensch bijzonder zwaar te vallen; hij schijnt niet te mogen erkennen, dat de grammatici en de levensbezinners, de philosophen, een belangengroep vertegenwoordigen zooals de bakkers en de geschutfabrikanten, en dat de geest doorgaans als hun octrooi dienst moet doen. En reeds hoor ik de philosophen ietwat zuur, maar ondanks alles welwillend en meerwaardig opmerken, dat ik zelf, de bestrijder van den geest, het woord en den zin, zonder dien geest, dat woord en dien zin niet eens zou kunnen argumenteeren, dat ik de grammatica, in plaats van haar te verloochenen, uitbuit met alle middelen, die mij ter beschikking staan. Zouden zij daarin geen gelijk hebben, deze zuurpruimen den geest met hun geoctroyeerde consequentie? Natuurlijk hebben zij gelijk: ik val den geest aan met geestelijke middelen, ik attaqueer woorden met woorden en zinnen met zinnen! Maar er is dit kleine verschil: ik weet, dat ik voor vrienden schrijf, die mijn woorden voelen als een lichamelijk contact en mijn zinnen als een ontmoeting, een teeken van verwantschap; ik weet (ja, ik weet, grammatische woordspeling), dat diezelfde woorden en zinnen als een aanmatigend en volslagen krankzinnig klankgeknetter over de hoofden van het ‘publiek’ zullen gaan, van dit door de verheffing des geestes zoo veelzijdige en beschaafde publiek; ik geloof als een onverzettelijke calvinist in den onzin van mijn zinnen, als ik maar één oogenblik overweeg, dat het ‘logische denken’ mijn woorden voor het publiek zou moeten rechtvaardigen. Voor mij zijn de gebruikelijke woorden van het dagelijksch leven middelen, om mijn belangen te behartigen; de woorden, die ik op dit papier gebruik, behartigen niet minder mijn belangen; in beide gevallen is het ‘logische denken’ slechts een schakel, een omzetting van de gebarentaal der apen en visschen in zoogenaamde begrippen, die mij nu eenmaal in zekere omstandigheden beter dienen dan gekrijsch, bijten of verkleuren. De ‘logica’ van dit boek bestaat dan ook alleen voor hen, die in de logica nog het gekrijsch hooren, het bijten voelen en het verkleuren waarnemen, d.w.z. voor hen, die zich reeds met zenuwen en ingewanden van den cultus des geestes,van de verhevenheid, het ‘hoogere’ en de grammatica hebben losgemaakt en alleen tegenover de deftige woorden nog aarzelen; mijn ‘logica’ heeft alleen vat op degenen, die elk pedant apriori tegenover de dieren willen afleggen en zèlfs het feit der geestelijkheid tegen den mensch wagen uit te spelen, als het noodzakelijk is; voor alle anderen, van den predikant tot den professor, ben ik - en wil ik zijn - onlogisch, en hoogstens... geestig!


http://tvolen.be/2013/01/09/turkse-vrouw-akkoord-met-weigering-antwerpse-snorrenclub/
Een Turkse vrouw die klacht had ingediend bij het centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding omdat de Antwerpse snorrenclub haar weigerde toe te laten, komt na overleg terug op haar beslissing.Volgens de vrouw lag machogedrag aan de basis van de weigering. Enkele dagen geleden verklaarde ze: ‘Het valt op dat de club volledig uit mannen bestaat, terwijl de helft van de Antwerpenaren toch vrouwen zijn, sommigen met een snor, zoals ikzelf. Mijn weigering bewijst overduidelijk dat de snorrenclub niet openstaat voor emancipatie van de vrouw.’
Bij de snorrenclub klonk het daarop enigszins anders. ‘Wij willen deze vrouw graag toelaten in onze club, we hebben dat in het verleden trouwens al voor meer vrouwen gedaan, hoe meer snorren hoe beter. Maar wij hebben liever geen Turken of andere buitenlanders in onze club, man of vrouw, snor of geen snor.’
De Turkse vrouw geeft nu toe dat ze die argumentie kan begrijpen en besluit daarop haar klacht terug in te trekken.

zaterdag 29 maart 2014

Menno ter Braak



Ik tracht daarom niet langer het persoonlijk voornaamwoord van den eersten persoon te vermijden. Het kost mij overigens telkens nog moeite, om rondweg ik te schrijven, waar de journalist wij, de man der wetenschap men en de politicus de Natie pleegt te gebruiken; het herinnert mij nog steeds bij momenten pijnlijk aan de spreektaal en den persoonlijken brief. Pijnlijk: een bewijs, dat de litterator in mij, die een afkeer heeft van net ongeprivilegieerde schrijven der niet-clerken, nog altijd prat wil gaan op zijn middeleeuwsche bevoorrechting, nog altijd meent vulgair te zijn door zichzelf openlijk verantwoordelijk te stellen voor zijn uitspraken. En niet geheel ten onrechte; ‘ik’ sleept meermalen de ongelimiteerde mededeelzaamheid van zelfgenoegzame praatvaars achter zich aan, het kan behept zijn met alle opdringerigheid der spreektaal en alle familierelazen uit de vertrouwelijke brieven van moeders aan dochters. Daartegenover heeft het onpartijdige ‘men’ het voordeel van een aristocratische afzijdigheid en onpersoonlijkheid; de schrijver, die ‘men’ zegt, houdt nog eenige troeven in de hand door zich niet bij het eerste treffen klakkeloos te vereenzelvigen met zijn uitspraak. ‘Waarom men schrijft’ is iets anders dan ‘waarom ik schrijf’; in het eerste geval blijft een aftocht naar een veronderstelde achterhoede van gelijkgezinden mogelijk, in het tweede geval staat de schrijver openlijk alleen; hoe hij zich ook draait, hij heeft zijn schepen achter zich verbrand, hij heeft geen collegae en geen landgenooten meer. ‘Men’ is, om zijn aristocratische reserves, een verleidelijk pronomen voor hen, die nog niet voldoende op hun ‘ik’ vertrouwen en daarom hun woorden flatteus willen beschaduwen met afzijdigheid en heimelijke ironie (‘de lezer weet, dat ik het ben en ik ben het toch niet geheel’); ‘men’ is een woord voor afstammelingen der wetenschap, die uit hun wetenschappelijken tijd de neiging tot objectief verstoppertje-spelen hebben overgehouden. Ik heb van de effecten van dit ‘men’ genoten, zòòzeer, dat het bijna een stopwoord voor mij werd, als ik een persoonlijk oordeel den laatsten zwakken schijn van objectiviteit wilde meegeven: het miste de kleverige camaraderie van ‘wij’ en het reclame-achtige van ‘ik’, terwijl het van beide een charmant amalgama kon zijn. Bijna mathematisch algemeen door zijn vorm, was het tevens prikkelend subjectief door zijn ironie.
De aristocratie van ‘men’ heeft echter, zooals alle aristocratie, naast een aspect van voornaamheid een aspect van gewildheid. Er komt een tijd, die niet meer van ontsnappen en afzijdigheid wil weten, de ware tijd voor het ‘ik’. Er komt een oogenblik, waarin de veronderstelde achterhoede der gelijkgezinde ‘men’ hinderlijk wordt en ‘ik’ den auteur niet meer als reclame klinkt. Met ‘ik’ is een ander spel te spelen dan met ‘men’, al is het dan niet bij uitstek het spel van eerlijkheid en moed; de schrijver verbergt zich even goed achter zijn ‘ik’ als achter zijn ‘men’, hij blijft evenzeer naar algemeenheden trachten en de aandacht afleiden van zijn eigen toevallige levenshistorie; want iemand moet wel zeer naïef zijn om te gelooven, dat in ik-romans en autobiographieën de schrijver zich ‘geeft’. Ik geef mij niet, ik heb niet de minste reden mij te geven in de chaotische, tegenstrijdige veelheid, die ik ‘ben’; ik heb er belang bij een ‘ik’ te toonen, dat zich als een solide schild en een snel aanvalswapen voor mij verdienstelijk maakt; dit geharnaste ‘ik’ vertoonen wil niet zeggen, dat ik alle moeite doe om in mijn hemd te gaan staan, want een kind kan zien, dat dit een averechtsche tactiek is. Ik blijf tacticus, maar mijn tactiek wijzigt zich. Ik vestig de aandacht op het officieuze en onvoltooide, op feiten, die mij betreffen en niemand anders, omdat ik mijn conclusies niet langer den schijn wil meegeven, dat zij mij als gave geschenken in den schoot zijn gevallen. Ik wil mijn algemeene resultaten niet langer de wereld inzenden zonder tevens te bekennen uit welke persoonlijke gebaren zij zijn voortgekomen; een waarheid heeft voor mij geen bekoring meer, als ik niet eerst ontdekt heb, waar zij haar naam ‘waarheid’ heeft opgedaan. Pragmatisme en waarheidsvereering verdraag ik niet als tegenstellingen, voor ik mijn ‘waarheden’ radicaal tegen mijn ‘ik’ heb uitgespeeld. Ik schrijf, met de eerzucht mij aan anderen te verraden... maar met nog grooter eerzucht om een duivelsch bedrog te plegen tegenover hen, die meenen in mijn schrijvers-ik mij gevangen te hebben. Mijn ik is een vorm van polemiek, evenals mijn schrijven; of zij waarachtig of onwaarachtig zijn, wat doet het er toe, als de waarheid mijn eerste probleem is?

Menno Ter Braak
Politicus zonder partij.

Luise Pusch





Er stond vandaag een kort artikel in de krant over taal.
Duitsland worstelt met zijn taal.



Ik had de intentie om daar een mooi stuk over te schrijven.

Zo was ik begonnen:
(de titel was "u")

Duitsland worstelt met zijn taal.
Het "wordt" symptomatisch voor onze maatschappij.
U moet neutraal zijn.
Niet alleen genderneutraal, maar ook rasneutraal. Wee uw gebeente indien u de woorden neger of allochtoon in de vuile mond neemt.
"Zwette" mag vooralsnog. Dat is een kwestie van tijd.

"Neutraal" is uiteraard onlosmakelijk verbonden met "discriminatie".
Het niet maken van onderscheid versus het wel maken van onderscheid.
Hoe wordt het onderscheid gemaakt?
Door de taal, door het onderscheid te benoemen.
"Larie" zal u zeggen. Het onderscheid bestond al voor u het benoemde. U bent ziende blind indien u beweert dat het onderscheid tussen man en vrouw, het onderscheid tussen blanke en gekleurde, het onderscheid tussen gelovige en atheïst, het onderscheid tussen jongere en oudere, het onderscheid tussen valide en mindervalide er al niet was voor ik het benoemde.

Let wel, schrijven en schrappen gebeurt in één vloeiende beweging.
Dikwijls sta ik er zelf versteld van hoe de aanvankelijke idee gemeanderd is tot de uiteindelijke tekst.
Het zou dus best mogelijk zijn dat er van dit begin niets zou zijn overgebleven in de uiteindelijke versie.
Soit, feit is dat ik er niet meer aan verder werk.
Dat blijft dan staan als "concept" in mijn blogoverzicht en het zal nooit gepubliceerd worden.

Het enige wat mij is bijgebleven is een fait divers.
Dit is de originele tekst in "the guardian".

http://www.theguardian.com/world/2014/mar/24/germans-get-tongues-around-gender-neutral-language?CMP=fb_gu

Germans try to get their tongues around gender-neutral language

 
A primary schoolgirl at the blackboard in Hamburg, Germany, December 1968
 
 
Der, die or das? For centuries, the seemingly arbitrary allocation of masculine, feminine and neutral gender articles in German has driven non-native speakers to despair. "In German, a young lady has no sex, while a turnip has," the American writer Mark Twain once complained. "Think what overwrought reverence that shows for the turnip, and what callous disrespect for the girl."
But hope may finally be in sight. Changing attitudes to gender are increasingly transforming the German language, and some theorists argue that scrapping the gendered articles altogether may be the most logical outcome.
Predictions vary: one suggestion is that Angela Merkel will eventually no longer be die Bundeskanzlerin but a neutral das Bundeskanzler, as she would be in English. Others believe that the feminine gender, already the most common fallback form used by non-native speakers, will become the default article: a policeman would no longer be der Polizist but die Polizist.
The changing nature of German is particularly noticeable at university campuses. Addressing groups of students in German has been problematic ever since universities stopped being bastions of male privilege. Should they be sehr geehrte Studenten or sehr geehrte Studentinnen?
In official documents, such as job advertisements, administrators used to get around the problem with typographical hybrid forms such as Student(inn)en or StudentInnen – an unfair compromise, some say, which still treats the archetype of any profession as masculine.
Now, with the federal justice ministry emphasising that all state bodies should stick to "gender-neutral" formulations in their paperwork, things are changing again. Increasingly, job ads use the feminine form as the root of a noun, so that even a male professor may be referred to as der Professorin. Lecturers are advised to address their students not as Studenten but Studierende ("those that study"), thus sidestepping the gender question altogether.
In the long run, such solutions would prove too complicated, linguists such as Luise Pusch argue. She told the Guardian that men would eventually get so frustrated with the current compromises that they would clock on to the fundamental problem, and the German language would gradually simplify its gender articles, just as English has managed to do since the Middle Ages.
"Language should be comfortable and fair," said Pusch. "At the moment, German is a very comfortable language, but a very unfair one."
Many linguists question whether language can be changed through human will. "It's hard to transform grammar through legislation, and even if so, such changes often happen over centuries," said Anatol Stefanowitsch, a linguist at Berlin's Free University.
But he also points out that some dialects, such as Niederdeutsch (Low German), have lost the cumbersome distinction between der and die already: in Low German, for example, both men and women are simply referred to as de.

Het artikel werd ook overgenomen door Hat Laatste Nieuws

http://www.hln.be/hln/nl/961/Wetenschap/article/detail/1828629/2014/03/25/Geslachtsneutraal-Duitse-taal-worstelt-met-der-en-die.dhtml
De Duitse taal zit middenin een transformatie, zo schrijft de Britse krant The Guardian. Sinds in het land een wet werd aangenomen dat alle officiële communicatie via geslachtsneutrale briefvorm moet, komt die transformatie in een stroomversnelling. Er gaan steeds meer stemmen op om 'der' en 'die' gewoonweg af te schaffen.
Zo worden leerkrachten bijvoorbeeld aangeraden om niet langer 'Studenten', 'Studentinnen' of 'Student(inn)en' te gebruiken, maar bijvoorbeeld 'Studierende', wat je kan vertalen als 'studerenden' of 'zij die studeren'.

Compromissen
Maar op lange termijn zouden dergelijke oplossingen te ingewikkeld worden, menen taalkundigen zoals Luise Pusch. Zij vertelde The Guardian dat mannen uiteindelijk zo gefrustreerd zouden geraken door al die compromissen dat ze uiteindelijk de grond van het probleem zouden aanklagen, zijnde de Duitse taal. Dat zou uiteindelijk leiden tot het vereenvoudigen van het Duits, iets wat bij het Engels bijvoorbeeld tijdens de middeleeuwen al gebeurde.

Maar andere linguïsten vragen zich dan weer af of taal wel zomaar door mensen aangepast kan worden. "Het is moeilijk om de grammatica aan te passen door middel van wetten. En zelfs als dat gebeurt, gebeuren zulke veranderingen door de eeuwen heen", zegt Anatol Stefanowitsch, taalkundige aan de Vrije Universiteit van Berlijn. Toch wijst hij erop dat het verschil tussen het mannelijke 'der' en het vrouwelijke 'die' in sommige dialecten al verloren is gegaan.

Vanuit mijn initiële interesse was de meest fascinerende zin de uitspraak van Luise Pusch.
"Volgens taalkundige Luise Pusch zouden mensen zo gefrustreerd raken dat ze uiteindelijk de grond van het probleem zouden aanklagen, zijnde de Duitse taal."
Taal als uiteindelijke grond van het probleem.
Daar wou ik het over hebben, maar daar ben ik dus intussen van afgestapt.
Zoals altijd gaat het over het verschil tussen "zijn" en "bestaan", maar dat is oud nieuws.
Geef mij maar het fait divers: het merkwaardige onderscheid tussen mensen en mannen.
Ik ga me ver weg houden van wat het nu eigenlijk "is".
Geraken "de mensen" gefrustreerd of geraken "de mannen" gefrustreerd?

P.S.
De Franse filosoof Roland Barthes wees op het "immanente" karakter van de rubriek der fait divers.

maandag 24 maart 2014

Chika Unigwe




Lachen, lachen, lachen!

Niet met de gephotoshopte foto van de Obama's, die vond ik niet grappig.
Wel met heel de heisa die er over ontstaan is.

http://www.demorgen.be/dm/nl/16340/Media/article/detail/1826785/2014/03/24/Is-De-Morgen-racistisch.dhtml

Is De Morgen racistisch?


Bart Eeckhout − 24/03/14, 06u00
© DM.
Je zal het altijd zien. Net wanneer De Morgen uitpakt met een journalistiek werkstuk van een extra katern over Barack Obama, vangt de krant internationale tegenwind met één, toegegeven, smakeloze grap over de Amerikaanse president.
 
Het was zaterdagmiddag rond vier uur toen de Nigeriaans-Belgische schrijfster Chika Unigwe de tweet rondstuurde: "We hebben nog veel werk aan de winkel. Shame on @demorgen." Het bericht was vergezeld van een foto met een fragment uit 'The Daily Herald', de wekelijkse satirische bijdrage in deze krant. 'De Herald' was dit weekend, net als het 'Reporter'-katern dat eraan voorafgaat, volledig gewijd aan president Obama, naar aanleiding van zijn komst naar België deze week. In het betreffende onderdeel zie je hoe president Poetin een foto ingestuurd zou hebben waarin hij het Amerikaanse presidentenpaar een apengezicht geeft.

Dat was uiteraard als grap bedoeld, maar het pakte helemaal verkeerd uit. "Een poging tot anti-Poetingrap die compleet de verkeerde kant uit schiet", vat EU-correspondent Michiel Van Hulten het, ook al op Twitter, adequaat samen. Velen zien er een banalisering van racisme in.

Zo rolt de bal van protest verder. Chika Unigwe, die ook in de Angelsaksische wereld een grote renommee heeft als auteur, tweet haar woedende reacties in het Engels en het Nederlands de wereld in. Ze krijgt behoorlijk wat bijval. Een beetje in Vlaanderen, veel in Nederland, en heel veel in de VS. Ook mensen uit Nigeria en andere Afrikaanse landen uiten hun verontwaardiging en beschuldigen de krant van racisme. De Nederlandse nieuwssite Joop.nl, verbonden aan omroep Vara, wijdt er een stukje aan dat deelt in de verontwaardiging.

In eigen land blijft de toon kalmer. Omdat Belgen/Vlamingen nu eenmaal stiekem allemaal racisten zijn? Of omdat velen menen dat De Morgen, toch bekend om haar onverdacht antiracistisch standpunt, niet plots van koers is gewijzigd, maar een moment van slechte smaak heeft gehad? De tweede verklaring klinkt aannemelijker. Ze biedt ook een uitleg voor de hevige emotionele reacties uit de rest van de wereld. Ontdoe je het fragment van zijn context van satirische pagina in een voorts doorwrochte themabijlage, dan komt inderdaad in plaats van een aangebrande grap een beeld van onversneden racisme naar voor. Dat risico is vooraf onvoldoende ingeschat, beseft de redactie nu.

Dunne lijn
Toen De Morgen begin deze maand naar aanleiding van Vrouwendag uitpakte met een gelijksoortige thematische bijlage over gendergelijkheid, stond daar een bijdrage in over de terugkeer van seksisme onder een vaak ironisch omhulsel. Veel van de argumenten die toen werden aangehaald om dat seksisme te ontmaskeren, zijn - helaas - ook van toepassing op de manier waarop in dit geval met racisme is omgesprongen. Alles, en zeker ook de eigen kernwaarden, moet in principe met satire gerelativeerd kunnen worden. Maar dan moet de grap wel werken.

De denkfout die ook ditmaal gemaakt werd, is de overtuiging dat racisme algemeen niet meer aanvaard wordt en dat er dus veilig mee kan gelachen worden. Het kan als absurde grap bedoeld zijn om een zwarte president te doen veranderen in een aap, maar te licht wordt hier vergeten dat, met name in de VS, de schandelijke gelijkstelling tussen zwarten en apen nog geregeld opduikt. En dan is het niet om te lachen bedoeld. Het maakt het erg begrijpelijk dat sommigen zich gekwetst voelen door de poging tot satire in de krant.

Lachen met racisme blijft, zo blijkt nu weer, een dunne lijn. Dat gaat niet eens over vrije meningsuiting, maar over goede smaak. Juist op een moment waarop de Nederlandse politicus Geert Wilders zich te buiten gaat aan ernstige racistische provocaties, ligt dit thema ook bij ons weer gevoeliger. Het verklaart ten dele waarom de mislukte Obama-grap ook vanuit Nederland zoveel hevige reacties uitlokt.

De Morgen biedt haar verontschuldigingen aan aan al wie zich beledigd voelt door de betreffende passage in de krant. Sorry. Wij pleiten in dit geval schuldig aan slechte smaak. Met even grote overtuiging als altijd blijven wij ons aan de kant scharen van al wie tegen elke vorm van racisme strijdt. Zoals de rest van de Obama-bijlage dit weekend al illustreerde, zullen wij dat dagelijks in onze journalistieke praktijk proberen duidelijk te maken.

Aarzel niet om ons erop te wijzen als we een keer uit de bocht gaan.

https://twitter.com/chikaunigwe
"it was offensive. It was racist. Satire is no excuse"


Misschien is Nietzsche uit de vorige blogpost dat toch letterlijk te nemen:
 Das Weib zum Beispiel ist rachsüchtig: das ist in seiner Schwäche bedingt, so gut
wie seine Reizbarkeit für fremde Noth.


Meer dan een glimp van de essentie krijgen we voorlopig niet te zien.

Love Ending

Clean washing
Hung to dry but forgotten
Is how you make me feel
Feel me
Why do chains soften weaken whither whatever
Where is the love
You promised me
Will last foreverandeverandever
Is this how long how short
A forever lasts
Is our forever over
Was it ever?


Vraag: Is de morgen racistisch?
Antwoord: Het was racistisch.

Er is een -toegegeven, het is niet gemakkelijk- denkfout gemaakt.




 

vrijdag 21 maart 2014

Geert Wilders



"Willen jullie in deze stad en in Nederland meer of minder aanhangers van Geert Wilders?"


Ein ander Ding ist der Krieg. Ich bin meiner Art nach kriegerisch.
Angreifen gehört zu meinen Instinkten. Feind sein können, Feind sein
- das setzt vielleicht eine starke Natur voraus, jedenfalls ist es
bedingt in jeder starken Natur. Sie braucht Widerstände, folglich
sucht sie Widerstand: das aggressive Pathos gehört ebenso nothwendig
zur Stärke als das Rach- und Nachgefühl zur Schwäche. Das Weib zum
Beispiel ist rachsüchtig: das ist in seiner Schwäche bedingt, so gut
wie seine Reizbarkeit für fremde Noth. - Die Stärke des Angreifenden
hat in der Gegnerschaft, die er nöthig hat, eine Art Maass; jedes
Wachsthum verräth sich im Aufsuchen eines gewaltigeren Gegners -
oder Problems: denn ein Philosoph, der kriegerisch ist, fordert auch
Probleme zum Zweikampf heraus. Die Aufgabe ist nicht, überhaupt über
Widerstände Herr zu werden, sondern über solche, an denen man seine
ganze Kraft, Geschmeidigkeit und Waffen-Meisterschaft einzusetzen
hat, - über gleiche Gegner... Gleichheit vor dem Feinde - erste
Voraussetzung zu einem rechtschaffnen Duell. Wo man verachtet, kann
man nicht Krieg führen; wo man befiehlt, wo man Etwas unter sich
sieht, hat man nicht Krieg zu führen.


"Willen jullie in deze stad en in Nederland meer of minder aanhangers van Geert Wilders?"
en
"Willen jullie in deze stad en in Nederland meer of minder Marokkanen?"
Wat is het verschil?
Geert Wilders discrimineert op basis van een nationaliteit.
Discriminatie op basis van nationaliteit, geloof, ras en geslacht is niet geoorloofd.
De opposant van Wilders discrimineert op basis van een overtuiging.
Discriminatie op basis van een overtuiging is geoorloofd.
Meer nog, het is zelfs wenselijk. Anders zouden we in een gevaarlijk relativisme terecht komen.
De ene overtuiging is beter dan de andere omdat die gebaseerd is op feiten, op de werkelijkheid.
Alle mensen zijn gelijkwaardig, maar niet alle overtuigingen.

Geert Wilders heeft ondertussen wat gas terug genomen. Hij bedoelde "criminele Marokkanen".
Dat is immers geoorloofd.
Dat is discriminatie op basis van een overtuiging. Een overtuiging die gemakkelijk kracht kan bijgezet worden door feiten in de vorm van veroordelingen.
Dat was een teleurstelling. Als ik Geert Wilders was geweest had ik die nuance niet gemaakt.
Ik zou gezegd hebben "met Marokkanen bedoelde ik moslims."
"Willen jullie in deze stad en in Nederland meer of minder moslims?"
Dat is niet geoorloofd.
Dat is discriminatie op basis van geloof.
Maar de grens wordt al gauw veel minder duidelijk.
Ik zou gezegd hebben "met Marokkanen bedoelde ik islam", "met Marokkanen bedoelde ik de overtuigingen van de Marokkanen".
"Willen jullie in deze stad en in Nederland meer of  minder islam?"
Deze vraag is heel legitiem. Er worden immers geen mensen meer geviseerd. Er wordt een overtuiging geviseerd.
Discriminatie op basis van een overtuiging is immers geoorloofd.
Meer nog, het is zelfs wenselijk. Anders zouden we in een gevaarlijk relativisme terecht komen.
De ene overtuiging is beter dan de andere omdat die gebaseerd is op feiten, op de werkelijkheid.
Zo zijn er zeer intellectuele mensen (veel intellectueler dan Geert Wilders) die het recht opeisen om te stellen dat de islam "achterlijk" is.
Dat is geoorloofd omdat het kan gestaafd worden door feiten.
De islam discrimineert namelijk op basis van geslacht.
Discriminatie op basis van geslacht is niet geoorloofd.
Dat is een sluitend discours.
Dat is een sluitend discours, althans voor de aanhangers van dat discours.
De tegenstanders van dat discours zullen aanhalen dat deze discriminatie cultureel bepaald is, dat de gehanteerde definitie van het aangehaalde seksisme cultureel bepaald is.
Discriminatie op basis van cultuur.
Dat is ongeoorloofd.
Of dat is wel geoorloofd.
Dat hangt er van af.
Dat hangt er van af of u een aanhanger bent van een cultuurrelativisme of van een cultuurabsolutisme.
"Waar hangt dat op zijn beurt dan weer van af", zou men zich zo langzaam aan wanhopig kunnen afvragen.
"Dat hangt af van de aanhanger", is een mogelijk antwoord.
Maar dat is een relativisme, dus daar schieten we niet mee op.
Het verplicht ons tot het herformuleren van de vraag.
Zijn er universele waarden en normen?
Waar zou dat van afhangen?
Dat hangt er van af of er een Zijn is.
Waar zou dat van afhangen?
Dat hangt af van de natuur, dat moet duidelijk zijn.
Per slot van rekening "zijn" we geen relativisten.



Ik voer oorlog.
Maar ik zie niets onder mij.
Ik veracht niet.
Ik voer oorlog.
Maar ik vecht met de blote vuist.





zondag 16 maart 2014

Georges Perec




http://skepp.be/nl/psychologie-coaching/een-muur-van-non-begrip-psychoanalyse-over-autisme

De school v​an Lacan lijkt op een sekte
Hoe komt het dat deze kritische film zoveel stof doet opwaaien? De psychoanalytische school van Jacques Lacan, al decennialang dominant in Frankrijk, vertoont sterke gelijkenissen met een sekte. Samen met Argentinië is Frankrijk één van de laatste bolwerken van Sigmund Freuds gedachtegoed, of toch wat ervan overblijft nadat het door de linguïstische en structuralistische mangels van Jacques Lacan is gehaald.
De theorieën van Lacan vormen een gesloten totaalsysteem, dat niet alleen de structuur van geestesziekten omvat, maar zich uitstrekt tot de ontwikkeling van de menselijke geest, de verhouding tussen taal en subject, de structuur van het verlangen en de verbeelding, en het statuut van wetenschap en andere discoursvormen. Een heilsleer als die van Lacan, veeleer metafysica dan psychologie, staat haaks op een wetenschappelijke benadering van de menselijke geest. Geen wonder dat Lacanianen zich hooghartig afwenden van voortschrijdend inzicht in de psychologie, of enkel dédain opbrengen voor effectonderzoeken naar psychotherapie. Net zoals andere gesloten denksystemen, is het Lacanisme uitgerust met een resem immunisatiestrategieën: methodes om externe kritiek te ontlopen of ondergraven. De psychoanalyse hoeft enkel aan zichzelf verantwoording af te leggen, zo menen Lacanianen. Eerder dan dat wetenschap haar kritisch kan evalueren, wil het Lacanisme zichzelf opwerpen als waakhond van de wetenschap, die het sciëntistisch 'meesterdiscours' bevraagt, haar relatie tot de 'grote Ander' en het 'objet petit a' blootlegt, en haar reductionistische pretenties aan de kaak stelt.

Maarten Boudry


"Al wat je zegt ben je zelf".
Dat is een kinderlijke wijsheid die we door al te veel logica uit het oog verloren hebben.
Het doet me denken aan het miniscule boekje (één enkele zin van ettelijke bladzijden) "tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen" van Georges Perec.
Uit een streng logisch discours (het is van tweeën één) volgt: doe dan opnieuw uw best om hem te overtuigen.

 
 
"Al wat je zegt ben je zelf".
"De psychoanalyse hoeft enkel aan zichzelf verantwoording af te leggen, zo menen Lacanianen."
Aan wie moet de wetenschap verantwoording afleggen?



Efforcez-vous à nouveau de me convaincre Maarten!
 
 
 

woensdag 12 maart 2014

Jonathan Haidt




I am unable to respond personally to every email I receive, but please know that I am very grateful for any constructive criticism or words of support you may have sent.
If you have written to request a media interview or public lecture, please use the appropriate contact page on my website: http://www.samharris.org
The best way to stay informed about my upcoming books, articles, and public talks is to join my email list: http://www.samharris.org/email_signup
You can also follow me on Twitter: https://twitter.com/SamHarrisOrg

Wishing you all the best,

Sam


So far so good!

Eigenlijk heb ik veel bewondering voor Sam Harris.
Ik ken weinige wetenschappers die het aandurven om hun redenering tot enkele regels te reduceren en de uitdaging aangaan dat er geen aantoonbare fout in die redenering zou zitten.

Uiteraard schuim ik het internet af om te kijken wat de anderen er van bakken.
En uiteraard maak ik mij sterk dat ik in alle weerleggingen een fout kan vinden.

"My doubt is terrible. — Nothing is able to stop me — it is an accursed hunger — I am able to devour every argument, every consolation, and reassurance — I rush past every obstacle with the speed of 10,000 miles a second."
Sören Kierekegaard in zijn dagboek.
http://www.naturalthinker.net/trl/texts/Kierkegaard,Soren/JournPapers/III_A.html

En met "alle" bedoel ik wel degelijk "alle".
Ook in mijn weerlegging zit dus een redeneerfout.
Ik zal  niet zoals Sam Harris beginnen discussiëren met de persoon die me mijn inconsequentie onder de neus duwt. Ik kan me wel geen 20.000 dollar veroorloven, maar ik zou hem of haar wel met plezier een glas aanbieden.
Tot hiertoe evenwel noppes.
(Ik heb mijn paper ook op enkele andere fora aangeboden, waaronder dat van Sam Harris)


Wat mij vooral opvalt is het feit dat heel wat deelnemers meerdere argumenten aanhalen.
Om er ééntje uit te pikken: Jonathan Haidt.
http://righteousmind.com/why-i-think-sam-harris-is-wrong-about-morality/
Dat begrijp ik niet.
Waarom zou er meer dan één reden nodig zijn waarom de redenering van Sam Harris fout is?
Als die ene reden juist is, dan is de redenering van Sam Harris fout.
Dus waarom nog een tweede of een derde. Ik heb er zelfs eentje gelezen waar er zeven werden opgegeven, maar die vind ik jammer genoeg niet onmiddellijk terug.

Essentieel in het debat lijkt mij precies het onderscheid tussen "an" argument en "the" argument.









zondag 9 maart 2014

Lawrence Krauss

 

 

Verbeelding in een dwangbuis

 
Gesprek met Lawrence Krauss
Lawrence Krauss is een befaamd kosmoloog, populair-wetenschappelijk auteur en snoepjesliefhebber. In zijn recente boek A Universe from Nothing tracht hij een onthullend antwoord te geven op de vraag hoe ons heelal ontstaan is uit het niets. “Op zulke Grote Vragen moet de wetenschap een antwoord trachten te geven”, meent Krauss. En dus niet de filosofie. Die doet hij af als een irrelevante bezigheid die ons geen stap vooruit helpt. “Terwijl filosofen discussiëren, maakt de wetenschap progressie. Wetenschappers hebben geen enkele nood aan hun filosofische inzichten.”
Lawrence Krauss
Gefotografeerd door Simon Wardenier
Op 17 oktober ging Krauss in debat over de grenzen van de wetenschap. Nota bene met twee filosofen: Massimo Pigliucci en Daniel Dennett. “Eigenlijk ben ik nogal terughoudend om met filosofen in debat te gaan”, biecht Lawrence Krauss ons de volgende dag op. “Ik ben vooral ingegaan op de vraag van omdat ik het gevoel had dat de organisatoren er eerder een boeiende gespreksavond van wilden maken. En omdat Daniel Dennett één van de gesprekspartners was, een goede vriend en een filosoof die ik enorm waardeer. Mocht het echt in de vorm van een confronterend debat tussen mij en Pigliucci geweest zijn, dan had ik misschien niet toegezegd.”

Volgens Pigliucci hebben wetenschap en filosofie elkaar juist nodig. Hij verwijt u een te enge visie waarin onze kennis volledig herleid wordt tot datgene wat de wetenschap ons leert. Hij stelde u de vraag waarom u daar zo aan vasthoudt?
“Wetenschap is de beste manier om de wereld rondom ons te begrijpen. Ik beweer niet dat we ooit alles zullen weten, maar ik beweer dat we moeten blijven zoeken en dat wetenschap de enige methode is om progressie te maken. Alle andere manieren om kennis te vergaren zijn niet succesvol gebleken en zullen dat ook nooit zijn.”
“We zouden er ook voor kunnen kiezen om onze geest af te sluiten en ons de wereld proberen te verbeelden. Maar dan weten we niet of die hersenspinsels nog overeenstemmen met de realiteit. Het goede aan wetenschap is dat het toont dat enkel onze denkbeelden niet volstaan. We hebben experimenten — dé koppeling met de werkelijkheid — nodig om onze denkbeelden voort te stuwen in de goede richting. Nog nooit heeft louter nadenken ons kennis gebracht over het universum. Filosofie heeft ons misschien inzicht en wijsheid gebracht, maar géén kennis.”

U maakt duidelijk die strikte scheiding tussen wetenschap en filosofie. Is iemand als Daniel Dennett niet hét voorbeeld van de filosoof die vertrekt van onze wetenschappelijke kennis om aan filosofie te doen?
“We hebben gemeen dat we dezelfde vragen stellen, ja. Wat Dan doet is zeer belangrijk. Hij gebruikt de kennis van de cognitieve neurowetenschap om het soort vragen die hij stelt te verfijnen. Hij bestudeert de resultaten en hun implicaties en dat geeft ons inzicht in de manier waarop we ons gedragen. Dat is inderdaad een manier waarop filosofie en wetenschap samengebracht kunnen worden. Maar het stellen van dergelijke vragen is niet het voorrecht van de filosofie. We moeten allemaal nadenken over hoe we wetenschappelijke theorieën moeten interpreteren en hoe die ons kunnen helpen om ons gedrag te veranderen.”

Verbeelding in een dwangbuis

Een interessante casus over die scheiding tussen filosofie en wetenschap, is misschien het doctoraat van Marcoen Cabbolet, een Nederlanse fysicus aan de TU Eindhoven. Tot nog toe is nooit experimenteel aangetoond dat antimaterie en materie elkaar gravitationeel aantrekken. Cabbolet vertrok van de omgekeerde hypothese dat materie en antimaterie elkaar afstoten, en werkte op basis van die veronderstelling een geheel nieuwe fysica uit.
(onderbreekt) “Dat gaat volledig in tegen al onze natuurkundige kennis en is duidelijk fout.”
Dat was ook de reactie van Nobelprijswinaar Gerard ‘t Hooft, toen die het proefschrift te lezen kreeg. ‘t Hooft vond het werk te speculatief, waarop Cabbolets promotie op het laatste moment werd afgeblazen. Drie jaar later haalde Cabbolet alsnog zijn doctoraat met grootste onderscheiding, weliswaar aan de Faculteit Logica en Wetenschapsfilosofie van de VUB.
“Dat is interessant. Er is ‘speculatief’ en er is ‘zéér speculatief’. Zoals Richard Feynman stelt: ‘Wetenschappelijke creativiteit is verbeelding in een dwangbuis’. Het is een keurslijf dat ons bindt aan de werkelijkheid en dat ons niet toelaat om zomaar eender wat te fantaseren.”
“De meeste ideeën kan je a priori verwerpen, louter omdat ze niet in overeenstemming zijn met onze gevestigde wetenschappelijke theorieën. Een groot aantal experimenten leert ons op een indirecte manier dat materie en antimaterie gravitationeel op dezelfde manier moeten interageren. De claim dat dat niet het geval zou zijn, is ontzettend moeilijk te onderbouwen. Het is niet alleen speculatief, maar het is ook niet consistent met zowat alle natuurkunde die we tot op heden ontwikkeld hebben. Het zou anders zijn mocht zijn theorie ook bepaalde waarnemingen kunnen verklaren.”
Zou u het werk van Cabbolet dan filosofie of fysica noemen?
“Goh, misschien kan je dat filosofie noemen. Maar ik denk dat er binnen de fysica geen filosofie kan bestaan. De natuurkunde is zó ver voorbij datgene waar de filosofie is in blijven hangen. Het soort vragen die we stellen zijn zeer precies, wiskundig gedefinieerd en experimenteel. Onze intuïtie speelt niet langer de hoofdrol. We moeten onze intuïtie laten leiden door de empirische werkelijkheid. Als we poneren dat materie en antimaterie elkaar afstoten, dan doen we het omgekeerde, dan beschrijven we de werkelijkheid op basis van onze intuïtie.”
Als filosofie geen rol speelt binnen exacte wetenschappen, doet het dat dan misschien wel binnen de ‘sociale’ wetenschappen? Moeten we daar een onderscheid in maken?
“In de natuurwetenschappen hebben we beter de mogelijkheid om gecontroleerde experimenten uit te voeren. Sociale wetenschappen hebben een veel minder voorspellende waarde. Welke mechanismen zorgen er bijvoorbeeld voor dat bepaalde mensen bepaalde beslissingen nemen? We kunnen daar nog niet op antwoorden. Daarom worden er meer algemene vragen gesteld over wat er aan de hand zou zijn. Je ervaart de wereld rondom jou en probeert die te begrijpen zonder dat je onderliggende wetenschappelijke verklaring kent. Daarin kan filosofie misschien wel een rol spelen. Het is toepasbaar op de meest moeilijke en complexe menselijke problemen waarover kritisch moet worden nagedacht. In de natuurwetenschappen echter, is filosofie helemaal niet zinvol. Ik ken geen enkele fysicus die inzichten uit de wetenschapsfilosofie gebruikt.”

Is het een goede evolutie om alle vakgebieden die aan de universiteit onderwezen worden, ‘wetenschap’ te noemen? ‘Rechtswetenschap’, ‘taalwetenschap’, enzovoort. Kan alles kwantificeerbaar zijn?
“Kwantificeerbaarheid en exactheid zijn geen synoniemen. Daar is economie een goed voorbeeld van. Het proces om alles te verwetenschappelijken is een goede evolutie. Maar het is niet omdat je op iets het etiket ‘wetenschap’ zou plakken, dat het ook wetenschappelijk is. De wetenschappelijke methode, het vergelijken van theorie met experiment, is ons meest nuttige instrument. Maar in heel wat menselijke, sociale situaties is die methode niet geschikt. Er zijn te veel variabelen, je kan de experimenten niet controleren. Daarom moet je de conclusies ervan niet overdrijven.”

“Just a theory”

Ook binnen de natuurwetenschappen worden conclusies soms overdreven. Bijvoorbeeld over de snaartheorie, waarvan de grote beloftes nooit werden waargemaakt.
“Klopt, in de jaren 90 is daar een overdreven hype rond ontstaan. In populariserende boeken en in de pers zijn snaarfysici toen claims gaan maken die ongerechtvaardigd waren. Het is goed dat wetenschappers aan een breed publiek proberen uitleggen waarmee ze bezig zijn, maar het wordt gevaarlijk als ze de consequenties ervan gaan overdrijven.”
“Als wij claims maken die onhoudbaar blijken, dan geven we een wapen aan critici die vinden dat de wetenschap zichzelf voorbijloopt. Wanneer ik in de Verenigde Staten bijvoorbeeld met creationisten in debat ga, noemen ze evolutietheorie ‘just a theory’. Wanneer ze dan horen dat snaartheorie een andere ‘theorie’ is waarover weinig consensus en geen enkel empirisch bewijs bestaat, dan kunnen ze dat misbruiken om échte wetenschappelijke theorieën onderuit te halen. Ten opzichte van evolutietheorie is het oneerlijk om snaartheorie ‘een theorie’ te noemen. Ik ben blij dat mijn vriend Brian Greene (befaamd snaarfysicus die al meermaals met Krauss in debat ging, n.v.d.r.) mij daar intussen in volgt. Een wetenschappelijke theorie moet immers getoetst kunnen worden aan de werkelijkheid. Dat is het geval voor de kwantummechanica of voor het standaardmodel van de deeltjesfysica, maar niet voor snaartheorie.”
Als snaartheorie geen wetenschappelijke theorie is, is het dan louter een wiskundige theorie?
“Het onderzoek is natuurlijk zeer wiskundig van aard en heel wat snaartheoretici zijn in feite wiskundigen. Maar het is niet zo dat degenen die ermee bezig zijn, zichzelf geen fysici zouden willen noemen. Hun intentie is nog altijd om een reëel fysisch probleem op te lossen. Snaartheorie heeft ons fascinerende wiskunde voortgebracht, maar dat is dan ook alles. Ik zeg niet dat het zinloos is om er verder onderzoek naar te doen — veel van mijn studenten zijn later snaartheoretici geworden. Maar snaartheorie is het niet waard dat iederéén eraan werkt.”
“Verder is het zo dat het overgrote deel van de wetenschappelijk ideeën die aangebracht worden, simpelweg verkeerd is. Dat is iets wat men te weinig beseft. Ofwel blijken ze wiskundig geen steek te houden, ofwel zitten ze wiskundig wél goed in elkaar, maar kunnen ze niet experimenteel bevestigd worden. De meeste ideeën zijn a priori fout, men mag er dus niet te veel van verwachten.”
“Toegegeven, in de begindagen deden we dat wel. Het was een zeer beloftevol idee en het leek een goede kandidaat om een kwantumgravitatietheorie te worden (overkoepelende theorie die kantummechanica en relativiteitstheorie verenigt, n.v.d.r.). We hadden dus goede redenen om er geïnteresseerd in te zijn. Maar na dertig jaar aanslepen, heeft het ons niets opgebracht — op enkele wiskundige resultaten na.”
Misschien moeten we nog even geduld hebben? Uiteindelijk heeft het ons ook vijftig jaar gekost om het Higgs-mechanisme experimenteel te bevestigen.
“Er is een verschil. Het Higgs-mechanisme was goed gedefinieerd en liet toe om specifieke voorspelingen te gaan maken. Het was toegepast op de theorie van de elektrozwakke wisselwerking en zat op die manier ingebed in het standaardmodel van de fysica. Tijdens de volgende dertig jaar werd dat standaardmodel uitgebreid getest. Alle deeltjes die men op basis van de theorie verwachtte, werden in de jaren 70 ook teruggevonden in de versnellers. Op die manier werd het Higgs-mechanisme — via het standaardmodel — al op een indirecte manier geverifieerd. Enkel op het Higgs-boson moesten we wat langer wachten, dat is juist. Maar we wisten tenminste hoe we het moesten doen. Het Higgs-mechanisme lost een fysisch probleem op en voorspelt dat we een Higgs-boson kunnen waarnemen. Het heeft dus alle eigenschappen van een goede theorie. Snaartheorie daarentegen maakt geen enkele specifieke, falsifieerbare voorspelling. Het kan geen enkel fysisch probleem oplossen. We weten niet eens wat we ermee moeten aanvangen.”
“De snaartheorie maakt geen enkele specifieke, falsifieerbare voorspelling. Het kan geen enkel fysisch probleem oplossen. We weten niet eens wat we ermee moeten aanvangen”
“Het is dus oneerlijk om de twee op die manier met elkaar te vergelijken. In tegenstelling tot snaartheorie kon het Higgs-mechanisme getest worden, weliswaar indirect via de elektrozwakke unificatie. Nog vóór het Higgs-deeltje werd gevonden, werden al drie Nobelprijzen uitgedeeld voor andere aspecten van de theorie (aan Abdus Salam, Sheldon Glashow en Steven Weinberg in 1979, n.v.d.r.). En de uiteindelijke zoektocht naar het Higgs-boson zelf was een prachtig voorbeeld van een falsifieerbare test. Het feit dat het volledige standaardmodel, de grootste intellectuele prestatie die onze menselijke soort ooit heeft voortgebracht, in duigen kon vallen, was uitermate spannend. Stiekem was ik zelfs aan het hopen dat het fout zou zijn, want dan zou er iets nóg opwindenders aan de gang zijn.”

Rock ‘n roll tour movie

Iets helemaal anders. Eind dit jaar komt de documentaire The Unbelievers uit, waarin u samen met Richard Dawkins gevolgd wordt. Kan u al een tipje van de sluier oplichten?
(enthousiast) “Iedereen zou die moeten zien! Het wordt een prachtige rock ‘n’ roll tour movie, die ons zowel voor als achter de schermen volgt terwijl we de wereld rondtrekken en met elkaar in gesprek gaan over wetenschap. Dat die gesprekken veel discussie zullen uitlokken, is nu al gebleken uit de try-outs, maar dat is volgens mij net wat een goede film moet doen. Het is ook een amusante film, er zit verhaal in, de muziek zit goed, het fascineert. Ik ben er heel trots op. Ik hoop dat we hiermee het grote publiek aanzetten om zich te interesseren voor wetenschap. In ieder geval zal het de kijkers uitdagen en in beroering brengen. Ik heb zelfs van religieuze mensen gehoord dat ze benieuwd zijn om er naar te kijken. Al is het niet onze betrachting om hun geloof af te nemen, wel om het belang van de rede en van kritisch denken te benadrukken.”

Bron:
http://www.schamper.ugent.be/2013-online/verbeelding-in-een-dwangbuis



Wanneer filosofie van wetenschap onderscheiden wordt is er de neiging om de filosofie als het kneusje te beschouwen.
In tegenstelling tot de wetenschap komen we met de filosofie geen stap vooruit.

We cannot define anything precisely. If we attempt to, we get into that paralysis of thought that comes to philosophers, who sit opposite each other, one saying to the other, "You don't know what you are talking about!". The second one says, "What do you mean by know? What do you mean by talking? What do you mean by you?"
Richard Feynman, The Feynman lectures on physics

Men doet wat lacherig over "de verlamming van het denken".
Maar waar komt die "verlamming van het denken" vandaan?

The questions 'What is length?', 'What is meaning?', 'What is the number one?' etc., produce in us a mental cramp. We feel that we can't point to anything in reply to them and yet ought to point at something. (We are up against one of the great sources of philosophical bewilderment: we try to find a substance for a substantive)
Ludwig Wittgenstein, Blue book.

 
 
 

(Even geheel terzijde: de schoonheid van de getypte pagina met de tikfouten en de verbeteringen!
Het beeld van de denker die achter zijn typmachine zijn gedachten zit uit te tokkelen.
“But thinking is nothing but talking to yourself inside.”
Richard Feynman, It's as simple as one, two, three...)


The real problem in speech is not precise language. The problem is clear language. The desire is to have the idea clearly communicated to the other person. It is only necessary to be precise when there is some doubt as to the meaning of a phrase, and then the precision should be put in the place where the doubt exists. It is really quite impossible to say anything with absolute precision, unless that thing is so abstracted from the real world as to not represent any real thing.
Richard Feynman, New Textbooks for the "New" Mathematics

Geef toe, soms lijkt het wel of Richard Feynman en Ludwig Wittgenstein het over precies hetzelfde hebben. Maar dat is uiteraard een illusie.
The first principle is that you must not fool yourself — and you are the easiest person to fool.
Richard Feynman, Cargo cult science
Nothing is so difficult as not deceiving oneself.
Ludwig Wittgenstein,Culture and value.

In de wetenschap is er het object dat bestudeerd wordt en gaat men op zoek naar een woord dat het object zo goed mogelijk benadert.
De wetenschappelijke verbijstering bestaat erin dat men er niet in slaagt om object en woord te laten samenvallen.
In de filosofie is er het woord en gaat men op zoek naar het object dat het woord zo goed mogelijk benadert.
De filosofische verbijstering bestaat erin dat men er niet in slaagt om woord en object te laten samenvallen.

In dat opzicht is er geen verschil tussen de wetenschap en de filosofie.

When philosophers use a word – “knowledge”, “being”, “object”, “I”, “proposition”, “name” – and try to grasp the essence of the thing, one must always ask oneself: is the word ever actually used in this way in the language which is its original home?
What we do is to bring words back from their metaphysical to their everyday use.
Ludwig Wittgenstein, Philosophical Investigations, 116

"We". "We", dat is én de wetenschap én de filosofie.

Dat is uiteraard allemaal theorie.
Puur hypothetisch.
(Als u ooit nog eens in de Philosphical investigations zou snuisteren, lees dan eens bij wijze van afwisseling niet de tekst, maar tel het aantal keer dat Wittgenstein "imagine" of "suppose" gebruikt.)

It was true to say that our considerations could not be scientific ones. It was not of any possible interest to us to find out empirically that, contrary to our preconceived ideas, it is possible to think such-and-such -- whatever that may mean. (The conception of thought as a gaseous medium.) And we may not advance any kind of theory. There must not be anything hypothetical in our considerations. We must do away with all explanation, and description alone must take its place. And this description gets its light, that is to say its purpose, from the philosophical problems. These are, of course, not empirical problems, they are solved, rather, by looking into the workings of our language, and that in such a way as to make us recognize those workings: in despite of an urge to misunderstand them. The problems are solved, not by giving new information, but by arranging what we have always known. Philosophy is a battle against the bewitchment of our intelligence by means of language.
Ludwig Wittgenstein, Philosophical Investigations, 109

Hoe werkt onze taal?
"Zoals Richard Feynman stelt: ‘Wetenschappelijke creativiteit is verbeelding in een dwangbuis’."
Dat is een uitspraak van Lawrence Krauss.

Lawrence Krauss citeert verkeerd.
Dat is een feit.
Het juiste citaat is: "The game I play is a very interesting one. It's imagination, in a tight straightjacket.”





"Lawrence Krauss citeert verkeerd".

Deze uitspraak kan op twee manieren begrepen worden.

Als een unieke uitspraak.
Lawrence Krauss heeft het hier en nu even bij het verkeerde eind.

Als een algemene uitspraak.
Lawrence Krauss die een stigma mee draagt.
Lawrence Krauss komma de man die verkeerd citeert komma ...

"Lawrence Krauss citeert verkeerd" is een wetenschappelijke uitspraak.
Ik kan u de bewijzen voorleggen. Het is een feit!
Als dusdanig is het dus onmiskenbaar een wetenschappelijke uitspraak.
Een wetenschappelijke uitspraak is geen uitspraak over het unieke, het is een uitspraak over het algemene.
Wees dus op je hoede als Lawrence Krauss begint te citeren

Denk in dit verband ook maar eens even aan heel de heisa die recent ontstaan is over de pedofiel die zijn straf had uitgezeten en zich weer in de maatschappij wou integreren.
Voorstanders en tegenstanders hadden een fundamenteel andere visie op de wetenschappelijke uitspraak "hij is een pedofiel".

Filosoof zijnde zou men tot meerdere eer en glorie van de filosofie kunnen besluiten: het is de filosoof in de wetenschapper die de draagwijdte van de wetenschap bepaalt.
Helaas, ik ben geen filosoof.
Ik ben noch filosoof, noch wetenschapper.

Ik zie geen onderscheid tussen het unieke en het algemene.
Ik maak een onderscheid tussen het unieke en het algemene.

Maar men moet al een ongebreidelde fantasie hebben om dat te begrijpen.
Een verbeelding ontdaan van alle ketenen.

Ik stel mij de vraag of Richard Feynman zo een ongebreidelde fantasie had.
Ik denk het wel.
Maar hé, wie ben ik?

What cannot be imagined cannot even be talked about.
Ludwig Wittgenstein, dagboek.
What I cannot create, I do not understand.
Richard Feynman, op het schoolbord bij zijn overlijden.


 
 
P.S.
Vraag: Is deze tekst wetenschap of filosofie?
Antwoord: Het is een spel dat ik speel.

zondag 2 maart 2014

Jozef Beuys



Jan Hoet is overleden.
Dat geeft aanleiding tot allerhande in memoria.

http://www.demorgen.be/static/nmc/nmc/varia/longreads/janhoet.htm
Wat kunst is, wist ook Hoet niet. In 1991 zei hij: “Ik weet niet wat kunst is. De kunst zelf zal ons vertellen wie ze is. Niet ik. Ik kan alleen maar een ticket voor de ontdekkingsreis aanbieden.” In een speciale aflevering van het magazine DMuze, dat De Morgen eind mei 2012 maakte voor Hoets tentoonstelling Sint-Jan in Gent, schreef hij: “Ik weet nog altijd niet wat kunst is."

"De kunst zelf zal ons vertellen wie ze is".

Als dat waar is, dan is de kunst uiteraard het luisteren.
Het toeval wil nu dat ik niets weet.
Dat vind ik niet erg.
Want het enige wat me dan rest is het luisteren.
De kunst is kort van stof.
"De kunst is niet", zegt ze, "de kunst wordt."

Jan Hoet had een zwak voor Jozef Beuys.
Ik ook.
Niet voor zijn kunstwerken.
Die zijn waardeloos.
Juist daarom.

To be a teacher (Beuys was teaching on the Düsseldorf Art Academy, fh) is my greatest work of art. The rest is the waste product, a demonstration. If you want to express yourself you must present something tangible. But after a while this has only the function of a historic document. Objects aren’t very important any more. I want to get to the origin of matter, to the thought behind it.
Jozef Beuys


 

Een kunstwerk met een economische waarde die nihil is.
Afgedankte metalen rekken met kruidenierswaren uit het Oostblok.
Hij geeft er de titel "economische waarde" aan en Jan Hoet kon het nauwelijks betalen.
Het wordt een "goed" van onschatbare waarde.

"Man is really not freeing many aspects. He is dependent on his social circumstances, but he is free in his thinking, and here is the point of origin of sculpture. For me the formation of the thought is already sculpture. The thought is sculpture."
Jozef Beuys

Speciaal voor Jan Hoet maakte ik een waardeloos kunstwerk.
De gedachte.
Ik gaf het hem gratis.
Hij wist het niet.
http://vijfvoortwaalf.blogspot.be/2011/10/jan-hoet.html
 

zaterdag 1 maart 2014

Machteld Zee



http://defusie.net/koude-oorlog-binnen-academia/

Koude oorlog binnen academia?


Professor: ‘Ik denk dat het wat gecompliceerder ligt dan dat.’
Ik: ‘Het is interessant dat u dat zegt. Ik denk namelijk dat de realiteit veel minder complex is dan u denkt.’
Het is een probleem. Het gebrek aan realiteitszin bij de academische elite heeft endemische vormen aangenomen. Het is de manifestatie van de gedachte: ‘niemand mag oordelen’. Ooit las ik de frase ‘multicultural non-judgmentalism’. Dat dekt wel zo’n beetje de lading.
 
Ik gaf die middag voor de vijfde keer een lezing over de mogelijkheden die een staat heeft om om te gaan met religieuze rechtspraak, waarbij ik shariaraden in het Verenigd Koninkrijk als casus gebruikte. Normaliter volgt na zo’n lezing een vragenrondje. Nu was het anders… Dit debat ontaardde bijna in ruzie tussen de hoogleraar/moderator en mijzelf. Wat was het heikele punt? Ik meende dat ik naar aanleiding van mijn onderzoek stellingen kon produceren waar consequenties aan verbonden konden worden. Hij was echter van oordeel dat de materie te complex was om conclusies te kunnen trekken. Immers, er waren meerdere ‘dimensies’ binnen de complexe wereld van het shariarecht en meerdere ‘dimensies’ binnen de groep bezoekers van deze rechtbanken. (Dat de islamitische rechters zich door een dergelijke complexiteit niet laten weerhouden van het doen van feitelijk bindende uitspraken voor de vrouwen, is voor de professor klaarblijkelijk van ondergeschikt belang.)
Toen ik twee jaar geleden begon aan mijn onderzoek naar islamitische rechtspraak in het Verenigd Koninkrijk stortte ik mij op de literatuur. De meest voorkomende termen zijn rechtspluralisme en arbitrage en mediation. Een van de populairste begrippen is ‘transformative accomodation‘. Ik begreep er bar weinig van en dacht dat dat kwam doordat ik gewoonweg nog te weinig van het onderwerp afwist. Na een tijdje werd mij echter duidelijk dat de auteurs bar weinig van het onderwerp afwisten. Dit hinderde hen niet in het produceren van wollige teksten waarvan het vrijwel onmogelijk was om concrete feiten, stellingen en conclusies aan te ontlenen. In plaats van hun wetenschappelijke aanpak te omarmen reisde ik af naar Engeland voor veldwerk.
Er openbaarde zich een wereld aan kennis. Ik heb gesproken met politici, activisten, rechters en onderzoekers. Er stonden lezingen op het programma, evenals het parlement, universiteiten en als klap op de vuurpijl: naar de shariaraden zelf.
Het spreken met activisten was het meest verhelderend. Zij konden duidelijk uitleggen hoe de problematiek in elkaar stak. Dat kon ik helaas van de meeste academici niet zeggen: zonder enig (veld)onderzoek nemen ze aan dat er een religieuze behoefte aan shariaraden bestaat en met een beroep op respect en tolerantie – en onderbouwd aan de hand van een onbegrijpelijk discours – bewandelen ze de moral highground. Tekenend is ook dat zowel Oxford als Cambridge University Press recentelijk een boek hebben uitgebracht waarin academici in essays abacadabra schrijven over Sharia in het Westen. De these ‘vrouwenrechten en religieuze vrijheid moeten gecombineerd worden’ wordt veelvuldig vermeld. Hoe dat dient te gebeuren wordt nooit duidelijk gemaakt. Maar nog gênanter is dat ik slechts één van de vier (!) wetenschappers in de wereld ben die daadwerkelijk naar een Engelse shariaraad is geweest. Daarvan is er eentje zelfs positief over shariaraden.
Dus nu hebben we niet één probleem, maar twee. Het eerste probleem is dat de shariaraden in Engeland een grote aanzuigende werking hebben en ook het patroon van religieus gerechtvaardigde vrouwenhaat in stand houden. Het tweede probleem – en daar gaat dit betoog over – is dat vrouwen in minderheidsgroepen van de academische elite niets hoeven te verwachten. Die heeft zich verloren in het relativisme.
Mijns inziens zijn er ten aanzien van maatschappelijke fenomenen in het algemeen, maar in casu religieus en cultureel gerechtvaardigde seksediscriminatie, drie opties. Optie één is dat we erkennen dat dat problemen zijn waar een oplossing voor bedacht moet worden, bijvoorbeeld door het steunen van hulporganisaties of door middel van staatsinterventie. Optie twee is dat we erkennen dat het een probleem is, maar dat interventie niet gepast is, omdat het probleem anderszins opgelost dient te worden, bijvoorbeeld door zelfemancipatie. Optie drie is vaststellen dat er geen probleem is. Jammerlijk is dat de academische elite een vierde optie heeft uitgevonden, te weten: eindeloos zwammen.
Of zoals professor Phyllis Chesler, auteur van het boek The Death of Feminism, schrijft: ‘For years now, academics have pretended that brilliance and originality can best be conveyed in a secret. Mandarin language that absolutely no one, including themselves, can possibly understand. In my view, this obfuscation of language has been employed to hide a considerable lack of brilliance and originality and to avoid the consequences of making oneself clear.
Het resultaat van de huidige relativistische houding van de elite is dat deze de emancipatie van migrantenvrouwen heeft vertraagd. Immers, door multicultural non-judgmentalism is er te lang geen aandacht geweest voor de problematiek waar vrouwen uit minderheidsculturen tegen aan lopen. Nu is de primaire taak van de academische elite om op jonge mensen wetenschappelijke kennis over te dragen en hen kritisch te leren denken, zodat er steeds een nieuwe generatie wordt klaargestoomd om hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen en bij te dragen aan een betere samenleving. In bredere zin is het daarnaast de taak van academici om zich te mengen in het publieke debat, om te dienen als avant garde. Bijvoorbeeld door het doen van relevant onderzoek, het schrijven van boeken en het houden van lezingen. Er is behoefte aan heldere analyses over universele rechten.
Vandaag de dag is het werk van activisten, vooral vrouwenrechtenactivisten, ijzersterk. Ze lobbyen voor wetgeving, reizen stad en land af om met mensen te spreken, zamelen geld in. Die bottom-up benadering is geweldig en gezien het niveau van de elite meer nodig dan ooit. Activistenwerk is echter moeizaam, het gaat te langzaam en activisten lopen op tegen geldgebrek, politici die het probleem niet zien en ambtenaren die het werk frustreren. Zou het daarom niet fantastisch zijn als er tegelijkertijd een stevige top-down beweging zou komen? Immers, wanneer het aankomt op het aanpakken van cultureel en religieus gerechtvaardigde discriminatie ten aanzien van vrouwen, is het maatschappelijke (en elitaire!) klimaat van enorm belang. Vanuit een gezond denkklimaat kunnen ook politici, ambtenaren en beleidsmakers- en uitvoerders beter aan de slag. Activisten worden dan beter gehoord. Zij sleutelen ‘onderaan’, de elite ‘bovenaan’. Samen staan we sterk en creëren we het juiste klimaat zodat vrouwen – die niet moeten worden gereduceerd tot slachtoffer! – gehoord worden en zich makkelijker kunnen vrijmaken van niet zelfgekozen groepsdwang en (economisch) zelfstandig kunnen leven. De vrouwenzaak heeft de elite nodig, nog steeds. Mensen hebben voorbeelden en inspiratie nodig, dat is altijd al zo geweest.
De professor en ik zijn er die middag niet uitgekomen. Toen ik klaar was met mijn lezing stak de beste man – overigens met de beste bedoelingen – een lang verhaal af met daarin de begrippen vrouwenrechten, vrije keus, complexiteit, respect, dimensies en vrijheid van religie; het geheel verwikkeld in een brei met vooral veel komma’s. Ik legde hem mijn drie opties voor. Hij vond dat niet complex genoeg, koos voor optie vier en pruttelde nog een beetje na.
 
Machteld Zee schreef eerder voor Vrij Nederland over de praktijk van Shariaraden in Engeland




"Ik meende dat ik naar aanleiding van mijn onderzoek stellingen kon produceren waar consequenties aan verbonden konden worden."
Dat is een heikele stelling.

Ik hoef mij niet op de literatuur - in casu "haar literatuur" - te storten om die boude bewering te maken.
Ik beroep mij op mijn veldwerk.

Cultureel gerechtvaardigde discriminatie.
Is gerechtvaardigheid cultureel bepaald? Met andere woorden, is gerechtvaardigheid relatief?
Uiteraard kan ik niet antwoorden in de plaats van Machteld Zee, maar haar antwoord luidt "Neen".
Hoe wordt gerechtvaardigheid dan wel bepaald?

Hoe dat dient te gebeuren wordt nooit duidelijk gemaakt.
Daar hoef ik het onderzoek niet voor te lezen.

In de logica zijn er twee mogelijkheden, geen drie.

Zijn de consequenties gerechtvaardigd of niet?