maandag 27 februari 2012

Frank Gehry



Waar voor uw belastinggeld

Valt het woord besparen, dan wordt de jacht op de ambtenaren geopend. Cijfermatig niet onlogisch, want ze zijn met veel en souperen veel belastinggeld op. Bijna een op de drie werkende Belgen heeft een baan bij de overheid of een job die door de overheid gesubsidieerd wordt. Samen zijn dat 1,31 miljoen mensen. De afgelopen tien jaar zijn er minstens 200.000 ambtenaren bij gekomen.

En dat kost geld. Te veel geld, liet gouverneur Luc Coene van de Nationale Bank enkele weken geleden nog weten. En kijk, de politici volgen nu zijn redenering. In de zoektocht naar extra besparingen klonk het gisteren bij de Vlaamse politieke partijen eensgezind dat de federale ambtenaren het in de toekomst wel met wat minder kunnen doen. Afhankelijk van de bron moet er bespaard worden op de werkingsmiddelen of op het aantal personeelsleden.

Het zijn echter niet de politici die op de proppen komen met de origineelste suggesties, maar de topambtenaren zelf. "De regering zou beter kijken hoeveel volk er nodig is voor alle plannen die ze heeft. Daar wordt nu geen rekening mee gehouden", zegt Julien Van Geertsom, voorzitter het College van Voorzitters van de federale overheidsdiensten.

De topambtenaar heeft gelijk. Politici beloven steeds meer overheidsdiensten, maar hebben er steeds minder middelen voor veil. In Nederland gebeurde begin dit jaar een erg interessante oefening. De onderzoekers van het Sociaal en Cultureel Planbureau vlooiden uit of de Nederlanders wel waar voor hun belastinggeld krijgen. Want ook bij onze noorderburen stijgen de overheidsuitgaven elk jaar. Het antwoord van de zeer omvangrijke studie luidde 'neen'. De stijgende overheidsuitgaven vertalen zich niet in betere kwaliteit en kwantiteit van de dienstverlening door de overheid. Per overheidsdienst werden de resultaten snoeihard gepresenteerd. En werden er conclusies getrokken.

Een gelijkaardige oefening is in ons land geen overbodige luxe, een noodzaak zelfs. Want nu vervalt het debat over de werking van onze overheidsdiensten te vaak in platitudes en algemeenheden. Een studie die de vraag beantwoordt of de Belg waar voor zijn belastinggeld krijgt, is door onze politici zelden serieus overwogen. Het zou hun taak om op de goede manier te besparen nochtans gemakkelijker maken. En de democratie ten goede komen. De Belg heeft recht te weten wat er met zijn belastinggeld gebeurt. En met zijn job, want vergeet niet: één op de drie Belgen is een ambtenaar.

An Goovaerts
Chef binnenland
 
 
Het spijt me zeer, maar van dergelijke artikels word ik ongelofelijk droefgeestig.
Een studie.
Een studie is geen conclusie.
Een studie is een visioen, een visie.
 
Dit zijn studies:
 
 

 
 
 
 

zondag 26 februari 2012

James Ensor





                        "De orde in de chaos is van een andere orde dan de chaos in de orde."



James Ensor ontmoette Albert Einstein.



“Between us, allow me to salute a guest of substance, a neighbor haloed in importance. Block of science wreathed in flowers by a colleague of the coast, perched atop a dune. To you, great thinker, handsome caster of convincing rays, your silver mane emits millenary illuminations.
Yes, celestial bodies irradiate the paradise of Rotarian relativities, light the limited field of our table where glasses, cups, crystalware, decanters reflect the sequins, the cries of silk and delight from tipsy young stars; where firecrackers, candles, rockets set our senses ablaze and burn the spirit of our thoughts.
But you, man of light, you reflect suns, inventory the planets, invent moons, invite comets, illustrate the constellations. Moreover, and better yet, you douse the lazy stars, rein in the asteroids straying from their descents.
Mesdames, Messieurs, please forgive my free expression, my humbly pictorial language, my inappropriate words, shrill or ambiguous, anti-mathematical; I’ve always condemned boring worlds and their multiplicity.
Our Rotarian brethren in China and America belch while smoking; we muse while eating, and think while drinking.
Here, dear friends, let us drink and fraternize beneath a sun glazed with the gray of indecisive weather.
*
Alas and alack! Painters, slaves to vision, remain resistant to positive rays as they do to positive reason, to calculations, to probabilities; between reason and understanding, between the appearance and the content of things, a deep discrepancy remains.
And you, eminent scientist, will tell me 6 isn’t 9. And I will say, ‘When with a little kick I upend a 6 that makes a 9,’ and when you tell me that 6 and 8 make 14, I will reply that 6 and 8 make 68; in this case, Mesdames and Messieurs, all is relativity.
We have always said ‘There are more relative truths than absolute truths.’
Let us justly appreciate the old opportune Belgian motto: ‘Light bursts forth from the collision of ideas.’
*
Dear great master, accept my salutations. Forgive these words flavored with feeling.
To you, my friends, thanks from my heart and my hand with its curved line of life and joy.
From the great incandescent hearth of my heart, which sometimes muddies matters by striking two at noon, but a masterpiece, no less, of the divine watchmaker.
*
Let us all promptly praise the great Einstein and his relative orders, but condemn algebraism and its square roots, the surveyors and their cubic reasons.
I say that the world is round, like god the sun and the lady moon, round are cheeks, round are smiles, round are pupils and round posteriors, round are pastries and round plates, round are goblets but let us sing out squarely this time, Mesdames and Messieurs, all together if you please:
‘Einstein alone reigns in the heavens.’ ”
First appeared in Le Littoral, 8/26/1933. Found in My Writings, or Self-Important Swaggerings, ed. Hugo Martin (Éditions Labor, 1999)

http://www.edwardgauvin.com/blog/?p=872


James Ensor las Friedrich Nietzsche.



"My Portrait With Masks" (1899) by James Ensor

Whatever is profound loves masks; what is most profound even hates the image and parable. Might not nothing less than the opposite be the proper disguise for the shame of a god? A questionable question: it would be odd if some mystic had not risked something to that effect in his mind. There are occurrences of such a delicate nature that one does well to cover them up with some rudeness to conceal them; there are actions of love and extravagant generosity after which nothing is more advisable than to take a stick and give any eyewitness a sound thrashing: that would muddle his memory. Some know how to muddle and abuse their own memory in order to have their revenge at least against this only witness: shame is inventive.
It is not the worst things that cause the worst shame: there is not only guile behind a mask – there is so much graciousness in cunning. I could imagine that a human being who had to guard something precious and vulnerable might roll through life, rude and round as an old green wine cask with heavy hoops: the refinement of his shame would want it that way.
A man whose sense of shame has some profundity encounters his destinies and delicate decisions, too, on paths which few ever reach and of whose mere existence his closest intimates must not know: his mortal danger is concealed from their eyes, and so is his regained sureness of life. Such a concealed man who instinctively needs speech for silence and for burial in silence and who is inexhaustible in his evasion of communication, wants and sees to it that a mask of him roams in his place through the hearts and heads of his friends. And supposing he did not want it, he would still realize some day that in spite of that a mask of him is there – and that this is well. Every profound spirit needs a mask: even more, around every profound spirit a mask is growing continually, owing to the constantly false, namely shallow, interpretation of every word, every step, every sign of life he gives.
Friedrich Nietzsche, Beyond Good and Evil, #40, p. 50 (trsl. Walter Kaufmann)

http://theholylance.com/tag/nietzsche/


Laten we ons masker even afzetten.
Begrijpt u die tekst van Nietzsche?
Ik niet.
U hoeft daar helemaal geen diepere betekenis in te zoeken of zo.
Ik begrijp het gewoon niet.

zaterdag 25 februari 2012

Bob et Bobette

Weet u wat ik denk?

Interludium.
Ik weet wat u denkt.
U denkt  "Wat een  prietpraat verkoopt die kerel. Eerst volmondig beweren dat hij 'gestopt is met denken en vergeten is om daar opnieuw mee te beginnen' en dan vragen 'weet u wat ik denk'"
Onafhankelijk van het feit dat mijn middelnaam "Priet" is wil ik u er op wijzen dat dit blog een spelletje... monopoly is.
U staat op het vakje "ga terug naar 'START'. U ontvangt geen startgeld."
Denken is "voelen" en een "is" is altijd een "nu", een "onherroepelijke voorbij is", altijd een Heraclitische "is" en nooit een Parmenidische "is".

Weet u wat ik denk?
Ik denk aan Bob.
Frank Vandenbroucke: the sequel.

Back to basics in economic theory
Het politieke vraagstuk dat De Vos op tafel legt, is van alle tijden maar daarom niet minder belangrijk: wat is vooruitgang voor een samenleving? Kan je de vooruitgang van samenlevingen vergelijken, d.w.z. kan je vaststellen dat een samenleving A méér vooruitgang boekt dan een samenleving B? De vraag wordt hier gesteld voor een samenleving, niet voor een individu. Als het gaat over individuele posities van mensen en de individuele keuzes die ze maken, dan is de houding van de liberal m.b.t. het vraagstuk van de vooruitgang relatief eenvoudig en zelfs vanzelfsprekend– waarmee ik bedoel dat het ook niet eenvoudig is om dat standpunt tégen te spreken. Laat ons veronderstellen dat een individu, onze sympathieke vriend en verstokte vrijgezel Bob, kan kiezen tussen een scenario A (40 uur per week werken en veel verdienen) en een scenario B (20 uur per week werken en weinig verdienen). Als Bob – in normale omstandigheden van een gezond oordeelsvermogen – A verkiest boven B, dan mogen we er van uitgaan dat A voor Bob “beter” is dan B. Wie zouden wij zijn om de keuze van Bob voor A niet te respecteren en te stellen dat Bob “béter af zou zijn”, dat hij “meer welzijn zou realiseren”, dat hij “gelukkiger zou zijn” als hij zou kiezen voor minder verdienen en meer vrije tijd, d.w.z. scenario B? Veronderstel dat Bob gisteren alleen de keuze B kon maken, vandaag kan kiezen tussen A en B, en na een grondige afweging effectief kiest voor A: het zou vreemd zijn om te beweren dat Bob op die manier achteruitgang boekt; het zou zelfs vreemd zijn om te beweren dat hij op dat moment geen vooruitgang meemaakt. Integendeel, als “vooruitgang” slaat op de vraag of Bob er vandaag, volgens het weloverwogen oordeel van Bob zelf, béter aan toe is dan gisteren, dan is hier ondubbelzinnig sprake van vooruitgang. Dat ontkennen is een erge vorm van paternalisme.
Dit argument knoopt aan bij het gebruik van een concept dat in de economische theorie revealed preference heet: ons oordeel over het welzijn van mensen moet gebaseerd zijn op de voorkeur die ze laten blijken door hun gedrag, want dat gedrag zal – in normale omstandigheden van een gezond oordeelsvermogen – op een rationele wijze gericht zijn op het verhogen van hun eigen welzijn. Het belang van revealed preference is wat De Vos inspireert wanneer hij onderzoekers die geluk proberen te meten op basis van verklaringen van mensen het volgende bezwaar voor de voeten gooit: “(…), als de woorden van mensen over kortstondige gevoelens voor waar moeten aannemen, waarom betwijfelen we dan de veel betrouwbaardere en beter te verifiëren bron van hun daden? Waarom consumeergedrag en verlangen naar rijkdom in vraag stellen, om anderzijds hun versie van geluk zonder meer aan te nemen? Als geluksonderzoekers gelijk hebben dat mensen de beste beoordelaars van hun eigen leven zijn, moeten we dan niet vertrouwen op hun voorkeur die onthuld wordt door hun oordeel de volgende iPhone te kopen?”. Welzijn (a fortiori geluk) rechtstreeks proberen te vatten in een becijferde metriek is volgens De Vos een onderneming die hopeloos gedoemd is om te mislukken, onder meer wegens het bijzonder subjectieve karakter ervan. Wat mensen daadwerkelijk kiezen, is een veel betere uitgangspunt voor ons oordeel over hun welzijn of hun geluk.
Revealed preference, individuele en sociale welzijnsfuncties
Laat ons voor de eenvoud van het debat vooreerst veronderstellen dat de voorwaarden die toelaten dat mensen rationeel oordelen over hun eigen welzijn inderdaad vervuld zijn. Dat veronderstelt niet alleen dat ze goed geïnformeerd zijn over de gevolgen van relevante alternatieven, maar alle relevante alternatieven spontaan ook evenveel aandacht geven. Dat zijn eigenlijk veeleisende hypotheses, die vaak niet vervuld zijn. Nogal wat recente inzichten uit behavioural economics wijzen in een andere richting: het is bv. niet evident dat het gedrag van mensen altijd hun werkelijke voorkeuren reveleert. Maar om verder in te zoomen op de argumentatielijn van De Vos laat ik deze randvoorwaarden – waar een omvangrijke onderzoeksagenda en een even belangrijke beleidsagenda mee verbonden zijn – even buiten beschouwing. De liberal die zijn oordeel over het welzijn van het individu laat afhangen van revealed preferences en voor het overige geen uitspraken doet over welzijn, heeft dan een sterk punt.
Als hij een reeks keuzes die Bob maakt in kaart kan brengen, dan zal deze liberal overigens in staat zijn om een soort individuele welzijnsfunctie (een ordinale nuttigheidsfunctie) voor Bob uit te werken: daaruit zou bv. blijken dat Bob A verkiest boven B, B verkiest boven C, C boven D, D boven E, … Bob’s welzijnsfunctie houdt in dat A voor Bob “meer welzijn” oplevert dan B, B “meer welzijn” dan C, C “meer welzijn” dan D, D “meer welzijn” dan E… maar de functie is “ordinaal” omdat we geen getal plakken op de hoogte van het welzijn dat Bob ervaart als hij kiest voor één van deze alternatieven. Het enige wat we doen, is de alternatieven rangschikken. Als Bob rationeel is, dan zal het natuurlijk niet zo zijn dat hij A verkiest boven B, B boven C, maar tegelijkertijd C verkiest boven A. Als dergelijk irrationeel gedrag zou voorkomen, dan kunnen we geen individuele welzijnsfunctie op basis van revealed preference uittekenen. Maar de gangbare economische theorie gaat ervan uit dat individuen, wanneer ze goed geïnformeerd zijn en weloverwogen oordelen, in hun economisch gedrag beschouwd mogen worden als rationeel. Of dat in alle domeinen van het economisch leven echt zo is, is betwistbaar – maar voor de eenvoud van het debat met De Vos ga ik daar even mee van uit.
Nu gaat de gangbare economische theorie er ook van uit dat het rangschikken van voorkeuren op basis van revealed preference niet toepasbaar is op groepen van individuen, dus niet toepasbaar op samenlevingen. Beter gezegd, pogingen die de voorbije 60 jaar ondernomen zijn om revealed preference te hanteren om het algemeen welzijn dat alternatieve scenario’s opleveren voor een samenleving te vergelijken, waarbij vermeden wordt om een getal te plakken op het welzijnsniveau van individuen, stuiten op zeer grote bezwaren. Als je het welzijn van individuen louter rangschikt op basis van de voorkeuren die individuen zelf laten blijken, maar op dat individuele welzijn geen cijfer plakt (je “meet” het dus niet met een cijfer), dan krijg je geen houvast om uitspraken te doen over het welzijn van een samenleving. Kenneth Arrow heeft in 1972 de Nobelprijs economie gekregen, omdat hij in 1951 het bewijs geleverd heeft voor een stelling die nog sterker is: het is onmogelijk om voor een groep van individuen een consistente, rationele sociale welzijnsfunctie op te stellen die de individuele welzijnsfuncties van de individuen respecteert (wat dit “respecteren” betekent heeft Arrow gepreciseerd in enkele axioma’s), op basis van individuele welzijnsfuncties die niet méér informatie bieden dan het louter rangschikken van alternatieven.
Met andere woorden: je kan het welzijn van eender welke rationele Bob op een consistente manier in kaart brengen op basis van zijn revealed preference, maar het welzijn van een groep rationele Bob’s kan je niet op een consistente manier in kaart brengen op basis van de rangschikkingen die blijken uit hun individuele revealed preferences alléén. Wat je kan voor de individuele Bob’s, kan je niet voor het Verenigd Bobrijk. Het Verenigd Bobrijk heeft geen rationeel schema van “collectieve revealed preference”; het concept is gewoon ontoepasbaar. Daarop was, volgens Arrow, slechts één uitzondering te bedenken: als je de sociale welzijnsfunctie voor het Verenigd Bobrijk zou laten bepalen door één enkele individuele welzijnsfunctie (laat ons zeggen, de welzijnsfunctie van Bob De Baas), dan zou je dat wel op een consistente manier kunnen doen. Maar dat is natuurlijk een dictatuur, waar liberals zoals De Vos en ik van moeten gruwen.
Nu zijn er wel beperkte maatschappelijke keuzes te bedenken, waar het onmogelijkheidstheorema van Arrow geen issue is. Veronderstel dat alléén de volgende scenario’s mogelijk zijn voor het Verenigd Bobrijk: in een scenario X werken alle Bob’s 40 uur per week, en verdienen ze elk 25.000 euro per jaar; in een scenario Y werken alle Bob’s 40 uur per week, en verdienen ze elk 20.000 euro per jaar; in een scenario Z werken alle Bob’s 40 uur per week, en verdienen ze elk 16.000 euro per jaar… (Bij de overgang van Z naar Y en van Y naar X verhoogt het Bruto Nationaal Inkomen van het Verenigd Bobrijk dus telkens met 25%.) Als dit de énige mogelijke keuzes zijn, dan zullen alle Bob’s individueel de voorkeur geven aan X boven Y en aan Y boven Z. Omwille van deze eensgezindheid kan je deze scenario’s rangschikken in functie van wat ze betekenen voor het “algemeen welzijn” in het Verenigd Bobrijk, waarbij scenario X “meer algemeen welzijn” impliceert voor het Verenigd Bobrijk dan scenario Y, en scenario Y “meer algemeen welzijn” impliceert voor het Verenigd Bobrijk dan scenario Z. Je zou in dit bijzondere geval probleemloos kunnen zeggen dat de verhoging van het Bruto Nationaal Inkomen van het Verenigd Bobrijk “meer algemeen welzijn” meebrengt, zonder dat we een uitspraak moeten doen over de hoogte van het welzijn van de individuele Bob’s of van het Verenigde Bobrijk.
Helaas is de keuzeset in de realiteit niet zo eenvoudig. Laat ons veronderstellen dat er nog een scenario X* denkbaar is, waarbij 1% van de Bob’s 200.000 euro per jaar verdient, en 99% van de Bob’s 24.500 euro per jaar. In het scenario X* groeit het Bruto Nationaal Inkomen van het Verenigd Bobrijk met 31,3% (ten opzichte van scenario Y), wat beduidend meer is dan de BNP-groei van 25% in het scenario X. Maar, als je de top 1% van de inkomensverdeling buiten beschouwing zou laten, dan groeit het BNI (voor 99% van de bevolking) in scenario X* slechts met 22,5% terwijl de groei in scenario X (voor 99% van de bevolking) nog steeds 25% bedraagt. Welk scenario biedt meer “algemeen welzijn”: X of X*? Op basis van revealed preference zal je voor elke Bob afzonderlijk kunnen vaststellen welk van de twee scenario’s zijn voorkeur wegdraagt, en dus zijn individuele welzijn het grootst maakt. Maar het is onmogelijk de vraag naar het algemeen welzijn te beantwoorden vanuit revealed preference. De liberal, die zich wil beperken tot revealed preference, staat hier voor een groot probleem.
De lezer die denkt dat ik hier een extreem voorbeeld heb gekozen, vergist zich. Het verschil tussen scenario X en X* is vergelijkbaar met het verschil tussen de groei van het BNP tussen 1975 en 2006 in Frankrijk en de Verenigde Staten. Het gemiddelde reële inkomen per gezin groeide in de VS met 32,2% tussen 1975 en 2006, en slechts met 27,1% in Frankrijk. De Amerikaanse groeiprestatie was dus sterker dan de Franse. Maar als we de top 1% buiten beschouwing laten, dan groeide het Amerikaanse BNP slechts met 17,9% en het Franse met 26,4%. Met andere woorden, als je de top 1% buiten beschouwing laat, dan draait de beoordeling om. Om een oordeel te vellen over het algemene welzijn – over de vraag of er in de VS méér sociale vooruitgang is geboekt dan in Frankrijk, dan wel omgekeerd – moet je een uitspraak doen waarbij je het welzijn van de top 1% afweegt t.a.v. het welzijn van de andere 99%. De vraag is of je die afweging kan maken zonder een uitspraak te doen over het individuele welzijn van de betrokken individuen die verder gaat dan de loutere rangschikking van hun individuele voorkeuren die we afleiden uit hun revealed preferences. Kan je zo’n afweging maken zonder een rekenkunde van het welzijn, waarbij je op het welzijn van elk individu een cijfer plakt?


De rationele Bob.
De politiek, de media, de wetenschap, ja zelfs de kunst, iedereen behalve de gek richt zich op de rationele Bob.
Ik denk dat de mens een relationele Bob is.
Dat Bob zijn keuze afhankelijk is van de keuze van Bobette.
Een soort handelsreizigersprobleem.
http://www.bloggen.be/excrementen/archief.php?ID=1181315
Als Frank Vandenbroucke daar nu eens zijn tanden zou inzetten.
Volgens mij is hij helemaal klaar voor de hogere wiskunde.

Brigitte Raskin



Toen ik jong was droomde ik er van schrijver te worden.
Dat was in de periode dat Brigitte Raskin de AKO literatuurprijs won voor haar boek "het koekoeksjong".
Koekoeksjong: "jong van een koekoek, gekomen uit een ei dat door zijn moeder is gelegd in het nest van een andere vogelsoort en dat de andere jonge vogels later geheel verdringt".
http://www.encyclo.nl/begrip/KOEKOEKSJONG

Ik was die andere jonge vogel.
Een flierefluiter.
En wat meer is, ik had toen ook al een roman geschreven.
Nooit gepubliceerd.
De schuld van Brigitte Raskin.
Brigitte Raskin herhaalde destijds in heel wat interviews haar mantra: "schrijven is schrappen".

"Oorzaken zijn het gevolg van doelstellingen"
Dat was wat er overbleef van mijn roman.

"Nogal magertjes" stond er in het leesverslag dat bij de beleefde afwijzing gevoegd was.

Molière

Es scheint mir, dass man jetzt überall bemüht ist, von dem eigentlichen Einflusse, den Kant auf die deutsche Philosophie ausgeübt hat, den Blick abzulenken und namentlich über den Werth, den er sich selbst zugestand, klüglich hinwegzuschlüpfen. Kant war vor Allem und zuerst stolz auf seine Kategorientafel, er sagte mit dieser Tafel in den Händen: "das ist das Schwerste, was jemals zum Behufe der Metaphysik unternommen werden konnte". - Man verstehe doch dies "werden konnte"! er war stolz darauf, im Menschen ein neues Vermögen, das Vermögen zu synthetischen Urteilen a priori, entdeckt zu haben. Gesetzt, dass er sich hierin selbst betrog: aber die Entwicklung und rasche Blüthe der deutschen Philosophie hängt an diesem Stolze und an dem Wetteifer aller Jüngeren, womöglich noch Stolzeres zu entdecken -und jedenfalls "neue Vermögen"! - Aber besinnen wir uns: es ist an der Zeit. Wie sind synthetische Urtheile a priori möglich? fragte sich Kant, - und was antwortete er eigentlich? Vermöge eines Vermögens: leider aber nicht mit drei Worten, sondern so umständlich, ehrwürdig und mit einem solchen Aufwande von deutschem Tief- und Schnörkelsinne, dass man die lustige niaiserie allemande überhörte, welche in einer solchen Antwort steckt. Man war sogar ausser sich über dieses neue Vermögen, und der Jubel kam auf seine Höhe, als Kant auch noch ein moralisches Vermögen im Menschen hinzu entdeckte: - denn damals waren die Deutschen noch moralisch, und ganz und gar noch nicht "real-politisch". - Es kam der Honigmond der deutschen Philosophie; alle jungen Theologen des Tübinger Stifts giengen alsbald in die Büsche, - alle suchten nach "Vermögen". Und was fand man nicht Alles -in jener unschuldigen, reichen, noch jugendlichen Zeit des deutschen Geistes, in welche die Romantik, die boshafte Fee, hineinblies, hineinsang, damals, als man "finden" und "erfinden" noch nicht auseinander zu halten wusste! Vor Allem ein Vermögen für's "übersinnliche": Schelling taufte es die intellektuale Anschauung und kam damit den herzlichsten Gelüsten seiner im Grunde frommgelüsteten Deutschen entgegen. Man kann dieser ganzen übermüthigen und schwärmerischen Bewegung, welche Jugend war, so kühn sie sich auch in graue und greisenhafte Begriffe verkleidete, gar nicht mehr Unrecht thun, als wenn man sie ernst nimmt und gar etwa mit moralischer Entrüstung behandelt; genug, man wurde älter, - der Traum verflog. Es kam eine Zeit, wo man sich die Stirne rieb: man reibt sie sich heute noch. Man hatte geträumt: voran und zuerst - der alte Kant. "Vermöge eines Vermögens" - hatte er gesagt, mindestens gemeint. Aber ist denn das - eine Antwort? Eine Erklärung? Oder nicht vielmehr nur eine Wiederholung der Frage? Wie macht doch das Opium schlafen? "Vermöge eines Vermögens", nämlich der virtus dormitiva - antwortet jener Arzt bei Molière,
quia est in eo virtus dormitiva, cujus est natura sensus assoupire.
Aber dergleichen Antworten gehören in die Komödie, und es ist endlich an der Zeit, die Kantische Frage "Wie sind synthetische Urtheile a priori möglich?" durch eine andre Frage zu ersetzen "warum ist der Glaube an solche Urtheile nöthig?" - nämlich zu begreifen, dass zum Zweck der Erhaltung von Wesen unsrer Art solche Urtheile als wahr geglaubt werden müssen; weshalb sie natürlich noch falsche Urtheile sein könnten! Oder, deutlicher geredet und grob und gründlich: synthetische Urtheile a priori sollten gar nicht "möglich sein": wir haben kein Recht auf sie, in unserm Munde sind es lauter falsche Urtheile. Nur ist allerdings der Glaube an ihre Wahrheit nöthig, als ein Vordergrunds-Glaube und Augenschein, der in die Perspektiven-Optik des Lebens gehört. - Um zuletzt noch der ungeheuren Wirkung zu gedenken, welche "die deutsche Philosophie" - man versteht, wie ich hoffe, ihr Anrecht auf Gänsefüsschen? - in ganz Europa ausgeübt hat, so zweifle man nicht, dass eine gewisse virtus dormitiva dabei betheiligt war: man war entzückt, unter edlen Müssiggängern, Tugendhaften, Mystikern, Künstlern, Dreiviertels-Christen und politischen Dunkelmännern aller Nationen, Dank der deutschen Philosophie, ein Gegengift gegen den noch übermächtigen Sensualismus zu haben, der vom vorigen Jahrhundert in dieses hinüberströmte, kurz-"sensus assoupire"…….
http://www.gutenberg.org/cache/epub/7204/pg7204.html



11. It seems to me that there is everywhere an attempt at present to divert attention from the actual influence which Kant exercised on German philosophy, and especially to ignore prudently the value which he set upon himself. Kant was first and foremost proud of his Table of Categories; with it in his hand he said: "This is the most difficult thing that could ever be undertaken on behalf of metaphysics." Let us only understand this "could be"! He was proud of having DISCOVERED a new faculty in man, the faculty of synthetic judgment a priori. Granting that he deceived himself in this matter; the development and rapid flourishing of German philosophy depended nevertheless on his pride, and on the eager rivalry of the younger generation to discover if possible something—at all events "new faculties"—of which to be still prouder!—But let us reflect for a moment—it is high time to do so. "How are synthetic judgments a priori POSSIBLE?" Kant asks himself—and what is really his answer? "BY MEANS OF A MEANS (faculty)"—but unfortunately not in five words, but so circumstantially, imposingly, and with such display of German profundity and verbal flourishes, that one altogether loses sight of the comical niaiserie allemande involved in such an answer. People were beside themselves with delight over this new faculty, and the jubilation reached its climax when Kant further discovered a moral faculty in man—for at that time Germans were still moral, not yet dabbling in the "Politics of hard fact." Then came the honeymoon of German philosophy. All the young theologians of the Tubingen institution went immediately into the groves—all seeking for "faculties." And what did they not find—in that innocent, rich, and still youthful period of the German spirit, to which Romanticism, the malicious fairy, piped and sang, when one could not yet distinguish between "finding" and "inventing"! Above all a faculty for the "transcendental"; Schelling christened it, intellectual intuition, and thereby gratified the most earnest longings of the naturally pious-inclined Germans. One can do no greater wrong to the whole of this exuberant and eccentric movement (which was really youthfulness, notwithstanding that it disguised itself so boldly, in hoary and senile conceptions), than to take it seriously, or even treat it with moral indignation. Enough, however—the world grew older, and the dream vanished. A time came when people rubbed their foreheads, and they still rub them today. People had been dreaming, and first and foremost—old Kant. "By means of a means (faculty)"—he had said, or at least meant to say. But, is that—an answer? An explanation? Or is it not rather merely a repetition of the question? How does opium induce sleep? "By means of a means (faculty)," namely the virtus dormitiva, replies the doctor in Moliere,
    Quia est in eo virtus dormitiva,
    Cujus est natura sensus assoupire.

But such replies belong to the realm of comedy, and it is high time to replace the Kantian question, "How are synthetic judgments a PRIORI possible?" by another question, "Why is belief in such judgments necessary?"—in effect, it is high time that we should understand that such judgments must be believed to be true, for the sake of the preservation of creatures like ourselves; though they still might naturally be false judgments! Or, more plainly spoken, and roughly and readily—synthetic judgments a priori should not "be possible" at all; we have no right to them; in our mouths they are nothing but false judgments. Only, of course, the belief in their truth is necessary, as plausible belief and ocular evidence belonging to the perspective view of life. And finally, to call to mind the enormous influence which "German philosophy"—I hope you understand its right to inverted commas (goosefeet)?—has exercised throughout the whole of Europe, there is no doubt that a certain VIRTUS DORMITIVA had a share in it; thanks to German philosophy, it was a delight to the noble idlers, the virtuous, the mystics, the artiste, the three-fourths Christians, and the political obscurantists of all nations, to find an antidote to the still overwhelming sensualism which overflowed from the last century into this, in short—"sensus assoupire."...
http://www.gutenberg.org/files/4363/4363-h/4363-h.htm

Leo Neels



Vandaag gaat u zelf een tekst schrijven.
Echt waar, ik meen het.
Ik heb namelijk geen inspiratie.
Ik geef u alleen het begin en de ingrediënten.
Ik geef u het begin niet om u in een bepaalde richting te duwen, dat zou ik niet durven.
Maar als u een sprookje gaat schrijven, dan is het toch handig om te weten dat een sprookje begint met "Er was eens..."


http://www.mediakritiek.be/index.php?page=217&detail=1405

Van de prins geen kwaad (maar nieuws brengen wel)

23-02-2012 00:00:00
Het heeft hem boze commentaren gekost en enkele tientallen abonnees, maar Peter Vandermeersch houdt voet bij stuk: natuurlijk moest zijn krant wel het nieuws meegeven over de hersenscan van prins Johan Friso.
NRC Handelsblad, de krant die ik sinds ruim anderhalf jaar leid, kwam de voorbije dagen in een mediastorm terecht. Reden: we publiceerden zaterdag op de voorpagina van de krant… nieuws. Dat betrof de gezondheidstoestand van prins Johan Friso, de tweede zoon van de Nederlandse koningin Beatrix, die vrijdagmiddag ernstig gewond raakte bij een ski-ongeval in Oostenrijk. Een journaliste van onze krant, Jannetje Koelewijn, was die vrijdag toevallig in Oostenrijk, samen met haar man, een neurochirurg die in Innsbruck een cursus kwam geven aan collega's.
Jannetje deed wat van elke journalist verwacht wordt. Ze ging op onderzoek naar de feiten. 'Ik zou een dweil zijn als ik niet probeerde om meer aan de weet te komen', zegt ze daarover achteraf. Klopt. Ik zou haar ook een dweil hebben gevonden als ze dat niet had gedaan.
Jannetje, die zich ten overstaan van haar bronnen duidelijk identificeerde als journaliste, boekte resultaat. Los van de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) - in Nederland een machtig orgaan dat alle nieuws over de koninklijke familie probeert te kanaliseren - kwam ze in contact met een Oostenrijkse arts die haar openheid van zaken wilde geven. Neen, de prins had geen schedelbasisfractuur, zoals breed werd getoeterd in de media. Maar er waren ernstige zorgen over het gebrek aan zuurstof waaraan de patiënt had blootgestaan. Dat was nieuws.
Nieuws dat ons op de redactie van de krant vanzelfsprekend voor een journalistiek dilemma plaatste. Publiceren we, dan schenden we de privacy van de patiënt, en werken we mogelijk mee aan de schending van het medisch beroepsgeheim. Publiceren we niet, dan laten we na wat we claimen te doen: met onze journalistieke methodes proberen de waarheid over relevante zaken zo genuanceerd mogelijk aan het licht te brengen. All the news that's fit to print, staat er dagelijks op mijn grote voorbeeld, The New York Times.
De vraag of het nieuws over prins Johan Friso fit to print was, hangt natuurlijk erg samen met de relevantie ervan. Mijn Nederlandse ex-collega van NRC, Daniela Hooghiemstra, betoogde gisteren op deze plek over de koninklijke familie in Nederland: 'De gevoelens over de koninklijke familie gaan dieper dan menigeen durft toe te geven. Geloof Nederlanders nooit als zijn hun koninklijke familie onbelangrijk noemen. (...) Achter hun onverschilligheid gaat brandende nieuwsgierigheid schuil en hun 'kritische houding' verhult onverklaarbare, diepe liefde.' Terecht heeft ze het over de 'slaafsheid' in de berichtgeving over het koninklijk huis.
Die grote liefde en belangstelling voor de Oranjes in Nederland betekenden dat het nieuws over de gezondheidstoestand van Johan Friso vanzelfsprekend relevant was. We oordeelden dus dat onze journalistieke opdracht en het algemeen belang het zwaarst wogen. En publiceerden. Heel eenvoudig, omdat ik het als mijn hoogste opdracht beschouw onze lezers zo snel, betrouwbaar en genuanceerd mogelijk te informeren.
Wisten we dat we met de publicatie lezers tegen de haren in zouden strijken? Vanzelfsprekend (er volgden honderden boze mails en brieven). Wisten we dat we boze en ontgoochelde abonnees zouden verliezen? Natuurlijk (inmiddels tellen we een honderdtal opzeggingen). Wisten we dat we de boosheid van de RVD over ons zouden laten neerdalen? Ja.
Maar de redactie van NRC Handelsblad reageerde zoals een uitstekende krantenredactie dat doet. Nieuws vergaren, controleren, wegen en genuanceerd in de krant brengen.
Het was een redactie die vrijdag net niet in de ban was van het koninklijk 'delirium' - dixit Hooghiemstra in diezelfde opiniebijdrage - dat Nederland in zijn ban had. Een delirium dat blijkbaar verstikkend werkt op normale journalistieke reflexen en zeden.
Auteur: Peter Vandermeersch

De ingrediënten van het artikel zijn
Peter Vandermeersch
Leo Neels
Yves Desmet
en last but not least de onvermijdelijke Jef Vermassen.
"De cautie is de mededeling aan een verdachte dat deze het recht heeft om te zwijgen.
Deze cautie is gebaseerd op het recht van verdachten om te zwijgen en om zichzelf niet te incrimineren. Het doel ervan is om te voorkomen dat een verdachte ongewild meewerkt aan zijn eigen veroordeling.
Men heeft echter niet het "recht om een leugen te vertellen". Wanneer men dus geen gebruik van het zwijgrecht wenst te maken, wordt men geacht de waarheid te vertellen."
http://nl.wikipedia.org/wiki/Cautie_(strafrecht)


https://docs.google.com/open?id=0BzrlzA4RJv1xU3RkSlo5MDZRQ0dmMG9tNVZXc0J3UQ
https://docs.google.com/open?id=0BzrlzA4RJv1xN1FSY3ROc19RQXVfSzJxUkZkV0VRZw
https://docs.google.com/open?id=0BzrlzA4RJv1xOTRPMUhGQzJTNmVEV1dzdGpkaEU0UQ

Uw inzendigen kunnen verstuurd worden naar
ventjetutlatee@gmail.com

Indien uw artikel "fit to print" is (wat zou ik dat graag hebben!) zal het gepubliceerd worden.
CAUTION: You have the right to remain silent. Anything you say or do can and will be held against you in a game of chess.
@yves: er bestaan geen zekerheden, dat is een waarheid als een koe.
P.S. De hoofdredacteur zal autonoom beslissen en er zal geen correspondentie over de beslissing gevoerd worden.




donderdag 23 februari 2012

Maria Callas



It appears that the faster-than-light neutrino results, announced last September by the OPERA collaboration in Italy, was due to a mistake after all. A bad connection between a GPS unit and a computer may be to blame.
Physicists had detected neutrinos travelling from the CERN laboratory in Geneva to the Gran Sasso laboratory near L'Aquila that appeared to make the trip in about 60 nanoseconds less than light speed. Many other physicists suspected that the result was due to some kind of error, given that it seems at odds with Einstein's special theory of relativity, which says nothing can travel faster than the speed of light. That theory has been vindicated by many experiments over the decades.
According to sources familiar with the experiment, the 60 nanoseconds discrepancy appears to come from a bad connection between a fiber optic cable that connects to the GPS receiver used to correct the timing of the neutrinos' flight and an electronic card in a computer. After tightening the connection and then measuring the time it takes data to travel the length of the fiber, researchers found that the data arrive 60 nanoseconds earlier than assumed. Since this time is subtracted from the overall time of flight, it appears to explain the early arrival of the neutrinos. New data, however, will be needed to confirm this hypothesis.
http://news.sciencemag.org/scienceinsider/2012/02/breaking-news-error-undoes-faster.html

DO YOU LIKE OPERA?
(vergeet de pries niet in te steken!)




Wil u leven zonder hoop of zonder zekerheid?


Broodje Aap (urban legend)
Albert Einstein was een verwarde professor.
Tot daar aan toe, maar Einstein was ook een klusjesman.
En die combinatie geeft soms aanleiding tot vreemde toestanden.
Einstein was met zijn tijd mee en wilde een diepvriezer in zijn huis. De ideale plaats om zo'n ding te installeren is uiteraard de kelder. Daar staat dat handige spul lekker uit de weg.
Van zodra alles geïnstalleerd was (en die diepvriezer langs de keldertrap naar beneden krijgen was geen evidentie geweest) bleek de diepvriezer echter niet te vriezen. Einstein probeerde in eerste instantie zelf het toestel te repareren, maar het lukte hem niet. Alles bleek naar behoren te werken, op dat kleine detail na: de diepvriezer bleek niet te vriezen. Er werd een technicus van de fabrikant ter plaatse gestuurd, maar die arme man kon ook alleen maar vaststellen dat alles, op dat ene kleine detail na, naar behoren werkte. Ten einde raad werd besloten om de vervloekte diepvriezer terug te nemen (en die diepvriezer langs de keldertrap naar boven krijgen was geen evidentie). Er werd een nieuw exemplaar geleverd (en die diepvriezer langs de keldertrap naar beneden krijgen was geen evidentie). Het hielp geen ene moer. Ook de nieuwe diepvriezer weigerde te vriezen.
De fabrikant stuurde daarop de meest pientere technicus naar Einstein.
"Steekt de pries wel in", was het eerste wat de technicus aan Einstein vroeg, "altijd eerst controleren of de pries wel insteekt".
Hij keek aandachtig naar het stopcontact.
"Dat ziet er nog vrij nieuw uit", zei de pientere technicus.
"Heb ik zelf geïnstalleerd", zei Einstein trots, "hier was nog geen stopcontact".
De pientere technicus ging de keldertrap op en knipte de lichtschakelaar naar omlaag zodat ze allebei in het donker stonden.
Ook het gezoem van de de diepvriezer was weggevallen.
"Afgetakt van het lichtpunt", zei de pientere technicus, "zolang de lamp brandt werkt alles perfect. En als we boven het licht doven, wordt ook de diepvriezer uitgeschakeld".





dinsdag 21 februari 2012

Frank Vandenbroucke



ESSAY:
Waarom Frank Vandenbroucke zo slim is.

Ik heb te veel lezers.
Gelukkig bestaat er een probaat middel tegen dergelijk euvel: een essay van Frank Vandenbroucke publiceren.
Je moet al stevig in je schoenen staan om dan niet af te haken.
Zijn essay was bovendien een reactie op een eerder gepubliceerd stuk van Marc De Vos.
U bent werkelijk hardleers als u nog hier bent!

http://www.itinerainstitute.org/upl/1/default/doc/Geluk%20final.pdf
http://www.itinerablog.org/article/gelukenpolitiek
http://www.itinerainstitute.org/upl/1/default/doc/FV_Response%20to%20MDV_Hapiness.pdf

Even opwarmen.
Itinera is een "denktank".
Een benzinetank is niet iets wat benzine produceert, een benzinetank is iets wat benzine opslaat.

Frank Vandenbroucke:
Marc De Vos stelt dat je “geluk” niet voldoende kan definiëren en meten om er een betrouwbaar beleidsinstrument van te maken. Sterker, geluksmetingen zijn “inherent onbetrouwbaar”. Tja, als dàt juist is, waarop baseer je dan een uitspraak zoals “economische groei is de onontbeerlijke drijfkracht die persoonlijk geluk mogelijk maakt”? Ik maak een fictieve vergelijking. Veronderstel dat onze vrienden Jan en Mieke met elkaar van mening verschillen over blablablob. Mieke zegt: “Jan, we moeten zoveel mogelijk blablablob verzamelen!”. En Jan riposteert: “Lieve Mieke, je kan me niet eens uitleggen wat blablablob precies is, en we zijn met de beste wil van de wereld niet in staat om op te meten hoeveel blablablob we hebben. Eén ding weten we heel zeker, dat blijkt uit allerlei metingen: we moeten economische groei hebben als we blablablob willen.” Zouden we Jan’s redenering niet vreemd vinden, gebaseerd op nogal tegenstrijdige argumenten? Dezelfde tegenstrijdigheid ondermijnt naar mijn gevoel het essay van Marc De Vos over geluk.

Waarmee Frank Vandenbroucke  mijn territorium binnentreedt.
Van zodra iemand een openingszet doet is hij gesjareld.
Of, om het een beetje op niveau uit te drukken: de vos is een vogel voor de kat.
Zelf was ik een beetje teleurgesteld in Frank.
Dat hij deze open doelkans liet liggen bijvoorbeeld:
Over Simon Kuznets:
He disapproved, however, of its use as a general indication of welfare, writing that "the welfare of a nation can scarcely be inferred from a measure of national income."
Maar zelfs zonder deze misser kan Marc De Vos geen kant meer op.
Het is een spelletje schaak en Marc De Vos speelt met wit, hij heeft de openingszet gemaakt.
Het enige wat zwart moet doen is alert blijven, wit geen kans geven om te ontsnappen, wit blijven vastpinnen op de zwakte van zijn stelling.
Elke stelling is zwak. Ze is zwak omdat het "zijn" is, en "zijn" is een illusie. Vroeg of laat wil je die stelling aanpassen aan de veranderde omstandigheden.
Elke stelling is zwak. Ze is zwak omdat een stelling een bewezen bewering is, bewezen op basis van axioma's.
Frank Vandenbroucke kan niet meer "verliezen".

Frank Vandenbroucke:
De tekst van Marc De Vos springt voortdurend van het ene been op het andere been, en camoufleert daardoor een fundamentele intellectuele impasse in dit betoog.
Het aan de kaak stellen van hinkelen is het voorrecht van de éénbenigen. Frank Vandenbroucke heeft er volgens mij, louter intuïtief, twee.
Niet verliezen is winnen in de wereld van de publicisten.
Behalve als je op mijn territorium komt.

De titel van het essay is "Geluk en politiek: een pleidooi voor helder denken."
Wat is helder denken?
Helder denken is niet kromredeneren.
Dat is Frank Vandenbroucke ten voeten uit.
Een cirkelredenering.
Frank Vandenbroucke mag dat uiteraard weerleggen. Hij heeft die stelling nergens naar voor geschoven, het is mijn interpretatie, het is mijn eerste zet met zwart.
Ik beweer dat zijn impliciete stelling "Helder denken is niet kromredeneren" luidt.
Wit aan zet.


P.S. Louter intuïtief, ik heb daar geen argumenten voor, denk ik dat je kan kiezen tussen een cirkelredenering of een boemerang (een bezoek van Janneke en Mieke).
Een boemerang is zo'n ding dat via een cirkelbeweging terugkomt als ik me niet vergis.














zondag 19 februari 2012

Alexander Friedmann

SHORTLY after the publication of Einstein's general theory of relativity in 1915, the Russian mathematician Alexander Friedmann was surprised to discover that Einstein had failed to notice a remarkable prediction made by his equations: that the universe is expanding. This prediction was later confirmed by observations made by Edwin Hubble in the 1920s.
The cause of Einstein's oversight? He had made a stupid error in his calculations: He had divided by zero, which amounts to a big "sin" in mathematics.

William Rothenstein



SIR WILLIAM Rothenstein was in Berlin doing a portrait of Einstein. The mathematician was always accompanied to the studio by a solemn, academic looking individual who sat in a corner throughout the sittings. Einstein, not wishing to waste any time, was putting forth certain tentative theories, to which the silent companion replied only by an occasional nod or shake of the head. When the work was concluded, Rothenstein, who was curious, asked Einstein who his companion was.
"That's my mathematician," said Einstein, "who examines problems which I put before him and checks their validity. You see, I am not myself a good mathematician . . ."

Jacob Epstein



THE SCULPTOR Jacob Epstein tells this story:
"When I was doing Professor Albert Einstein's bust he had many a jibe at the Nazi professors, one hundred of whom had condemned his theory of relativity in a book.
"Were I wrong," he said, "one professor would have been enough."

zaterdag 18 februari 2012

Margaretha van Leuven

Lang geleden dat we nog een keer een gastschrijver hebben gehad.
Bij deze.
Ik had namelijk mijn dochter (shit! verraden! Man die gaat kwaad zijn.) in het kader van "thuisstudie" de opdracht gegeven om een essay van een uur te schrijven over ""Over SKEPP, of wanneer wetenschap een ideologie wordt."
Alle gelijkenissen in stijl en taalgebruik zijn genetisch bepaald en dus geheel toevallig.
Hier gaan we:




Wat word (!) ik toch snel afgeleid.
Zelfs een eenvoudige zin als "wat word ik toch snel afgeleid" kan ik niet noteren zonder dat mijn brein wordt afgeleid door het opvallende woordgebruik van "worden".
Waarom schrijf ik "Wat word ik toch snel afgeleid" en niet "wat ben ik toch snel afgeleid"?
Soit.
Ik wilde het dus eigenlijk helemaal niet over Margaretha van Leuven hebben, maar over Meta.
Uiteraard begin ik altijd met het nodige opzoekingswerk, je zou wel gek zijn vandaag de dag om onvoorbereid het intellectuele debat aan te gaan.
Maar dan kom je tot de vaststelling dat "meta" kan verwijzen naar de meisjesnaam "Margaretha" en voor je het weet (!) -daar heb je het weer- zit ik dus mijn tijd (!) te verbeuzelen met de levensgeschiedenis van de fiere Margriet uit te pluizen. (Kan u zich inbeelden hoe lang het duurt voor ik zo'n zin op papier heb gezet? De lijdensweg die ik afgelegd heb nog voor ik eigenlijk begonnen ben?)
http://nl.wikipedia.org/wiki/Meta

Meta- is in het Nederlands en in veel andere Europese talen een voorvoegsel dat betreffende het onderwerp zelf betekent.

Even vooraf een opvallend hiaat signaleren. Meta kan ook verwijzen naar een virus. Het metavirus. Dat is het meest dodelijke virus voor het brein. Het meta-virus vernietigt langzaam (!)  maar zeker (!) de creativiteit waardoor het brein uiteindelijk afsterft.

Maar we dwalen dus af. Het gaat hier over het voorvoegsel Meta.
Aan de ene kant is er "onwetendheid" en aan de andere kant is er "kennis". Behalve de gekken is iedereen het daar over eens.

"Onder informatie (van Latijn informare: "vormgeven, vormen, instrueren") verstaat men in algemene zin alles wat kennis of bepaaldheid toevoegt en zodoende onwetendheid. onzekerheid of onbepaaldheid vermindert. In striktere zin wordt wel gesteld dat pas van informatie gesproken kan worden als die voor mensen interpreteerbaar is. Het interpreteren en integreren van deze informatie resulteert in kennis."
http://nl.wikipedia.org/wiki/Informatie

Wat zijn we toch lief en begripvol voor elkaar!

Ruis
In welke mate de informatie die overgebracht wordt aankomt bij de ontvanger is afhankelijk van verschillende factoren. Factoren die de informatieoverdracht negatief beïnvloeden worden ruis genoemd. Er bestaan verschillende soorten ruis.
Externe ruis
Onder externe ruis worden factoren verstaan die de ontvanger afleiden waardoor de informatieoverdracht wordt verstoord. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer je een gesprek probeert te voeren in een lawaaiige omgeving.
Interne ruis
Onder interne ruis worden factoren verstaan die gelegen zijn in de informatieontvanger of -verzender zelf. Interne ruis kan veel verschillende oorzaken hebben:
  • Het gesprek vindt plaats in een taal die een of beide gesprekspartners onvoldoende beheersen
  • Een of beide gesprekspartners zijn geëmotioneerd
  • De informatieverzendende partij drukt zich onduidelijk uit of maakt onvoldoende onderscheid tussen hoofd- en bijzaken
  • De informatieontvangende partij trekt voorbarige conclusies of interpreteert de informatie op een manier die de verzendende partij niet voorzien had
  • De informatieontvangende partij ervaart de informatie als irrelevant en verwerkt deze daarom bewust of onbewust niet
  • De informatieverzendende partij geeft meer informatie dan de ontvangende partij kan verwerken ("information overload").
(Als u even een pauze wil inlassen om al die informatie te verwerken kan u altijd een plaspauze nemen. In dat geval verwijs ik u graag naar http://www.bloggen.be/excrementen/ en klikt u op de video.)

Allemaal goed en wel, maar om van "onwetendheid" naar "kennis" te kunnen switchen moeten we op een bepaald moment die ruis toch kunnen detecteren en uitschakelen (dat heb ik uit de cursus "evidence based HRM" die ik gevolgd heb).
Gelukkig is er dan het meta-niveau.

"Informatie kan op inhoudsniveau en betrekkingsniveau gezonden worden. Het inhoudsniveau betreft de concrete inhoudelijke informatie. Betrekkingsniveau is informatie op meta-niveau: bijvoorbeeld informatie over hoe een boodschap moet worden opgevat en hoe de verhoudingen zijn tussen de betrokkenen in een relatie."

Meta-informatie is informatie over de informatie zelf.
Dat kan ik begrijpen.
Informatie over hoe de verhoudingen zijn tussen de betrokkenen in een relatie.
Dat kan ik begrijpen.
Informatie die van een hoger niveau komt is andere informatie dan informatie die van een lager niveau komt.
Meta-niveau informatie is hetzelfde als meta-informatie.
Meta-niveau is geen substantief, het is een bijvoeglijk naamwoord.
Meta-niveau informatie is een bepaald soort informatie.
Net zoals de informatie is de meta-informatie altijd afkomstig van een informatieverzendende partij.
Nochtans heb ik de indruk dat meta-niveau dikwijls als een substantief gebruikt wordt, meta-niveau is ongemerkt een eigen leven gaan leiden in onze maatschappij. Meta-niveau is door een substantief te worden ook een subject geworden. Met dank aan jullie vriend Aristoteles. (Door Aristoteles kwam het begrip subject in gebruik in de zin van substantie, dat is de wezenskern van het ding, datgene wat blijft bestaan onder wisselende omstandigheden. http://nl.wikipedia.org/wiki/Subject_(filosofie)

Meta-niveau kennis is geen kennis van de kennis meer, het is niet langer een bepaald soort kennis, het is kennis die afkomstig is van de informatieverzendende partij "het meta-niveau".

Er is onbepaaldheid en er is bepaaldheid.
De weg tussen die beide polen is de weg van het meta-niveau.
Het meta-niveau is een weg.
Het is zoals de weg vragen.
Als je met de wagen vertraagt naast een voetganger en je draait het raampje naar omlaag en je vraagt "Kan u me zeggen waar ik café terminus kan vinden", dan vraagt u niet naar de locatie van café terminus, dan vraagt u de weg naar café terminus.
Over café terminus gesproken, ik heb er dorst van gekregen. Laten we iets gaan drinken.
Ik heb nog les gekregen van een prof die ooit met zijn studenten op café ging (het was een zeer kleine faculteit).
"Wat je schrijft is helemaal niet belangrijk. Of denk je nu echt dat er iets is tussen hemel en aarde wat nog niet beschreven is? Hoe je erover schrijft is belangrijk".
Dat zei hij terwijl hij achteloos met een lepeltje in zijn koffie roerde.
Meer geleerd op café dan in de les. (Weet u wie de beschermheilige van de horeca is?)
Wat je schrijft is hoe je schrijft.
Café terminus is de weg naar café terminus.

Het is zo ver gekomen dat men de weg vraagt naar het meta-niveau.
Kan u me zeggen waar ik het meta-niveau kan vinden?
Is het de wetenschap?
Bestaat er zoiets als wetenschap van de wetenschap?
Filosofiewetenschap bestaat ja, maar filosofie is dat een wetenschap?
Is het de wiskunde?
Misschien is dat wel zo.
In de meeste talen is het woord voor wiskunde afgeleid van het Griekse woord μάθημα (máthèma), dat wetenschap, kennis of leren betekent.
Wiskunde is kennis.

http://pauli.uni-muenster.de/~munsteg/arnold.html
On teaching mathematics

by V.I. Arnold

This is an extended text of the address at the discussion on teaching of mathematics in Palais de Découverte in Paris on 7 March 1997.
Mathematics is a part of physics. Physics is an experimental science, a part of natural science. Mathematics is the part of physics where experiments are cheap.
The Jacobi identity (which forces the heights of a triangle to cross at one point) is an experimental fact in the same way as that the Earth is round (that is, homeomorphic to a ball). But it can be discovered with less expense.
In the middle of the twentieth century it was attempted to divide physics and mathematics. The consequences turned out to be catastrophic. Whole generations of mathematicians grew up without knowing half of their science and, of course, in total ignorance of any other sciences. They first began teaching their ugly scholastic pseudo-mathematics to their students, then to schoolchildren (forgetting Hardy's warning that ugly mathematics has no permanent place under the Sun).
Since scholastic mathematics that is cut off from physics is fit neither for teaching nor for application in any other science, the result was the universal hate towards mathematicians - both on the part of the poor schoolchildren (some of whom in the meantime became ministers) and of the users.
The ugly building, built by undereducated mathematicians who were exhausted by their inferiority complex and who were unable to make themselves familiar with physics, reminds one of the rigorous axiomatic theory of odd numbers. Obviously, it is possible to create such a theory and make pupils admire the perfection and internal consistency of the resulting structure (in which, for example, the sum of an odd number of terms and the product of any number of factors are defined). From this sectarian point of view, even numbers could either be declared a heresy or, with passage of time, be introduced into the theory supplemented with a few "ideal" objects (in order to comply with the needs of physics and the real world).
Unfortunately, it was an ugly twisted construction of mathematics like the one above which predominated in the teaching of mathematics for decades. Having originated in France, this pervertedness quickly spread to teaching of foundations of mathematics, first to university students, then to school pupils of all lines (first in France, then in other countries, including Russia).
To the question "what is 2 + 3" a French primary school pupil replied: "3 + 2, since addition is commutative". He did not know what the sum was equal to and could not even understand what he was asked about!
Another French pupil (quite rational, in my opinion) defined mathematics as follows: "there is a square, but that still has to be proved".
Judging by my teaching experience in France, the university students' idea of mathematics (even of those taught mathematics at the École Normale Supérieure - I feel sorry most of all for these obviously intelligent but deformed kids) is as poor as that of this pupil.
For example, these students have never seen a paraboloid and a question on the form of the surface given by the equation xy = z2 puts the mathematicians studying at ENS into a stupor. Drawing a curve given by parametric equations (like x = t3 - 3t, y = t4 - 2t2) on a plane is a totally impossible problem for students (and, probably, even for most French professors of mathematics).
Beginning with l'Hospital's first textbook on calculus ("calculus for understanding of curved lines") and roughly until Goursat's textbook, the ability to solve such problems was considered to be (along with the knowledge of the times table) a necessary part of the craft of every mathematician.
Mentally challenged zealots of "abstract mathematics" threw all the geometry (through which connection with physics and reality most often takes place in mathematics) out of teaching. Calculus textbooks by Goursat, Hermite, Picard were recently dumped by the student library of the Universities Paris 6 and 7 (Jussieu) as obsolete and, therefore, harmful (they were only rescued by my intervention).
ENS students who have sat through courses on differential and algebraic geometry (read by respected mathematicians) turned out be acquainted neither with the Riemann surface of an elliptic curve y2 = x3 + ax + b nor, in fact, with the topological classification of surfaces (not even mentioning elliptic integrals of first kind and the group property of an elliptic curve, that is, the Euler-Abel addition theorem). They were only taught Hodge structures and Jacobi varieties!
How could this happen in France, which gave the world Lagrange and Laplace, Cauchy and Poincaré, Leray and Thom? It seems to me that a reasonable explanation was given by I.G. Petrovskii, who taught me in 1966: genuine mathematicians do not gang up, but the weak need gangs in order to survive. They can unite on various grounds (it could be super-abstractness, anti-Semitism or "applied and industrial" problems), but the essence is always a solution of the social problem - survival in conditions of more literate surroundings.
By the way, I shall remind you of a warning of L. Pasteur: there never have been and never will be any "applied sciences", there are only applications of sciences (quite useful ones!).
In those times I was treating Petrovskii's words with some doubt, but now I am being more and more convinced of how right he was. A considerable part of the super-abstract activity comes down simply to industrialising shameless grabbing of discoveries from discoverers and then systematically assigning them to epigons-generalizers. Similarly to the fact that America does not carry Columbus's name, mathematical results are almost never called by the names of their discoverers.
In order to avoid being misquoted, I have to note that my own achievements were for some unknown reason never expropriated in this way, although it always happened to both my teachers (Kolmogorov, Petrovskii, Pontryagin, Rokhlin) and my pupils. Prof. M. Berry once formulated the following two principles:
The Arnold Principle. If a notion bears a personal name, then this name is not the name of the discoverer.
The Berry Principle. The Arnold Principle is applicable to itself.
Let's return, however, to teaching of mathematics in France.
When I was a first-year student at the Faculty of Mechanics and Mathematics of the Moscow State University, the lectures on calculus were read by the set-theoretic topologist L.A. Tumarkin, who conscientiously retold the old classical calculus course of French type in the Goursat version. He told us that integrals of rational functions along an algebraic curve can be taken if the corresponding Riemann surface is a sphere and, generally speaking, cannot be taken if its genus is higher, and that for the sphericity it is enough to have a sufficiently large number of double points on the curve of a given degree (which forces the curve to be unicursal: it is possible to draw its real points on the projective plane with one stroke of a pen).
These facts capture the imagination so much that (even given without any proofs) they give a better and more correct idea of modern mathematics than whole volumes of the Bourbaki treatise. Indeed, here we find out about the existence of a wonderful connection between things which seem to be completely different: on the one hand, the existence of an explicit expression for the integrals and the topology of the corresponding Riemann surface and, on the other hand, between the number of double points and genus of the corresponding Riemann surface, which also exhibits itself in the real domain as the unicursality.
Jacobi noted, as mathematics' most fascinating property, that in it one and the same function controls both the presentations of a whole number as a sum of four squares and the real movement of a pendulum.
These discoveries of connections between heterogeneous mathematical objects can be compared with the discovery of the connection between electricity and magnetism in physics or with the discovery of the similarity between the east coast of America and the west coast of Africa in geology.
The emotional significance of such discoveries for teaching is difficult to overestimate. It is they who teach us to search and find such wonderful phenomena of harmony of the Universe.
The de-geometrisation of mathematical education and the divorce from physics sever these ties. For example, not only students but also modern algebro-geometers on the whole do not know about the Jacobi fact mentioned here: an elliptic integral of first kind expresses the time of motion along an elliptic phase curve in the corresponding Hamiltonian system.
Rephrasing the famous words on the electron and atom, it can be said that a hypocycloid is as inexhaustible as an ideal in a polynomial ring. But teaching ideals to students who have never seen a hypocycloid is as ridiculous as teaching addition of fractions to children who have never cut (at least mentally) a cake or an apple into equal parts. No wonder that the children will prefer to add a numerator to a numerator and a denominator to a denominator.
From my French friends I heard that the tendency towards super-abstract generalizations is their traditional national trait. I do not entirely disagree that this might be a question of a hereditary disease, but I would like to underline the fact that I borrowed the cake-and-apple example from Poincaré.
The scheme of construction of a mathematical theory is exactly the same as that in any other natural science. First we consider some objects and make some observations in special cases. Then we try and find the limits of application of our observations, look for counter-examples which would prevent unjustified extension of our observations onto a too wide range of events (example: the number of partitions of consecutive odd numbers 1, 3, 5, 7, 9 into an odd number of natural summands gives the sequence 1, 2, 4, 8, 16, but then comes 29).
As a result we formulate the empirical discovery that we made (for example, the Fermat conjecture or Poincaré conjecture) as clearly as possible. After this there comes the difficult period of checking as to how reliable are the conclusions .
At this point a special technique has been developed in mathematics. This technique, when applied to the real world, is sometimes useful, but can sometimes also lead to self-deception. This technique is called modelling. When constructing a model, the following idealisation is made: certain facts which are only known with a certain degree of probability or with a certain degree of accuracy, are considered to be "absolutely" correct and are accepted as "axioms". The sense of this "absoluteness" lies precisely in the fact that we allow ourselves to use these "facts" according to the rules of formal logic, in the process declaring as "theorems" all that we can derive from them.
It is obvious that in any real-life activity it is impossible to wholly rely on such deductions. The reason is at least that the parameters of the studied phenomena are never known absolutely exactly and a small change in parameters (for example, the initial conditions of a process) can totally change the result. Say, for this reason a reliable long-term weather forecast is impossible and will remain impossible, no matter how much we develop computers and devices which record initial conditions.
In exactly the same way a small change in axioms (of which we cannot be completely sure) is capable, generally speaking, of leading to completely different conclusions than those that are obtained from theorems which have been deduced from the accepted axioms. The longer and fancier is the chain of deductions ("proofs"), the less reliable is the final result.
Complex models are rarely useful (unless for those writing their dissertations).
The mathematical technique of modelling consists of ignoring this trouble and speaking about your deductive model in such a way as if it coincided with reality. The fact that this path, which is obviously incorrect from the point of view of natural science, often leads to useful results in physics is called "the inconceivable effectiveness of mathematics in natural sciences" (or "the Wigner principle").
Here we can add a remark by I.M. Gel'fand: there exists yet another phenomenon which is comparable in its inconceivability with the inconceivable effectiveness of mathematics in physics noted by Wigner - this is the equally inconceivable ineffectiveness of mathematics in biology.
"The subtle poison of mathematical education" (in F. Klein's words) for a physicist consists precisely in that the absolutised model separates from the reality and is no longer compared with it. Here is a simple example: mathematics teaches us that the solution of the Malthus equation dx/dt = x is uniquely defined by the initial conditions (that is that the corresponding integral curves in the (t,x)-plane do not intersect each other). This conclusion of the mathematical model bears little relevance to the reality. A computer experiment shows that all these integral curves have common points on the negative t-semi-axis. Indeed, say, curves with the initial conditions x(0) = 0 and x(0) = 1 practically intersect at t = -10 and at t = -100 you cannot fit in an atom between them. Properties of the space at such small distances are not described at all by Euclidean geometry. Application of the uniqueness theorem in this situation obviously exceeds the accuracy of the model. This has to be respected in practical application of the model, otherwise one might find oneself faced with serious troubles.
I would like to note, however, that the same uniqueness theorem explains why the closing stage of mooring of a ship to the quay is carried out manually: on steering, if the velocity of approach would have been defined as a smooth (linear) function of the distance, the process of mooring would have required an infinitely long period of time. An alternative is an impact with the quay (which is damped by suitable non-ideally elastic bodies). By the way, this problem had to be seriously confronted on landing the first descending apparata on the Moon and Mars and also on docking with space stations - here the uniqueness theorem is working against us.
Unfortunately, neither such examples, nor discussing the danger of fetishising theorems are to be met in modern mathematical textbooks, even in the better ones. I even got the impression that scholastic mathematicians (who have little knowledge of physics) believe in the principal difference of the axiomatic mathematics from modelling which is common in natural science and which always requires the subsequent control of deductions by an experiment.
Not even mentioning the relative character of initial axioms, one cannot forget about the inevitability of logical mistakes in long arguments (say, in the form of a computer breakdown caused by cosmic rays or quantum oscillations). Every working mathematician knows that if one does not control oneself (best of all by examples), then after some ten pages half of all the signs in formulae will be wrong and twos will find their way from denominators into numerators.
The technology of combatting such errors is the same external control by experiments or observations as in any experimental science and it should be taught from the very beginning to all juniors in schools.
Attempts to create "pure" deductive-axiomatic mathematics have led to the rejection of the scheme used in physics (observation - model - investigation of the model - conclusions - testing by observations) and its substitution by the scheme: definition - theorem - proof. It is impossible to understand an unmotivated definition but this does not stop the criminal algebraists-axiomatisators. For example, they would readily define the product of natural numbers by means of the long multiplication rule. With this the commutativity of multiplication becomes difficult to prove but it is still possible to deduce it as a theorem from the axioms. It is then possible to force poor students to learn this theorem and its proof (with the aim of raising the standing of both the science and the persons teaching it). It is obvious that such definitions and such proofs can only harm the teaching and practical work.
It is only possible to understand the commutativity of multiplication by counting and re-counting soldiers by ranks and files or by calculating the area of a rectangle in the two ways. Any attempt to do without this interference by physics and reality into mathematics is sectarianism and isolationism which destroy the image of mathematics as a useful human activity in the eyes of all sensible people.
I shall open a few more such secrets (in the interest of poor students).
The determinant of a matrix is an (oriented) volume of the parallelepiped whose edges are its columns. If the students are told this secret (which is carefully hidden in the purified algebraic education), then the whole theory of determinants becomes a clear chapter of the theory of poly-linear forms. If determinants are defined otherwise, then any sensible person will forever hate all the determinants, Jacobians and the implicit function theorem.
What is a group? Algebraists teach that this is supposedly a set with two operations that satisfy a load of easily-forgettable axioms. This definition provokes a natural protest: why would any sensible person need such pairs of operations? "Oh, curse this maths" - concludes the student (who, possibly, becomes the Minister for Science in the future).
We get a totally different situation if we start off not with the group but with the concept of a transformation (a one-to-one mapping of a set onto itself) as it was historically. A collection of transformations of a set is called a group if along with any two transformations it contains the result of their consecutive application and an inverse transformation along with every transformation.
This is all the definition there is. The so-called "axioms" are in fact just (obvious) properties of groups of transformations. What axiomatisators call "abstract groups" are just groups of transformations of various sets considered up to isomorphisms (which are one-to-one mappings preserving the operations). As Cayley proved, there are no "more abstract" groups in the world. So why do the algebraists keep on tormenting students with the abstract definition?
By the way, in the 1960s I taught group theory to Moscow schoolchildren. Avoiding all the axiomatics and staying as close as possible to physics, in half a year I got to the Abel theorem on the unsolvability of a general equation of degree five in radicals (having on the way taught the pupils complex numbers, Riemann surfaces, fundamental groups and monodromy groups of algebraic functions). This course was later published by one of the audience, V. Alekseev, as the book The Abel theorem in problems.
What is a smooth manifold? In a recent American book I read that Poincaré was not acquainted with this (introduced by himself) notion and that the "modern" definition was only given by Veblen in the late 1920s: a manifold is a topological space which satisfies a long series of axioms.
For what sins must students try and find their way through all these twists and turns? Actually, in Poincaré's Analysis Situs there is an absolutely clear definition of a smooth manifold which is much more useful than the "abstract" one.
A smooth k-dimensional submanifold of the Euclidean space RN is its subset which in a neighbourhood of its every point is a graph of a smooth mapping of Rk into R(N - k) (where Rk and R(N - k) are coordinate subspaces). This is a straightforward generalization of most common smooth curves on the plane (say, of the circle x2 + y2 = 1) or curves and surfaces in the three-dimensional space.
Between smooth manifolds smooth mappings are naturally defined. Diffeomorphisms are mappings which are smooth, together with their inverses.
An "abstract" smooth manifold is a smooth submanifold of a Euclidean space considered up to a diffeomorphism. There are no "more abstract" finite-dimensional smooth manifolds in the world (Whitney's theorem). Why do we keep on tormenting students with the abstract definition? Would it not be better to prove them the theorem about the explicit classification of closed two-dimensional manifolds (surfaces)?
It is this wonderful theorem (which states, for example, that any compact connected oriented surface is a sphere with a number of handles) that gives a correct impression of what modern mathematics is and not the super-abstract generalizations of naive submanifolds of a Euclidean space which in fact do not give anything new and are presented as achievements by the axiomatisators.
The theorem of classification of surfaces is a top-class mathematical achievement, comparable with the discovery of America or X-rays. This is a genuine discovery of mathematical natural science and it is even difficult to say whether the fact itself is more attributable to physics or to mathematics. In its significance for both the applications and the development of correct Weltanschauung it by far surpasses such "achievements" of mathematics as the proof of Fermat's last theorem or the proof of the fact that any sufficiently large whole number can be represented as a sum of three prime numbers.
For the sake of publicity modern mathematicians sometimes present such sporting achievements as the last word in their science. Understandably this not only does not contribute to the society's appreciation of mathematics but, on the contrary, causes a healthy distrust of the necessity of wasting energy on (rock-climbing-type) exercises with these exotic questions needed and wanted by no one.
The theorem of classification of surfaces should have been included in high school mathematics courses (probably, without the proof) but for some reason is not included even in university mathematics courses (from which in France, by the way, all the geometry has been banished over the last few decades).
The return of mathematical teaching at all levels from the scholastic chatter to presenting the important domain of natural science is an espessially hot problem for France. I was astonished that all the best and most important in methodical approach mathematical books are almost unknown to students here (and, seems to me, have not been translated into French). Among these are Numbers and figures by Rademacher and Töplitz, Geometry and the imagination by Hilbert and Cohn-Vossen, What is mathematics? by Courant and Robbins, How to solve it and Mathematics and plausible reasoning by Polya, Development of mathematics in the 19th century by F. Klein.
I remember well what a strong impression the calculus course by Hermite (which does exist in a Russian translation!) made on me in my school years.
Riemann surfaces appeared in it, I think, in one of the first lectures (all the analysis was, of course, complex, as it should be). Asymptotics of integrals were investigated by means of path deformations on Riemann surfaces under the motion of branching points (nowadays, we would have called this the Picard-Lefschetz theory; Picard, by the way, was Hermite's son-in-law - mathematical abilities are often transferred by sons-in-law: the dynasty Hadamard - P. Levy - L. Schwarz - U. Frisch is yet another famous example in the Paris Academy of Sciences).
The "obsolete" course by Hermite of one hundred years ago (probably, now thrown away from student libraries of French universities) was much more modern than those most boring calculus textbooks with which students are nowadays tormented.
If mathematicians do not come to their senses, then the consumers who preserved a need in a modern, in the best meaning of the word, mathematical theory as well as the immunity (characteristic of any sensible person) to the useless axiomatic chatter will in the end turn down the services of the undereducated scholastics in both the schools and the universities.
A teacher of mathematics, who has not got to grips with at least some of the volumes of the course by Landau and Lifshitz, will then become a relict like the one nowadays who does not know the difference between an open and a closed set.
V.I. Arnold
Translated by A.V. GORYUNOV


Men vraagt niet meer naar de weg van het meta-niveau.
Iedereen heeft een gps.
Men is vergeten hoe de krasse knar langs de kant van de weg zijn klak van zijn hoofd nam en nadenkend over zijn kalende kop wreef om dan behoedzaam te antwoorden. (it's a prose poem!)

De weg naar het meta-niveau is altijd rechtdoor.
Altijd rechtdoor tot je bij een groene deur komt.
En dan is het terug rechtdoor tot een rode deur.
Die stroeft een beetje.
Ja, en dan is het eigenlijk terug rechtdoor tot je bij een zwarte deur komt.
Dat is een hele zware deur, die gaat echt wel moeilijk open.
Wacht hé, efkes denken.
Ja, best is van dan gewoon rechtdoor te gaan.
Rechtdoor tot aan een gele deur.
En daar moet ge het nog maar een keer vragen.

"Indien een en ander anders is geschied dan ik het heb geschreven, moet dat veeleer verweten worden aan hen door wie deze feiten werden verteld."
middeleeuws hagiograaf, genaamd Caesarius, tekende de legende van Margaretha van Leuven voor de eerste keer op in 1222 ter illustratie van de deugd eenvoud in zijn werk Dialogus miraculorum
http://nl.wikipedia.org/wiki/Margaretha_van_Leuven
Is dat niet prachtig?
Is het geen tijd (!) om terug te keren naar de eenvoud?
Complex models are rarely useful (unless for those writing their dissertations).
Is het geen tijd (!) om de "duistere middeleeuwen" te opwaarderen?
Is het geen tijd (!) om wat de prof in zijn vrije tijd zegt "leerstof" te maken, om een leerstoel "cafépraat" op te richten.

Nog een tip voor onderweg: vergeet je niet te vaccineren.
De term vaccineren komt van het Latijnse woord vaccinia, koepokken. De term vaccineren werd namelijk oorspronkelijk gebruikt voor de aan het einde van de 18e eeuw door Edward Jenner ontwikkelde methode om mensen met de koepokken te besmetten, waardoor ze ook weerstand kregen tegen de voor mensen gevaarlijke 'gewone' pokken.

"Over SKEPP, of wanneer wetenschap een ideologie wordt."
Dat is de titel van een essay.
Wetenschap en ideologie worden bij aanvang als twee aparte entiteiten naar voor geschoven.
En het blijven ook twee aparte entiteiten.
Behalve in bepaalde (!) gevallen.

Wie kan daar nu een uur over schrijven pap?
Zelfstudie is de slaap van de rede. ;-)

Yours truly,
Isabel Korstjens.

Ik denk dat ik haar een nieuwe dekbedovertrek van Winnie-the-pooh cadeau ga doen.




Isabel Korstjens


WAT NU...?


P.S. De naam in de hoofding is om privacy redenen gewijzigd.

vrijdag 17 februari 2012

Saskia De Coster



Ik wil zo graag eens iets anders lezen, iets radicaal (dat is het tegenovergestelde van "extreem") anders.
Dus begon ik vol goede moed aan de column van Saskia De Coster.
http://www.saskiadecoster.com/result_nieuws.php?N_Id=550

OBEES

Column in De Morgen van 16 februari:
Er bestaan mensen die lekker goed in hun vlees zitten. Je hebt een bepaald type mensen die naar een glas water kijken en spontaan een kilo bijkomen. Maar de meerderheid van de meer dan 500 miljoen zwaarlijvige mensen op deze planeet eet verkeerd. Obesitas is ondertussen officieel erkend als epidemie door de Wereldgezondheidsorganisatie. Bij epidemieën schiet de overheid doorgaans in actie. Aan obesitas hebben ze een lastige klant. Een persoon met overgewicht kost de samenleving heel wat meer dan een gezond persoon. Iemand die overmatig rookt ook. Roken kun je makkelijk aan banden leggen maar eten kun je niet zomaar zwaar gaan belasten of verbieden op openbare plaatsen, hoewel voedsel ook verslavend spul kan zijn. Iedereen heeft bepaalde hoeveelheden eten nodig. Moet je obesitaslijders dan penaliseren of zwaarder laten bijdragen, of volstaat sensibilisatie? De overheid heeft het er vaak moeilijker mee dan de privésector. Zwaarlijvigen dubbel laten betalen voor twee vliegtuigzitjes lijkt vanzelfsprekender dan iemand dubbel laten bijdragen voor de sociale zekerheid.


Zwaarlijvigheid is een even groot taboe als seks: we zijn geobsedeerd door onze dagelijkse kost maar rechtstreeks iemand over zijn overgewicht ondervragen, dàt doe je niet. Dikke mensen wekken nochtans best wat ergernis op. Obesitas heeft iets decadents, iets je m'en foutistisch, iets openlijk morbides. Een langgerekte flirt met de dood. Een obesitaslijder lijkt iedere zelfbeheersing te ontberen. Alsof de Vetduivel die persoon bij het nekvel heeft gegrepen en hem of haar als een willoze gans volpropt. De waggelende bewoners van het avondland vreten zich lustig de ondergang tegemoet. Laat de mensen zich lekker volproppen, laat hen sneuvelen door hartverzakkingen en kransslagaderverstoppingen. Struisvogeliaanse oplossingen voor obesitas, met als tagline 'Big is beautiful' willen doen alsof het dubbele van je lengte wegen de normaalste zaak van de wereld is. De wereld en haar stoelpoten moeten maar steviger worden.
Uitgerekend in Amerika, waar 45 procent van de volwassen mensen aan obesitas lijden, vind je op veel producten gedetailleerde voedingsinformatie en heb je pakweg waterige yoghurt met de smaak van oma's crème au beurre. Calorieën tellen is een fixatie en toch blijft het evenwicht zoek. Hoe meer lightproducten, hoe meer dikke mensen, lijkt het wel. Wie leest er al die kleine cijfertjes? Blijkbaar alleen zij die zichzelf graag trakteren omdat ze de hele dag al zo lekker light gegeten hebben. Het doet me denken aan shoppen tijdens de koopjesperiode. Door al die kortingen lijkt het haast alsof je geld aan het verdienen bent door spullen te kopen die goedkoper zijn dan anders. 50 euro in plaats van 100 euro, dat is lekker 50 euro verdiend!
Virussen en epidemieën zijn tegenwoordig populairder dan De Kreuners ooit waren. Virussen verspreiden is crimineel gedrag en wordt strafrechtelijk vervolgd, of je nu aidslijder of computerhacker bent. De gedachte is dat wie moedwillig een virus verspreidt, echt wel een pervert is. Bedrijven worden helaas niet als rechtspersonen beschouwd. Voedingsgiganten mogen verslavend, kunstmatig verrijkt, aangelengd, gemanipuleerd spul toevoegen om de koper zo veel mogelijk van hun product te laten consumeren en een verslavingseffect te creëren. Dat is nu eenmaal wat een goeie commerçant doet: klanten tevreden laten terugkeren. Een goeie commerçant zou echter alles in rekening moeten brengen, of daar toch onder milde - lees: financiële - dwang toe gebracht moeten worden. Obese, doodzieke mensen zijn een deel van de rekening.
Wie draait er voor de kosten op? Bart Eeckhout stelde zich (DM 13/2) de vraag waarom rokers zo geviseerd worden als het om extra lasten voor de ziekenzorg gaat. Waarom dus niet ook overeters eens onder de loep nemen? In Denemarken werd onlangs een vettaks ingevoerd, om de verantwoordelijke burger aan te sporen te kiezen voor de meer gezonde alternatieven. Als je dat combineert met een lastenverlaging voor de gezondere alternatieven, dan is dat geen belastingverhoging maar een sturend middel naar een gezondere samenleving.
Frieten zijn niet ongezond als ze met natuurlijke producten zijn gemaakt al kunnen ze wel aan je kont blijven kleven, Coca-Cola Light vol mogelijk kankerverwekkende aspartaam is wel ongezond, brood zonder kunstmatig vet is gezond. Vrij simpel hoor. En als consument blijf je zelf verantwoordelijk en kun je zonder repressie kiezen wat je wilt eten en hoe goed je in het vlees wil zitten. Bedrijven die zich niet willen inzetten voor een gezondere samenleving zullen dan wel vanzelf afslanken.

Ik wil zo graag eens iets anders lezen, iets radicaal anders.
U ook?
Vooruit dan: vijfvoortwaalf Privé!

Ik weet waarom Bart De Wever op dieet gegaan is.
Ik weet dat omdat hij mij dat tussen pot en pint (Bart had inderdaad een glaasje gedronken) verteld heeft. Ik weet niet meer wat de aanleiding was, maar het gesprek was om de één of andere reden naar het onderwerp "favoriete onenighstand" afgegleden.
"En gij Bart", vroeg er iemand langs zijn neus weg.
"Saskia De Coster", zei Bart samenzweerderig.
"Ge moest is weten wat dat mij is overkomen", ging hij op fluistertoon verder toen hij eerst even de zaal op ongewenste toehoorders had gespot.
"Zoals ge weet begin ik het danig op mijn heupen te krijgen van altijd dezelfde opmerkingen over zwaargewichten in de politiek. Zit ik daar een paar weken geleden op een literair evenement samen met Saskia De Coster. 'Hoeveel weegt gij eigenlijk', vraagt ze. (Bart De Wever die Saskia De Coster imiteert, dat is topklasse, daar kan "tegen de sterren op" niet aan tippen) Ik heb nog efkes getwijfeld om te liegen, maar ja, ge weet hoe dat gaat, vroeg of laat komt dat toch uit en ge kunt de krantenkoppen al zelf bedenken hé. Dus ik zeg de waarheid. 'Amai', zegt ze, 'dan kan ik drie keer in u". Ja, ik kreeg het hé mannen. Dus ik antwoord haar: 'ik ook in u, maar ge moet me wel efkes tijd geven."
Hilariteit alom.
"Ssss", zei Bart die niet de aandacht wou trekken.
"En toen?", vroeg iemand uit het gezelschap.
"Ge kent die toch jong, die Saskia, een franke tik met een groot bakkes. Heel efkes was die van de wijs, maar die had haar eigen rap herpakt. Zegt die 'bewijst dat maar eens'. 'k Had weer beter gezwegen, 'k kan verdekke elke morgen in 't park gaan lopen om mijne fysiek een beetje op peil te krijgen."

't is ni waar hé!
Recht van Antwoord.

Geachte,
Als raadsheer van D.D.D. verzoeken wij u met aandrang een recht van antwoord te plaatsen. Vermits u op onduidelijke wijze feit en fictie met elkaar vermengd wensen wij ons uitdrukkelijk te distanciëren van de door u beschreven omstandigheden waarin bepaalde uitspraken zouden hebben plaats gevonden.
Walter Van Steenbrugge.



Serge Simonart



Vandaag telefoon gekregen van de Humo journalist.
Het is een beetje vervelend dat ik altijd van "de Humo journalist" moet spreken, maar ik ben zijn naam kwijt. Ik zie hem zo voor me, maar ik kan verdorie op zijn naam niet komen. Het was iets met sssss..., het ligt op het tipje van mijn tong nochtans.
"Of ik geen vervolg aan mijn favoriete onenightstand wilde breien", hijgde hij.
Daar baal ik dus van, van journalisten die zich niet realiseren wat de betekenis is van hun vraag "wie is je favoriete onenightstand".
"Doe mij NU maar Lies Lefever", antwoordde ik.

donderdag 16 februari 2012

Margot Vanderstraeten



Vandaag heb ik een journalist van Humo op bezoek gehad.
Ja,ja, ik word een B.V.
De zeven hoofdzonden.
U begrijpt wellicht dat het een kort interview is geworden.
Om toch maar iets te kunnen publiceren vroeg Humo naar mijn favoriete onenightstand.
Dat is zonder twijfel Margot Vanderstraeten.
Wat een mokkel! Zo'n hete doos! Ik ken geen geiler wijf dan Margootje capootje.
Ik spreek uit ervaring.
De Humo journalist heeft nu nog altijd kramp in zijn vingers. De arme kerel kon nauwelijks volgen met schrijven toen ik mijn seksuele strapatsen met Margot Vanderstraeten uit de doeken deed. Zijn tong hing uit zijn mond, al weet ik niet of dat van de inspanning was of eerder een soort Pavlov reactie.
"Man, man, man", zei hij telkens weer.  En maar pennen. "Man, man, man".
Uiteraard kan ik hier moeilijk de saillante details weergeven, dan zou de primeur van Humo volledig de mist in gaan. Laat mij het behoedzaam uitdrukken als de nacht (en nog een groot stuk van de dag ) waarin de meest perverse fantasieën van Herman Brusselmans werkelijkheid worden. Dan weet u het wel zeker.
We moeten daar overigens niet hypocriet over doen, een onenightstand heeft alleen te maken met seks. Rauwe seks. Rauw is lekker. Daar zijn zowel de gezonde omnivoor als de gezonde vegetariër het over eens.
Margot Vanderstraeten is rauwe seks. Verstand op nul en loos gaan.
Over loos gaan gesproken. Laveloos. Margot had een paar glaasjes op. Sindsdien heb ik alle vertrouwen in de wetenschap verloren. Ik geloof geen fluit van die wetenschappelijke studies die zogezegd aantonen dat alcoholgebruik een negatieve invloed zou hebben op het libido. "Eerst zien en dan geloven" is mijn motto. En ik heb het gezien.

Laat mij u eens verwennen lieve lezer.
NEE, zo bedoel ik het niet!
Wat ik niet aan Humo verteld heb zal ik hier wel vertellen om u te bedanken voor uw trouw.
Mijn onenightstand eindigde een klein beetje in mineur.
"Jij bent helemaal het einde", zei Margot eindelijk uitgeput, "jij bent absoluut de max".
"Jij bent een meesteres van de ironie", wuifde ik het compliment weg.
Maar dat had ze niet echt begrepen.
Toen werd het toch een beetje te kinky voor mij.

Noot: Kan iemand mij het adres van Margot bezorgen?
          Ik ben zinnens haar een excuusbriefje te sturen.
         Haar dwingen om naar zichzelf te kijken als het ware.
          (Ter herinnering: Zij IS mijn favoriete onenightstand.)


Het al te flauwe excuusbriefje van Sien Eggers


Margot Vanderstraeten − 16/02/12, 07u55
Racisme mag nooit getolereerd worden, ook niet van dronken actrices. Margot Vanderstraeten is schrijfster en journaliste.
  • Jammer dat Véronique Boubane haar klacht terugtrekt; en dat er in de theaterwereld niemand is – of ik moet hem/haar hebben gemist – die aan Sien Eggers duidelijk maakt dat haar discriminerend gedrag onacceptabel is
Een halve dag per week kan dit appartement rekenen op het huishoudelijke werk van M.

M is een zwarte poetsvrouw; ze werkt in het wit. Officieel heet M een thuishelpster, maar aan het tooien van de taal doet ze niet. Wel tooit ze haar hoofd: elke week draagt ze een andere pruik in een andere kleur, en soms moet ik haar echt van top tot teen bekijken om zeker te weten dat zij het is, die daar in mijn keuken staat.

Onlangs sprak M mij aan over een supermarkt in onze buurt. Ze zei dat ze daar meestal ging winkelen. Niet omdat ze daar zo graag naartoe wil. Wel omdat het om een praktisch adres gaat: vlakbij haar huis.

Als het van M afhing, zou ze haar boodschappen liever elders doen. Want dat de caissières in deze supermarkt - die niet tot een keten behoort, maar een familiezaak is - racistisch zijn. En of ik dat dan nog nooit heb opgemerkt?

Wat?

"Dat de caissières weigeren om klanten van zichtbaar vreemde origine aan te kijken. Dat ze erg hun best doen om ons te negeren, behalve als het om onze handtas gaat: aan vrouwen zoals ik vragen ze systematisch om die te openen, ter controle op gestolen waren. Sommige caissières nemen het geld dat ik hen overhandig gewoon niet aan, weet je dat? Ze wachten tot ik het heb neergelegd. Ze willen mijn hand niet aanraken. Hetzelfde gebeurt als ze me geld moeten teruggeven. Er is er daar eentje, een wat oudere, die het geld echt op de kassaband smijt."

Neen dus. Ik had het nooit gemerkt. Tot ik met haar meeging, en achter haar aanschoof. Toen moest ik helaas vaststellen dat ze gelijk had. Een Turkse vrouw onderging overigens exact hetzelfde lot.

M is een mondige burger, met veel zelfvertrouwen.

Deze eigenschappen helpen haar zeker in het dagelijkse leven. Toch gaat ze, onder meer door deze zelfredzame karaktertrek, aan de ernst van de zaak voorbij: het subtiele mechanisme van vernedering dat in deze Antwerpse supermarkt wordt toegepast, is vernietigend. En het tolereren ervan is onaanvaardbaar.

Juist mondige mensen als M kunnen dit soort uitingen van alledaags racisme aankaarten. Sterker: ze zouden er keer op keer een probleem van moeten maken. Want waarom werkt M, die bijzonder verstandig en daadkrachtig is, voorlopig als poetsvrouw? En waarom zal ze pas volgend jaar weer gaan studeren, toerisme? Onder meer omdat onze sociale orde haar, willens nillens, een intellectueel inferioriteitsgevoel heeft aangepraat?

De kans is groot dat ook Véronique Boubane een mondige en zelfverzekerde vrouw is. Boubane is de ex-miss België-kandidate die een racismeklacht tegen Sien Eggers indiende, en die, na het verkrijgen van een flauw en onvolwassen excuusbriefje van de actrice, haar klacht toch weer introk.

Zogenaamd progressief
Het is, in het breder kader van onze pluralistische democratie, betreurenswaardig dat Boubane niet langer een punt maakt van de discriminerende uitspraken van Sien Eggers. In datzelfde kader is het verwerpelijk dat bepaalde, zogenaamde progressieve stemmen uit het 'theatermilieu' het nodig achten om voor Eggers in de bres te springen. Wie dit doet, relativeert een discriminerende daad die onder geen enkel beding gerelativeerd mag worden. Racistische uitingen moeten altijd geproblematiseerd worden. Zelfs als ze door drank worden gestuurd. De ontkenning of afzwakking van racisme is op zich een racistische uitlating.

Het grote verschil met pakweg een halve eeuw geleden is immers dat raciale onderdrukking vandaag niet meer openlijk beleden wordt. Openlijk racisme wordt afgewezen. En juist daardoor heeft racisme, dat waarschijnlijk inherent is aan de mens, zich andere gedaanten aangemeten. Racisme schuilt vandaag, net als seksisme, vooral op verdoken en impliciete wijze in het dagelijkse leven. Je kunt er de vinger meestal niet op leggen.

In deze evolutie schuilt natuurlijk een gevaar. Alles wat impliciet is, is moeilijk vast te grijpen. En dus ook moeilijk te bestrijden en te bestraffen.

Daarom is het essentieel om iedere keer op te komen tegen elke systematische -bewuste en onbewuste - onderwaardering van diegene die niet beantwoordt aan de vertrouwde, veilige, maatschappelijke norm. Daarom is het jammer dat M geen klacht indient bij de supermarkt in kwestie; dat Véronique Boubane haar klacht terugtrekt; en dat er in de theaterwereld niemand is - of ik moet hem/haar hebben gemist - die aan Sien Eggers duidelijk maakt dat haar discriminerend gedrag onacceptabel is.

Racisme, incidenteel en structureel, mag niet beschouwd worden als louter een ideologie die eventueel gekenterd kan worden met flauwe excuses of met uitspraken à la 'ik ben geen racist maar...' Racisme is een complex proces dat, soms zonder dat we het doorhebben, in allerlei routinepraktijken van het dagelijkse en nachtelijke leven sluipt. Hoe meer klachten er ingediend worden, hoe groter de kans dat de samenleving, ook structureel, gedwongen zal worden om naar zichzelf te kijken.

Noot: De naam van de supermarkt kan op aanvraag verkregen worden